Let op. Deze wet is vervallen op 1 april 2003. U leest nu de tekst die gold op 31 maart 2003.

Besluit zorgaanspraken bijzondere ziektekostenverzekering

Uitgebreide informatie
Besluit van 20 november 1991, houdende vaststelling van de aard, inhoud en omvang van de zorg waarop aanspraak bestaat ingevolge de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten, aanwijzing van de vormen van zorg waarvoor een specifiek eigen risico kan gelden, vaststelling van regels ter zake van de door de verzekerden verschuldigde bijdrage in de kosten van zorg, aanmerking van instellingen als erkende instellingen en opheffing van de contracteerplicht ten aanzien van zodanige instellingen alsmede daarmee verband houdende wijzigingen dan wel intrekking van andere regelingen
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van de Staatssecretaris van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur van 10 september 1991, DGVGZ/VMP-419 257, gedaan in overeenstemming met de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
Gelet op de artikelen 6, eerste en derde lid, 7, tweede, derde en vierde lid, 8, tweede lid, 10, eerste lid, 11, 14, eerste lid, 16, eerste lid, 17, achtste lid, 45, vierde lid, en 77 van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten ( Stb. 1990, 176), artikel 8 van de Ziekenfondswet ( Stb. 1986, 347) en artikel 2, tweede lid, van de Wet op de toegang tot ziektekostenverzekeringen ( Stb. 1986, 123);
Gezien de adviezen van de Ziekenfondsraad (adviezen van 24 augustus 1989, nr. 449, 27 september 1990, SGZ/19 438, GGZ/18 969, 25 april 1991, SGZ/8443, 27 juni 1991, SGZ/680, 22 augustus 1991, SGZ/14 511, SGZ/14 609, SGZ/14 610, GGZ/15 933), 23 augustus 1991, SGZ/15 403, 26 september 1991, ERK/9956, GGZ/17 290 en 24 oktober 1991, SEA/19 483 en het advies van het Kontaktorgaan Landelijke Organisaties van Ziektekostenverzekeraars (advies van 12 juli 1991, V/330/91/WJW/EW);
De Raad van State gehoord (advies van 30 oktober 1991, no. W13.91 0493);
Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur van 20 november 1991, VMP-91404, uitgebracht in overeenstemming met de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Artikel 1
In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. de wet: de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten ;
b. leefeenheid: een eenheid bestaande uit gehuwde verzekerden die al dan niet te zamen met een of meer ongehuwde minderjarige verzekerden duurzaam een huishouden voeren dan wel uit een meerderjarige ongehuwde verzekerde die met een of meer ongehuwde minderjarige verzekerden duurzaam een huishouden voert.
1.
De verzekerden hebben aanspraak op de zorg, omschreven in de artikelen 3, 4, 9 11 tot en met 16 en 19 tot en met 28, behoudens voor zover het zorg betreft die kan worden bekostigd op grond van een andere wettelijke regeling.
2.
Op de zorg, omschreven bij dit besluit, bestaat geen aanspraak, voor zover deze objectief voorzienbaar samenhangt met een onderzoek in een ziekenhuis dat of behandeling in een ziekenhuis die niet behoort tot de in artikel 9, eerste lid, omschreven zorg.
3.
Onze Minister kan, indien het onverwijld treffen van zodanige maatregel noodzakelijk is met het oog op de beheersing van de kostenontwikkeling, medisch-ethische implicaties van nieuwe ontwikkelingen of het belang van de verzekerden, voor een periode van zes maanden, welke door hem éénmaal met zes maanden kan worden verlengd, de inhoud en omvang van de aanspraak op in dit besluit omschreven zorg beperken of nader omschrijven.
1.
Voor zover gepaard gaande met verblijf gedurende het etmaal omvat de zorg, bedoeld in de artikelen 9, 11, 14, 19, 20 en 23, tevens:
a. tandheelkundige hulp;
b. farmaceutische hulp;
c. hulpmiddelen, noodzakelijk in verband met de in de instelling gegeven behandeling en verpleging;
d. kleding, verband houdende met het karakter en de doelstelling van de instelling;
e. het individueel gebruik van een rolstoel.
2.
