Besluit van 23 augustus 2001, houdende bepalingen omtrent de bemanning van zeeschepen in de handelsvaart en de zeilvaart (Besluit zeevaartbemanning handelsvaart en zeilvaart)
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 16 augustus 2000, kenmerk DGG/J-00/004155, Directoraat-Generaal Goederenvervoer, Stafafdeling Wetgeving, Bestuurlijke en Juridische Zaken;
Gelet op de artikelen 16, 18, derde, vierde, vijfde en zesde lid, 19, eerste lid, 22, eerste lid, 25, eerste lid, 34, eerste lid, 36, 44, eerste lid, 64 en 71, eerste en vierde lid, van de Zeevaartbemanningswet, op de artikelen 5, eerste lid, en 24, eerste lid, onder e, van de Loodsenwet, op artikel 10, tweede lid, van de Scheepvaartverkeerswet, op het op 7 juli 1978 te Londen tot stand gekomen Internationale Verdrag betreffende de normen voor zeevarenden inzake opleiding, diplomering en wachtdienst, 1978 (Trb. 1981, 144), zoals dat is gewijzigd op 7 juli 1995 (Trb. 1996, 249), op Hoofdstuk III, voorschrift 10, en voorschrift 24–1.3, Hoofdstuk IV, voorschrift 16, Hoofdstuk V, voorschrift 13, onderdeel (c), en Hoofdstuk X, voorschrift 1, 2 en 3, van het op 1 november 1974 te Londen tot stand gekomen Internationale Verdrag tot beveiliging van mensenlevens op zee, 1974, zoals dat is gewijzigd op 23 mei 1994 (Trb.1996, 18), op Richtlijn nr. 94/58/EG van de Raad van de Europese Unie van 22 november 1994 inzake het minimumopleidingsniveau van zeevarenden (PbEG L 319), op Richtlijn nr.98/35/EG van de Raad van de Europese Unie van 25 mei 1998 tot wijziging van Richtlijn 94/58/EG inzake het minimum-opleidingsniveau van zeevarenden (PbEG L 172), op artikel 10, zesde lid, van de Algemene wet erkenning EG-hoger-onderwijsdiploma's, op artikel 13 van de Algemene wet EG-beroepsopleidingen, op Richtlijn nr. 92/29/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 31 maart 1992 betreffende de minimumvoorschriften inzake veiligheid en gezondheid ter bevordering van een betere medische hulpverlening aan boord van schepen (Pb EGL113), op het op 27 juni 1946 te Seattle tot stand gekomen Verdrag No. 69 van de Internationale Arbeidsconferentie inzake het diploma van bekwaamheid als scheepskok, 1946 (Stb. I 328), op het op 27 juni 1946 te Seattle tot stand gekomen Verdrag No. 73 van de Internationale Arbeidsconferentie inzake het geneeskundig onderzoek van zeelieden, 1946 (Stb. I 326) en op het op 27 juni 1946 te Seattle tot stand gekomen Verdrag No. 74 van de Internationale Arbeidsconferentie inzake de diplomering van volmatrozen (Stb. I 330);
De Raad van State gehoord (advies van 3 november 2000, nr. WO9.00 0378/V);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 17 augustus 2001, kenmerk DGG/J-01/005164, Directoraat-Generaal Goederenvervoer, Stafafdeling Wetgeving en Juridische Zaken;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Artikel 1
In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. de wet: de Wet zeevarenden ;
b. voortstuwingsvermogen: het maximale vermogen, uitgedrukt in kiloWatt, dat op het geldige bemanningscertificaat is vermeld;
c. reizen nabij de Nederlandse kust: het gebruik van een schip waarvoor nautische en technische ondersteuning vanaf de wal beschikbaar is, in een vaargebied dat zich uitstrekt tot:
1. de Nederlandse territoriale zee;
2. de aansluitende zone van het Koninkrijk grenzend aan de Nederlandse territoriale zee; of
3. de Nederlandse exclusieve economische zone;
d. reizen nabij de internationale kust: het gebruik van een schip waarvoor nautische en technische ondersteuning vanaf de wal beschikbaar is, in een vaargebied dat een andere Staat die partij is bij het STCW-Verdrag op grond van voorschrift I/3 van de bijlage bij dat verdrag heeft aangemerkt als vaargebied voor reizen nabij de kust;
e. tankschip: een schip, gebouwd of aangepast en gebruikt voor het vervoer in bulk van vloeibare producten;
f. olietankschip: een tankschip gebouwd en gebezigd voor het vervoer in bulk van aardolie of aardolieproducten;
g. chemicaliëntankschip: een tankschip gebouwd en gebezigd voor het vervoer in bulk van vloeibare producten die zijn opgenomen in hoofdstuk 17 van de Internationale Code inzake het vervoer van chemicaliën in bulk;
h. gastankschip: een tankschip gebouwd en gebezigd voor het vervoer in bulk van vloeibaar gemaakt gas of ander product dat is opgenomen in hoofdstuk 19 van de Internationale Code inzake het vervoer van vloeibaar gemaakt gas;
i. passagiersschip: een schip bestemd of gebezigd voor het bedrijfsmatig vervoer van meer dan twaalf passagiers;
j. ro-ro passagiersschip: een passagiersschip met ruimten voor ro-ro lading of ruimten van bijzondere aard, zoals bedoeld in Hoofdstuk II-2/A van het SOLAS-verdrag;
k. hogesnelheidsschip: een schip als bedoeld in artikel 7 van het Schepenbesluit 2004;
l. zeilschip: een schip dat bestemd is en ingericht is om hoofdzakelijk door middel van zeilen te worden voortbewogen;
m. Medisch Adviseur Scheepvaart: de medisch adviseur scheepvaart van Onze Minister of diens plaatsvervanger;
n. kW: kiloWatt;
o. kennisbewijs: een bekwaamheidsbewijs afgegeven door een instelling als bedoeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs (WEB) of in de Wet hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW);
p. schriftelijk bewijs: een bewijs, niet zijnde een vaarbevoegdheidsbewijs of een bekwaamheidsbewijs, dat door een zeevarende aan een beroepsvereiste is voldaan;
q. certificaat: een bekwaamheidsbewijs waaruit blijkt dat een door Onze Minister erkende training met goed gevolg is afgesloten en een bekwaamheidsbewijs als bedoeld in artikel 68 van de wet;
r. High-Speed Craft Code: de ingevolge hoofdstuk X van het SOLAS-verdrag toepasselijke High-Speed Craft Code;
s. aannemersmaterieel: schepen gebruikt voor het uitvoeren van bagger-, kust- of oeverwerken, voor de bevoorrading van op zee gelegen installaties of voor werkzaamheden daaraan en sleepboten, mits gebruikt binnen een afstand van niet meer dan 200 zeemijlen vanuit een met name in het scheepsdagboek vermelde werkhaven, en waarmee geen passagiers of andere gevaarlijke stoffen dan behorend tot de eigen uitrusting worden vervoerd;
t. scheepsbeveiligingsfunctionaris: een zich aan boord bevindende, aan de kapitein verantwoordelijke persoon, dan wel de kapitein zelf, die door de scheepsbeheerder is aangesteld als verantwoordelijke voor de beveiliging van het schip, waaronder begrepen de uitvoering en het onderhoud van het scheepsbeveiligingsplan, en voor het contact met de beveiligingsfunctionaris van de zeescheepvaartonderneming en de beveiligingsfunctionarissen van de havenfaciliteiten.
Artikel 2
Dit besluit is niet van toepassing ten aanzien van vissersvaartuigen en zeilvaartuigen met een lengte van minder dan 12 meter.
1.
Op verzoek van de scheepsbeheerder kan Onze Minister een ontheffing als bedoeld in artikel 16 van de wet verlenen indien blijkt dat:
a. korte tijd voor het vertrek van het schip uit de haven een of meer leden van de bemanning niet beschikbaar zijn;
b. dringende omstandigheden ertoe nopen het vertrek niet langer uit te stellen, en
c. met de aan boord aanwezige bemanning, gelet op de bijzonderheden van de reis, het schip zonder gevaar voor het schip of andere zaken, voor personen, het milieu of de scheepvaart deze reis kan ondernemen.
2.
Op verzoek van de scheepsbeheerder kan Onze Minister een ontheffing als bedoeld in artikel 25 van de wet verlenen, indien:
a. er onvoldoende bemanningsleden, in het bezit van de vereiste kwalificaties, voorhanden zijn,
b. de ontheffing verleend wordt aan een bemanningslid dat in het bezit is van het vaarbevoegdheidsbewijs dat vereist is voor de relevante lagere functie, en
c. met de aan boord aanwezige bemanning, gelet op de bijzonderheden van de reis, het schip zonder gevaar voor het schip of andere zaken, voor personen, het milieu of de scheepvaart deze reis kan ondernemen.
3.
Een ontheffing als bedoeld in artikel 25 van de wet wordt voor de functie van kapitein of hoofdwerktuigkundige slechts gegeven in zeer bijzondere omstandigheden die niet het gevolg zijn van het handelen of het nalaten te handelen van de zijde van de scheepsbeheerder en indien gedurende korte tijd de vervulling van die functie door een bemanningslid met een lagere bevoegdheid noodzakelijk is voor de voortzetting van de reis, en de veiligheid van het schip en de opvarenden, de veilige vaart ter zee en de bescherming van het mariene milieu gewaarborgd zijn.
4.
Onze Minister kan op een daartoe strekkend verzoek van de scheepsbeheerder in bijzondere omstandigheden ontheffing verlenen van de in artikel 120, eerste lid, bedoelde verplichting tot het in het bezit zijn van het bekwaamheidsbewijs scheepskok, indien de persoon ten aanzien van wie de ontheffing wordt verzocht een opleiding heeft genoten of instructies heeft gekregen op het gebied van voeding, persoonlijke hygiëne en de behandeling en opslag van levensmiddelen aan boord van schepen. De ontheffing geldt voor een specifiek tijdvak van ten hoogste een maand of tot aan het afmeren in de volgende aanloophaven.
5.
Aan een ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden. Indien de voorschriften niet worden nageleefd kan Onze Minister een ontheffing tussentijds intrekken.
Artikel 4
Bij regeling van Onze Minister wordt bepaald welke beperkingen of aanvullingen mogen worden aangebracht op een vaarbevoegdheidsbewijs in verband met de aard van de lading, het soort schip, de GT, het voortstuwingsvermogen, het type voortstuwing, de scheepslengte of het vaargebied.
Artikel 5
Bij regeling van Onze Minister wordt bepaald op welke wijze de in artikel 4, genoemde aanvullingen dan wel beperkingen op vaarbevoegdheidsbewijzen worden aangebracht.
Artikel 6
Bij regeling van Onze Minister wordt bepaald:
a. aan boord van welke categorieën schepen de ervaring voor een bepaalde vaarbevoegdheid wordt opgedaan;
b. aan boord van welke grootte klasse of het voortstuwingsvermogen van schepen de ervaring moet zijn opgedaan, en
c. welke ervaring, niet opgedaan aan boord van schepen, in aanmerking wordt genomen.
1.
Een vaarbevoegdheidsbewijs, met uitzondering van dat voor gezellen, is geldig tot ten hoogste vijf jaar na de datum van afgifte.
2.
Een vaarbevoegdheidsbewijs voor een gezel is onbeperkt geldig.
1.
Een vaarbevoegdheidsbewijs wordt afgegeven indien de aanvrager aantoont te voldoen aan de ingevolge dit besluit vereiste kennis en ervaring, mits het kennisbewijs ten hoogste vier jaar voor het indienen van de aanvraag is afgegeven.
2.
Een geldig vaarbevoegdheidsbewijs of een aanvulling daarop kan worden vernieuwd indien de houder heeft dienstgedaan in een naar het oordeel van Onze Minister relevante functie waarvoor een vaarbevoegdheid is vereist en die door de houder op grond van de aan hem toegekende vaarbevoegdheden mocht worden vervuld of in een andere, bij regeling van Onze Minister vastgestelde, daarmee vergelijkbare functie, gedurende ten minste:
a. 12 maanden in de periode van 5 jaar voorafgaand aan de datum van de aanvraag tot vernieuwing; of
b. 3 maanden in de periode van 6 maanden voorafgaand aan de datum van de aanvraag tot vernieuwing.
3.
Een vaarbevoegdheidsbewijs of een aanvulling daarop waarvan de geldigheid niet langer dan 5 jaar is verstreken wordt op verzoek vernieuwd indien de houder voorafgaand aan de aanvraag:
a. een opleiding heeft gevolgd als bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de wet en deze met succes heeft afgesloten;
b. gedurende ten minste 3 maanden in de periode van 6 maanden voorafgaand aan de datum van de aanvraag tot vernieuwing in een naar het oordeel van Onze Minister relevante functie boven de sterkte heeft dienstgedaan; of
c. gedurende ten minste 3 maanden in de periode van 6 maanden voorafgaand aan de datum van de aanvraag tot vernieuwing in een naar het oordeel van Onze Minister relevante maar lagere functie heeft dienstgedaan dan waarvoor zijn ongeldig geworden vaarbevoegdheidsbewijs gold.
4.
Onze Minister geeft op verzoek een vaarbevoegdheidsbewijs af met een geldigheidsduur van ten hoogste 6 maanden voor de vervulling van een functie als bedoeld in het derde lid, onderdeel c.
5.
Een vaarbevoegdheidsbewijs waarvan de geldigheid langer dan 5 jaar is verstreken wordt op verzoek vernieuwd indien de houder voorafgaand aan de aanvraag een opleiding heeft gevolgd als bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de wet en deze met succes heeft afgesloten.
6.
Een vaarbevoegdheidsbewijs dat verloren is gegaan kan worden vervangen door een duplicaat vaarbevoegdheidsbewijs, waarvan de einddatum overeenkomt met de einddatum op het originele document.
7.
Indien de aanvrager van een duplicaat aanspraak kan maken op vernieuwing van het vaarbevoegdheidsbewijs, wordt hem desgevraagd met inachtneming van het tweede lid een vaarbevoegdheidsbewijs afgegeven.
8.
Voor de afgifte van vaarbevoegdheidsbewijzen voor het dienstdoen op zeilschepen van minder dan 500 GT zijn, voor zover dat bij regeling van Onze Minister is bepaald, in plaats van de in het eerste tot en met zevende lid vermelde eisen de in die regeling vermelde eisen van toepassing.
Artikel 9
Onze Minister erkent een vaarbevoegdheidsbewijs of een bekwaamheidsbewijs voor het dienstdoen op tankers door een kapitein of een officier dat is afgegeven door een bevoegde autoriteit van een staat, niet zijnde een Lid-Staat van de Europese Unie, een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of de Bondsstaat Zwitserland, indien ten aanzien van dat vaarbevoegdheidsbewijs of bekwaamheidsbewijs wordt voldaan aan de criteria, bedoeld in artikel 19, tweede tot en met zesde lid, van de bemanningsrichtlijn.
1.
Voor de afgifte van een vaarbevoegdheidsbewijs als kapitein op grond van de artikelen 22 of 22a van de wet legt de aanvrager het certificaat wetgeving en openbaar gezag over.
2.
Zeevarenden in het bezit van een vaarbevoegdheidsbewijs op grond van de artikelen 22 of 22a van de wet voor de functie van eerste stuurman, hoofdwerktuigkundige, tweede werktuigkundige of eerste maritiem officier, nemen voor aanvang van hun dienst aan boord kennis van de voor het in het eerste lid genoemde certificaat van belang zijnde maritieme regelgeving. Van deze kennisneming wordt schriftelijk bewijs vastgelegd.
3.
Bij regeling van Onze Minister worden de beroepsvereisten vastgesteld voor de verkrijging van het in het eerste lid genoemde certificaat.
Artikel 11
Bij regeling van Onze Minister worden de beroepsvereisten vastgesteld voor de verkrijging van een kennisbewijs ten behoeve van de afgifte van een vaarbevoegdheidsbewijs en voor de in deze paragraaf bedoelde bekwaamheidsbewijzen en schriftelijke bewijzen.
1.
Onverminderd artikel 8 geeft het bezit van het kennisbewijs hoger maritiem officier alle schepen of middelbaar maritiem officier alle schepen, tezamen met:
a. het certificaat basisveiligheid;
b. het certificaat reddingmiddelen;
c. het certificaat brandbestrijding voor gevorderden;
d. het certificaat medische eerste hulp aan boord; en
e. het algemeen certificaat maritieme radiocommunicatie,
de aanvrager die de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt recht op een vaarbevoegdheidsbewijs voor de functies:
f. maritiem officier alle schepen;
g. wachtstuurman alle schepen;
h. eerste stuurman schepen van minder dan 3.000 GT;
i. eerste stuurman alle schepen met de beperking tot aannemersmaterieel;
j. wachtwerktuigkundige alle schepen;
k. tweede werktuigkundige schepen met minder dan 3.000 kW voortstuwingsvermogen;
l. tweede werktuigkundige alle schepen met de beperking tot aannemersmaterieel; en
m. wachtwerktuigkundige zeevisvaart.
2.
Het in het eerste lid genoemde kennisbewijs geeft recht op een vaarbevoegdheidsbewijs voor de functie eerste maritiem officier alle schepen indien de aanvrager een ervaring heeft van 24 maanden in de functie maritiem officier.
3.
Het in het eerste lid genoemde kennisbewijs geeft recht op een vaarbevoegdheidsbewijs voor de functie eerste stuurman alle schepen indien de aanvrager een ervaring heeft van 12 maanden in de functie wachtstuurman.
4.
Het in het eerste lid genoemde kennisbewijs geeft recht op een vaarbevoegdheidsbewijs voor de functies kapitein schepen van minder dan 3.000 GT en kapitein alle schepen indien de aanvrager in het bezit is van:
a. het certificaat scheepsmanagement-N;
b. het certificaat medische eerste hulp aan boord; en
c. het certificaat medische zorg aan boord,
en een ervaring heeft van:
d. 36 maanden in de functie wachtstuurman; of
e. 24 maanden in de functie wachtstuurman, waarvan ten minste 12 maanden in de functie eerste stuurman.
5.
Het in het eerste lid genoemde kennisbewijs geeft recht op een vaarbevoegdheidsbewijs voor de functie tweede werktuigkundige alle schepen indien de aanvrager een ervaring heeft van 12 maanden in de functie wachtwerktuigkundige.
6.
Het in het eerste lid genoemde kennisbewijs geeft recht op een vaarbevoegdheidsbewijs voor de functies hoofdwerktuigkundige schepen met minder dan 3.000 kW voortstuwingsvermogen en hoofdwerktuigkundige alle schepen met de beperking tot aannemersmaterieel, indien de aanvrager in het bezit is van het certificaat scheepsmanagement-W en een ervaring heeft van 12 maanden in de functie wachtwerktuigkundige.
7.
Het in het eerste lid genoemde kennisbewijs geeft recht op een vaarbevoegdheidsbewijs voor de functie hoofdwerktuigkundige alle schepen indien de aanvrager in het bezit is van het certificaat scheepsmanagement-W en een ervaring heeft van:
a. 36 maanden in de functie wachtwerktuigkundige; of
b. 24 maanden in de functie wachtwerktuigkundige, waarvan ten minste 12 maanden in het bezit van een vaarbevoegdheidsbewijs voor de functie tweede werktuigkundige.
1.
Onverminderd artikel 8 geeft het bezit van het kennisbewijs stuurman-werktuigkundige kleine schepen, tezamen met:
a. het certificaat basisveiligheid;
b. het certificaat reddingmiddelen;
c. het certificaat brandbestrijding voor gevorderden;
d. het certificaat medische eerste hulp aan boord; en
e. het algemeen certificaat maritieme radiocommunicatie,
de aanvrager die de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt recht op een vaarbevoegdheidsbewijs voor de functies:
f. maritiem officier alle schepen;
g. wachtstuurman alle schepen;
h. eerste stuurman schepen van minder dan 3000 GT;
i. eerste stuurman alle schepen met de beperking tot aannemersmaterieel;
j. wachtwerktuigkundige alle schepen;
k. tweede werktuigkundige schepen met minder dan 3.000 kW voortstuwingsvermogen;
l. tweede werktuigkundige alle schepen met de beperking tot aannemersmaterieel; en
m. wachtwerktuigkundige zeevisvaart.
2.
Het in het eerste lid genoemde kennisbewijs geeft recht op een vaarbevoegdheidsbewijs voor de functies eerste maritiem officier schepen van minder dan 3.000 GT en minder dan 3.000 kW voortstuwingsvermogen en eerste maritiem officier alle schepen met de beperking tot aannemersmaterieel, indien de aanvrager een ervaring heeft van 24 maanden in de functie maritiem officier.
3.
Het in het eerste lid genoemde kennisbewijs geeft recht op een vaarbevoegdheidsbewijs voor de functies kapitein schepen van minder dan 3.000 GT en kapitein alle schepen met de beperking tot aannemersmaterieel, indien de aanvrager in het bezit is van:
a. het certificaat scheepsmanagement-N;
b. het certificaat medische eerste hulp aan boord; en
c. het certificaat medische zorg aan boord,
en een ervaring heeft van:
d. 36 maanden in de functie wachtstuurman; of
e. 24 maanden in de functie wachtstuurman, waarvan ten minste 12 maanden in de functie eerste stuurman.
4.
Het in het eerste lid genoemde kennisbewijs geeft recht op een vaarbevoegdheidsbewijs voor de functies hoofdwerktuigkundige schepen met minder dan 3.000 kW voortstuwingsvermogen en hoofdwerktuigkundige alle schepen met de beperking tot aannemersmaterieel, indien de aanvrager in het bezit is van het certificaat scheepsmanagement-W en een ervaring heeft van 24 maanden in de functie wachtwerktuigkundige, waarvan ten minste 12 maanden in het bezit van een vaarbevoegdheidsbewijs voor de functie tweede werktuigkundige schepen met minder dan 3.000 kW voortstuwingsvermogen.
1.
Onverminderd artikel 8 geeft het bezit van het kennisbewijs stuurman alle schepen of stuurman waterbouw, tezamen met:
a. het certificaat basisveiligheid;
b. het certificaat reddingmiddelen;
c. het certificaat brandbestrijding voor gevorderden;
d. het certificaat medische eerste hulp aan boord; en
e. het algemeen certificaat maritieme radiocommunicatie,
de aanvrager die de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt recht op een vaarbevoegdheidsbewijs voor de functies:
f. wachtstuurman alle schepen;
g. eerste stuurman schepen van minder dan 3.000 GT; en
h. eerste stuurman alle schepen met de beperking tot aannemersmaterieel.
2.
Het in het eerste lid genoemde kennisbewijs geeft recht op een vaarbevoegdheidsbewijs voor de functie eerste stuurman alle schepen indien de aanvrager een ervaring heeft van 12 maanden in de functie wachtstuurman.
3.
Het in het eerste lid genoemde kennisbewijs geeft recht op een vaarbevoegdheidsbewijs voor de functies kapitein schepen van minder dan 3.000 GT en kapitein alle schepen met de beperking tot aannemersmaterieel, indien de aanvrager in het bezit is van:
a. het certificaat scheepsmanagement-N;
b. het certificaat medische eerste hulp aan boord; en
c. het certificaat medische zorg aan boord,
en een ervaring heeft van 24 maanden in de functie wachtstuurman, waarvan ten minste 12 maanden in de functie eerste stuurman.
4.
Het in het eerste lid genoemde kennisbewijs geeft recht op een vaarbevoegdheidsbewijs voor de functie kapitein alle schepen indien de aanvrager in het bezit is van:
a. het certificaat scheepsmanagement-N;
b. het certificaat medische eerste hulp aan boord; en
c. het certificaat medische zorg aan boord,
en een ervaring heeft van:
d. 36 maanden in de functie wachtstuurman; of
e. 24 maanden in de functie wachtstuurman, waarvan ten minste 12 maanden in de functie eerste stuurman.
1.
Onverminderd artikel 8 geeft het bezit van het kennisbewijs wachtstuurman tot 3.000 GT, tezamen met:
a. het certificaat basisveiligheid;
b. het certificaat reddingmiddelen;
c. het certificaat brandbestrijding voor gevorderden;
d. het certificaat medische eerste hulp aan boord; en
e. het algemeen certificaat maritieme radiocommunicatie,
de aanvrager die de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt recht op een vaarbevoegdheidsbewijs voor de functies:
f. wachtstuurman alle schepen;
g. eerste stuurman schepen van minder dan 3.000 GT; en
h. eerste stuurman alle schepen met de beperking tot aannemersmaterieel.
2.
Het in het eerste lid genoemde kennisbewijs geeft recht op een vaarbevoegdheidsbewijs voor de functies kapitein schepen van minder dan 3.000 GT en kapitein alle schepen met de beperking tot aannemersmaterieel, indien de aanvrager in het bezit is van:
a. het certificaat scheepsmanagement-N;
b. het certificaat medische eerste hulp aan boord; en
c. het certificaat medische zorg aan boord,
en een ervaring heeft van:
d. 36 maanden in de functie wachtstuurman; of
e. 24 maanden in de functie wachtstuurman, waarvan ten minste 12 maanden in de functie eerste stuurman.
1.
Onverminderd artikel 8 geeft het bezit van het kennisbewijs scheepswerktuigkundige alle schepen of scheepswerktuigkundige waterbouw, tezamen met:
a. het certificaat basisveiligheid;
b. het certificaat reddingmiddelen;
c. het certificaat brandbestrijding voor gevorderden; en
d. het certificaat medische eerste hulp aan boord,
de aanvrager die de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt recht op een vaarbevoegdheidsbewijs voor de functies:
e. wachtwerktuigkundige alle schepen;
f. tweede werktuigkundige schepen met minder dan 3.000 kW voortstuwingsvermogen;
g. tweede werktuigkundige alle schepen met de beperking tot aannemersmaterieel; en
h. wachtwerktuigkundige zeevisvaart.
2.
Het in het eerste lid genoemde kennisbewijs geeft recht op een vaarbevoegdheidsbewijs voor de functie tweede werktuigkundige alle schepen indien de aanvrager een ervaring heeft van 12 maanden in de functie wachtwerktuigkundige.
3.
Het in het eerste lid genoemde kennisbewijs geeft recht op een vaarbevoegdheidsbewijs voor de functies hoofdwerktuigkundige schepen met minder dan 3.000 kW voortstuwingsvermogen en hoofdwerktuigkundige alle schepen met de beperking tot aannemersmaterieel, indien de aanvrager in het bezit is van het certificaat scheepsmanagement-W en een ervaring heeft van 12 maanden in de functie wachtwerktuigkundige.
4.
Het in het eerste lid genoemde kennisbewijs geeft recht op een vaarbevoegdheidsbewijs voor de functie hoofdwerktuigkundige alle schepen indien de aanvrager in het bezit is van het certificaat scheepsmanagement-W en een ervaring heeft van:
a. 36 maanden in de functie wachtwerktuigkundige; of
b. 24 maanden in de functie wachtwerktuigkundige, waarvan ten minste 12 maanden in het bezit van een vaarbevoegdheidsbewijs voor de functie tweede werktuigkundige.
1.
Onverminderd artikel 8 geeft het bezit van het kennisbewijs wachtwerktuigkundige tot 3.000 kW, tezamen met:
a. het certificaat basisveiligheid;
b. het certificaat reddingmiddelen;
c. het certificaat brandbestrijding voor gevorderden; en
d. het certificaat medische eerste hulp aan boord,
de aanvrager die de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt recht op een vaarbevoegdheidsbewijs voor de functies:
e. wachtwerktuigkundige alle schepen;
f. tweede werktuigkundige schepen met minder dan 3.000 kW voortstuwingsvermogen;
g. tweede werktuigkundige alle schepen met de beperking tot aannemersmaterieel; en
h. wachtwerktuigkundige zeevisvaart.
2.
Het in het eerste lid genoemde kennisbewijs geeft recht op een vaarbevoegdheidsbewijs voor de functies hoofdwerktuigkundige schepen met minder dan 3.000 kW voortstuwingsvermogen en hoofdwerktuigkundige alle schepen met de beperking tot aannemersmaterieel, indien de aanvrager in het bezit is van het certificaat scheepsmanagement-W en een ervaring heeft van:
a. 36 maanden in de functie wachtwerktuigkundige; of
b. 24 maanden in de functie wachtwerktuigkundige, waarvan ten minste 12 maanden in het bezit van een vaarbevoegdheidsbewijs voor de functie tweede werktuigkundige.
1.
Onverminderd artikel 8 geeft het bezit van het kennisbewijs schipper-machinist beperkt werkgebied, tezamen met:
a. het certificaat basisveiligheid;
b. het certificaat medische eerste hulp aan boord; en
c. het beperkt certificaat maritieme radiocommunicatie,
de aanvrager die de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt recht op een vaarbevoegdheidsbewijs voor de functie eerste stuurman schepen van minder dan 500 GT met de beperking tot reizen nabij de Nederlandse kust in een vaargebied dat zich uitstrekt tot de Nederlandse territoriale zee en de aansluitende zone van het Koninkrijk grenzend aan de Nederlandse territoriale zee.
2.
Onverminderd artikel 8 geeft het bezit van het kennisbewijs schipper-machinist beperkt werkgebied, tezamen met:
a. het certificaat basisveiligheid; en
b. het certificaat medische eerste hulp aan boord,
de aanvrager die de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt recht op een vaarbevoegdheidsbewijs voor de functie tweede werktuigkundige schepen met minder dan 3.000 kW voortstuwingsvermogen met de beperking tot reizen nabij de Nederlandse kust in een vaargebied dat zich uitstrekt tot de Nederlandse territoriale zee en de aansluitende zone van het Koninkrijk grenzend aan de Nederlandse territoriale zee.
3.
Het in het eerste lid genoemde kennisbewijs geeft recht op een vaarbevoegdheidsbewijs voor de functie kapitein schepen van minder dan 500 GT met de beperking tot reizen nabij de Nederlandse kust in een vaargebied dat zich uitstrekt tot de Nederlandse territoriale zee en de aansluitende zone van het Koninkrijk grenzend aan de Nederlandse territoriale zee, indien de aanvrager de leeftijd van 20 jaar heeft bereikt en een ervaring heeft van 12 maanden in de functie eerste stuurman.
4.
Het in het eerste lid genoemde kennisbewijs geeft recht op een vaarbevoegdheidsbewijs voor de functie hoofdwerktuigkundige schepen van minder dan 3.000 kW voortstuwingsvermogen met de beperking tot reizen nabij de Nederlandse kust in een vaargebied dat zich uitstrekt tot de Nederlandse territoriale zee en de aansluitende zone van het Koninkrijk grenzend aan de Nederlandse territoriale zee, indien de aanvrager een ervaring heeft van 12 maanden in de functie tweede werktuigkundige terwijl hij in het bezit is van een vaarbevoegdheidsbewijs voor de functie, genoemd in het tweede lid.
1.
Onverminderd artikel 8 geeft het bezit van het kennisbewijs schipper-machinist beperkt werkgebied, tezamen met:
a. het certificaat basisveiligheid;
b. het certificaat reddingmiddelen;
c. het certificaat medische eerste hulp aan boord; en
d. het algemeen certificaat maritieme radiocommunicatie,
de aanvrager die de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt recht op een vaarbevoegdheidsbewijs voor de functie eerste stuurman schepen van minder dan 500 GT met de beperking tot reizen nabij de Nederlandse kust in een vaargebied dat zich uitstrekt tot de Nederlandse territoriale zee en de Nederlandse exclusieve economische zone.
2.
Onverminderd artikel 8 geeft het bezit van het kennisbewijs schipper-machinist beperkt werkgebied, tezamen met:
a. het certificaat basisveiligheid;
b. het certificaat reddingmiddelen; en
c. het certificaat medische eerste hulp aan boord,
de aanvrager die de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt recht op een vaarbevoegdheidsbewijs voor de functie tweede werktuigkundige schepen met minder dan 3.000 kW voortstuwingsvermogen met de beperking tot reizen nabij de Nederlandse kust in een vaargebied dat zich uitstrekt tot de Nederlandse territoriale zee en de Nederlandse exclusieve economische zone.
3.
Het in het eerste lid genoemde kennisbewijs geeft recht op een vaarbevoegdheidsbewijs voor de functie kapitein schepen van minder dan 500 GT met de beperking tot reizen nabij de Nederlandse kust in een vaargebied dat zich uitstrekt tot de Nederlandse territoriale zee en de Nederlandse exclusieve economische zone, indien de aanvrager de leeftijd van 20 jaar heeft bereikt en in het bezit is van:
a. het certificaat medische eerste hulp aan boord;
b. het certificaat medische zorg aan boord; en
c. het certificaat brandbestrijding voor gevorderden,
en een ervaring heeft van 12 maanden in de functie eerste stuurman.
4.
Het in het eerste lid genoemde kennisbewijs geeft recht op een vaarbevoegdheidsbewijs voor de functie hoofdwerktuigkundige schepen van minder dan 3.000 kW voortstuwingsvermogen met de beperking tot reizen nabij de Nederlandse kust in een vaargebied dat zich uitstrekt tot de Nederlandse territoriale zee en de Nederlandse exclusieve economische zone, indien de aanvrager een ervaring heeft van 12 maanden in de functie tweede werktuigkundige terwijl hij in het bezit is van een vaarbevoegdheidsbewijs voor de functie, genoemd in het tweede lid.
1.
Onverminderd artikel 8 geeft het bezit van het kennisbewijs schipper-machinist beperkt werkgebied, tezamen met:
a. het certificaat basisveiligheid;
b. het certificaat reddingmiddelen;
c. het certificaat medische eerste hulp aan boord; en
d. het algemeen certificaat maritieme radiocommunicatie,
de aanvrager die de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt recht op een vaarbevoegdheidsbewijs voor de functie eerste stuurman schepen van minder dan 500 GT met de beperking tot reizen nabij de internationale kust.
2.
Onverminderd artikel 8 geeft het bezit van het kennisbewijs schipper-machinist beperkt werkgebied, tezamen met:
a. het certificaat basisveiligheid;
b. het certificaat reddingmiddelen; en
c. het certificaat medische eerste hulp aan boord,
de aanvrager die de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt recht op een vaarbevoegdheidsbewijs voor de functie tweede werktuigkundige schepen met minder dan 3.000 kW voortstuwingsvermogen met de beperking tot reizen nabij de internationale kust.
3.
Het in het eerste lid genoemde kennisbewijs geeft recht op een vaarbevoegdheidsbewijs voor de functie kapitein schepen van minder dan 500 GT met de beperking tot reizen nabij de internationale kust indien de aanvrager de leeftijd van 20 jaar heeft bereikt en in het bezit is van:
a. het certificaat medische eerste hulp aan boord;
b. het certificaat medische zorg aan boord;
c. het certificaat brandbestrijding voor gevorderden; en
d. het certificaat aanvulling-N voor reizen nabij de internationale kust, en een ervaring heeft van 12 maanden in de functie eerste stuurman.
4.
Het in het eerste lid genoemde kennisbewijs geeft recht op een vaarbevoegdheidsbewijs voor de functie hoofdwerktuigkundige schepen van minder dan 3.000 kW voortstuwingsvermogen met de beperkingen tot reizen nabij de internationale kust indien de aanvrager in het bezit is van het certificaat aanvulling-W voor reizen nabij de internationale kust en hij een ervaring heeft van 12 maanden in de functie tweede werktuigkundige terwijl hij in het bezit is van een vaarbevoegdheidsbewijs voor de functie, genoemd in het tweede lid.
Artikel 21
Onverminderd artikel 8 geeft het bezit van het kennisbewijs officier elektrotechniek alle schepen, tezamen met:
a. het certificaat basisveiligheid;
b. het certificaat reddingmiddelen;
c. het certificaat brandbestrijding voor gevorderden; en
d. het certificaat medische eerste hulp aan boord,
de aanvrager die de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt recht op een vaarbevoegdheidsbewijs voor de functie officier elektrotechniek alle schepen.
Artikel 22
Voor de afgifte van een vaarbevoegdheidsbewijs voor de functie gezel elektrotechniek alle schepen heeft de aanvrager de leeftijd van 18 jaar bereikt en is hij in het bezit van:
a. het certificaat basisveiligheid; en
b. het kennisbewijs gezel elektrotechniek alle schepen; dan wel
c. een door de kapitein of de hoofdwerktuigkundige goedgekeurd takenboek waarin is verklaard dat de betrokkene heeft aangetoond te voldoen aan de eisen van bekwaamheid, bedoeld in sectie A-III/7 van de STCW-Code, en hij een ervaring heeft van ten minste 12 maanden als aankomend gezel elektrotechniek.
Artikel 23
Voor de afgifte van een vaarbevoegdheidsbewijs voor de functie gekwalificeerd gezel dek alle schepen heeft de aanvrager de leeftijd van 18 jaar bereikt en is hij in het bezit van:
a. het certificaat basisveiligheid;
b. het certificaat reddingmiddelen; en
c. het kennisbewijs gekwalificeerd gezel dek alle schepen; dan wel
d. een door de kapitein goedgekeurd takenboek waarin is verklaard dat de betrokkene heeft aangetoond te voldoen aan de eisen van bekwaamheid, bedoeld in sectie A-II/5 van de STCW-Code, en hij een ervaring heeft van ten minste 18 maanden in de functie wachtlopend gezel dek.
Artikel 24
Voor de afgifte van een vaarbevoegdheidsbewijs voor de functie gekwalificeerd gezel machinekamer alle schepen heeft de aanvrager de leeftijd van 18 jaar bereikt en is hij in het bezit van:
a. het certificaat basisveiligheid; en
b. het kennisbewijs gekwalificeerd gezel machinekamer alle schepen; dan wel
c. een door de kapitein of de hoofdwerktuigkundige goedgekeurd takenboek waarin is verklaard dat de betrokkene heeft aangetoond te voldoen aan de eisen van bekwaamheid, bedoeld in sectie A-III/5 van de STCW-Code, en hij een ervaring heeft van ten minste 12 maanden in de functie wachtlopend gezel machinekamer.
Artikel 25
Voor de afgifte van een vaarbevoegdheidsbewijs voor de functie gekwalificeerd gezel dek en machinekamer alle schepen heeft de aanvrager de leeftijd van 18 jaar bereikt en is hij in het bezit van:
a. het certificaat basisveiligheid;
b. het certificaat reddingmiddelen; en
c. het kennisbewijs gekwalificeerd gezel dek en machinekamer alle schepen; dan wel
d. een door de kapitein goedgekeurd takenboek waarin is verklaard dat de betrokkene heeft aangetoond te voldoen aan de eisen van bekwaamheid, bedoeld in sectie A-II/5 van de STCW-Code, en hij een ervaring heeft van ten minste 18 maanden in de functie wachtlopend gezel dek; en
e. een door de hoofdwerktuigkundige goedgekeurd takenboek waarin is verklaard dat de betrokkene heeft aangetoond te voldoen aan de eisen van bekwaamheid, bedoeld in sectie A-III/5 van de STCW-Code, en hij een ervaring heeft van ten minste 12 maanden in de functie wachtlopend gezel machinekamer.
Artikel 26
Voor de afgifte van een vaarbevoegdheidsbewijs voor de functie wachtlopend gezel dek alle schepen heeft de aanvrager de leeftijd van 16 jaar bereikt en is hij in het bezit van:
a. het certificaat basisveiligheid; en
b. het kennisbewijs wachtlopend gezel dek alle schepen; dan wel
c. een schriftelijke verklaring van de kapitein dat de betrokkene heeft aangetoond te voldoen aan de eisen van bekwaamheid, bedoeld in sectie A-II/4 van de STCW-Code, en hij een ervaring heeft van ten minste 6 maanden als aankomend gezel dek.
Artikel 27
Voor de afgifte van een vaarbevoegdheidsbewijs voor de functie wachtlopend gezel machinekamer alle schepen heeft de aanvrager de leeftijd van 16 jaar bereikt en is hij in het bezit van:
a. het certificaat basisveiligheid; en
b. het kennisbewijs wachtlopend gezel machinekamer alle schepen; dan wel
c. een schriftelijke verklaring van de hoofdwerktuigkundige dat de betrokkene heeft aangetoond te voldoen aan de eisen van bekwaamheid, bedoeld in sectie A-III/4 van de STCW-Code, en hij een ervaring heeft van ten minste 6 maanden als aankomend gezel machinekamer.
Artikel 28
Voor de afgifte van een vaarbevoegdheidsbewijs voor de functie wachtlopend gezel dek en machinekamer alle schepen heeft de aanvrager de leeftijd van 16 jaar bereikt en is hij in het bezit van:
a. het certificaat basisveiligheid; en
b. het kennisbewijs wachtlopend gezel dek en machinekamer alle schepen; dan wel
c. een schriftelijke verklaring van de kapitein dat de betrokkene heeft aangetoond te voldoen aan de eisen van bekwaamheid, bedoeld in sectie A-II/4 van de STCW-Code, en hij een ervaring heeft van ten minste 6 maanden als aankomend gezel dek; en
d. een schriftelijke verklaring van de hoofdwerktuigkundige dat de betrokkene heeft aangetoond te voldoen aan de eisen van bekwaamheid, bedoeld in sectie A-III/4 van de STCW-Code, en hij een ervaring heeft van ten minste 6 maanden als aankomend gezel machinekamer.
Artikel 29
Bij regeling van Onze Minister wordt bepaald welke gegevens worden opgenomen in de in de artikelen 22 tot en met 28 bedoelde verklaringen.
Artikel 30
Voor de afgifte van een vaarbevoegdheidsbewijs voor de functie radio-operator heeft de aanvrager de leeftijd van 18 jaar bereikt en is hij in het bezit van het algemeen certificaat maritieme radiocommunicatie, afgegeven in overeenstemming met het bepaalde bij of krachtens het Frequentiebesluit 2013 .
Artikel 31
Voor de afgifte van een vaarbevoegdheidsbewijs voor de functie radio-operator met de beperking tot het gebruik van VHF/UHF radiocommunicatieapparatuur heeft de aanvrager de leeftijd van 18 jaar bereikt en is hij in het bezit van het beperkt certificaat maritieme radiocommunicatie, afgegeven in overeenstemming met het bepaalde bij of krachtens het Frequentiebesluit 2013 .
1.
Onverminderd artikel 8 geeft het bezit van het bekwaamheidsbewijs stuurman grote zeilvaart, tezamen met:
a. het certificaat basisveiligheid;
b. het certificaat reddingmiddelen;
c. het certificaat brandbestrijding voor gevorderden;
d. het certificaat medische eerste hulp aan boord; en
e. het algemeen certificaat maritieme radiocommunicatie,
de aanvrager die de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt en een ervaring heeft van 6 maanden in de functie wachtlopend gezel dek alle schepen recht op een vaarbevoegdheidsbewijs voor de functie wachtstuurman zeilvaart.
2.
Het in het eerste lid genoemde bekwaamheidsbewijs geeft recht op een vaarbevoegdheidsbewijs voor de functie eerste stuurman zeilvaart indien de aanvrager een ervaring heeft van 12 maanden in de functie wachtstuurman zeilvaart.
3.
Het in het eerste lid genoemde bekwaamheidsbewijs geeft recht op een vaarbevoegdheidsbewijs voor de functie kapitein zeilvaart indien de aanvrager in het bezit is van:
a. het certificaat medische eerste hulp aan boord; en
b. het certificaat medische zorg aan boord,
en een ervaring heeft van 12 maanden in de functie eerste stuurman zeilvaart.
Artikel 33
Bij regeling van Onze Minister worden regels gesteld met betrekking tot de bemanning van zeilschepen van minder dan 500 GT.
Artikel 34
Bij regeling van Onze Minister worden de beroepsvereisten vastgesteld voor de verkrijging van de in dit hoofdstuk bedoelde bekwaamheidsbewijzen en schriftelijke bewijzen.
1.
Zeevarenden die speciale taken en verantwoordelijkheden hebben met betrekking tot de lading en de daarbij behorende uitrusting op olie- of chemicaliëntankschepen zijn in het bezit van het bekwaamheidsbewijs basis ladingbehandeling olie- en chemicaliëntankschepen.
2.
Zeevarenden die speciale taken en verantwoordelijkheden hebben met betrekking tot de lading en de daarbij behorende uitrusting op gastankschepen zijn in het bezit van het bekwaamheidsbewijs basis ladingbehandeling gastankschepen.
3.
Kapiteins, eerste stuurlieden, hoofdwerktuigkundigen, tweede werktuigkundigen, eerste maritiem officieren en voorts alle andere zeevarenden die op een olietankschip rechtstreeks verantwoordelijk zijn voor het laden, het lossen en de te nemen voorzorgsmaatregelen tijdens de reis of de behandeling van de lading, het schoonmaken van de tanks of andere werkzaamheden in verband met de lading, zijn in het bezit van het bekwaamheidsbewijs ladingbehandeling olietankschepen voor gevorderden.
4.
Kapiteins, eerste stuurlieden, hoofdwerktuigkundigen, tweede werktuigkundigen, eerste maritiem officieren en voorts alle andere zeevarenden die op een chemicaliëntankschip rechtstreeks verantwoordelijk zijn voor het laden, het lossen en de te nemen voorzorgsmaatregelen tijdens de reis of de behandeling van de lading, het schoonmaken van de tanks of andere werkzaamheden in verband met de lading, zijn in het bezit van het bekwaamheidsbewijs ladingbehandeling chemicaliëntankschepen voor gevorderden.
5.
Kapiteins, eerste stuurlieden, hoofdwerktuigkundigen, tweede werktuigkundigen, eerste maritiem officieren en voorts alle andere zeevarenden die op een gastankschip rechtstreeks verantwoordelijk zijn voor het laden, het lossen en de te nemen voorzorgsmaatregelen tijdens de reis of de behandeling van de lading, het schoonmaken van de tanks of andere werkzaamheden in verband met de lading, zijn in het bezit van het bekwaamheidsbewijs ladingbehandeling gastankschepen voor gevorderden.
6.
De in het eerste tot en met vijfde lid bedoelde bekwaamheidsbewijzen van kapiteins en scheepsofficieren zijn 5 jaar geldig.
7.
Een in het eerste tot en met vijfde lid bedoeld bekwaamheidsbewijs van een kapitein of een scheepsofficier wordt op verzoek vernieuwd indien de houder:
a. in de periode van 5 jaar voorafgaand aan de datum van de aanvraag tot vernieuwing ten minste 3 maanden heeft dienstgedaan op een bij regeling van Onze Minister voorgeschreven type tankschip; of
b. in het bezit is van een certificaat ten bewijze van het gevolgd hebben van een passende herhalingstraining.
1.
Van kapiteins, eerste stuurlieden, hoofdwerktuigkundigen, tweede werktuigkundigen, eerste maritiem officieren en alle andere zeevarenden die in de alarmrol zijn belast met de hulpverlening aan passagiers aan boord van passagiersschepen of ro-ro passagiersschepen, is aan boord schriftelijk bewijs aanwezig dat zij geoefend zijn in groepsbegeleiding.
2.
Van alle zeevarenden aan boord van passagiersschepen of ro-ro passagiersschepen die direct betrokken zijn bij de dienstverlening aan passagiers in passagiersruimten, is aan boord schriftelijk bewijs aanwezig dat zij geoefend zijn in dienstverlening aan passagiers.
3.
Kapiteins, eerste stuurlieden, hoofdwerktuigkundigen, tweede werktuigkundigen, eerste maritiem officieren en alle andere zeevarenden die zijn belast met de hulpverlening aan passagiers in noodsituaties aan boord van passagiersschepen of ro-ro passagiersschepen, zijn in het bezit van het certificaat crisisbeheersing en menselijk gedrag.
4.
Kapiteins, eerste stuurlieden, hoofdwerktuigkundigen, tweede werktuigkundigen, eerste maritiem officieren en alle andere zeevarenden aan boord van passagiersschepen of ro-ro passagiersschepen, die zijn belast met de directe verantwoordelijkheid voor het aan en van boord gaan van passagiers, het laden, lossen of vastzetten van de lading of het sluiten van waterdichte deuren, zijn in het bezit van het certificaat passagiersveiligheid, ladingveiligheid en waterdichtheid van de scheepsromp.
5.
Elke zeevarende belast met bijzondere taken aan boord van passagiersschepen of ro-ro passagiersschepen volgt, alvorens zijn taak aan boord te beginnen, een familiarisatietraining in overeenstemming met sectie A-I/14 van de STCW-Code.
6.
Een zeevarende als bedoeld in het eerste tot en met vierde lid, toont door middel van schriftelijk bewijs of een certificaat met tussenpozen van niet meer dan 5 jaar aan:
a. een passende herhalingstraining te hebben gevolgd;
b. in de voorgaande periode van 5 jaar ten minste 12 maanden dienst te hebben gedaan op een passagiersschip of een ro-ro passagiersschip; of
c. in de voorgaande periode van 6 maanden ten minste 3 maanden dienst te hebben gedaan op een passagiersschip of een ro-ro passagiersschip.
7.
In plaats van de certificaten, bedoeld in het derde en vierde lid, kan worden volstaan met een aantekening van de door een zeevarende gevolgde training in het krachtens artikel 3, derde lid, van de wet bij te houden overzicht.
8.
Het derde en het vierde lid zijn niet van toepassing op zeilschepen waarmee niet meer dan 36 passagiers vervoerd worden.
1.
Kapiteins, stuurlieden, werktuigkundigen en maritiem officieren van hogesnelheidsschepen zijn in het bezit van het certificaat type rating HSC voor het hogesnelheidsschip waarop zij dienst doen.
2.
Een zeevarende als bedoeld in het eerste lid toont door middel van schriftelijk bewijs met tussenpozen van niet meer dan 2 jaar aan in de voorgaande periode van 2 jaar ten minste 6 maanden dienst te hebben gedaan aan boord van het in het certificaat genoemde hogesnelheidsschip.
1.
Hoofdwerktuigkundigen, tweede werktuigkundigen en eerste maritiem officieren aan boord van schepen voorzien van een stoomvoortstuwingsinstallatie, zijn in het bezit van het certificaat stoomvoortstuwing.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing op houders van het diploma C als scheepswerktuigkundige en op houders van het diploma B als scheepswerktuigkundige, uitgereikt voor 1 januari 1989.
Artikel 39. Door een gasturbinevoortstuwingsinstallatie aangedreven schepen
Hoofdwerktuigkundigen, tweede werktuigkundigen en eerste maritiem officieren aan boord van schepen voorzien van een gasturbinevoortstuwingsinstallatie, zijn in het bezit van het certificaat gasturbinevoortstuwing.
1.
Kapiteins, stuurlieden, werktuigkundigen, maritiem officieren, officieren elektrotechniek en andere zeevarenden aan wie in de alarmrol een taak is opgedragen dan wel die een taak ten aanzien van het voorkomen van verontreiniging van de zee hebben, zijn in het bezit van het certificaat basisveiligheid, tenzij zij aan de hand van een monsterboekje of van een soortgelijk document kunnen aantonen dat zij reeds voor 1 augustus 1998 aan boord van zeeschepen werkzaam waren.
2.
Kapiteins, stuurlieden, werktuigkundigen, maritiem officieren en officieren elektrotechniek zijn in het bezit van het certificaat reddingmiddelen.
3.
Zeevarenden die in de alarmrol de zorg voor het gebruik van snelle hulpverleningsboten is opgedragen, zijn in het bezit van het certificaat snelle hulpverleningsboten.
4.
Kapiteins, stuurlieden, werktuigkundigen, maritiem officieren en officieren elektrotechniek zijn in het bezit van het certificaat brandbestrijding voor gevorderden.
5.
Elke andere zeevarende dan een zeevarende als bedoeld in het eerste lid, volgt, alvorens zijn taak aan boord te beginnen, een training voor persoonlijke veiligheid aan boord, of krijgt voldoende informatie en instructie, teneinde:
a. met de overige opvarenden over elementaire veiligheidszaken te kunnen spreken, begrip te hebben van de veiligheidssymbolen en de alarmseinen te kennen;
b. te weten wat te doen indien: iemand over boord valt, vuur of rook wordt ontdekt, het sein «brandalarm» of «schip verlaten» wordt gegeven;
c. te weten waar de reddinggordels zich bevinden en hoe deze om te doen;
d. alarm te slaan en bekend te zijn met het gebruik van brandblussers;
e. te weten wat te doen bij een ongeluk voordat hulp wordt ingeroepen;
f. de brand- en waterdichte deuren, met uitzondering van die ter afsluiting van openingen in de romp, te kunnen sluiten en openen, en
g. te kunnen vaststellen waar de verzamelplaatsen bij het sein «schip verlaten», de plaatsen van inscheping in de reddingmiddelen en de ontsnappingsroutes bij noodgevallen zich bevinden.
6.
Elke zeevarende als bedoeld in het eerste lid krijgt, alvorens zijn taak aan boord te beginnen, voldoende informatie en instructie met betrekking tot de in het vijfde lid, onderdelen c, f en g genoemde onderwerpen.
7.
Een zeevarende als bedoeld in het eerste tot en met vierde lid, toont met ingang van 1 januari 2017 door middel van een certificaat aan met tussenpozen van niet meer dan 5 jaar een passende herhalingstraining te hebben gevolgd.
1.
Zeevarenden die als scheepsbeveiligingsfunctionaris zijn aangesteld, zijn in het bezit van het certificaat scheepsbeveiligingsfunctionaris.
2.
Andere zeevarenden dan zeevarenden als bedoeld in het eerste lid, die zijn belast met taken op het gebied van beveiliging zoals aangegeven in het scheepsbeveiligingsplan, zijn in het bezit van het certificaat uitvoering beveiligingstaken.
3.
Elke andere zeevarende dan een zeevarende als bedoeld in het eerste en tweede lid, is in het bezit van het certificaat bewustwording scheepsbeveiliging.
4.
Iedere zeevarende volgt, alvorens zijn taak aan boord te beginnen, een familiarisatietraining in scheepsbeveiliging of krijgt voldoende informatie en instructie om:
a. een beveiligingsincident te kunnen rapporteren;
b. de procedures bij een beveiligingsdreiging te kunnen volgen; en
c. deel te kunnen nemen aan beveiligingsgerelateerde nood- en eventualiteitenprocedures.
5.
Het tweede en derde lid zijn niet van toepassing op zeevarenden in het bezit van het certificaat scheepsbeveiligingsfunctionaris.
6.
Het derde en vierde lid zijn niet van toepassing op zeevarenden aan boord van schepen waarvoor niet ingevolge artikel 9, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van het Schepenbesluit 2004 of artikel 8 van de Regeling veiligheid zeeschepen een internationaal scheepsbeveiligingscertificaat benodigd is.
1.
De kapitein en de zeevarende die is aangewezen om medische hulp aan boord van het schip te verlenen, zijn in het bezit van het certificaat medische eerste hulp aan boord en van het certificaat medische zorg aan boord.
2.
In afwijking van het eerste lid zijn de kapitein en de zeevarende die is aangewezen om medische hulp aan boord van het schip te verlenen, op reizen nabij de Nederlandse kust in een vaargebied dat zich uitstrekt tot de Nederlandse territoriale zee en de aansluitende zone van het Koninkrijk grenzend aan de Nederlandse territoriale zee, in het bezit van het certificaat medische eerste hulp aan boord.
3.
Een zeevarende als bedoeld in het eerste of tweede lid toont door middel van een certificaat met tussenpozen van niet meer dan 5 jaar aan een passende herhalingstraining te hebben gevolgd.
Artikel 43. Scheepskoks
Scheepskoks als bedoeld in artikel 120, eerste lid, zijn in het bezit van het bekwaamheidsbewijs scheepskok.
1.
Bij regeling van Onze Minister wordt het model van de monsterrol vastgesteld.
2.
Op de monsterrol worden naast de gegevens, genoemd in artikel 33 van de wet voor ieder bemanningslid aangetekend:
a. de plaats en de dag van aanmonstering en de plaats en de dag van afmonstering;
b. de geboortedatum;
c. het nummer van het monsterboekje;
d. de naam en roepletters van het schip alsmede voor een passagiersschip van 100 GT of meer of een schip, niet zijnde een passagiersschip, van 300 GT of meer, het IMO-nummer.
3.
Bij regeling van Onze Minister kan worden bepaald dat andere gegevens in de monsterrol worden vermeld.
1.
Alvorens een schip voor de eerste maal naar zee vertrekt en vervolgens met tussenpozen van niet meer dan twaalf maanden wordt een monsterrol opgemaakt.
2.
Bij elke wijziging in de bemanningssamenstelling wordt een monsterrol opgemaakt.
3.
Ter uitvoering van artikel 34, eerste lid, onderdeel d, van de wet zendt de kapitein binnen een week na het opmaken, dan wel in de eerstvolgende haven een exemplaar van de monsterrol aan de scheepsbeheerder.
4.
De scheepsbeheerder houdt aantekening van de datum van ontvangst van monsterrollen.
5.
Een exemplaar van de monsterrol wordt door de kapitein aan boord bewaard en een exemplaar van de monsterrol wordt ten kantore van de scheepsbeheerder in Nederland bewaard en ter beschikking gehouden ten behoeve van het houden van toezicht door de ambtenaren, belast met het toezicht op de naleving.
Artikel 96
De scheepsbeheerder bewaart een monsterrol, nadat zij is vervangen of nadat de geldigheidsduur is verstreken, gedurende drie jaar na de vervangingsdatum of geldigheidsdatum.
1.
Onze Minister geeft een monsterboekje af aan degene die bij de aanvraag voldoet aan het tweede lid.
2.
Voor de afgifte van een monsterboekje komt uitsluitend in aanmerking:
a. degene die aantoont dat met een scheepsbeheerder of werkgever een arbeidsovereenkomst voor de vaart ter zee is aangegaan of zal worden aangegaan;
b. degene die aantoont een opleiding te volgen voor een beroep waarvoor een vaarbevoegdheidsbewijs vereist is;
c. degene die behoort tot een andere, door Onze Minister aan te wijzen categorie personen, of
d. degene die het monsterboekje naar het oordeel van Onze Minister ten behoeve van zijn beroepsuitoefening nodig heeft.
1.
Bij het verzoek om afgifte van een monsterboekje worden de volgende bescheiden overgelegd:
a. een geldig paspoort of ander geldig nationaliteitsbewijs van de houder;
b. twee identieke, recente, goedgelijkende pasfoto's van de aanvrager, zo mogelijk zonder hoofddeksel, van ongeveer 4 cm hoogte en 3 cm breedte, zodanig dat de afbeelding voor ongeveer drievierde de ene gelaatshelft en voor ongeveer één-vierde de andere weergeeft; de pasfoto's vertonen geen beschadigingen en zijn aan de achterzijde voorzien van de naam van de aanvrager;
c. een niet langer dan 6 maanden voor de aanvraag afgegeven, de aanvrager betreffend gewaarmerkt afschrift van de benodigde gegevens uit de basisregistratie personen;
d. de bewijsstukken, waardoor wordt aangetoond dat de aanvrager aan artikel 97 voldoet;
e. zo nodig aanvullende informatie, die nodig is om de gegevens, bedoeld in artikel 99, in het monsterboekje te kunnen opnemen.
2.
De aanvraag wordt niet in behandeling genomen dan nadat de kosten voor de afgifte van het monsterboekje zijn voldaan.
3.
In plaats van de in het eerste lid, onderdeel a, genoemde documenten kunnen daarvan kopieën worden overgelegd, die door de ambtenaar van de afdeling bevolking van de gemeente waar de aanvrager is ingeschreven zijn gewaarmerkt of door een andere door Onze Minister geaccepteerde autoriteit.
4.
In plaats van het in het eerste lid, onderdeel c, genoemde afschrift kan, indien de aanvrager zijn hoofdverblijf niet in Nederland heeft, worden volstaan met documenten die in het land van herkomst gebruikelijk zijn.
5.
Bij ministeriële regeling wordt de wijze van afgifte van het monsterboekje bepaald.
1.
Alvorens het monsterboekje af te geven tekent Onze Minister in elk geval de volgende gegevens erin aan:
a. van de houder:
1°. naam en voornamen;
2°. plaats en datum van geboorte;en
3°. nationaliteit.
b. de plaats en datum van afgifte;
c. de datum, waarop de geldigheid vervalt.
2.
Voorts bevat het monsterboekje:
a. een pasfoto als bedoeld in artikel 98, eerste lid, onderdeel b;
b. de handtekening van de houder.
3.
Een monsterboekje is slechts geldig indien het de handtekening van de houder bevat.
1.
Bij de aanvraag van een monsterboekje wegens verlies van het reeds afgegeven monsterboekje legt de aanvrager behalve de in artikel 98, eerste lid, onderdelen a en b genoemde bescheiden, een verklaring over waaruit blijkt dat de aanvrager van de vermissing van het monsterboekje aangifte heeft gedaan dan wel andere bewijsstukken met betrekking tot het verlies.
2.
Bij de aanvraag van een monsterboekje ter vernieuwing van het monsterboekje, respectievelijk het verlopen van de geldigheidsduur of het onbruikbaar worden van het monsterboekje legt de aanvrager het oude, respectievelijk onbruikbaar geworden monsterboekje over, alsmede twee pasfoto's'als bedoeld in artikel 98, eerste lid, onderdeel b.
Artikel 102
De artikelen 97, tweede lid, 98 en 99 zijn van overeenkomstige toepassing bij de afgifte van een vervangend monsterboekje.
1.
Bij regeling van Onze Minister wordt bepaald welke personen naast de kapitein bevoegd zijn tot het maken van de daarbij genoemde aanvullende aantekeningen of van wijzigingen in een monsterboekje.
2.
Een monsterboekje, waarin een ander dan een van de in het eerste lid bedoelde personen de daarbij genoemde aantekeningen of wijzigingen heeft aangebracht, is ongeldig.
3.
Degene, die onbevoegd aantekeningen of wijzigingen heeft aangebracht in een monsterboekje, draagt de kosten van de vervanging van dat monsterboekje.
Artikel 104
Bij ministeriële regeling wordt het model van de geneeskundige verklaring van geschiktheid voor de zeevaart vastgesteld.
1.
Ten behoeve van de afgifte van een geneeskundige verklaring als bedoeld in artikel 40, eerste of tweede lid, van de wet, wordt het bemanningslid aan een medisch onderzoek onderworpen door een door Onze Minister daartoe als keuringsarts aangewezen onderscheidenlijk een door Onze Minister daartoe als keuringsarts erkend geneeskundige.
2.
Indien de keuringsarts twijfels heeft omtrent de medische geschiktheid dan wel wanneer in de medische eisen, bedoeld in artikel 106, eerste lid, een specialistisch rapport is vereist, verwijst deze arts de keurling voor deelonderzoek door naar een specialist.
3.
Een geneeskundige verklaring zeevaart wordt afgegeven door een keuringsarts die heeft vastgesteld dat de keurling voldoet aan de voor die verklaring van toepassing zijnde medische eisen, bedoeld in artikel 106, eerste lid.
4.
Indien de gekeurde gebruik wenst te maken van zijn recht om opnieuw te worden onderzocht, wordt hij onderzocht door een ingevolge artikel 42, eerste lid, van de wet als scheidsrechter aangewezen geneeskundige.
5.
De in dit besluit bedoelde onderzoeken worden verricht door geneeskundigen die niet de behandelend arts of specialist van de keurling zijn.
1.
Bij regeling van Onze Minister worden de medische eisen vastgesteld waaraan een keurling moet voldoen om in aanmerking te komen voor een geneeskundige verklaring als bedoeld in artikel 40, eerste dan wel tweede lid, van de wet.
2.
Bij regeling van Onze Minister worden de procedures en andere voorschriften vastgesteld die in acht worden genomen bij elk van de onderzoeken, bedoeld in artikel 105.
3.
Bij de vaststelling van medische eisen wordt bepaald ten aanzien van welke nieuwe medische eisen een ontheffing als bedoeld in artikel 44, derde lid, van de wet kan worden verleend.
4.
In afwijking van het vereiste in het eerste lid kan de Medisch Adviseur Scheepvaart aan een keurling ontheffing verlenen van één van de medische eisen indien naar zijn mening het niet voldoen aan die medische eis de veiligheid niet nadelig beïnvloedt.
1.
Een geneeskundige verklaring van geschiktheid voor de zeevaart als bedoeld in artikel 40 van de wet wordt afgegeven met een geldigheidsduur van ten hoogste twee jaar dan wel een jaar indien het een verklaring met betrekking tot een persoon onder de leeftijd van achttien jaar betreft.
2.
Op medische gronden kan de keuringsarts een geneeskundige verklaring van geschiktheid voor de zeevaart als bedoeld in artikel 40 van de wet afgeven voor een kortere duur dan die, genoemd in het eerste lid.
3.
De keuringsarts kan voorts een geneeskundige verklaring van geschiktheid voor de zeevaart als bedoeld in artikel 40 van de wet afgeven voor een beperkt vaargebied.
1.
De keuringsarts kan de gekeurde tijdelijk of blijvend ongeschikt voor de zeevaart verklaren.
2.
De gekeurde is:
a. tijdelijk ongeschikt, indien op medische gronden wordt verwacht dat hij niet langer dan drie jaren voor de zeevaart ongeschikt zal zijn;
b. blijvend ongeschikt, indien op medische gronden wordt verwacht dat hij langer dan drie jaren voor de zeevaart ongeschikt zal zijn.
Artikel 109
De keuringsarts die het onderzoek uitvoert, neemt de in artikel 106, eerste lid, bedoelde medische eisen, de in artikel 106, tweede lid, bedoelde procedures en andere voorschriften, alsook voorzover van toepassing, de artikelen 107 en 108 in acht.
1.
Een geneeskundige kan Onze Minister verzoeken hem aan te wijzen als keuringsarts of, met betrekking tot medische keuringen als bedoeld in artikel 40, tweede lid, van de wet, te erkennen als keuringsarts. Bij het verzoek wordt een geldig bewijs van registratie als arts, bedoeld in de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg , overgelegd.
2.
Indien het verzoek is ingediend door een geneeskundige die in het buitenland zijn praktijk houdt, vergewist de Medisch Adviseur Scheepvaart zich van diens vakbekwaamheid.
3.
Onze Minister gaat niet over tot aanwijzing of erkenning van een geneeskundige indien diens onafhankelijkheid ten opzichte van werkgevers, werknemers of hun organisaties niet gewaarborgd is, of ingeval diens professionele kundigheden, praktijkervaring of beroepsuitrusting naar het oordeel van de Medisch Adviseur Scheepvaart, ressorterend onder Onze Minister, ontoereikend zijn.
4.
Bij het besluit van Onze Minister over de aanwijzing of erkenning worden het aantal reeds aangewezen of erkende geneeskundigen en de spreiding over het land in relatie tot de regionale of plaatselijke behoefte in aanmerking genomen.
5.
De aanwijzing of erkenning als keurend arts wordt afgegeven voor een periode van ten hoogste vijf jaren. Na afloop van deze periode kan een hernieuwd verzoek om aanwijzing of erkenning als keurend arts worden ingediend; bij dit hernieuwde verzoek wordt het bewijsstuk vermeld in het eerste lid overgelegd, tenzij het tweede lid van toepassing is.
6.
De aangewezen of erkende geneeskundige is verplicht de door Onze Minister, op aanbeveling van de Medisch Adviseur Scheepvaart, aangewezen nascholingscursussen te volgen. De kosten van deelname komen voor rekening van de betrokken geneeskundige.
7.
Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld met betrekking tot de aanwijzing en de erkenning van geneeskundigen als keurend arts voor de scheepvaart.
Artikel 111
Onze Minister trekt, op advies van de Medisch Adviseur Scheepvaart, een aanwijzing of erkenning in indien is gebleken dat de keuringsarts of scheidsrechter:
a. de algemeen geldende medische of ethische normen niet in acht neemt;
b. zich bij herhaling niet houdt aan het gestelde in de artikelen 105 tot en met 109 of zijn beroepsuitrusting niet toereikend is voor zijn taak als keuringsarts;
c. valse of vervalste verklaringen heeft afgegeven;
d. niet meer in het betrokken register vermeld is als arts;
e. onder curatele is gesteld wegens geestelijke stoornis;
f. anderszins niet meer gerechtigd is de geneeskunst uit te oefenen;
g. een daartoe strekkend verzoek heeft ingediend;
h. diens onafhankelijkheid ten opzichte van werkgevers, werknemers of hun organisaties niet langer gewaarborgd is;
i. een te gering aantal keuringen heeft verricht om door praktische ervaring zijn bekwaamheid als keuringsarts op peil te houden, of
j. heeft verzuimd een voor hem aangewezen nascholingscursus te volgen.
1.
De kosten van een geneeskundig onderzoek, heronderzoek of specialistisch deelonderzoek als bedoeld in de artikelen 40 en 42 van de wet komen voor rekening van de scheepsbeheerder of werkgever.
2.
Voor zover er geen scheepsbeheerder of werkgever is aan te wijzen worden de kosten, bedoeld in het eerste lid, gedragen door degene die opdracht heeft gegeven voor het onderzoek.
3.
De kosten van een geneeskundig onderzoek of specialistisch deelonderzoek als bedoeld in artikel 23, tweede lid, van de wet worden door het Rijk gedragen.
4.
De kosten van een heronderzoek of een aanvullend specialistisch deelonderzoek, bedoeld in de artikelen 40 en 42 van de wet worden gedragen door het Rijk, voor zover zij naar het oordeel van Onze Minister redelijkerwijs niet voor rekening van de gekeurde behoren te komen.
1.
De Medisch Adviseur Scheepvaart kan geneeskundige verklaringen, afgegeven op grond van medische eisen die naar zijn oordeel ten minste gelijkwaardig zijn aan het geheel van de medische eisen die krachtens dit besluit worden gesteld, gelijkstellen met een krachtens dit besluit afgegeven geneeskundige verklaring van geschiktheid voor de zeevaart.
2.
Een geneeskundige verklaring als bedoeld in het eerste lid die niet op grond van dit besluit is afgegeven, mag niet langer dan twee jaren vóór de beoordeling zijn afgegeven.
3.
Bij toepassing van het eerste lid geeft de Medisch Adviseur Scheepvaart een geneeskundige verklaring af als bedoeld in artikel 40 van de wet dan wel, indien het meer dan een zeevarende betreft, een verklaring af van gelijkwaardigheid van de desbetreffende geneeskundige verklaringen met de geneeskundige verklaring, bedoeld in artikel 40 van de wet.
1.
De kapitein van elk schip draagt er zorg voor dat voor het ondernemen van een reis en gedurende de reis overeenkomstig Hoofdstuk III/10 van het SOLAS-verdrag voldoende zeevarenden in het bezit van het certificaat reddingmiddelen aan boord zijn die in het bezit zijn van het certificaat, bedoeld in artikel 40, tweede lid.
2.
Voor de toepassing van het eerste lid worden kapiteins, stuurlieden en maritieme officieren geacht in het bezit te zijn van het certificaat reddingmiddelen.
3.
De kapitein van elk schip dat is uitgerust met snelle hulpverleningsboten draagt er zorg voor dat voor het ondernemen van een reis en gedurende de reis voor iedere snelle hulpverleningsboot tenminste twee bemanningsleden beschikbaar zijn in het bezit van het certificaat snelle hulpverleningsboten als bedoeld in artikel 89.
Artikel 119
Op een schip dat een internationale reis van meer dan 3 dagen maakt met 100 of meer opvarenden, is een arts aanwezig.
1.
Aan boord van een schip waarvan de voorgeschreven bemanning uit meer dan 9 personen bestaat, moet daarboven een scheepskok belast zijn met de bereiding van de voeding.
2.
Onder scheepskok wordt verstaan een persoon van 18 jaar of ouder in het bezit van het bekwaamheidsbewijs scheepskok.
3.
Onze Minister kan bekwaamheidsbewijzen en vaarbevoegdheidsbewijzen, door bevoegde autoriteiten in andere landen afgegeven op grond van het Verdrag betreffende het diploma van bekwaamheid als scheepskok, 1946, of van het Maritiem Arbeidsverdrag, als gelijkwaardig aan Nederlandse bekwaamheidsbewijzen erkennen.
Artikel 120a
Aan boord van een schip waarvan de voorgeschreven bemanning uit minder dan tien personen bestaat, heeft eenieder die in de kombuis levensmiddelen verwerkt een opleiding genoten of instructie gekregen op het gebied van voeding, persoonlijke hygiëne en de behandeling en opslag van levensmiddelen aan boord van schepen.
1.
Aan boord van een schip dat reizen onderneemt buiten het zeegebied A1, zoals omschreven in Hoofdstuk IV van het SOLAS-verdrag, is ten minste één persoon die als chef van de wacht, bedoeld in Sectie A-VIII/2, part 1, van de STCW-Code, kan optreden in het bezit van een algemeen certificaat maritieme radio-communicatie, afgegeven in overeenstemming met het bepaalde bij of krachtens het Frequentiebesluit 2013 ; een van deze personen is door de kapitein aangewezen als de verantwoordelijke persoon voor de afhandeling van radioberichtgeving tijdens noodgevallen. Alle andere personen die als chef van de wacht kunnen optreden zijn in het bezit zijn van het beperkte certificaat maritieme radiocommunicatie
2.
Aan boord van een schip dat uitsluitend reizen onderneemt in zeegebied A1, is ten minste één der personen die als chef van de wacht kunnen optreden in het bezit van het beperkt certificaat maritieme radiocommunicatie, afgegeven in overeenstemming met het bepaalde bij of krachtens het Frequentiebesluit 2013 .
Artikel 122
De scheepsbeheerder draagt er zorg voor dat:
a. tussen alle bemanningsleden een doelmatige communicatie over veiligheidsaspecten kan plaatsvinden. Voorts dient hij zeker te stellen dat er op adequate wijze communicatie kan plaatsvinden tussen het schip en andere schepen en tussen het schip en de autoriteiten te land, in het Engels of in een gemeenschappelijke taal;
b. aan boord van schepen een werktaal wordt vastgesteld die in het journaal wordt aangetekend;
c. aan boord van passagiersschepen en ro-ro passagiersschepen de bemanningsleden, die op de alarmrol zijn aangewezen om de passagiers in kritieke situaties te helpen, beschikken over voor dat doel toereikende communicatieve vaardigheden en duidelijk herkenbaar zijn en,
d. onverminderd het bepaalde onder a, op olietankschepen, chemicaliëntankschepen en gastankschepen, de bemanningsleden in staat zijn met elkaar te communiceren in een of meer gemeenschappelijke werktalen.
1.
De scheepsbeheerder stelt een verklaring op waarin hij voor ieder onderdeel van artikel 122, voor zover het desbetreffende onderdeel betrekking heeft op zijn schip, nauwkeurig vermeldt op welke wijze hij ten aanzien van zijn schip uitvoering heeft gegeven aan zijn verplichtingen ingevolge dat artikel.
2.
De scheepsbeheerder verschaft de kapitein een exemplaar van de verklaring, bedoeld in het eerste lid.
3.
De verklaring, bedoeld in het eerste lid, heeft een geldigheidsduur van vijf jaar.
4.
In afwijking van het derde lid heeft de verklaring, bedoeld in het eerste lid, voor passagiersschepen en ro-ro passagiersschepen een geldigheidsduur van één jaar.
5.
De verklaring bedoeld in het tweede lid wordt door de kapitein in een voor iedereen toegankelijke plaats opgehangen.
6.
Bij regeling van Onze Minister wordt bepaald welke gegevens worden opgenomen in de in het eerste lid bedoelde verklaring.
Artikel 124
Bij regeling van Onze Minister kunnen, ter uitvoering van Verdragen of van besluiten van volkenrechtelijke organisaties, nadere regels worden gesteld met betrekking tot de in dit besluit geregelde onderwerpen.
Artikel 125
De geneeskundige verklaringen van geschiktheid voor de zeevaart die zijn afgegeven voor het tijdstip waarop artikel I voor wat betreft de onderdelen F tot en met L en P van het besluit van 5 juli 2012 houdende wijziging van algemene maatregelen van bestuur op het terrein van de scheepvaart in verband met de implementatie van het Maritiem Arbeidsverdrag, 2006 in werking treedt, behouden hun geldigheid overeenkomstig de daarop aangegeven einddatum.
1.
Een geldig vaarbevoegdheidsbewijs dat is afgegeven voor 1 januari 2012 kan tot en met 31 december 2016 worden vernieuwd met inachtneming van de voorwaarden voor vernieuwing ervan zoals die luidden voor het tijdstip waarop artikel I, onderdeel F, van het besluit van 31 maart 2014, houdende wijziging van algemene maatregelen van bestuur op het terrein van de scheepvaart in verband met de implementatie van de wijziging van de bijlage bij het STCW-Verdrag en de STCW-Code en van richtlijn 2012/35/EU en enige andere onderwerpen op het terrein van de zeevaartbemanning (Stb. 150), in werking treedt.
2.
Een op grond van het eerste lid afgegeven vaarbevoegdheidsbewijs is uiterlijk geldig tot en met 31 december 2016.
1.
Houders van een vaarbevoegdheidsbewijs als bedoeld in artikel 70, eerste lid, van de wet voor de functie kapitein alle schepen, kapitein kleine schepen, eerste stuurman alle schepen, eerste stuurman kleine schepen, of wachtstuurman alle schepen, overleggen een bekwaamheidsbewijs of een schriftelijk bewijs waaruit blijkt dat zij zijn geschoold of bijgeschoold op het gebied van:
a. ECDIS (Electronic Chart Display Information Sytems) en daaromtrent voldoen aan de toepasselijke eisen van sectie A-II/1 of sectie A-II/2 van de STCW-Code; en
b. radarnavigatie.
2.
Houders van een vaarbevoegdheidsbewijs als bedoeld in artikel 70, eerste lid, van de wet voor de functie hoofdwerktuigkundige alle schepen, hoofdwerktuigkundige kleine schepen, tweede werktuigkundige alle schepen, tweede werktuigkundige kleine schepen of wachtwerktuigkundige alle schepen, overleggen een bekwaamheidsbewijs of een schriftelijk bewijs waaruit blijkt dat zij zijn geschoold of bijgeschoold op het gebied van hoogspanning en daaromtrent voldoen aan de toepasselijke eisen van sectie A-III/1 of sectie A-III/2 van de STCW-Code.
3.
Houders van een vaarbevoegdheidsbewijs als bedoeld in artikel 70, eerste lid, van de wet voor de functie eerste maritiem officier alle schepen, eerste maritiem officier kleine schepen, maritiem officier of maritiem officier kleine schepen, overleggen een bekwaamheidsbewijs of een schriftelijk bewijs waaruit blijkt dat zij zijn geschoold of bijgeschoold op het gebied van:
a. ECDIS (Electronic Chart Display Information Sytems) en daaromtrent voldoen aan de toepasselijke eisen van sectie A-II/1 of sectie A-II/2 van de STCW-Code;
b. hoogspanning en daaromtrent voldoen aan de toepasselijke eisen van sectie A-III/1 of sectie A-III/2 van de STCW-Code; en
c. radarnavigatie.
4.
Voor de toepassing van het eerste en het derde lid wordt onder radarnavigatie verstaan de training voor het certificaat radarnavigator, bedoeld in artikel 70 van dit besluit, zoals dat luidde voor het tijdstip waarop artikel I, onderdeel O, van het in artikel 125a, eerste lid, bedoelde besluit in werking is getreden.
Artikel 125c
Een vaarbevoegdheidsbewijs voor een functie op reizen nabij de kust of voor een functie op reizen nabij de kust zonder beperking in voortstuwingsvermogen, afgegeven aan een zeevarende voor het tijdstip waarop artikel I, onderdelen A en M, van het in artikel 125a, eerste lid, bedoelde besluit in werking treden, behoudt zijn geldigheid overeenkomstig de daarop aangegeven einddatum.
1.
Onverminderd artikel 8 heeft de houder van een vaarbevoegdheidsbewijs voor de functie kapitein op reizen nabij de kust of kapitein op reizen nabij de kust zonder beperking in voortstuwingsvermogen, recht op een vaarbevoegdheidsbewijs voor de functie kapitein schepen van minder dan 500 GT met de beperking tot reizen nabij de Nederlandse kust in een vaargebied dat zich uitstrekt tot de Nederlandse territoriale zee en de aansluitende zone van het Koninkrijk grenzend aan de Nederlandse territoriale zee.
2.
Onverminderd artikel 8 heeft de houder van een vaarbevoegdheidsbewijs voor de functie eerste stuurman op reizen nabij de kust recht op een vaarbevoegdheidsbewijs voor de functie eerste stuurman schepen van minder dan 500 GT met de beperking tot reizen nabij de Nederlandse kust in een vaargebied dat zich uitstrekt tot de Nederlandse territoriale zee en de aansluitende zone van het Koninkrijk grenzend aan de Nederlandse territoriale zee.
3.
Onverminderd artikel 8 heeft de houder van een vaarbevoegdheidsbewijs voor de functie wachtwerktuigkundige op reizen nabij de kust recht op een vaarbevoegdheidsbewijs voor de functie tweede werktuigkundige schepen van minder dan 3.000 kW met de beperking tot reizen nabij de Nederlandse kust in een vaargebied dat zich uitstrekt tot de Nederlandse territoriale zee en de aansluitende zone van het Koninkrijk grenzend aan de Nederlandse territoriale zee.
1.
Onverminderd artikel 8 geeft het bezit van een vaarbevoegdheidsbewijs voor de functie kapitein op reizen nabij de kust of kapitein op reizen nabij de kust zonder beperking in voortstuwingsvermogen, tezamen met:
a. het certificaat reddingmiddelen;
b. het certificaat brandbestrijding voor gevorderden;
c. het certificaat medische eerste hulp aan boord;
d. het certificaat medische zorg aan boord;
e. het algemeen certificaat maritieme radiocommunicatie; en
f. het certificaat aanvulling-N voor reizen nabij de internationale kust,
de aanvrager recht op een vaarbevoegdheidsbewijs voor de functie kapitein schepen van minder dan 500 GT met de beperking tot reizen nabij de internationale kust.
2.
Onverminderd artikel 8 geeft het bezit van een vaarbevoegdheidsbewijs voor de functie kapitein op reizen nabij de kust of kapitein op reizen nabij de kust zonder beperking in voortstuwingsvermogen, tezamen met:
a. het certificaat reddingmiddelen;
b. het certificaat brandbestrijding voor gevorderden;
c. het certificaat medische eerste hulp aan boord;
d. het certificaat medische zorg aan boord; en
e. het algemeen certificaat maritieme radiocommunicatie,
de aanvrager recht op een vaarbevoegdheidsbewijs voor de functie kapitein schepen van minder dan 500 GT met de beperking tot reizen nabij de Nederlandse kust in een vaargebied dat zich uitstrekt tot de Nederlandse territoriale zee en de Nederlandse exclusieve economische zone.
3.
Onverminderd artikel 8 geeft het bezit van een vaarbevoegdheidsbewijs voor de functie eerste stuurman op reizen nabij de kust, tezamen met:
a. het certificaat reddingmiddelen;
b. het certificaat medische eerste hulp aan boord;
c. het certificaat medische zorg aan boord; en
d. het algemeen certificaat maritieme radiocommunicatie,
de aanvrager recht op een vaarbevoegdheidsbewijs voor de functie eerste stuurman schepen van minder dan 500 GT met de beperking tot reizen nabij de internationale kust.
4.
Onverminderd artikel 8 geeft het bezit van een vaarbevoegdheidsbewijs voor de functie eerste stuurman op reizen nabij de kust, tezamen met:
a. het certificaat reddingmiddelen;
b. het certificaat medische eerste hulp aan boord; en
c. het algemeen certificaat maritieme radiocommunicatie,
de aanvrager recht op een vaarbevoegdheidsbewijs voor de functie eerste stuurman schepen van minder dan 500 GT met de beperking tot reizen nabij de Nederlandse kust in een vaargebied dat zich uitstrekt tot de Nederlandse territoriale zee en de Nederlandse exclusieve economische zone.
5.
Onverminderd artikel 8 geeft het bezit van een vaarbevoegdheidsbewijs voor de functie wachtwerktuigkundige op reizen nabij de kust, tezamen met:
a. het certificaat reddingmiddelen; en
b. het certificaat medische eerste hulp aan boord,
de aanvrager recht op een vaarbevoegdheidsbewijs voor de functie tweede werktuigkundige schepen met minder dan 3.000 kW voortstuwingsvermogen met de beperking tot reizen nabij de internationale kust.
6.
Onverminderd artikel 8 geeft het bezit van een vaarbevoegdheidsbewijs voor de functie wachtwerktuigkundige op reizen nabij de kust, tezamen met:
a. het certificaat reddingmiddelen; en
b. het certificaat medische eerste hulp aan boord,
de aanvrager recht op een vaarbevoegdheidsbewijs voor de functie tweede werktuigkundige schepen van minder dan 3.000 kW voortstuwingsvermogen met de beperking tot reizen nabij de Nederlandse kust in een vaargebied dat zich uitstrekt tot de Nederlandse territoriale zee en de Nederlandse exclusieve economische zone.
7.
Het certificaat, genoemd in het eerste lid, onderdeel f, is niet vereist tot een bij regeling van Onze Minister vast te stellen tijdstip.
Artikel 125f
Vaarbevoegdheidsbewijzen met de beperking tot aannemersmaterieel, afgegeven voor het tijdstip waarop artikel I, onderdelen A en M, van het in artikel 125a, eerste lid, bedoelde besluit in werking treden, behouden hun geldigheid overeenkomstig de daarop aangegeven einddatum.
1.
Artikel 35, eerste en tweede lid, is tot en met 31 december 2016 niet van toepassing op een daarin bedoelde zeevarende indien:
a. deze in het bezit is van een aan hem afgegeven geldig vaarbevoegdheidsbewijs waarop is aangetekend dat de houder voldoet aan de eisen voor de uitoefening van speciale taken en verantwoordelijkheden met betrekking tot de lading en de daarbij behorende uitrusting op tankschepen, bedoeld in artikel 29, eerste lid, van dit besluit, zoals dat luidde voor het tijdstip waarop artikel I, onderdeel M, van het in artikel 125a, eerste lid, bedoelde besluit in werking treedt; of
b. het een wachtlopend gezel of een gekwalificeerd gezel betreft en deze aantoont ten minste 3 maanden dienst te hebben gedaan op een tankschip dan wel in het bezit is van een certificaat ten bewijze van het gevolgd hebben van een passende training.
2.
Een zeevarende als bedoeld in het eerste lid, heeft recht op het bekwaamheidsbewijs basis ladingbehandeling olie- en chemicaliëntankschepen, bedoeld in artikel 35, eerste lid, en op het bekwaamheidsbewijs basis ladingbehandeling gastankschepen, bedoeld in artikel 35, tweede lid.
1.
Artikel 35, derde, vierde of vijfde lid, is tot en met 31 december 2016 niet van toepassing op een daarin bedoelde zeevarende indien deze in het bezit is van een aan hem afgegeven geldig vaarbevoegdheidsbewijs waarop is aangetekend dat de houder voldoet aan de eisen met betrekking tot de verantwoordelijkheid voor de uitoefening van taken op het type tankschip waarop hij vaart, genoemd in artikel 29, derde lid, van dit besluit, zoals dat luidde voor het tijdstip waarop artikel I, onderdeel M, van het in artikel 125a, eerste lid, bedoelde besluit in werking treedt.
2.
De houder van een certificaat behandeling en vervoer van aardolie en aardolieproducten in bulk aan boord van olietankschepen, afgegeven op grond van artikel 71 van dit besluit, zoals dat luidde voor het tijdstip waarop artikel I, onderdeel O, van het in artikel 125a, eerste lid, bedoelde besluit in werking treedt, heeft recht op het bekwaamheidsbewijs ladingbehandeling olietankschepen voor gevorderden, bedoeld in artikel 35, derde lid.
3.
De houder van een certificaat behandeling en vervoer van chemicaliën in bulk aan boord van chemicaliëntankschepen, afgegeven op grond van artikel 72 van dit besluit, zoals dat luidde voor het in het tweede lid bedoelde tijdstip, heeft recht op het bekwaamheidsbewijs ladingbehandeling chemicaliëntankschepen voor gevorderden, bedoeld in artikel 35, vierde lid.
4.
De houder van een certificaat behandeling en vervoer van tot vloeistof verdichte of samengeperste gassen in bulk aan boord van gastankschepen, afgegeven op grond van artikel 73 van dit besluit, zoals dat luidde voor het in het tweede lid bedoelde tijdstip, heeft recht op het bekwaamheidsbewijs ladingbehandeling gastankschepen voor gevorderden, bedoeld in artikel 35, vijfde lid.
Artikel 125i
De artikelen 37 tot en met 47 van dit besluit, zoals die luidden voor het tijdstip waarop artikel I, onderdeel M, van het in artikel 125a, eerste lid, bedoelde besluit in werking treedt, blijven tot en met 31 december 2016 van toepassing op de behandeling van een aanvraag voor een vaarbevoegdheidsbewijs door officieren en oud-officieren van de Zeedienst der Koninklijke Marine.
Artikel 125j
Certificaten scheepsmanagement-N en scheepsmanagement-W die zijn afgegeven op grond van de artikelen 68 of 69 van dit besluit, zoals die luidden voor het tijdstip waarop artikel I, onderdeel O, van het in artikel 125a, eerste lid, bedoelde besluit in werking treedt, behouden hun geldigheid en worden voor de toepassing van dit besluit gelijkgesteld aan het in hoofdstuk 3, paragraaf 2, genoemde certificaat scheepsmanagement-N respectievelijk scheepsmanagement-W.
Artikel 125k
Bewijzen groepsbegeleiding in noodsituaties aan boord van passagiersschepen en bewijzen groepsbegeleiding in noodsituaties aan boord van ro-ro passagiersschepen die zijn afgegeven op grond van de artikelen 74 of 79 van dit besluit, zoals die luidden voor het tijdstip waarop artikel I, onderdeel O, van het in artikel 125a, eerste lid, bedoelde besluit in werking treedt, behouden hun geldigheid overeenkomstig de daarop aangegeven einddatum en worden voor de toepassing van dit besluit gelijkgesteld aan het in artikel 36, eerste lid, genoemde schriftelijk bewijs geoefend zijn in groepsbegeleiding.
Artikel 125l
Bewijzen familiarisatietraining passagiersschip/schepen en bewijzen familiarisatie-training ro-ro passagiersschip/schepen die zijn afgegeven op grond van de artikelen 75 of 80 van dit besluit, zoals die luidden voor het tijdstip waarop artikel I, onderdeel O, van het in artikel 125a, eerste lid, bedoelde besluit in werking treedt, behouden hun geldigheid en kunnen dienen als bewijs dat aan de verplichting tot het volgen van een familiarisatietraining, opgenomen in artikel 36, vijfde lid, is voldaan.
Artikel 125m
Bewijzen hotelpersoneel passagiersschepen en bewijzen hotelpersoneel ro-ro passagiersschepen die zijn afgegeven op grond van de artikelen 76 of 81 van dit besluit, zoals die luidden voor het tijdstip waarop artikel I, onderdeel O, van het in artikel 125a, eerste lid, bedoelde besluit in werking treedt, behouden hun geldigheid en worden voor de toepassing van dit besluit gelijkgesteld aan het in artikel 36, tweede lid, genoemde schriftelijk bewijs geoefend zijn in dienstverlening aan passagiers.
Artikel 125n
Certificaten passagiersveiligheid en certificaten passagiersveiligheid, ladingveiligheid en integriteit van de romp ro-ro passagiersschepen die zijn afgegeven op grond van de artikelen 77 of 82 van dit besluit, zoals die luidden voor het tijdstip waarop artikel I, onderdeel O, van het in artikel 125a, eerste lid, bedoelde besluit in werking treedt, behouden hun geldigheid overeenkomstig de daarop aangegeven einddatum en worden voor de toepassing van dit besluit gelijkgesteld aan het in artikel 36, vierde lid, genoemde certificaat passagiersveiligheid, ladingveiligheid en waterdichtheid van de scheepsromp.
Artikel 125o
Certificaten crisisbeheersing en menselijk gedrag die zijn afgegeven op grond van de artikelen 78 of 83 van dit besluit, zoals die luidden voor het tijdstip waarop artikel I, onderdeel O, van het in artikel 125a, eerste lid, bedoelde besluit in werking treedt, behouden hun geldigheid overeenkomstig de daarop aangegeven einddatum en worden voor de toepassing van dit besluit gelijkgesteld aan het in artikel 36, derde lid, genoemde certificaat crisisbeheersing en menselijk gedrag.
Artikel 125p
Certificaten stoomvoortstuwing die zijn afgegeven op grond van artikel 84 van dit besluit, zoals dat luidde voor het tijdstip waarop artikel I, onderdeel O, van het in artikel 125a, eerste lid, bedoelde besluit in werking treedt, behouden hun geldigheid en worden voor de toepassing van dit besluit gelijkgesteld aan het in artikel 38 genoemde certificaat stoomvoortstuwing.
Artikel 125q
Type rating certificaten die zijn afgegeven op grond van artikel 85 van dit besluit, zoals dat luidde voor het tijdstip waarop artikel I, onderdeel O, van het in artikel 125a, eerste lid, bedoelde besluit in werking treedt, behouden hun geldigheid overeenkomstig de daarop aangegeven einddatum en worden voor de toepassing van dit besluit gelijkgesteld aan het in artikel 37, eerste lid, genoemde certificaat type rating HSC.
Artikel 125r
Certificaten grote zeilvaart en kennisbewijzen stuurman grote zeilvaart die zijn afgegeven op grond van artikel 86 van dit besluit, zoals dat luidde voor het tijdstip waarop artikel I, onderdeel O, van het in artikel 125a, eerste lid, bedoelde besluit in werking treedt, behouden hun geldigheid en worden voor de toepassing van dit besluit gelijkgesteld aan het in artikel 32, eerste lid, genoemde bekwaamheidsbewijs stuurman grote zeilvaart.
1.
Certificaten basisveiligheid die zijn afgegeven op grond van artikel 87 van dit besluit, zoals dat luidde voor het tijdstip waarop artikel I, onderdeel O, van het in artikel 125a, eerste lid, bedoelde besluit in werking treedt, behouden hun geldigheid en worden voor de toepassing van dit besluit gelijkgesteld aan het in artikel 40, eerste lid, genoemde certificaat basisveiligheid.
2.
Voor bemanningsleden met de functie van ten minste wachtstuurman, wachtwerktuigkundige of maritiem officier geldt het geldige vaarbevoegdheidsbewijs tot en met 31 december 2016 als certificaat basisveiligheid.
Artikel 125t
Certificaten sloepsgast die zijn afgegeven op grond van artikel 88 van dit besluit, zoals dat luidde voor het tijdstip waarop artikel I, onderdeel O, van het in artikel 125a, eerste lid, bedoelde besluit in werking treedt, behouden hun geldigheid en worden voor de toepassing van dit besluit gelijkgesteld aan het in de artikelen 40, tweede lid, en 117, eerste en tweede lid, genoemde certificaat reddingmiddelen.
Artikel 125u
Certificaten van bekwaamheid in het gebruik van snelle hulpverleningsboten die zijn afgegeven op grond van artikel 89 van dit besluit, zoals dat luidde voor het tijdstip waarop artikel I, onderdeel O, van het in artikel 125a, eerste lid, bedoelde besluit in werking treedt, behouden hun geldigheid en worden voor de toepassing van dit besluit gelijkgesteld aan het in de artikelen 40, derde lid, en 117, derde lid, genoemde certificaat snelle hulpverleningsboten.
Artikel 125v
Certificaten brandbestrijding voor gevorderden die zijn afgegeven op grond van artikel 90 van dit besluit, zoals dat luidde voor het tijdstip waarop artikel I, onderdeel O, van het in artikel 125a, eerste lid, bedoelde besluit in werking treedt, behouden hun geldigheid en worden voor de toepassing van dit besluit gelijkgesteld aan het in artikel 40, vierde lid, genoemde certificaat brandbestrijding voor gevorderden.
1.
Certificaten scheepsgezondheidszorg B die zijn afgegeven op grond van artikel 91, eerste lid, van dit besluit, zoals dat luidde voor het tijdstip waarop artikel I, onderdeel O, van het in artikel 125a, eerste lid, bedoelde besluit in werking treedt, behouden hun geldigheid overeenkomstig de daarop aangegeven einddatum en worden voor de toepassing van dit besluit gelijkgesteld aan de in artikel 42, eerste lid, genoemde certificaten medische eerste hulp aan boord en medische zorg aan boord.
2.
Certificaten scheepsgezondheidszorg O die zijn afgegeven op grond van artikel 91, tweede lid, van dit besluit, zoals dat luidde voor het in het eerste lid bedoelde tijdstip, behouden hun geldigheid overeenkomstig de daarop aangegeven einddatum en worden voor de toepassing van dit besluit gelijkgesteld aan de in artikel 42, eerste lid, genoemde certificaten medische eerste hulp aan boord en medische zorg aan boord.
Artikel 125x
Certificaten Wetgeving en Openbaar Gezag die zijn afgegeven op grond van artikel 92a van dit besluit, zoals dat luidde voor het tijdstip waarop artikel I, onderdeel O, van het in artikel 125a, eerste lid, bedoelde besluit in werking treedt, behouden hun geldigheid en worden voor de toepassing van dit besluit gelijkgesteld aan het in artikel 10, eerste lid, genoemde certificaat wetgeving en openbaar gezag.
Artikel 125y
Certificaten scheepsbeveiligingsfunctionaris die zijn afgegeven op grond van artikel 2 van de Regeling certificering scheepsbeveiligingsfunctionarissen behouden hun geldigheid en worden voor de toepassing van dit besluit gelijkgesteld aan het in artikel 41, eerste lid, genoemde certificaat scheepsbeveiligingsfunctionaris.
Artikel 125z
Verklaringen als bedoeld in artikel 123, eerste en tweede lid, van dit besluit, zoals dat luidde voor het tijdstip waarop artikel I, onderdeel AA, van het in artikel 125a, eerste lid, bedoelde besluit in werking treedt, behouden hun geldigheid overeenkomstig de daarop aangegeven einddatum en worden voor de toepassing van dit besluit gelijkgesteld aan de in artikel 123, eerste lid, genoemde verklaring.
1.
In afwijking van artikel 20, derde lid, is het certificaat aanvulling-N voor reizen nabij de internationale kust, tot een bij regeling van Onze Minister vast te stellen tijdstip niet vereist voor de verkrijging van een vaarbevoegdheidsbewijs voor de functie kapitein schepen van minder dan 500 GT met de beperking tot reizen nabij de internationale kust.
2.
In afwijking van artikel 20, vierde lid, is het certificaat aanvulling-W voor reizen nabij de internationale kust, tot een bij regeling van Onze Minister vast te stellen tijdstip niet vereist voor de verkrijging van een vaarbevoegdheidsbewijs voor de functie hoofdwerktuigkundige schepen met minder dan 3.000 kW voortstuwingsvermogen met de beperking tot reizen nabij de internationale kust.
Artikel 126
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit zeevarenden handelsvaart en zeilvaart.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
's-Gravenhage, 23 augustus 2001
De Minister van Verkeer en Waterstaat,
Uitgegeven de vierentwintigste januari 2002
De Minister van Justitie,
Inhoudsopgave
+ Hoofdstuk 1. Definities
+ Hoofdstuk 2. Regels voor het geven van een ontheffing
+ Hoofdstuk 3. Nadere regels aangaande vaarbevoegdheidsbewijzen
+ Hoofdstuk 4. Aanvullende vereisten
+ Hoofdstuk 5. Nadere regels aangaande de monsterrol en het monsterboekje
+ Hoofdstuk 6. Nadere regels aangaande de medische geschiktheid van zeevarenden
+ Hoofdstuk 7. Bijzondere bepalingen voor de bemanning van zeeschepen
+ Hoofdstuk 8. Overgangs- en slotbepalingen
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht
Jurisprudentie
Voorbeelden van het gebruik van deze artikel(en) in rechterlijke uitspraken