Let op. Deze wet is vervallen op 1 november 2009. U leest nu de tekst die gold op 31 oktober 2009.

Besluit woninggebonden subsidies 1995

Uitgebreide informatie
Besluit van 6 oktober 1994, houdende herziening van het Besluit woninggebonden subsidies
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 31 maart 1994, nr. MJZ31394008, Centrale Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving;
Gelet op de artikelen 67, 70, 78, 81, 82, 84 en 88 van de Woningwet en artikel 18 van de Financiële-Verhoudingswet 1984;
Gezien het advies van de Raad voor de Volkshuisvesting van 20 december 1993, nr. 216;
De Raad van State gehoord (advies van 18 juli 1994, nr. W08.94.0206;
Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 29 september 1994, nr. MJZ 29994011, Centrale Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving;
Hebben goedgevonden en verstaan:
1.
In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. programma: programma als bedoeld in artikel 64, tweede lid, onderdeel b, van de Woningwet, zoals dat onderdeel luidde op 31 december 1999;
b. sociale verhuurder: toegelaten instelling als bedoeld in artikel 70 van de Woningwet, of afzonderlijk organisatie-onderdeel van de gemeente dat is belast met de exploitatie van van gemeentewege gebouwde of verworven woongelegenheden;
c. voorziening: bouwkundige maatregel aan een woning, die strekt tot verbetering van de indeling of het woongerief, waaronder begrepen de daartoe noodzakelijke opheffing van technische gebreken, of die strekt tot bouwkundige splitsing van een woning of samenvoeging van woningen;
d. regionaal openbaar lichaam: regionaal openbaar lichaam als bedoeld in de Kaderwet bestuur in verandering ;
e. budgethoudende bestuursorgaan: bestuursorgaan dat ten laste van op voet van dit besluit toegekende budgetten subsidie kan verstrekken, en dat is:
1°. het algemeen bestuur van een regionaal openbaar lichaam;
2°. het algemeen bestuur van een ander openbaar lichaam als bedoeld in artikel 8 van de Wet gemeenschappelijke regelingen, waarin gemeenten samenwerken die gezamenlijk volgens de bevolkingscijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek op 1 januari 1991 ten minste 30 000 inwoners hadden, voor zover provinciale staten onder toepassing van artikel 81, vierde lid, van de Woningwet, zoals dat artikellid luidde op 31 december 1999, taken of bevoegdheden hebben gedelegeerd aan gemeenten en die gemeenten die taken en bevoegdheden in dat openbaar lichaam hebben ingebracht, welk openbaar lichaam hierna wordt genoemd "budgetbeherend samenwerkingsverband";
3°. de raad van een gemeente die geen deel uitmaakt van een regionaal openbaar lichaam of budgetbeherend samenwerkingsverband en op 1 januari 1990 ten minste 30 000 inwoners had volgens de bevolkingscijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek, welke gemeente hierna wordt genoemd "budgetbeherende gemeente" of
4°. de staten van een provincie, voor zover zij niet tot delegatie als bedoeld onder 2° zijn overgegaan, of het de verstrekking van financiële middelen betreft aan gemeenten, niet zijnde gemeenten als bedoeld onder 3°, die uit een budgetbeherend samenwerkingsverband zijn getreden, welke provincie hierna in zoverre wordt genoemd "budgetbeherende provincie";
f. ontvanger: betrokken regionaal openbaar lichaam, budgetbeherend samenwerkingsverband, budgetbeherende gemeente of budgetbeherende provincie;
g. ingrijpende voorzieningen aan woningen:
1°. bouwkundige splitsingen van verhuurde of te verhuren woningen en
2°. andere te treffen ingrijpende voorzieningen aan verhuurde of te verhuren woningen waarvan de bouw voor 1 januari 1946 is voltooid.
2.
In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt onder eigendom mede verstaan: recht van opstal, recht van erfpacht, appartementsrecht of lidmaatschap van een coöperatie, indien op grond van dat lidmaatschap het recht op het uitsluitende gebruik bestaat van een aan die coöperatie in bloot eigendom toebehorende woning.