De zorg, omschreven in artikel 20a, voor zover gepaard gaande met verblijf gedurende het etmaal, omvat de zorg, bedoeld in het eerste lid, onder b tot en met e.
3.
De zorg, bedoeld in het eerste lid, aanhef, en het tweede lid omvat niet het verkrijgen van onderwijs, kleedgeld en zakgeld.
4.
Onze Minister kan regelen stellen met betrekking tot de omvang van en de voorwaarden voor het verkrijgen van de zorg, bedoeld in het eerste lid, onder a tot en met e.
1.
Dieetadvisering omvat voorlichting met een medisch doel over voeding en eetgewoonten door een instelling.
2.
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de inhoud, omvang en voorwaarden voor het verkrijgen van de zorg, bedoeld in het eerste lid.
1.
Opneming en verder verblijf in een ziekenhuis, niet zijnde een psychiatrisch ziekenhuis als bedoeld in artikel 20 of een psychiatrische afdeling van een algemeen of academisch ziekenhuis als bedoeld in artikel 20 a, omvat onderzoek en behandeling van genees-, heel- en verloskundige aard door specialisten alsmede de daarmee verband houdende verpleging en verblijf in een ziekenhuis.
2.
Transplantatie van weefsel en organen is slechts begrepen in de zorg, omschreven in het eerste lid, voor zover deze door Onze Minister is aangewezen.
3.
Aanspraak op opneming en verder verblijf bestaat slechts voor zover deze een ononderbroken periode van 365 verpleegdagen in één of meer ziekenhuizen te boven gaat. Een onderbreking van niet langer dan 30 dagen geldt niet als onderbreking, doch deze dagen gelden voor de berekening van de 365 dagen evenmin als verpleegdagen. Indien genoemde periode is verstreken en binnen 30 dagen opnieuw opname nodig is, is er evenmin sprake van een onderbreking.
4.
Een verzekerde die voor rekening van de bijzondere ziektekostenverzekering verblijft in een sanatorium voor tuberculosepatiënten en vanuit dit sanatorium wordt overgeplaatst naar een ziekenhuis met een andere bestemming, heeft, zolang zijn verblijf in laatstbedoeld ziekenhuis een periode van 365 dagen niet overschrijdt, geen aanspraak op opneming en verder verblijf in dat ziekenhuis.
5.
Een verzekerde die voor rekening van de bijzondere ziektekostenverzekering verblijft in een psychiatrisch ziekenhuis of een psychiatrische afdeling van een algemeen of academisch ziekenhuis als bedoeld in artikel 20, en vanuit zodanig ziekenhuis wordt overgeplaatst naar een ziekenhuis met een andere bestemming onderscheidenlijk naar een andere afdeling van dat algemeen of academisch ziekenhuis, heeft geen aanspraak op opneming en verder verblijf in dat ziekenhuis, zolang zijn verblijf in dat ziekenhuis dan wel op die andere afdeling een periode van 365 dagen niet overschrijdt.
6.
Onze Minister bepaalt in welke gevallen een verzekerde op opneming en verder verblijf in een ziekenhuis is aangewezen.
1.
Zorg te verlenen door Het Dorp van de Stichting Exploitatie Het Dorp te Arnhem omvat verzorging, verpleging, begeleiding of behandeling in verband met een ernstige lichamelijke handicap, al dan niet gepaard gaande met verblijf gedurende het etmaal.
2.
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de voorwaarden waaronder aanspraak bestaat op de zorg, bedoeld in het eerste lid.
1.
Zorg te verlenen door een gezinsvervangend tehuis voor lichamelijk gehandicapten omvat begeleiding of verzorging gericht op bevordering van de integratie van de lichamelijk gehandicapte in de samenleving, al dan niet gepaard gaande met verblijf gedurende het etmaal.
2.
Op het verblijf, bedoeld in het eerste lid, bestaat aanspraak indien de verzekerde:
a. gedurende ten minste vier dagdelen per week buiten het gezinsvervangend tehuis betaalde of onbetaalde arbeid verricht, een dagopleiding volgt of een dagverblijf voor gehandicapten bezoekt;
b. door oorzaken buiten zijn persoon gelegen geen arbeid verricht, geen opleiding volgt of geen dagverblijf bezoekt, maar in staat kan worden geacht op korte termijn, doch uiterlijk binnen twee jaren, tot een zodanige dagbesteding te geraken en daartoe bereid is;
c. de leeftijd van 40 jaren heeft bereikt en bij het bereiken daarvan in een gezinsvervangend tehuis verbleef en door het deelnemen aan een regeling voor vervroegde uittreding uit het arbeidsproces, het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd dan wel andere oorzaken in zijn persoon gelegen, buiten het gezinsvervangend tehuis geen arbeid verricht, geen opleiding volgt of geen dagverblijf bezoekt en voorafgaande aan het verder verblijf gedurende een aaneengesloten periode van ten minste vijf jaren zodanige dagbesteding heeft gehad.
3.
Op het verblijf, bedoeld in het eerste lid, bestaat geen aanspraak indien de verzekerde in belangrijke mate aangewezen is op verpleging.
4.
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de voorwaarden waaronder aanspraak bestaat op de zorg, bedoeld in het eerste lid.
1.
Zorg te verlenen door een dagverblijf voor lichamelijk gehandicapten omvat onderzoek, behandeling, begeleiding of verzorging, gericht op bevordering of behoud van de zelfstandigheid van de lichamelijk gehandicapte in de maatschappij, al dan niet gepaard gaande met verblijf gedurende de dag of een deel daarvan.
2.
Indien de zorg, bedoeld in het eerste lid, gepaard gaat met verblijf gedurende de dag, omvat de zorg tevens het door het dagverblijf georganiseerde of geadviseerde openbare vervoer naar en van het dagverblijf.
3.
Aanspraak op de zorg, bedoeld in het eerste lid, bestaat indien de verzekerde primair een lichamelijke handicap heeft van een betrekkelijk statisch karakter en niet of nog niet aan onderwijs- of arbeidsvoorzieningen kan deelnemen of deze voorzieningen voor hem niet zijn aangewezen en wordt aangenomen dat hij een zodanige mate van sociale redzaamheid kan bereiken of heeft bereikt dat verblijf en integratie in de samenleving in beginsel mogelijk zijn.
4.
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de voorwaarden waaronder aanspraak bestaat op de zorg, bedoeld in het eerste lid.
1.
Zorg te verlenen door een verpleeginrichting omvat verzorging, verpleging, begeleiding of behandeling, in verband met een lichamelijke of psychogeriatrische aandoening, al dan niet gepaard gaande met verblijf gedurende het etmaal of een deel daarvan.
2.
De zorg, bedoeld in het eerste lid, omvat tevens consultatie van een verpleeghuisarts op aanvraag van een arts ten behoeve van een niet in de inrichting verblijvende verzekerde.
3.
Indien de zorg, bedoeld in het eerste lid, gepaard gaat met verblijf gedurende de dag, omvat de behandeling tevens het door de verpleeginrichting georganiseerde vervoer.
4.
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de voorwaarden waaronder aanspraak bestaat op de zorg, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 15
Zorg te verlenen door een instelling voor thuiszorg omvat:
a. verpleging, verzorging, begeleiding of voorlichting in verband met ziekte, herstel, invaliditeit of ouderdom;
b. hulp van huishoudelijke, persoonlijke of begeleidende aard in verband met ziekte, herstel, invaliditeit, ouderdom, overlijden of een psychosociaal probleem, die of dat leidt of dreigt te leiden tot het disfunctioneren van de verzorging van het huishouden van de verzekerde dan wel van de leefeenheid waartoe de verzekerde behoort;
c. het in bruikleen verstrekken van verpleegartikelen gedurende een termijn van ten hoogste zesentwintig weken.
1.
Zorg te verlenen door een verzorgingshuis omvat verzorging, verpleging of begeleiding in verband met lichamelijke, psychogeriatrische of psychosociale problemen als gevolg van ouderdom, al dan niet gepaard gaande met verblijf gedurende het etmaal of een deel daarvan.
2.
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de voorwaarden waaronder aanspraak bestaat op de zorg, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 17
De echtgenoot van een persoon die op grond van een indicatiebesluit ingevolge het Zorgindicatiebesluit duurzaam in een verzorgingshuis verblijft, heeft eveneens aanspraak op verblijf gedurende het etmaal in dat verzorgingshuis.
1.
Revalidatie omvat onderzoek, behandeling en advisering van specialistische, paramedische, gedragswetenschappelijke en revalidatie-technische aard, te verlenen door een aan een instelling voor revalidatie verbonden multidisciplinair team van deskundigen, staande onder leiding van een specialist, gepaard gaande met verzorging en verpleging en verblijf gedurende het etmaal in die instelling.
2.
Op revalidatie bestaat slechts aanspraak:
a. indien deze hulp voor de verzekerde als meest doeltreffend is aangewezen ter voorkoming, vermindering of overwinning van een handicap die het gevolg is van stoornissen of beperkingen in het bewegingsvermogen,
b. indien de verzekerde met die hulp in staat is een mate van zelfstandigheid te bereiken of te behouden die, gegeven diens beperkingen, redelijkerwijs mogelijk is,
c. indien daarmee spoedig betere resultaten te verwachten zijn dan revalidatie zonder verblijf in een instelling voor revalidatie, en
d. voor zover deze een ononderbroken periode van 365 verpleegdagen in één of meer instellingen voor revalidatie te boven gaat.
3.
De tweede en derde volzin van artikel 9, derde lid, zijn voor de berekening van de periode, bedoeld in het tweede lid, onder d , van overeenkomstige toepassing.
1.
Psychiatrische zorg te verlenen door een psychiatrisch ziekenhuis omvat:
a. onderzoek, advisering en voorlichting, behandeling, begeleiding, verpleging of verzorging gericht op herstel of voorkomen van verergering van een psychiatrische stoornis, al dan niet gepaard gaande met verblijf gedurende het etmaal,
b. met een pleeggezin overeengekomen verpleging in dat gezin,
c. begeleiding en verblijf gedurende het etmaal gericht op terugkeer in de samenleving, of
d. behandeling en verblijf gedurende het etmaal gericht op herstel van een verstoring in het dagelijks functioneren als gevolg van psychosociale problemen.
2.
Op de zorg, bedoeld in het eerste lid, onder c, bestaat aanspraak gedurende twee jaren, indien te verwachten is dat de verzekerde na afloop van die termijn zelfstandig kan wonen dan wel kan verblijven in een regionale instelling voor beschermd wonen. Het verblijf kan tweemaal met zesentwintig weken worden verlengd.
3.
Op de zorg, bedoeld in het eerste lid, onder d, bestaat aanspraak gedurende twaalf weken, indien te verwachten is dat een ambulante behandeling voor de verzekerde niet of nog niet toereikend is. Op de zorg bestaat geen aanspraak, indien na beëindiging van een eerder verblijf nog geen zesentwintig weken zijn verstreken.
4.
Bij ministeriële regeling kunnen regelen worden gesteld met betrekking tot de voorwaarden voor het tot gelding brengen van de aanspraak op de zorg, bedoeld in het eerste lid.
1.
Zorg te verlenen door een psychiatrische afdeling van een algemeen of academisch ziekenhuis omvat de zorg, bedoeld in artikel 20, eerste lid, onder a en b.
2.
Indien de zorg, bedoeld in het eerste lid, gepaard gaat met verblijf, bestaat aanspraak gedurende dertien weken, indien te verwachten is dat die termijn voor de verzekerde voldoende is. Het verblijf kan eenmaal met dertien weken worden verlengd.
3.
Bij ministeriële regeling kunnen regelen worden gesteld met betrekking tot de voorwaarden voor het tot gelding brengen van de aanspraak op de zorg, bedoeld in het eerste lid.
1.
Zorg te verlenen door of vanwege een regionale instelling voor ambulante geestelijke gezondheidszorg omvat ambulante psychosociale advisering en voorlichting, behandeling of begeleiding gericht op herstel of voorkomen van verergering van een verstoring in het psychosociaal functioneren.
2.
Bij ministeriële regeling kunnen regelen worden gesteld met betrekking tot de voorwaarden voor het tot gelding brengen van de aanspraak op de zorg, bedoeld in het eerste lid.
1.
Zorg te verlenen door of vanwege een regionale instelling voor beschermd wonen omvat begeleiding gericht op het opbouwen en onderhouden van sociale relaties, het zich eigen maken van een dagritme of het aanleren en toepassen van vaardigheden, al dan niet gepaard gaande met verblijf gedurende het etmaal.
2.
De aanspraak op de zorg, bedoeld in het eerste lid, bestaat indien de verzekerde ten gevolge van een psychiatrische stoornis beperkt is in zijn sociaal en zelfstandig functioneren.
3.
Bij ministeriële regeling kunnen regelen worden gesteld met betrekking tot de voorwaarden voor het tot gelding brengen van de aanspraak op de zorg, bedoeld in het eerste lid.
1.
Niet-klinische psychiatrische zorg te verlenen door een psychiater of zenuwarts omvat onderzoek of behandeling, naar omvang bepaald door hetgeen in de kring der beroepsgenoten gebruikelijk is, op verwijzing door de huisarts van verzekerde.
2.
Bij ministeriële regeling kunnen regelen worden gesteld met betrekking tot de voorwaarden voor het tot gelding brengen van de aanspraak op de zorg, bedoeld in het eerste lid.
1.
Zorg te verlenen door een psychiatrische polikliniek omvat onderzoek of, gedurende maximaal twee uren per dag, behandeling.
2.
Bij ministeriële regeling kunnen regelen worden gesteld met betrekking tot de voorwaarden voor het tot gelding brengen van de aanspraak op de zorg, bedoeld in het eerste lid.
1.
Psychiatrische deeltijdbehandeling te verlenen door een instelling voor psychiatrische deeltijdbehandeling omvat onderzoek, behandeling, begeleiding of verzorging, gedurende ten minste vier aaneengesloten uren en ten hoogste acht uren per dag.
2.
Bij ministeriële regeling kunnen regelen worden gesteld met betrekking tot de voorwaarden voor het tot gelding brengen van de aanspraak op de zorg, bedoeld in het eerste lid.
1.
Indien de zorg, bedoeld in artikel 20d onderscheidenlijk artikel 20e, psychotherapeutische behandeling betreft, bestaat aanspraak op ten hoogste negentig zittingen van ten hoogste vijfenveertig minuten per zitting bij individuele psychotherapie, van ten hoogste negentig minuten per zitting bij partner-relatie psychotherapie en van ten hoogste honderdtwintig minuten per zitting bij gezins- en groepspsychotherapie.
2.
Op de zorg, bedoeld in het eerste lid, bestaat geen aanspraak, indien na beëindiging van een voorafgaande psychotherapeutische behandeling in verband met het bereiken van het aantal zittingen, bedoeld in het eerste lid, nog geen tweeënvijftig weken zijn verstreken.
1.
Zorg te verlenen door een instelling voor visueel gehandicapten omvat onderzoek, begeleiding of behandeling gericht op bevordering of behoud van de zelfstandigheid van de visueel gehandicapte, al dan niet gepaard gaande met verblijf gedurende het etmaal of een deel daarvan.
2.
De zorg, bedoeld in het eerste lid, omvat niet onderwijs en onderwijsbegeleiding, scholing of omscholing in het kader van beroepsonderwijs, geneeskundige en paramedische hulp, vervoer of voorzieningen waarvoor ingevolge de Wet voorzieningen gehandicapten het gemeentebestuur zorg dient te dragen.
3.
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de voorwaarden waaronder aanspraak bestaat op de zorg, bedoeld in het eerste lid.
1.
Zorg te verlenen door een instelling voor auditief of communicatief gehandicapten omvat begeleiding of behandeling, al dan niet gepaard gaande met verblijf gedurende het etmaal of een deel daarvan.
2.
Indien de zorg, bedoeld in het eerste lid, gepaard gaat met verblijf gedurende de dag, omvat de zorg tevens het door de instelling georganiseerde vervoer over een redelijke afstand naar en van de instelling.
3.
Aanspraak op de zorg, bedoeld in het eerste lid, bestaat slechts indien de verzekerde lijdt aan een gehoorstoornis onderscheidenlijk een spraak- of taalstoornis als gevolg van een medische oorzaak en de zorg gericht is op het bereiken van:
a. een geneeskundig doel;
b. het zo goed mogelijk kunnen ontvangen van onderwijs dan wel scholing;
c. bevordering en behoud van de zelfstandigheid; of
d. bespoediging van de revalidatie.
4.
De zorg, bedoeld in het eerste lid, omvat niet onderwijs en onderwijsbegeleiding, scholing of omscholing in het kader van beroepsonderwijs of voorzieningen waarvoor ingevolge de Wet voorzieningen gehandicapten het gemeentebestuur zorg dient te dragen.
5.
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de voorwaarden waaronder aanspraak bestaat op de zorg, bedoeld in het eerste lid.
1.
Zorg te verlenen door een gezinsvervangend tehuis voor visueel, auditief of communicatief gehandicapten omvat begeleiding gericht op bevordering van de integratie van de visueel, auditief of communicatief gehandicapte in de samenleving, al dan niet gepaard gaande met verblijf gedurende het etmaal.
2.
Op het verblijf, bedoeld in het eerste lid, bestaat aanspraak indien de verzekerde:
a. gedurende ten minste vier dagdelen per week buiten het gezinsvervangend tehuis betaalde arbeid verricht, een dagopleiding volgt of een dagverblijf voor gehandicapten bezoekt,
b. door oorzaken buiten zijn persoon gelegen, geen arbeid verricht, geen opleiding volgt of geen dagverblijf bezoekt, doch in staat kan worden geacht tot een zodanige dagbesteding te geraken, of
c. de leeftijd van 40 jaren heeft bereikten en bij het bereiken daarvan in een gezinsvervangend tehuis verbleef en door het deelnemen aan een regeling voor vervroegde uittreding uit het arbeidsproces, het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd dan wel andere oorzaken in zijn persoon gelegen, buiten het gezinsvervangend tehuis geen arbeid verricht, geen opleiding volgt of geen dagverblijf bezoekt en voorafgaande aan het verder verblijf gedurende een aaneengesloten periode van ten minste vijf jaren zodanige dagbesteding heeft gehad.
3.
Op het verblijf, bedoeld in het eerste lid, bestaat geen aanspraak indien de verzekerde in belangrijke mate aangewezen is op verpleging.
4.
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de voorwaarden waaronder aanspraak bestaat op de zorg, bedoeld in het eerste lid.
1.
Zorg voor verstandelijk gehandicapten te verlenen door een instelling voor verstandelijk gehandicapten omvat:
a. onderzoek, behandeling, begeleiding, verpleging of verzorging gericht op het ontwikkelen en behouden van vaardigheden, het bevorderen van de sociale redzaamheid en de zelfstandigheid of de bevordering van de integratie van de verstandelijk gehandicapte in de samenleving, al dan niet gepaard gaande met verblijf gedurende het etmaal of een deel daarvan, of
b. met een pleeggezin overeengekomen verpleging in dat gezin.
2.
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regelen worden gesteld met betrekking tot de omvang van en de voorwaarden voor het tot gelding brengen van de aanspraak op de zorg, bedoeld in het eerste lid.
1.
Zorg te verlenen door een dagverblijf voor verstandelijk gehandicapten omvat onderzoek, behandeling, begeleiding, of verzorging, gericht op de bevordering van de zelfstandigheid of de integratie van de verstandelijk gehandicapte in de samenleving, al dan niet gepaard gaande met verblijf gedurende de dag of een deel daarvan,
2.
Indien de zorg, bedoeld in het eerste lid, gepaard gaat met verblijf gedurende de dag, omvat de zorg tevens het door het dagverblijf georganiseerde vervoer of geadviseerd openbare vervoer naar en van het dagverblijf.
3.
De aanspraak op zorg, bedoeld in het eerste lid, bestaat indien de verzekerde primair een verstandelijke handicap heeft van een betrekkelijk statisch karakter en niet of nog niet aan onderwijs- of arbeidsvoorzieningen kan deelnemen.
4.
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regelen worden gesteld met betrekking tot de omvang van en de voorwaarden voor het tot gelding brengen van de aanspraak op de zorg, bedoeld in het eerste lid.
1.
Zorg te verlenen door een gezinsvervangend tehuis voor verstandelijk gehandicapten omvat begeleiding of verzorging gericht op de bevordering van de integratie van de verstandelijk gehandicapte in de samenleving, al dan niet gepaard gaande met verblijf gedurende het etmaal.
2.
Op het verblijf, bedoeld in het eerste lid, bestaat aanspraak indien de verzekerde:
a. gedurende ten minste vier dagdelen per week buiten het gezinsvervangend tehuis betaalde arbeid verricht, een dagopleiding volgt of een dagverblijf voor gehandicapten bezoekt,
b. door oorzaken buiten zijn persoon gelegen, geen arbeid verricht, geen opleiding volgt of geen dagverblijf bezoekt, doch in staat kan worden geacht tot een zodanige dagbesteding te geraken, of
c. de leeftijd van 40 jaren heeft bereikt, bij het bereiken daarvan in een gezinsvervangend tehuis verbleef, door het deelnemen aan een regeling tot vervroegde uittreding uit het arbeidsproces, het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd dan wel andere oorzaken in zijn persoon gelegen, buiten het gezinsvervangend tehuis geen arbeid verricht, geen opleiding volgt of geen dagverblijf bezoekt en voorafgaande aan het verder verblijf gedurende een aaneengesloten periode van ten minste vijf jaren zodanige dagbesteding heeft gehad.
3.
Op het verblijf, bedoeld in het eerste lid, bestaat geen aanspraak indien de verzekerde in belangrijke mate aangewezen is op verpleging.
4.
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regelen worden gesteld met betrekking tot de omvang van en de voorwaarden voor het tot gelding brengen van de aanspraak op de zorg, bedoeld in het eerste lid.
1.
Zorg te verlenen door een sociaal pedagogische dienst omvat ambulante begeleiding van verstandelijk gehandicapten gericht op het ontwikkelen en behouden van vaardigheden, het bevorderen van de sociale redzaamheid en zelfstandigheid of het bevorderen van de maatschappelijke participatie en integratie.
2.
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regelen worden gesteld met betrekking tot de omvang van en de voorwaarden voor het tot gelding brengen van de aanspraak op de zorg, bedoeld in het eerste lid.
1.
Prenatale zorg omvat door een instelling te leveren begeleiding, voorlichting en andere zorg die met de zwangerschap verband houdt, met uitzondering van kraamzorg.
2.
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de inhoud, omvang en voorwaarden voor het verkrijgen van de zorg, bedoeld in het eerste lid.
1.
Onderzoek naar aangeboren stofwisselingsziekten omvat zodanig onderzoek voor daarvoor in aanmerking komende, door Onze Minister aan te wijzen groepen van verzekerden. Onze Minister stelt regelen met betrekking tot de inhoud en omvang van de in de eerste volzin bedoelde zorg.
2.
Het onderzoek geschiedt onder verantwoordelijkheid van een door Onze Minister aangewezen ent-administratie op een door Onze Minister aan te geven wijze.
1.
Vaccinaties omvatten de vaccinaties, opgenomen in een door Onze Minister vast te stellen vaccinatieprogramma, waarin wordt aangegeven welke groepen van verzekerden voor toediening van de benoemde vaccins in aanmerking komen alsmede hoe de uitvoering van dat programma plaatsvindt.
2.
De uitvoering van de vaccinaties geschiedt onder verantwoordelijkheid van een door Onze Minister aangewezen ent-administratie.
1.
Ten aanzien van de verzekerde die als gezinslid van een militair met toestemming van Onze Minister van Defensie in het buitenland verblijft bij de aldaar geplaatste militair en voor wie de militair ingevolge artikel 22, eerste lid, van de Regeling gezondheidszorg aanspraak heeft op verlening van geneeskundige verstrekkingen door de militair geneeskundige dienst van de Nederlandse krijgsmacht, treedt deze aanspraak voor zover de Regeling gezondheidszorg op hem van toepassing is, in de plaats van de aanspraken op zorg ingevolge dit besluit.
2.
Onze Minister en Onze Minister van Defensie stellen regelen vast inzake een jaarlijkse uitkering door het College zorgverzekeringen aan Onze Minister van Defensie ten laste van het Algemeen Fonds Bijzondere Ziektekosten in verband met het vervallen van aanspraken op grond van het bepaalde in artikel 7, eerste en tweede lid, van de wet.
3.
Onze Minister en Onze Minister van Defensie kunnen nadere regelen vaststellen met betrekking tot de uitvoering van dit artikel.
1.
Aan een verzekerde wordt een uitkering gedaan ter zake van de kosten van zorg, omschreven in dit besluit, indien die zorg anders dan op de in artikel 10 van de wet omschreven wijze is verkregen als gevolg van de navolgende omstandigheden:
a. tijdelijk verblijf hier te lande buiten het werkgebied van het uitvoeringsorgaan;
b. wonen in het buitenland;
c. tijdelijk verblijf in het buitenland wegens uitoefening van bedrijf of beroep of wegens door het College zorgverzekeringen aan te geven redenen;
d. niet ingeschreven zijn bij een uitvoeringsorgaan;
e. in spoedeisende gevallen waarin uitstel redelijkerwijs niet kon worden gedoogd.
2.
In de omstandigheid, bedoeld in het eerste lid, onder a , bestaat aanspraak op een uitkering, mits de zorg is verleend door instellingen of personen, die in de verblijfplaats van de verzekerde of naaste omgeving daarvan praktijk uitoefenen of gevestigd zijn en ter zake van die zorg een overeenkomst met een uitvoeringsorgaan hebben gesloten.
3.
In de omstandigheden, bedoeld in het eerste lid, onder b en c , bestaat aanspraak op een uitkering tot een door het College zorgverzekeringen vast te stellen bedrag voor zorg, verleend in het land waar de verzekerde woont of verblijft, voor zover de verlening van de zorg redelijkerwijs niet kon worden uitgesteld tot na de terugkeer in Nederland.
4.
In de omstandigheden, bedoeld in het eerste lid, onder d en e , bestaat aanspraak op een uitkering, mits de zorg is verleend in Nederland. Het College zorgverzekeringen kan nadere voorwaarden stellen voor het verkrijgen van de uitkering in de omstandigheid, bedoeld in het eerste lid, onder d . Het College zorgverzekeringen kan bepalen dat premies, betaald ten behoeve van een overeenkomst met betrekking tot de verzekering van in dit besluit omschreven zorg of de kosten daarvan, in de omstandigheid, bedoeld in het eerste lid, onder d , gelden als kosten van zodanige zorg.
5.
In de omstandigheden, bedoeld in het eerste lid, onder a, d en e is de uitkering gelijk aan de kosten van de zorg indien deze is verleend door een instelling of persoon die ter zake van die zorg een overeenkomst met enig uitvoeringsorgaan heeft gesloten. Indien de zorg door een ander is verleend, is de uitkering gelijk aan de kosten van de zorg, voor zover deze de kosten van zodanige zorg, verleend door een persoon of instelling waarmee het uivoeringsorgaan een overenkomst heeft gesloten, niet te boven gaan.
1.
Voor de toepassing van de wet wordt een instelling die zorg verleent als bedoeld in de artikelen 20d en 26 als toegelaten aangemerkt.
2.
Ten aanzien van instellingen die zorg verlenen als bedoeld in artikel 20d is artikel 45, eerste lid, van de wet niet van toepassing.
1.
De artikelen van dit besluit treden in werking op een bij koninklijk besluit vast te stellen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan zijn.
2.
Dit besluit kan worden aangehaald als: Besluit zorgaanspraken bijzondere ziektekostenverzekering.
Lasten en bevelen dat dit besluit met daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State.
's-Gravenhage, 20 november 1991
De Staatssecretaris van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur,
Uitgegeven de eenentwintigste november 1991
De Minister van Justitie a.i.,
Inhoudsopgave
+ § 1. Algemene bepalingen
+ § 2. Algemene geneeskundige zorg
+ § 3. Zorg bestaande uit verzorging of verpleging
+ § 4. Revalidatiezorg
+ § 5. Geestelijke gezondheidszorg
+ § 6. Zorg voor zintuiglijk gehandicapten
+ § 7. Zorg voor verstandelijk gehandicapten
+ § 8. Zorg bestaande uit georganiseerde preventie
+ § 9
+ § 10. Eigen bijdragen
+ § 11
+ § 12. Zorg aan gezinsleden van militairen
+ § 13. Zorg onder bijzondere omstandigheden
+ § 14. Toelating van categorieën van instellingen
+ § 15. Overgangs- en slotbepalingen
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht