Let op. Deze wet is vervallen op 1 januari 2008. U leest nu de tekst die gold op -.

Besluit woon- en verblijfsgebouwen milieubeheer

Uitgebreide informatie
Besluit van 7 oktober 1998, houdende regels voor inrichtingen voor woon- en verblijfsgebouwen (Besluit woon- en verblijfsgebouwen milieubeheer)
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 20 november 1997, nr. MJZ97571275, Centrale Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving;
Gelet op de artikelen 8.40, 8.41 en 8.42 van de Wet milieubeheer, richtlijn nr. 91/689/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 12 december 1991 betreffende gevaarlijke afvalstoffen (PbEG L 377) en richtlijn nr. 91/271/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 mei 1991 betreffende stedelijk afvalwater (PbEG L 135);
De Raad van State gehoord (advies van 11 februari 1998, nr. W08.97.0745);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 1 oktober 1998, nr. MJZ 98093748, Centrale Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Artikel 1
In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. andere geluidsgevoelige gebouwen: andere geluidsgevoelige gebouwen als bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder;
b. bevoegd gezag: bestuursorgaan dat bevoegd zou zijn een vergunning te verlenen voor een inrichting als bedoeld in artikel 2;
c. vergunning: vergunning die is verleend krachtens artikel 8.1 van de Wet milieubeheer;
d. bijlage: bij dit besluit behorende bijlage;
e. brandbare vloeistof: vloeistof of een verfproduct waarvan het vlampunt gelegen is op 55°C of hoger (K3-vloeistof);
f. gevaarlijke stof: stof die of preparaat dat bij of krachtens het Besluit verpakking en aanduiding milieugevaarlijke stoffen en preparaten is ingedeeld in een categorie als bedoeld in artikel 34, tweede lid, van de Wet milieugevaarlijke stoffen ;
g. geluidniveau: niveau van het ter plaatse optredende geluid, uitgedrukt in dB(A), overeenkomstig de door de Internationale Electrotechnische Commissie (IEC) opgestelde regels, zoals neergelegd in de IEC-publicatie nr. 651, uitgave 1979;
h. equivalent geluidniveau: gemiddelde van de afwisselende niveaus van het ter plaatse optredende geluid, gemeten in de loop van een bepaalde periode en vastgesteld en beoordeeld overeenkomstig de «Handleiding meten en rekenen industrielawaai, IL-HR-13-01», uitgave 1981;
i. woning: gebouw of gedeelte van een gebouw dat voor bewoning wordt gebruikt of daartoe is bestemd, met uitzondering van een zodanig gebouw of gedeelte van een gebouw dat deel uitmaakt van een inrichting en van een dienst- of bedrijfswoning;
j. laboratorium: inrichting die of gedeelte van een inrichting dat is bestemd voor het bedrijfsmatig verrichten van handelingen met stoffen of preparaten ten behoeve van wetenschappelijk onderzoek of commerciële doeleinden;
k. geluidsgevoelige terreinen: geluidsgevoelige terreinen als bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder;
l. piekniveau Lmax: maximaal geluidniveau gemeten in de meterstand «F» of «fast»;
m. vuurwerk: vuurwerk in de zin van het Vuurwerkbesluit .
1.
Dit besluit is van toepassing op een inrichting waar een of meer voorzieningen of installaties aanwezig zijn, waardoor de inrichting kan worden aangemerkt als uitsluitend of in hoofdzaak een gebouw voor:
a.
1°. tijdelijke of permanente bewoning;
2°. het bieden van dag- of nachtverblijf of het bieden van sociaal maatschappelijke opvang, hulp- of dienstverlening, of
3°. het bieden van opvang, of tijdelijk verblijf aan personen;
b. het leveren van administratieve diensten of producten, anders dan het verkopen of verhuren aan particulieren van roerende zaken, het verrichten van administratieve werkzaamheden of het verrichten van financiële transacties;
c. het voorbereiden en het houden van kerkelijke of levensbeschouwelijke bijeenkomsten of lijkplechtigheden;
d. het bieden van onderwijs, opleiding, vorming of cursussen;
e. het verrichten van medische of paramedische controle, onderzoek, behandeling, het bieden van verpleging, verzorging of therapie of het afnemen van bloed of plasma;
f. het opslaan en uitlenen van hulp- of verzorgingsartikelen ten behoeve van de thuiszorg;
g. het opslaan van boeken, documenten, bescheiden of andere informatiedragers en voortbrengsels van kunst, cultuur of wetenschap, of
h. het voorbereiden of uitvoeren van radio- of televisie-uitzendingen met een permanente voorziening voor de aanwezigheid van bezoekend publiek tot een maximum van 50 personen.
2.
Dit besluit is eveneens van toepassing op inrichtingen waarin uitsluitend of in hoofdzaak sprake is van een samenstel van bedrijvigheden als bedoeld in het eerste lid, onder a tot en met h.
Artikel 3
Dit besluit is niet van toepassing op een inrichting als bedoeld in artikel 2, indien:
a. in de inrichting of een onderdeel daarvan een of meer stookinstallaties voor verwarming of warmtekrachtopwekking aanwezig zijn met een thermisch vermogen per toestel van 2500 kW of meer;
b. in de inrichting of een onderdeel daarvan een of meer installaties of voorzieningen aanwezig zijn die kunnen worden gebruikt voor het verstoken of verbranden van andere brandstoffen dan aardgas, propaangas, butaangas of gasolie, tenzij sprake is van een open haard voor het verbranden van hout, die alleen is bedoeld voor bij- of sfeerverwarming;
c. in de inrichting of een onderdeel daarvan koel- of vriesinstallaties of warmtepompen aanwezig zijn met een capaciteit of een totale capaciteit van meer dan 200 kg ammoniak of van meer dan 100 kg propaan, butaan of mengsels van propaan en butaan;
d. afvalstoffen worden op- of overgeslagen die van buiten de inrichting afkomstig zijn voorzover de inrichting beschikt over een capaciteit:
1°. van meer dan 35 m 3 voor de opslag van afvalstoffen;
2°. voor de opslag van gevaarlijke afvalstoffen, of
3°. van meer dan 1000 m 3 per jaar voor de overslag van afvalstoffen;
e. in de inrichting of een onderdeel daarvan voorzieningen of installaties aanwezig zijn voor het:
1°. opslaan van gevaarlijke stoffen met een capaciteit van 10 000 kg of meer;
2°. afleveren van brandstoffen aan andere transportmiddelen dan die welke voor eigen gebruik binnen de inrichting worden gebruikt;
3°. opslaan van vloeibare gevaarlijke stoffen of vloeibare gevaarlijke afvalstoffen in tanks, tenzij sprake is van opslaan in ondergrondse tanks, waarop het Besluit opslaan in ondergrondse tanks 1998 van toepassing is, dan wel sprake is van opslaan van brandbare vloeistoffen in bovengrondse tanks dan wel sprake is van een opslag overeenkomstig voorschrift 2.1.5, onder a;
4°. opslaan van gassen of gasmengsels in tanks, tenzij sprake is van opslag waarop het Besluit voorzieningen en installaties milieubeheer van toepassing is, of
5°. opslaan van gewasbeschermingsmiddelen of biociden als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden met een capaciteit van 400 kg of meer;
f. deze is ingericht:
1°. voor het doen verblijven van dieren van anderen dan degene die de inrichting drijft, op een terrein in de open lucht;
2°. als hippisch opleidingscentrum;
3°. voor het bedrijfsmatig houden, fokken, verhandelen of slachten van dieren;
4°. als brandweerkazerne, of
5°. voor het opslaan van vuurwerk.
g. vaklokalen of werkplaatsen niet uitsluitend of in hoofdzaak worden gebruikt voor onderwijs dan wel voor onderhoud, ondersteuning of reparatie van tot de inrichting behorende gebouwen, installaties of toestellen;
h. in de inrichting onderzoek of werkzaamheden worden verricht met genetisch gemodificeerde organismen, als bedoeld in artikel 1, onder f, van het Besluit genetisch gemodificeerde organismen Wet milieugevaarlijke stoffen;
i. de inrichting of een onderdeel daarvan is bestemd tot praktijkruimte voor chemisch of biochemisch, natuurkundig, technisch, agrarisch of veterinair onderwijs waarop de Wet op het hoger onderwijs en het wetenschappelijk onderzoek van toepassing is;
j. de inrichting of een onderdeel daarvan is bestemd tot academisch ziekenhuis, als bedoeld in artikel 1.13 van de Wet op het hoger onderwijs en het wetenschappelijk onderzoek, of tot laboratorium, dan wel deel uitmaakt van een krachtens artikel 5 van de Wet toelating zorginstellingen als ziekenhuis toegelaten instelling;
k. in de inrichting met vuurwapens wordt geschoten, met ontvlambare of explosieve voorwerpen wordt geworpen of op een open terrein van de inrichting met wapens werkend met luchtdruk of gasdruk wordt geschoten;
l. het totale permanent aanwezige elektromotorische en verbrandingsmotorische vermogen voor reprografische activiteiten meer bedraagt dan 40 kW, of
m. de inrichting is bestemd tot tandartspraktijk.
1.
De voorschriften die zijn opgenomen in de bijlage gelden voor een ieder die de inrichting drijft. Deze draagt er zorg voor dat de voorschriften worden nageleefd.
2.
Indien een voorschrift dat is opgenomen in de bijlage, hoofdstukken 1 tot en met 3, inhoudt dat daarbij aangegeven middelen ter bescherming van het milieu moeten worden toegepast, kan degene die de inrichting drijft, andere middelen toepassen mits hij, voordat hij die andere middelen toepast, aan het bevoegd gezag aantoont dat met de door hem gekozen middelen een ten minste gelijkwaardige bescherming voor het milieu wordt bereikt.
1.
Het bevoegd gezag kan nadere eisen stellen met betrekking tot:
a. de in de bijlage opgenomen voorschriften ten aanzien van geluid, trilling, energie, afvalstoffen, afvalwater, waterbesparing, lucht en verlichting, voorzover dat in hoofdstuk 4 van die bijlage is aangegeven, of
b. de aanwezigheid van brandbestrijdingsmiddelen, de veiligheid van toestellen en installaties voor gas of elektriciteit, de veiligheid van de opslag van stoffen, onderzoek naar bodemverontreiniging voorzover dat in hoofdstuk 4 van de bijlage is aangegeven, de gevolgen van het verkeer van personen of goederen van en naar de inrichting, en de nadelige gevolgen voor het milieu die de inrichting kan veroorzaken waarop paragraaf 1.8 van de bijlage betrekking heeft, indien dat bijzonder is aangewezen in het belang van de bescherming van het milieu.
2.
De nadere eisen gelden voor een ieder die de inrichting drijft. Deze draagt er zorg voor dat de nadere eisen worden nageleefd.
3.
Het bevoegd gezag kan nadere eisen wijzigen of aanvullen in het belang van de bescherming van het milieu, of wijzigen of intrekken indien het belang van de bescherming van het milieu zich daartegen niet verzet.
1.
Degene die een inrichting opricht, meldt dit tevoren aan het bevoegd gezag.
2.
De melding geschiedt ten minste vier weken voor het tijdstip waarop de inrichting zal worden opgericht.
3.
Het eerste en het tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing met betrekking tot het veranderen van een inrichting en het veranderen van de werking daarvan. Deze melding is niet vereist, indien eerder een melding overeenkomstig dit artikel is gedaan en door dit veranderen geen afwijking ontstaat van de bij die melding verstrekte gegevens.
4.
Bij de melding wordt vermeld:
a. het adres van de inrichting;
b. de naam en het adres van degene die de inrichting opricht dan wel verandert of de werking daarvan verandert, en, indien degene die de inrichting drijft of zal drijven, een andere persoon is, de naam en het adres van die persoon;
c. de aard van en de activiteiten of processen in de inrichting;
d. de indeling en de uitvoering van de inrichting, en
e. het tijdstip waarop de inrichting of de verandering daarvan in werking zal worden gebracht, dan wel de verandering van de werking daarvan verwezenlijkt zal zijn.
5.
De in het vierde lid vermelde gegevens behoeven niet te worden verstrekt indien degene die de inrichting drijft, deze gegevens reeds aan het bevoegd gezag heeft verschaft en het bevoegd gezag over die gegevens beschikt.
6.
Degene die de melding doet, geeft in voorkomend geval bij de melding aan welke gegevens hij reeds aan het bevoegd gezag heeft verschaft.
1.
Voor een inrichting die op het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit reeds was opgericht en waarvoor onmiddellijk daaraan voorafgaand een vergunning gold, blijven de voorschriften van die vergunning gelden als nadere eis, bedoeld in artikel 5, behoudens eerdere wijziging of intrekking van die voorschriften, gedurende drie jaar na het tijdstip van het van toepassing worden van dit besluit op die inrichting, mits het voorschrift betrekking heeft op een onderwerp dat is genoemd in artikel 5, eerste lid.
2.
De nadere eisen die onmiddellijk voorafgaande aan de inwerkingtreding van dit besluit golden krachtens het Besluit woon- of kantoorgebouwen milieubeheer of het Besluit scholen en opleidingsinstituten milieubeheer, blijven gelden als nadere eis, bedoeld in artikel 5, na het tijdstip van de inwerkingtreding van dit besluit, mits het voorschrift betrekking heeft op een onderwerp dat is genoemd in artikel 5, eerste lid.
1.
Indien op het tijdstip waarop dit besluit in werking treedt een inrichting reeds is opgericht en voor die inrichting onmiddellijk voor dat tijdstip geen vergunning gold of geen melding was gedaan krachtens het Besluit woon- of kantoorgebouwen milieubeheer of het Besluit scholen en opleidingsinstituten milieubeheer, meldt degene die de inrichting drijft aan het bevoegd gezag dat hij de inrichting in werking heeft.
2.
De melding geschiedt ten hoogste twaalf weken na het tijdstip waarop dit besluit in werking treedt. Artikel 6, vierde tot en met zesde lid, is van overeenkomstige toepassing.
3.
Indien op het tijdstip waarop dit besluit in werking treedt, een aanvraag om een vergunning voor het oprichten van een inrichting door het bevoegd gezag in behandeling is genomen en dit besluit op de inrichting van toepassing is of zal zijn, zijn het eerste en tweede lid niet van toepassing. De aanvraag om de vergunning wordt in dat geval aangemerkt als een melding overeenkomstig artikel 6.
1.
Het Besluit woon- of kantoorgebouwen milieubeheer en het Besluit scholen en opleidingsinstituten milieubeheer worden ingetrokken.
2.
Na de inwerkingtreding van dit besluit berust de Regeling slibvangputten en vet- of olie-afscheiders mede op het in de bijlage opgenomen voorschrift 1.3.13, onder b, c, g en h.
Artikel 10
Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 december 1998.
Artikel 11
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit woon- en verblijfsgebouwen milieubeheer.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
's-Gravenhage, 7 oktober 1998
De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,
Uitgegeven zevenentwintigste oktober 1998
De Minister van Justitie,
Inhoudsopgave
Artikel 1
Artikel 2
Artikel 3
Artikel 4
Artikel 5
Artikel 6
Artikel 7
Artikel 8
Artikel 9
Artikel 10
Artikel 11
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht
Jurisprudentie
Voorbeelden van het gebruik van deze artikel(en) in rechterlijke uitspraken