3.
Dit besluit is, behoudens voor zover krachtens artikel 33 anders is bepaald, niet van toepassing op verzorgingshuizen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel b, van de Overgangswet verzorgingshuizen.
Artikel 2
Onze Minister kan aan provinciale staten een aanwijzing geven met het oog op de delegatie, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel e, onder 2°. Alvorens hij een aanwijzing geeft, voert hij overleg met de betrokken provincie. Hij stelt in de aanwijzing een termijn waarbinnen daaraan gevolg moet zijn gegeven.
Artikel 19
Ten aanzien van de toegekende budgetten gelden uitsluitend de voorwaarden dat:
a. het budgethoudende bestuursorgaan Onze Minister op zijn eerste verzoek van alle door hem verlangde bescheiden inzage verleent en alle door hem verlangde inlichtingen verstrekt welke naar zijn redelijk oordeel noodzakelijk zijn voor een juist toezicht op de naleving van de gestelde voorwaarden;
b. het budgethoudende bestuursorgaan elk bedrag dat beschikbaar komt als gevolg van een intrekking vóór 1 januari 2005 van een beschikking tot subsidieverlening of subsidievaststelling ten laste van een budget, aan dat budget toevoegt;
c. het budgethoudende bestuursorgaan afdeling 2 van dit hoofdstuk naleeft, en
d. het budgethoudende bestuursorgaan op zodanige wijze ten laste van de toegekende budgetten subsidie verstrekt voor het bouwen van woningen, standplaatsen of woonwagens, of voor het treffen van ingrijpende voorzieningen aan woningen, dan wel het algemeen bestuur van een regionaal openbaar lichaam of budgetbeherend samenwerkingsverband of de raad van een budgetbeherende gemeente op zodanige wijze ten laste van die budgetten besluit tot een van die activiteiten, dat op 1 januari 2005 daarvoor geen budget meer beschikbaar is.
1.
Onze Minister betaalt een budget dat is toegekend op voet van dit besluit, zoals het luidde op 31 december 1999 uit in twee jaarbedragen, die elk gelijk zijn aan de helft van dat budget.
2.
De jaarbedragen worden uitbetaald in het tweede en derde kalenderjaar na het kalenderjaar waarvoor het programma gold ter uitvoering waarvan het betrokken budget is toegekend.
3.
Onze Minister houdt bij de toepassing van het eerste en tweede lid op een door hem te bepalen wijze rekening met de bedragen die als gevolg van een onherroepelijk geworden besluit tot gehele of gedeeltelijke intrekking als bedoeld in artikel 29, zesde lid, 30 of 31 kunnen worden teruggevorderd.
4.
Onze Minister kan van het eerste lid afwijken, indien de mate van beschikbaarheid van kasmiddelen daar naar zijn oordeel aanleiding toe geeft.
1.
Het budgethoudende bestuursorgaan kan ten laste van de toegekende budgetten subsidie verstrekken voor uitsluitend het bouwen van woningen, standplaatsen of woonwagens of het treffen van ingrijpende voorzieningen aan woningen.
2.
Het algemeen bestuur van een regionaal openbaar lichaam of budgetbeherend samenwerkingsverband en de raad van een budgetbeherende gemeente kunnen voorts ten laste van de toegekende budgetten besluiten tot uitsluitend een of meer van de in het eerste lid genoemde activiteiten.
Artikel 23
Het budgethoudende bestuursorgaan geeft toepassing aan artikel 22 op een zodanige wijze, dat:
a. daardoor zo veel mogelijk wordt voldaan aan de behoefte aan woningen op het grondgebied van de ontvanger;
b. daardoor de bouwtechnische kwaliteit van de huurwoningen binnen dat grondgebied op een zo hoog mogelijk peil wordt gebracht en gehouden;
c. daarbij rekening wordt gehouden met de financiële draagkracht van de binnen dat grondgebied werkzame sociale verhuurders;
d. daarmee zo veel mogelijk wordt voldaan aan bij ministeriële regeling gestelde regels inzake de naar financiële draagkracht van de bewoners evenwichtige verdeling van de huurwoningen en
e. daarmee wordt bevorderd dat de woningvoorraad in elke wijk en buurt binnen dat grondgebied naar prijsklasse zo gedifferentieerd mogelijk van samenstelling is.
1.
Het budgethoudende bestuursorgaan brengt een verordening in het belang van de volkshuisvesting tot stand, die in elk geval omvat:
a. de doeleinden waarvoor dat bestuursorgaan subsidie kan verstrekken;
b. degenen aan wie dat bestuursorgaan subsidie kan verstrekken;
c. regels inzake de wijze van aanvragen van door dat bestuursorgaan te verstrekken subsidie;
d. de bij de aanvraag over te leggen gegevens en bescheiden;
e. de termijnen voor de beslissing omtrent de aanvraag;
f. de gronden om subsidie niet te verstrekken, genoemd in de artikelen 25 en 26;
g. de overige gronden om subsidie niet te verstrekken;
h. de verplichting die geldt ingevolge artikel 27;
i. de overige verplichtingen die gelden bij het verstrekken van subsidie;
j. regels inzake de totstandkoming van het bedrag van de subsidie;
k. de wijze waarop het budgethoudende bestuursorgaan de kosten vaststelt van het bouwen van woningen, standplaatsen en woonwagens en van het treffen van ingrijpende voorzieningen aan woningen, die voor subsidie in aanmerking komen;
l. de termijnen voor de indiening van de gegevens en bescheiden in verband met de financiële en administratieve afwikkeling van de activiteiten waarvoor subsidie is verstrekt;
m. de termijnen voor de beslissing omtrent de subsidievaststelling en
n. de wijze en het tijdstip of de tijdstippen van uitbetalen van de subsidie.
2.
Uit de verordening, bedoeld in het eerste lid, blijkt dat de bepalingen die ingevolge de onderdelen a en f tot en met k van dat lid daarin worden opgenomen, van overeenkomstige toepassing zijn op besluiten als bedoeld in artikel 22, tweede lid.
3.
Het budgethoudende bestuursorgaan neemt in de verordening, bedoeld in het eerste lid, voorts bepalingen op waaruit blijkt op welke wijze het uitvoering geeft aan artikel 23. Dat bestuursorgaan geeft daarbij in elk geval het verband aan tussen de criteria, genoemd in artikel 23, onderdelen a tot en met e, en de bepalingen die ingevolge het eerste lid, onderdelen a , b en f tot en met j in die verordening worden opgenomen.
4.
Het hoogste bedrag voor de koopsom van een woning, of voor de koopsom van bouwrijpe grond vermeerderd met de aanneemsom van een woning, voor het verkrijgen in eigendom van welke woning het budgethoudende bestuursorgaan aan degene die een zodanige woning als eigenaar zal bewonen, subsidie kan verstrekken waarvan de hoogte afhankelijk is van het inkomen van die eigenaar, is € 101.449. Dat bedrag kan bij ministeriële regeling worden gewijzigd, indien daartoe aanleiding bestaat wegens wijziging van de prijzen in verband met het bouwen van woningen.
5.
Indien het budgethoudende bestuursorgaan in de verordening, bedoeld in het eerste lid, bepaalt dat subsidie als bedoeld in de eerste volzin van het vierde lid kan worden verstrekt, maakt het in die volzin genoemde bedrag deel uit van de regels die het inzake de verstrekking van zodanige subsidie stelt.
Artikel 25
Het budgethoudende bestuursorgaan geeft ten aanzien van het bouwen van of het treffen van ingrijpende voorzieningen aan woningen geen toepassing aan artikel 22, indien:
a. die woningen niet geschikt of bestemd zijn om voortdurend door dezelfde persoon of personen te worden bewoond of
b. die woningen bestemd zijn voor of in gebruik zijn als ambts- of dienstwoning.
1.
Het budgethoudende bestuursorgaan geeft ten aanzien van het bouwen van een standplaats geen toepassing aan artikel 22, indien door het bouwen van die standplaats in de onmiddellijke nabijheid van andere standplaatsen het aantal bijeengelegen standplaatsen meer dan 15 zou komen te bedragen.
2.
Het budgethoudende bestuursorgaan kan afwijken van het eerste lid. Het afwijken van het eerste lid behoeft de toestemming van gedeputeerde staten. De artikelen 10:28 tot en met 10:31 van de Algemene wet bestuursrecht zijn van overeenkomstige toepassing. Gedeputeerde staten stellen een door de provincie ingestelde commissie op het gebied van de volkshuisvesting, waarvan een inspecteur deel uitmaakt, in de gelegenheid haar zienswijze omtrent de voorgenomen afwijking aan hen kenbaar te maken.
3.
Gedeputeerde staten kunnen slechts toestemming verlenen aan het budgethoudende bestuursorgaan om van het eerste lid af te wijken, indien:
a. de bouw van de standplaats samen met de bouw van andere standplaatsen in de onmiddellijke nabijheid daarvan strekt tot vervanging van standplaatsen die zijn gelegen op een regionaal centrum als bedoeld in de bijlage , behorende bij de artikelen 2, derde lid, 5, 26 en 82 van de Huisvestingswet, en het budgethoudende bestuursorgaan een termijn heeft gesteld waarbinnen dat centrum moet zijn opgeheven of verkleind, en
b. het budgethoudende bestuursorgaan ten genoegen van gedeputeerde staten aannemelijk heeft gemaakt dat er, gelet op de ter plaatse geldende voorschriften inzake de ruimtelijke ordening, geen andere mogelijkheden zijn voor het bouwen van standplaatsen, of naar het oordeel van gedeputeerde staten het belang van de huisvesting van de bewoners van het betrokken centrum, bedoeld in onderdeel a , dan wel de maatschappelijke samenhang binnen die groep bewoners, die afwijking noodzakelijk maakt.
4.
Gedeputeerde staten delen een toestemming als bedoeld in het tweede lid mee aan Onze Minister.
1.
Bij toepassing van artikel 22 ten aanzien van het treffen van ingrijpende voorzieningen aan een woning gelden de verplichtingen dat:
a. de kosten van de voorzieningen meer bedragen dan € 22 689,01 en
b. de warmteweerstand van de gevel en het dak na het treffen van de voorzieningen gelijk is aan of hoger is dan 1,3 m2kW.
2.
Ingeval de toepassing, bedoeld in het eerste lid, betrekking heeft op een aantal administratief in een plan voor het treffen van ingrijpende voorzieningen samengevoegde woningen, en aan die woningen voorzieningen worden getroffen die in financieel opzicht met elkaar vergelijkbaar zijn, wordt aan het eerste lid, onderdeel a , voldaan, indien de gemiddelde kosten van de voorzieningen aan de in dat plan opgenomen woningen meer bedragen dan € 22 689,01.
3.
Het budgethoudende bestuursorgaan kan slechts afwijken van het eerste lid, aanhef en onderdeel b , indien:
a. de gevel niet geschikt is voor het daaraan aanbrengen van spouwmuurisolatie;
b. het dak niet geschikt is voor het aanbrengen van isolatie tussen de dakbedekking en het dakbeschot of
c. de betrokken woning een beschermd monument is in de zin van artikel 3 van de Monumentenwet 1988 of als beschermd monument is aangewezen in een provinciale of gemeentelijke verordening, door het treffen van de voorzieningen onder naleving van dat onderdeel dat monument zou worden gewijzigd en om die reden daarvoor geen vergunning als bedoeld in artikel 11 van die wet zou worden verleend.
4.
Indien het treffen van de voorzieningen leidt tot bouwkundige splitsing van een woning of samenvoeging van woningen, wordt voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel a , het aantal in het plan opgenomen woningen gesteld op het geprojecteerde aantal woningen na die splitsing of samenvoeging.
1.
Het budgethoudende bestuursorgaan doet aan Onze Minister toekomen, op een formulier volgens het model in bijlage I bij dit besluit met bijbehorende toelichting:
a. voor 15 september 2001: een verslag met betrekking tot de toepassing van artikel 22 in het jaar 2000, en
b. voor 15 september 2005: een verslag met betrekking tot de toepassing van artikel 22 in de jaren 2001 tot en met 2004.
2.
Het budgethoudende bestuursorgaan neemt in het verslag, bedoeld in het eerste lid, op:
a. een uiteenzetting waarin het aangeeft op welke wijze de ontvanger bij de besteding van de toegekende budgetten toepassing heeft gegeven aan de criteria, genoemd in artikel 23, onderdelen a tot en met e, en waarin het aannemelijk maakt dat de ontvanger daarmee artikel 23 heeft nageleefd, en
b. een uiteenzetting over het beleid dat het heeft gevoerd ten aanzien van het tegengaan van misbruik en oneigenlijk gebruik van ingevolge dit besluit verstrekte subsidie.
3.
Het verslag, bedoeld in het eerste lid, gaat vergezeld van een verklaring omtrent de getrouwheid van dat verslag en omtrent de naleving van de voorwaarden, welke verklaring is afgegeven door een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek. De verklaring wordt opgesteld met inachtneming van bijlage II bij dit besluit en gaat vergezeld van het rapport van bevindingen, bedoeld in punt 3 van het onderdeel, getiteld «Richtlijnen», van die bijlage.
1.
Onze Minister bevestigt binnen vier weken de ontvangst van de in artikel 28 bedoelde bescheiden. Hij zendt een afschrift van die bescheiden aan de betrokken gedeputeerde staten.
2.
Indien een of meer van de in artikel 28 bedoelde bescheiden niet of naar het oordeel van Onze Minister onvolledig zijn verstrekt, doet hij daarvan mededeling aan het budgethoudende bestuursorgaan binnen acht weken na het verstrijken van de in artikel 28, eerste lid, onderdeel a of b, bedoelde dag onderscheidenlijk na ontvangst van die bescheiden.
3.
Onze Minister stelt bij de in het tweede lid bedoelde mededeling een termijn van ten hoogste acht weken waarbinnen de ontbrekende bescheiden alsnog moeten worden verstrekt.
4.
Indien het budgethoudende bestuursorgaan de ontbrekende bescheiden niet binnen de krachtens het derde lid gestelde termijn verstrekt, kan Onze Minister de in artikel 21 bedoelde uitbetaling opschorten.
5.
De opschorting wordt opgeheven op het tijdstip waarop naar het oordeel van Onze Minister blijkt dat de ontbrekende bescheiden alsnog zijn verstrekt. Het door de opschorting niet uitbetaalde bedrag wordt terstond na de opheffing van de opschorting uitbetaald, of zo spoedig als daarvoor kasmiddelen beschikbaar zijn, doch uiterlijk zes maanden na die opheffing.
6.
Indien het budgethoudende bestuursorgaan een jaar na de in artikel 28, eerste lid, onderdeel a of b, bedoelde dag de ontbrekende bescheiden niet heeft verstrekt, kan Onze Minister het besluit tot toekenning van het betrokken budget geheel of gedeeltelijk intrekken. Indien hij daartoe overgaat, stelt hij de hoogte van het in te trekken bedrag vast.
1.
Onze Minister kan, uiterlijk zes maanden na de ontvangst van de volledige in artikel 28 bedoelde bescheiden, een besluit tot toekenning van een budget geheel of gedeeltelijk intrekken, voor zover naar zijn oordeel:
a. niet is voldaan aan de bij of krachtens dit besluit gestelde voorwaarden, met uitzondering van de voorwaarde, genoemd in artikel 23;
b. het verslag, bedoeld in artikel 28, eerste lid, met uitzondering van de uiteenzettingen, bedoeld in artikel 28, tweede lid, daartoe aanleiding geeft, of
c. de verklaring, bedoeld in artikel 28, derde lid, voor zover deze betrekking heeft op de getrouwheid van dat verslag en de naleving van de bij of krachtens dit besluit gestelde voorwaarden, met uitzondering van de voorwaarde, genoemd in artikel 23, daartoe aanleiding geeft.
2.
Indien Onze Minister uitvoering geeft aan het eerste lid, stelt hij de hoogte van het in te trekken bedrag vast en geeft hij daarbij aan op welk besluit de intrekking betrekking heeft.
1.
Onze Minister kan een besluit tot toekenning van een budget voorts geheel of gedeeltelijk intrekken, indien:
a. de gegevens op grond waarvan dat budget is toegekend zodanig onjuist blijken te zijn dat, waren de juiste gegevens bekend geweest, een andere beslissing zou zijn genomen;
b. de omstandigheden sedert het tijdstip waarop dat budget is toegekend zodanig zijn gewijzigd, dat:
1°. het budgethoudende bestuursorgaan redelijkerwijs niet of niet tijdig in staat is ten laste van dat budget of een belangrijk deel daarvan op zodanige wijze subsidie te verstrekken voor het bouwen van woningen, standplaatsen of woonwagens of het treffen van ingrijpende voorzieningen aan woningen, dat wordt voldaan aan de voorwaarden, gesteld bij of krachtens dit besluit, of
2°. het algemeen bestuur van een regionaal openbaar lichaam of budgetbeherend samenwerkingsverband of de raad van een budgetbeherende gemeente redelijkerwijs niet of niet tijdig in staat is ten laste van dat budget of een belangrijk deel daarvan op zodanige wijze te besluiten tot een van de activiteiten, genoemd onder 1°, dat wordt voldaan aan de voorwaarden, gesteld bij of krachtens dit besluit, of
c. niet binnen de krachtens artikel 2, derde volzin, gestelde termijn gevolg is gegeven aan een aanwijzing als bedoeld in de eerste volzin van dat artikel.
2.
Artikel 30, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
1.
Onze Minister kan van dit besluit afwijken of afwijking daarvan toestaan ten behoeve van experimenten die naar zijn oordeel in het belang van de volkshuisvesting zijn.
2.
Onze Minister kan bepalen dat een afwijking als bedoeld in het eerste lid van kracht blijft in gevallen dat het experiment is afgesloten, hij dat experiment als zodanig geslaagd beschouwt dat dit naar zijn oordeel tot wijziging van dit besluit zou moeten leiden, en die wijziging nog niet van kracht is geworden en in werking is getreden.
1.
Op de uitbetaling van op voet van het Besluit woninggebonden subsidies verleende geldelijke steun blijft dat besluit van toepassing, met dien verstande dat:
a. voor de toepassing van bijlage III, punt 3, onderdelen a, c en e, van dat besluit, als luidende op 31 december 1994, het percentage, bedoeld in genoemd onderdeel a, gelijk staat aan het percentage dat, met gebruikmaking van de in dat onderdeel opgenomen berekeningswijze daarvan, blijkt uit het verslag dat ingevolge dat besluit is of wordt uitgebracht over het jaar waarvoor het budget voor de sociale-bouwsector in de zin van dat besluit, waarop die bijlage wordt toegepast, is toegekend;
b. in afwijking van bijlage VI, punt 6, onderdeel b, van dat besluit, als luidende op 31 december 1994, elk inkomen dat op het tijdstip van toepassing van artikel 37, eerste lid, van dat besluit, als luidende op die datum, in aanmerking wordt genomen voor het bepalen van de som, bedoeld in de aanhef van punt 5 van die bijlage, als luidende op die datum, gelijk is aan het gecorrigeerde verzamelinkomen, bedoeld in artikel 1a, eerste lid, van de Wet bevordering eigenwoningbezit, bij de vermindering van welk inkomen in punt 6, onderdeel b, onder 1 e , van die bijlage, als luidende op die datum, voor «huurwaarde, bedoeld in artikel 42a, eerste lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, met dien verstande dat bij de toepassing van laatstgenoemd artikel voor de bepaling van de waarde in het economische verkeer het bedrag van de kosten van het verkrijgen in eigendom van de woning wordt aangehouden» wordt gelezen« eigenwoningwaarde, bedoeld in artikel 3.112, tweede lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001, als berekend volgens die wet», en
c. in de laatste twee volzinnen van de in onderdeel b genoemde bijlage voor onderscheidenlijk «het zuiver loon, bedoeld in artikel 9 van de Wet op de loonbelasting 1964 (Stb. 1990, 104)» en «een zuiver loon in de zin van de Wet op de loonbelasting 1964 » wordt gelezen onderscheidenlijk:« het gecorrigeerde belastbare loon, bedoeld in artikel 1a, derde lid, van de Wet bevordering eigenwoningbezit» en «een gecorrigeerd belastbaar loon als bedoeld in artikel 1a, derde lid, van de Wet bevordering eigenwoningbezit».
2.
Het eerste lid is niet van toepassing voor zover verleende geldelijke steun als bedoeld in dat lid wordt afgekocht krachtens het Besluit verplichte afkoop woninggebonden subsidies .
1.
Het budgethoudende bestuursorgaan voegt aan het laatstelijk op voet van dit besluit toegekende budget ter uitvoering van het programma toe elk bedrag dat beschikbaar komt als gevolg van:
a. een intrekking van een besluit, genomen krachtens artikel 24, eerste of derde lid, 28, 32, eerste lid, 38, 42, eerste lid, 45, eerste of tweede lid, 48, eerste of tweede lid, of 49 van het Besluit woninggebonden subsidies, die plaatsvindt voor de melding van de voltooiing van de woning, standplaats of woonwagen, of van de voorziening aan de woning of standplaats, en de vaststelling van het bedrag aan geldelijke steun die voor die woning, standplaats, woonwagen of voorziening aan die woning of standplaats is verleend, of
b. een verlaging van de hoofdsom krachtens artikel 37, vierde lid, van het Besluit woninggebonden subsidies, die volgt op het voor de eerste maal toepassing geven aan artikel 37, eerste lid, van dat besluit, zonder dat aan die toepassing een verzoek als bedoeld in artikel 37, tweede lid, van dat besluit is voorafgegaan.
2.
Toevoegingen als bedoeld in het eerste lid geschieden door het budgethoudende bestuursorgaan dat toepassing geeft aan artikel 22.
3.
Op de besteding van de in het eerste lid bedoelde bedragen is dit besluit van overeenkomstige toepassing.
1.
De raad van elke gemeente die met ingang van 1 januari 1995, of met ingang van enig later tijdstip, deel uitmaakt van een regionaal openbaar lichaam of budgetbeherend samenwerkingsverband, en voordien budgetbeherende gemeente was, draagt het bedrag dat op dat tijdstip resteert van de aan die gemeente toegekende budgetten over aan dat openbaar lichaam of samenwerkingsverband. De raad van de betrokken gemeente voert dat bedrag, onder de betrokken posten "Restant budget", op in het verslag, bedoeld in artikel 28, eerste lid.
2.
Het algemeen bestuur van het betrokken regionaal openbaar lichaam of budgetbeherende samenwerkingsverband voert het in het eerste lid bedoelde bedrag, onder de post "Restant budgetten vorige jaren", op in het betrokken verslag, bedoeld in artikel 28, eerste lid, van dit besluit.
Artikel 38a
Dit besluit wordt ingetrokken met ingang van de eerste dag van de tweede kalendermaand na het tijdstip waarop het Besluit verplichte afkoop woninggebonden subsidies volledig in werking is getreden.
Artikel 47
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit woninggebonden subsidies 1995.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad wordt geplaatst.
's-Gravenhage, 6 oktober 1994
De Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,
Uitgegeven de achttiende oktober 1994
De Minister van Justitie,
Inhoudsopgave
+ Hoofdstuk I. Algemene bepalingen
+ Hoofdstuk II
+ Hoofdstuk III. De verstrekking van geldelijke steun
+ Hoofdstuk IV. Verdere bepalingen
+ Hoofdstuk V. Overgangs- en slotbepalingen
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht