Besluit van 1 november 1983, tot vaststelling van regelen ten aanzien van de bezoldiging van burgerlijke rijksambtenaren
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken van 25 mei 1983, nr. AB83/U577, Directoraat-Generaal voor Overheidspersoneelsbeleid, Directie Overheidspersoneelszaken, Hoofdafdeling Financiële Arbeidsvoorwaarden;
Gelet op artikel 125, eerste lid van de Ambtenarenwet 1929 (Stb. 530);
De Raad van State gehoord (advies van 3 augustus 1983, nr. W04.83.0323(11.3.30);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Binnenlandse Zaken van 21 oktober 1983, nr. AB83/1452, Directoraat-Generaal voor Overheidspersoneelsbeleid, Directie Overheidspersoneelszaken, Hoofdafdeling Financiële Arbeidsvoorwaarden;
Hebben goedgevonden en verstaan:
1.
Ambtenaar in de zin van dit besluit is hij, die in burgerlijke rijksdienst is aangesteld om tegen bezoldiging arbeid te verrichten.
2.
Dit besluit is niet van toepassing op de ambtenaar, wiens bezoldiging is geregeld
a. bij de wet;
b. bij een algemene maatregel van bestuur tot regeling van de bezoldiging van
1°. de ambtenaren van de buitenlandse dienst;
2°. de politie;
3°. het personeel van de universiteiten en hogescholen, de academische ziekenhuizen, de interuniversitaire instituten en de organen voor postacademisch onderwijs;
4°. het personeel bij het voortgezet onderwijs;
5°. het personeel bij het basisonderwijs en bij het speciaal en voortgezet speciaal onderwijs;
6°. leden van het korps van deskundigen voor de technische hulp aan ontwikkelingslanden;
7°. leden van raden, besturen en commissies;
c. krachtens artikel 15 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement of een daarmee overeenkomende bepaling van gelijke strekking.
3.
Wij behouden Ons voor op de gemeenschappelijke voordracht van Onze Minister, hoofd van het desbetreffende departement van algemeen bestuur en Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, andere dan in het vorige lid bedoelde ambtenaren of groepen van ambtenaren uit te zonderen van de toepassing van dit besluit.
Artikel 2
In dit besluit wordt verstaan onder:
a. salaris: het bedrag, dat met inachtneming van de bepalingen van dit besluit voor de ambtenaar is vastgesteld aan de hand van een van de bijlagen van dit besluit vermenigvuldigd met de voor de ambtenaar geldende arbeidsduurfactor;
b. salaris per uur: 1/156 deel van het salaris bij een volledige werktijd;
c. salarisschaal: een als zodanig in de bijlage B van dit besluit vermelde reeks van genummerde salarissen;
d. salarisnummer: een aanduiding, bestaande uit een getal, dat in een salarisschaal voor een salaris is vermeld;
e. maximumsalaris: het hoogste bedrag van een salarisschaal;
f. bezoldiging: de som van:
het salaris;
de toelagen, genoemd in hoofdstuk III;
de periodieke toeslag, genoemd in artikel 22a;
de maandelijkse toeslag, genoemd in artikel 22b;
waarop de ambtenaar aanspraak heeft;
g. volledige arbeidsduur: een arbeidsduur welke gemiddeld zesendertig werkuren per week omvat;
h. arbeidsduurfactor: de breuk, waarvan de teller bestaat uit de voor de ambtenaar vastgestelde arbeidsduur en de noemer bestaat uit het getal 36;
i. functie: het samenstel van werkzaamheden door de ambtenaar te verrichten krachtens en overeenkomstig hetgeen hem door het daartoe bevoegde gezag is opgedragen;
j. toeslag: een toeslag als bedoeld in artikel 22a;
k. periodieke toeslag: een toeslag als bedoeld in artikel 22a die maandelijks wordt betaald.
1.
Het salaris, de toelagen, de periodieke toeslag en de vergoedingen voor extra diensten worden maandelijks betaald.
2.
Wanneer het salaris, een toelage als bedoeld in de artikelen 14, 16, 17b, 18, 18a, een bedrag als bedoeld in artikel 21, tweede lid, een toeslag als bedoeld in artikel 22e of een periodieke toeslag, moet worden berekend over een gedeelte van de kalendermaand, wordt het bedrag per dag vastgesteld door het maandbedrag te delen door het aantal dagen van de desbetreffende kalendermaand.
3.
Van het bepaalde in de vorige leden kan worden afgeweken, ingeval daartoe naar het oordeel van het tot het vaststellen van het salaris bevoegde gezag op grond van bijzondere omstandigheden aanleiding bestaat.
1.
Voor de ambtenaar, wiens ambt is vermeld in de bijlage A van dit besluit, geldt het salaris, dat in die bijlage bij zijn ambt is aangegeven.
2.
Indien de ambtenaar bedoeld in het vorige lid anders dan bij wijze van disciplinaire straf als bedoeld in het Algemeen Rijksambtenarenreglement of in een soortgelijke regeling en zonder voorafgaand ontslag wordt belast met een ander ambt, als gevolg waarvan zijn salaris op grond van de overige bepalingen van dit besluit een verlaging zou moeten ondergaan, blijft deze verlaging achterwege.
1.
Voor de ambtenaar, wiens ambt niet is vermeld in de bijlage A van dit besluit, geldt een salarisschaal.
2.
De salarisschaal welke voor de ambtenaar geldt wordt, tenzij zijn wijze van functioneren zich nog daartegen verzet, bepaald met inachtneming van de zwaarte van zijn functie en van bijzondere regelingen, als bedoeld in artikel 13 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement of in bepalingen van dezelfde strekking in een soortgelijke regeling.
3.
De zwaarte van de functie wordt bepaald binnen de in de bijlage B van dit besluit aangegeven indelingsstructuur, met inachtneming van het door of in overeenstemming met Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties vastgestelde normeringsstelsel.
4.
Indien de ambtenaar bij wijze van waarneming tijdelijk een andere functie uitoefent, blijft de voordien voor hem geldende salarisschaal van toepassing.
5.
Voor de ambtenaar kan uitsluitend in de navolgende gevallen een salarisschaal gaan gelden met een lager maximumsalaris dan dat van de voor hem geldende salarisschaal:
a. bij wijze van disciplinaire straf, bedoeld in het Algemeen Rijksambtenarenreglement of in een soortgelijke regeling;
b. indien bij het bepalen van de salarisschaal, bedoeld in het tweede lid, tevens is bepaald dat zijn functie een tijdelijk karakter heeft en de salarisschaal in verband daarmee slechts tijdelijk zal gelden;
c. indien hij in verband met ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte wordt herplaatst in een andere functie waarvoor een salarisschaal geldt met een lager maximumsalaris;
d. indien hem op zijn aanvraag een andere functie wordt opgedragen waarvoor een salarisschaal geldt met een lager maximumsalaris, tenzij er sprake is van de omstandigheid, bedoeld in artikel 57b van het Algemeen Rijksambtenarenreglement.
6.
Indien de ambtenaar met toepassing van hoofdstuk VIIbis van het Algemeen Rijksambtenarenreglement, zoals dat luidde in de periode van 15 april 2013 tot en met 31 december 2016, is geplaatst in een andere functie waarvoor een salarisschaal geldt met een lager maximumsalaris dan de voor hem geldende salarisschaal in zijn oorspronkelijke functie, geldt voor de ambtenaar de salarisschaal die met toepassing van het tweede lid voor die andere functie is bepaald. Van de vorige volzin kan door het bevoegd gezag worden afgeweken voor zover toepassing gelet zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard voor de betrokken ambtenaar.
1.
De ambtenaar die zich niet kan verenigen met de uitkomst van de bepaling van de zwaarte van zijn functie als bedoeld in artikel 5, derde lid, kan het voor de toepassing van artikel 5, tweede lid, bevoegde gezag verzoeken die waarderingsuitkomst opnieuw in overweging te nemen.
2.
Indien de toepassing van het bepaalde in artikel 5, tweede lid, berust bij Ons, worden Wij vertegenwoordigd door Onze Minister wie het aangaat.
3.
Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties stelt regels betreffende de behandeling van verzoeken als bedoeld in het eerste lid.
4.
Het in het eerste lid bepaalde is niet van toepassing indien voor de ambtenaar een bijzondere regeling geldt als bedoeld in artikel 13 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement of in bepalingen van dezelfde strekking in een soortgelijke regeling.
1.
Bij aanstelling wordt aan de in artikel 5 bedoelde ambtenaar het salaris toegekend, dat in de voor hem geldende salarisschaal is vermeld achter het salarisnummer 0.
2.
Van het bepaalde in het vorige lid kan worden afgeweken door het toekennen van een hoger salaris, ingeval daartoe naar het oordeel van het bevoegde gezag aanleiding bestaat.
1.
Het salaris van de ambtenaar die nog niet het maximumsalaris van de voor hem geldende salarisschaal heeft bereikt, wordt jaarlijks verhoogd tot het in de schaal naasthogere bedrag, indien hij naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate functioneert.
2.
Het salaris van de ambtenaar die nog niet het maximumsalaris van de voor hem geldende salarisschaal heeft bereikt, kan worden verhoogd tot een in de schaal vermeld hoger bedrag, indien hij naar het oordeel van het bevoegd gezag meer dan in voldoende mate functioneert dan wel indien daartoe naar het oordeel van het bevoegd gezag op andere gronden aanleiding bestaat.
3.
Indien de ambtenaar naar het oordeel van het bevoegd gezag niet in voldoende mate functioneert, blijft salarisverhoging achterwege.
4.
De in het eerste en tweede lid bedoelde salarisverhoging wordt toegekend wanneer de ambtenaar het maximumsalaris van de voor hem geldende salarisschaal nog niet heeft bereikt, voor de eerste maal met ingang van de eerste dag van de maand, waarin sinds zijn aanstelling een jaar is verstreken en nadien telkens na één jaar.
5.
Het tijdstip waarop ingevolge het vierde lid een salarisverhoging wordt toegekend kan worden vervroegd indien daartoe naar het oordeel van het bevoegde gezag aanleiding bestaat.
6.
Indien het functioneren van de ambtenaar niet kan worden beoordeeld omdat hij langdurig zijn functie niet uitoefent, kan zijn salaris worden verhoogd tot het in de schaal naasthogere bedrag, indien daartoe naar het oordeel van het bevoegd gezag aanleiding bestaat.
7.
Het oordeel van het bevoegd gezag over het functioneren van de ambtenaar komt tot stand op basis van een gesprek als bedoeld in artikel 71 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement, voorzover het betreft de in het eerste lid van dat artikel onder a en b genoemde onderwerpen, dan wel op basis van een vastgestelde beoordeling als bedoeld in artikel 71a van het Algemeen Rijksambtenarenreglement.
1.
Het salaris van de ambtenaar, bedoeld in artikel 5, eerste lid, die het maximumsalaris van de voor hem geldende salarisschaal heeft bereikt, kan worden verhoogd, indien hij naar het oordeel van het bevoegd gezag uitstekend functioneert.
2.
Bij een salarisverhoging als bedoeld in het eerste lid wordt het salaris:
a. voor de ambtenaar voor wie één der salarisschalen 1 tot en met 17 van de bijlage B geldt, vastgesteld op een bedrag vermeld in de naasthogere salarisschaal, met dien verstande dat het maximum van die schaal niet wordt overschreden;
b. voor de ambtenaar, voor wie salarisschaal 18 van de bijlage B geldt, vastgesteld op één van de volgende bedragen:
€ 8726,88;
€ 8912,07;
€ 9098,26.
3.
Indien het functioneren van de ambtenaar niet langer als uitstekend kan worden gekwalificeerd, kan het bevoegd gezag de toekenning van de salarisverhoging, bedoeld in het eerste lid, geheel of gedeeltelijk intrekken.
4.
Het oordeel van het bevoegd gezag over het functioneren van de ambtenaar komt tot stand op basis van een gesprek als bedoeld in artikel 71 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement, voorzover het betreft de in het eerste lid van dat artikel onder a en b genoemde onderwerpen, dan wel op basis van een vastgestelde beoordeling als bedoeld in artikel 71a van het Algemeen Rijksambtenarenreglement.
1.
Het salaris van de ambtenaar met een onvolledige werktijd wordt vastgesteld op een evenredig deel van het salaris bij een volledige werktijd.
2.
Het salaris van de ambtenaar van wie de omvang van de arbeidsduur niet vast ligt, wordt, met inachtneming van artikel 5, tweede lid, vastgesteld op een bedrag, berekend op basis van het aantal uren dat daadwerkelijk dienst is verricht. Indien het aantal uren dat daadwerkelijk dienst is verricht minder is dan het voor de ambtenaar op grond van artikel 6b van het Algemeen Rijksambtenarenreglement vastgestelde aantal garantie-uren, geschiedt de berekening van het salaris op basis van dit laatstbedoelde aantal uren.
3.
Een teruggebrachte werktijd als bedoeld in artikel 21a van het Algemeen Rijksambtenarenreglement of een daarmee overeenkomende bepaling in een ander rechtspositiereglement is geen onvolledige werktijd in de zin van het eerste lid.
1.
Voor de ambtenaar die op oproep werkzaam is, dient bij de in artikel 11 geregelde vaststelling van het salaris tevens rekening te worden gehouden met het tweede lid van dit artikel.
2.
Indien de ambtenaar wordt opgeroepen om arbeid te verrichten voor een periode korter dan drie uur heeft hij recht op het salaris waarop hij aanspraak zou hebben indien hij drie uur arbeid zou hebben verricht indien:
a. de arbeidsduur minder bedraagt dan gemiddeld 15 uur per week en tijdstippen waarop de arbeid moet worden verricht niet zijn vastgelegd; of
b. de arbeidsduur niet vastligt.
1.
De hoogte van de aanspraak op het salaris kan met toepassing van de artikelen 2:20 en 3:63 van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen op verzoek van het bevoegd gezag of de ambtenaar naar evenredigheid worden verminderd.
2.
Artikel 16 is niet van toepassing.
Artikel 12
In bijzondere gevallen kan een regeling worden getroffen, waarbij van de overige bepalingen van dit hoofdstuk kan worden afgeweken.
1.
Aan de ambtenaar, die bij wijze van waarneming tijdelijk een functie uitoefent, welke bij toepassing van artikel 5, tweede lid en derde lid, zou leiden tot een salarisschaal met een hoger maximumsalaris, kan voor de duur van die waarneming een toelage worden toegekend.
2.
De toelage wordt, tenzij bijzondere omstandigheden aanwezig zijn, slechts toegekend wanneer de waarneming tenminste een tijdvak van dertig dagen heeft geduurd.
3.
Bij volledige waarneming van de functie bedoeld in het eerste lid is het bedrag van de toelage gelijk aan het verschil tussen het salaris dat de ambtenaar geniet en het salaris dat hij zou genieten, wanneer de salarisschaal met het hogere maximumsalaris met ingang van de dag waarop de waarneming is begonnen voor hem zou hebben gegolden.
4.
Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties stelt voor de toepassing van dit artikel nadere regels vast.
1.
Indien het salaris minder is dan het maandbedrag van het minimumloon, dat krachtens de artikelen 7, 8 en 14 van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag geldt voor werknemers van dezelfde leeftijd als de ambtenaar, wordt aan hem een toelage toegekend ten bedrage van het verschil.
2.
Voor de ambtenaar met een onvolledige werktijd, wordt het voor werknemers van dezelfde leeftijd geldende minimumloon geacht te zijn vastgesteld op een evenredig deel van het minimumloon bij een volledige werktijd.
1.
Aan de ambtenaar, die anders dan bij wijze van overwerk, regelmatig of vrij regelmatig arbeid verricht op andere tijden dan op de dagen maandag tot en met vrijdag tussen 8 en 18 uur, wordt een toelage toegekend.
2.
De toelage bedraagt per gewerkt uur een percentage van het voor de ambtenaar geldende salaris per uur en wel
a. 20% voor de uren op maandag tot en met vrijdag tussen 6 en 8 uur en tussen 18 en 22 uur;
b. 40% voor de uren op maandag tot en met vrijdag tussen 0 en 6 uur en tussen 22 en 24 uur;
c. 70% voor de uren op zaterdag;
d. 70% voor de uren op zondag;
e. 100% voor de uren op de feestdagen genoemd in artikel 21, zevende lid, onder a, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement, Eerste Paasdag en Eerste Pinksterdag,
met dien verstande dat genoemde percentages worden berekend over ten hoogste het salaris per uur, dat is afgeleid van het salaris behorende bij salarisnummer 10 van salarisschaal 7.
3.
Voor de in het vorige lid onder a genoemde morgen- en avonduren wordt de toelage slechts toegekend, indien de arbeid is aangevangen vóór 7 uur, respectievelijk is beëindigd na 20 uur.
4.
In afwijking van het bepaalde in het eerste en het tweede lid ontvangt de ambtenaar met ingang van de maand waarin hij de leeftijd van 55 jaar bereikt een vaste toelage, mits hij op dat moment gedurende ten minste 5 jaar zonder wezenlijke onderbreking een toelage als bedoeld in het eerste lid heeft genoten.
5.
De toelage, bedoeld in het vierde lid, wordt vastgesteld op het bedrag dat de ambtenaar over de zesendertig kalendermaanden voorafgaande aan de maand waarin hij de leeftijd van 55 jaar bereikt gemiddeld per maand aan toelage als bedoeld in het eerste lid heeft genoten. Dit bedrag wordt aangepast aan de algemene salariswijzigingen. De toelage wordt naar rato aangepast bij een vermindering van de arbeidsduurfactor.
6.
Voor de toepassing van het vierde lid wordt onder wezenlijke onderbreking verstaan een onderbreking van langer dan twee maanden.
7.
In afwijking van het eerste en tweede lid kan het bevoegd gezag een vaste toelage vaststellen voor een ambtenaar die geen aanspraak heeft op een vaste toelage als bedoeld in het vierde lid.
8.
De toelage, bedoeld in het zevende lid, wordt vastgesteld aan de hand van het bepaalde in het tweede en derde lid, de voor de ambtenaar geldende werktijdregeling en de mate waarin en de wijze waarop van die werktijdregeling pleegt te worden afgeweken. De toelage wordt aangepast indien zich wijzigingen voordoen in de berekeningsgrondslag daarvan.
9.
In bijzondere gevallen kan een regeling worden getroffen, welke het bepaalde in de vorige leden aanvult of daarvan afwijkt.
1.
Aan de ambtenaar die krachtens een werktijdregeling als bedoeld in artikel 21 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement of in bepalingen van dezelfde strekking in een soortgelijke regeling, anders dan bij wijze van overwerk regelmatig of vrij regelmatig arbeid verricht op andere tijden dan op de dagen van maandag tot en met vrijdag tussen 8.00 en 18.00 uur wordt voor het in opdracht van het bevoegde gezag verrichten van arbeid op uren die afwijken van het krachtens de werktijdregeling vastgestelde rooster een toelage toegekend, voor zover met die uren het totaal van de per werkperiode vastgestelde aantal arbeidsuren niet wordt overschreden.
2.
Op de in het eerste lid bedoelde toelage bestaat geen aanspraak indien tussen het geven van de opdracht en het verrichten van de arbeid meer dan 72 uur zijn verstreken.
3.
De toelage bedraagt voor elk vol uur waarop in afwijking van de werktijdregeling arbeid is verricht 45% van het voor de ambtenaar geldende salaris per uur, met dien verstande dat dit percentage wordt berekend over ten hoogste het salaris per uur, dat is afgeleid van het salaris behorende bij salarisnummer 10 van salarisschaal 7.
4.
Indien het bevoegd gezag op grond van artikel 17, zevende lid, een vaste toelage heeft vastgesteld voor de ambtenaar, kan het bevoegd gezag in afwijking van het eerste lid, voor de ambtenaar een vaste maandelijkse toelage vaststellen.
5.
De toelage, bedoeld in het vierde lid, wordt vastgesteld aan de hand van het bepaalde in het derde lid, de voor de ambtenaar geldende werktijdregeling en de mate waarin en de wijze waarop van die werktijdregeling pleegt te worden afgeweken. De toelage wordt aangepast indien zich wijzigingen voordoen in de berekeningsgrondslag daarvan.
1.
Aan de ambtenaar die nu en dan, regelmatig of voortdurend onder bezwarende omstandigheden arbeid verricht en wiens functie op een functielijst voorkomt, wordt een toelage per maand toegekend.
2.
Onder bezwarende omstandigheden worden begrepen:
a. het werken in een situatie die een zodanige verontreiniging van de huid veroorzaakt dat deze ook na het gebruik van speciale wasmiddelen duidelijk waarneembaar blijft;
b. het werken in een omgeving met sterk onaangename geuren, of werken met onaangenaam aandoende en sterk afkeer oproepende materialen;
c. het werken in een situatie die een zeer hoge mate van huid- en slijmvliesprikkeling teweegbrengt, zodanig dat dit effect ook na het werk nog enige tijd voelbaar blijft;
d. het langdurig werken onder zeer onaangename hoge of lage temperatuur of temperatuurswisselingen;
e. het werken in situaties waarin het gebruik van gehoorbeschermingsmiddelen niet mogelijk of afdoende is, en waarin door het aanhoudende lawaai onderling contact nauwelijks mogelijk is of de geluidsterkte gelijk is aan of groter is dan 80 dbA;
f. het werken met sterk trillende apparatuur;
g. het werken met beschermingskleding of -middelen die een ernstige belemmering vormen voor de normale ademhaling, voor huidoppervlakte-uitwaseming en voor de bewegingsmogelijkheden;
h. het werken onder omstandigheden welke een verhoogd gevaar voor invaliditeit of overlijden meebrengen.
3.
Het bevoegd gezag geeft voor elke op de functielijst voorkomende functie aan of er nu en dan, regelmatig of voortdurend onder één dan wel gelijktijdig onder meer typen bezwarende omstandigheden arbeid wordt verricht. Een functielijst wordt jaarlijks door het bevoegd gezag vastgesteld.
4.
De toelage bedraagt een percentage van het salaris behorende bij salarisnummer 10 van salarisschaal 7 en wel:
a. 1% indien de ambtenaar nu en dan onder één of gelijktijdig onder twee typen bezwarende omstandigheden dan wel regelmatig onder één type bezwarende omstandigheden arbeid verricht;
b. 2% indien de ambtenaar nu en dan gelijktijdig onder drie of meer typen bezwarende omstandigheden dan wel regelmatig gelijktijdig onder twee typen bezwarende omstandigheden of voortdurend onder één type bezwarende omstandigheden arbeid verricht;
c. 3% indien de ambtenaar regelmatig gelijktijdig onder drie of meer typen bezwarende omstandigheden of voortdurend gelijktijdig onder twee of meer typen bezwarende omstandigheden arbeid verricht.
5.
De toelage wordt vermenigvuldigd met de voor de ambtenaar geldende arbeidsduurfactor.
6.
In bijzondere gevallen kan een regeling worden getroffen, welke het bepaalde in de vorige leden aanvult of daarvan afwijkt.
7.
Het bevoegd gezag kan een vergoeding toekennen indien de ambtenaar incidenteel onder bezwarende omstandigheden arbeid verricht.
1.
Aan de ambtenaar wiens bezoldiging, als gevolg van het beëindigen of verminderen van een toelage als bedoeld in artikel 17, een blijvende verlaging ondergaat, welke tenminste 3% bedraagt van de som van het salaris en een periodieke toeslag, wordt een aflopende toelage toegekend, mits hij eerstgenoemde toelage, direct voorafgaande aan het tijdstip van vorenbedoelde beëindiging of vermindering ervan, gedurende ten minste 2 jaren zonder wezenlijke onderbreking heeft genoten.
2.
Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder wezenlijke onderbreking verstaan een onderbreking van langer dan twaalf maanden.
3.
Het eerste lid is niet van toepassing indien de verlaging van de bezoldiging het gevolg is van een disciplinaire maatregel genoemd in artikel 81 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement of een bepaling van dezelfde strekking in een soortgelijke regeling.
4.
Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties stelt voor de toepassing van dit artikel nadere regels vast.
1.
Aan de ambtenaar die buiten de werktijden die voor hem gelden krachtens een werktijdregeling als bedoeld in artikel 21 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement of in bepalingen van dezelfde strekking in een soortgelijke regeling, ingevolge een schriftelijke aanwijzing van het bevoegd gezag zich regelmatig of vrij regelmatig bereikbaar en beschikbaar moet houden teneinde bij oproep arbeid te gaan verrichten, wordt een toelage toegekend.
2.
De toelage bedraagt per uur bereikbaarheid en beschikbaarheid een percentage van het voor de ambtenaar geldende salaris per uur en wel
a. 5% voor de uren op maandag tot en met vrijdag;
b. 10% voor de uren op zaterdag en zondag en op de feestdagen genoemd in artikel 21, zevende lid, onderdeel a, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement,
met dien verstande dat genoemde percentages worden berekend over ten hoogste het salaris per uur, dat is afgeleid van het salaris behorende bij salarisnummer 10 van salarisschaal 7.
3.
De op basis van het tweede lid berekende toelage wordt verhoogd met 100% over de uren waarop aan de opgedragen bereikbaarheid en beschikbaarheid een extra plaatsgebondenheid op of rond de plaats van tewerkstelling is verbonden.
4.
In afwijking van het tweede en derde lid kan het bevoegd gezag een vaste toelage toekennen.
5.
De toelage, bedoeld in het vierde lid, wordt vastgesteld aan de hand van het bepaalde in het tweede en derde lid en de mate waarin de ambtenaar zich ingevolge een schriftelijke aanwijzing van het bevoegd gezag bereikbaar en beschikbaar pleegt te moeten houden. De toelage wordt aangepast indien zich wijzigingen voordoen in de berekeningsgrondslag daarvan.
6.
In bijzondere gevallen kan een regeling worden getroffen welke het bepaalde in dit artikel aanvult of daarvan afwijkt.
1.
Aan de ambtenaar wiens bezoldiging in een periode van twee jaar door het één of meer keer beëindigen of verminderen van één of meer toelagen of toeslagen, als genoemd in artikel 2, onder f, als gevolg van een reorganisatie een blijvende verlaging ondergaat, welke ten minste 3% bedraagt van de som van het salaris en een periodieke toeslag, wordt een aflopende toelage toegekend.
2.
De berekeningsbasis voor de aflopende toelage is het bedrag dat de ambtenaar over de 36 kalendermaanden, voorafgaande aan de datum waarop de eerste verlaging van zijn bezoldiging intreedt, gemiddeld per maand aan toelagen of toeslagen, als genoemd in artikel 2, onder f, heeft genoten, verminderd met hetgeen de ambtenaar daadwerkelijk aan toelagen of toeslagen, als genoemd in artikel 2, onder f, na de bedoelde verlagingen geniet. De in de vorige zin genoemde periode van 36 kalendermaanden wordt verkort voor zover de betrokken ambtenaar korter in dienst is geweest.
3.
De aflopende toelage, bedoeld in het eerste lid, bedraagt gedurende het eerste jaar 100%, het tweede jaar 75%, het derde jaar 50% en het vierde jaar 25% van de berekeningsbasis.
4.
De aflopende toelage, bedoeld in het eerste lid, wordt slechts toegekend indien de beëindigde of verminderde toelagen of toeslagen, genoemd in artikel 2, onder f, direct voorafgaande aan het tijdstip van vorenbedoelde beëindiging of vermindering ervan, gedurende tenminste twee jaren zonder onderbreking van langer dan twaalf maanden zijn genoten.
5.
Indien aanspraak bestaat op de aflopende toelage, bedoeld in dit artikel, bestaat geen aanspraak op de aflopende toelage, bedoeld in artikel 18.
6.
Onze Minister kan voor de toepassing van dit artikel nadere regels stellen.
1.
De ambtenaar heeft recht op een eindejaarsuitkering ter grootte van 8,3% van het door hem genoten salaris.
2.
De eindejaarsuitkering wordt jaarlijks uitbetaald in de maand november en wordt berekend over de periode van twaalf maanden die is aangevangen met de maand december van het voorafgaande kalenderjaar.
3.
Voor de duur dat de bezoldiging op grond van artikel 18, tweede lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement of op grond van een bepaling van dezelfde strekking in een soortgelijke regeling is teruggebracht tot het bedrag van het op de ambtenaar te verhalen gedeelte van de pensioenbijdrage, wordt de ambtenaar voor de toepassing van het eerste lid geacht geen salaris te genieten.
4.
Bij ontslag van de ambtenaar vindt betaling plaats over het tijdvak gelegen tussen het einde van de laatst verstreken periode waarover de eindejaarsuitkering is betaald en de datum van het ontslag.
5.
Voor de berekening van de eindejaarsuitkering wordt uitgegaan van het salaris zonder dat dit is verminderd met het bedrag dat als belastingvrije vergoeding is uitgekeerd voor een bestemmingsmogelijkheid als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de IKAP-regeling rijkspersoneel.
1.
De ambtenaar heeft recht op een vakantie-uitkering ten bedrage van 8% van de door hem genoten bezoldiging.
2.
De vakantie-uitkering per maand bedraagt ten minste € 164,75 vermenigvuldigd met de voor de ambtenaar geldende arbeidsduurfactor. Bij genot van slechts een gedeelte van zijn bezoldiging, op andere gronden dan vermeld in het derde lid, wordt de vakantie-uitkering naar evenredigheid verminderd.
3.
Wanneer de ambtenaar op grond van de artikelen 17 tot en met 20d of van artikel 37 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement of op grond van bepalingen van dezelfde strekking in een soortgelijke regeling slechts een gedeelte van zijn bezoldiging geniet, wordt hij voor de toepassing van het eerste lid geacht in het genot van zijn volle bezoldiging te zijn, met dien verstande dat wanneer het feitelijke genot van de bezoldiging is teruggebracht tot het bedrag van het op de ambtenaar te verhalen gedeelte van de pensioenbijdrage, hij voor de toepassing van het eerste lid wordt geacht geen bezoldiging te genieten.
4.
Voor de berekening van de vakantie-uitkering wordt uitgegaan van de bezoldiging zonder dat deze is verminderd met het bedrag dat als belastingvrije vergoeding is uitgekeerd voor een bestemmingsmogelijkheid als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de IKAP-regeling rijkspersoneel.
1.
De vakantie-uitkering wordt eenmaal per jaar betaald over de periode van twaalf maanden, die is aangevangen met de maand juni van het voorafgaande kalenderjaar.
2.
Bij ontslag van de ambtenaar vindt betaling plaats over het tijdvak, gelegen tussen het einde van de laatst verstreken periode, waarover de vakantie-uitkering is betaald en de datum van het ontslag.
1.
Aan een ambtenaar of een groep van ambtenaren kan een eenmalige of periodieke toeslag worden toegekend.
2.
Aan de toekenning van een toeslag kunnen voorwaarden worden verbonden.
3.
Een periodieke toeslag wordt ingetrokken indien de gronden waarop de toeslag is toegekend niet meer aanwezig zijn.
4.
Een regeling kan worden getroffen, welke dit artikel aanvult.
Artikel 22b
De ambtenaar die is benoemd in een functie van secretaris-generaal, genoemd in artikel 7, vierde lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement, heeft voor de duur van die benoeming aanspraak op een maandelijkse toeslag ter grootte van 5% van zijn salaris.
1.
De ambtenaar aan wie, anders dan krachtens een loopbaanregeling als bedoeld in artikel 13 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement of in bepalingen van dezelfde strekking in een soortgelijke regeling, op grond van artikel 57, eerste lid of tweede lid, onder b, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement een andere functie wordt opgedragen, waarbij het belang van de dienst is gelegen in het opdragen van juist die andere functie, heeft recht op een eenmalige mobiliteitstoeslag ter grootte van 50% van zijn salaris, tenzij zijn salaris met ingang van de datum waarop die andere functie wordt opgedragen om die reden wordt verhoogd.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing op de ambtenaar die met toepassing van hoofdstuk VIIbis van het Algemeen Rijksambtenarenreglement, zoals dat luidde in de periode van 15 april 2013 tot en met 31 december 2016, is geplaatst in een andere functie.
1.
De ambtenaar aan wie een toelage is toegekend op grond van artikel 17 of op grond van artikel 7 van het Besluit personenchauffeurs Rijksdienst ontvangt een nominale toeslag van € 37,50 per maand. Bedraagt de voor de ambtenaar geldende arbeidsduurfactor minder dan 1, dan wordt het bedrag van de toeslag vermenigvuldigd met de voor de ambtenaar geldende arbeidsduurfactor.
2.
Geen recht op de in het eerste lid genoemde toeslag bestaat vanaf het tijdstip dat de ambtenaar langer dan vier weken geen dienst verricht als bedoeld in artikel 17.
1.
Aan de ambtenaar, voor wie een salarisschaal geldt met een lager maximumsalaris dan dat van schaal 11 en die in opdracht van het bevoegde gezag overwerk verricht, wordt, behoudens het bepaalde in het derde lid, een vergoeding toegekend.
2.
Onder overwerk wordt verstaan arbeid buiten de werktijden geldende voor de ambtenaar krachtens een werktijdregeling als bedoeld in artikel 21 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement of in bepalingen van dezelfde strekking in een soortgelijke regeling, voor zover daardoor het per werkperiode vastgestelde aantal arbeidsuren wordt overschreden.
3.
Voor overwerk dat gedurende korter dan een uur aansluitend aan de vastgestelde dagelijkse werktijd wordt verricht, wordt geen vergoeding toegekend.
4.
De werkperiode bedoeld in het tweede lid wordt gesteld op:
a. één dag, indien aanvang en einde van de werktijd in de regel niet aan wisselingen onderhevig zijn;
b. een tijdvak van tenminste zeven dagen, indien de tijdstippen van aanvang en einde van de werktijd volgens een tevoren vastgesteld rooster wisselen.
5.
De vergoeding voor overwerk bestaat uit:
a. verlof, gelijk aan het aantal uren overschrijding van het per werkperiode vastgestelde aantal arbeidsuren, en
b. Een bedrag in geld, dat voor elk uur van die overschrijding een percentage van het voor de ambtenaar geldende salaris per uur bedraagt.
6.
De vergoeding in verlof wordt zo spoedig mogelijk toegekend, doch in de regel niet later dan in de kalendermaand volgende op die, waarin de overschrijding plaats had, waarbij zoveel mogelijk rekening wordt gehouden met de wensen van de ambtenaar.
7.
Indien naar het oordeel van het bevoegde gezag het dienstbelang zich verzet tegen het toekennen van verlof, wordt in plaats van verlof voor ieder uur een bedrag in geld toegekend gelijk aan het voor de ambtenaar geldende salaris per uur.
8.
Het in het vijfde lid, onder b, bedoelde percentage bedraagt:
a. behoudens het gestelde onder b, het getal, vermeld in de onderstaande tabel
overwerk verricht op zaterdag en zondag op maandag t/m vrijdag
tussen 0 en 6 uur 100 50
tussen 6 en 22 uur 50 25
tussen 22 en 24 uur 100 50
b. De feestdagen, genoemd in artikel 21, zevende lid, onder a, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement, worden voor de vergoeding van overwerk gelijkgesteld met een zondag.
9.
Voor het vaststellen van de duur van de overschrijding gelden de uren waarop krachtens het vijfde lid onder a, of krachtens het Algemeen Rijksambtenarenreglement dan wel een overeenkomstige regeling vakantie of verlof is genoten, als uren waarop is gewerkt.
10.
Aan ambtenaren voor wie verschillende salarisschalen gelden, die ingevolge een opdracht als bedoeld in het eerste lid gelijke werkzaamheden verrichten kan, in afwijking van het in voorgaande leden bepaalde, naar billijkheid een voor alle betrokken ambtenaren gelijke vergoeding worden toegekend. Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties kan voor de toepassing hiervan nadere regels vaststellen.
11.
In bijzondere gevallen kan een regeling worden getroffen, welke het bepaalde in de vorige leden aanvult of daarvan afwijkt.
Artikel 24
Het bepalen van de salarisschaal en het toekennen van het salaris, van een toelage als bedoeld in de artikelen 14 tot en met 18b, van de eindejaarsuitkering, van de vakantie-uitkering, van een toeslag en van de vergoeding voor extra diensten vindt plaats:
a. wat betreft de ambtenaren, aangesteld bij de Raad van State, door de vicepresident van de Raad van State;
b. wat betreft de ambtenaren, aangesteld bij de Algemene Rekenkamer, de Hoge Raad van Adel, het Kabinet van de Koning, de Kanselarij der Nederlandse Orden of de Nationale ombudsman door het tot aanstelling bevoegde gezag;
c. wat betreft de overige ambtenaren door Onze minister wie het aangaat.
1.
Het vaststellen van een regeling als bedoeld in de artikelen 12, 17, negende lid, 17 b, zesde lid, 18a, zesde lid, 22a, vierde lid, en 23, elfde lid, geschiedt
a. voor wat betreft ambtenaren bij de Eerste en de Tweede Kamer der Staten-Generaal, bij de Raad van State, bij de Algemene Rekenkamer, bij de Hoge Raad van Adel en bij het Bureau van de Nationale Ombudsman door Ons op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties , gehoord het bij het desbetreffende College ter zake bevoegde gezag;
b. voor wat betreft de overige ambtenaren bij gemeenschappelijk besluit van Onze Minister, hoofd van het desbetreffende departement van algemeen bestuur en van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.
2.
Het intrekken van een periodieke toeslag geschiedt door het gezag dat bevoegd is deze toeslag toe te kennen.
3.
Van de bevoegdheid tot het vaststellen van een regeling, met een sterk technisch karakter, als bedoeld in het eerste lid, kunnen Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en Onze Minister, hoofd van het desbetreffende departement van algemeen bestuur, mandaat verlenen.
1.
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
a. Rijksschoonmaakorganisatie: organisatie waarin de schoonmaakwerkzaamheden bij het Rijk in eigen beheer worden uitgevoerd;
b. overkomst: aanstelling als ambtenaar bij de Rijksschoonmaakorganisatie van een werknemer van een schoonmaakbedrijf als gevolg van de verplaatsing van zijn werkzaamheden van het schoonmaakbedrijf naar de Rijksschoonmaakorganisatie;
c. CAO: Collectieve Arbeidsovereenkomst Schoonmaak- en Glazenwassersbedrijf 2014–2016.
2.
Voor de ambtenaar, die is aangesteld bij de Rijksschoonmaakorganisatie en wiens functie is genoemd in bijlage C van dit besluit geldt het in die bijlage bij de genoemde functie, leeftijd en dienstjaren van de ambtenaar behorende salaris.
3.
Voor de hoogte van het salaris tellen voor de ambtenaar na zijn overkomst mee de als werknemer doorgebrachte tijd in dienst van een schoonmaakbedrijf vóór die overkomst conform artikel 38, derde lid, van de CAO.
4.
Als diensttijd voor een gratificatie bij een ambtsjubileum of een diensttijdgratificatie als bedoeld in artikel 79 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement telt voor de ambtenaar na zijn overkomst, mee de als werknemer doorgebrachte tijd in dienst van een schoonmaakbedrijf vóór die overkomst conform artikel 38, derde lid, van de CAO.
5.
De ambtenaar die niet naar de Rijksschoonmaakorganisatie is overgekomen vanuit een schoonmaakbedrijf, de ambtenaar die niet aantoonbaar de basis(vak)- en taalopleidingen met succes heeft afgerond of de ambtenaar die wordt aangesteld binnen zes maanden nadat hij de schoonmaakbranche heeft verlaten en die niet kan aantonen dat de inleerperiode op het moment van het verlaten van die branche niet op hem van toepassing was, wordt gedurende de eerste twaalf maanden van de aanstelling als ambtenaar bij de Rijksschoonmaakorganisatie bezoldigd conform de salarissen per functie en leeftijd, zoals genoemd onder inleerperiode in bijlage C van dit besluit.
6.
Artikel 5, eerste tot en met derde lid, is niet van toepassing op de ambtenaar wiens functie is vermeld in de bijlage C van dit besluit.
7.
De ambtenaar die voor de overkomst op grond van artikel 38, derde lid, van de CAO vóór 31 december 2007 aanspraak had op een van de CAO afwijkende reiskostenvergoeding, heeft na de overkomst overeenkomstig deze afspraken recht op deze reiskostenvergoeding. De tegemoetkoming in de kosten van het dagelijks reizen per openbaar vervoer tussen de woning en de plaats van tewerkstelling wordt op deze reiskostenvergoeding in mindering gebracht. Het recht op deze reiskostenvergoeding vervalt op het moment dat de ambtenaar gebruik maakt van de Rijksmobiliteitkaart.
8.
De ambtenaar die voor de overkomst recht had op een vereenvoudigingstoeslag op basis van artikel 38, derde lid, van de CAO, heeft na de overkomst recht op een vereenvoudigingstoeslag overeenkomstig hetgeen daarover in de CAO is bepaald. Deze vereenvoudigingstoeslag is een periodieke toeslag als bedoeld in artikel 22a van het BBRA 1984.
Artikel 25b
In afwijking van artikel 20a, eerste en tweede lid, heeft de ambtenaar die is aangesteld bij de Rijksschoonmaakorganisatie en wiens functie is genoemd in bijlage C , recht op een eindejaarsuitkering van 2,2% van het door hem genoten bruto salaris over twaalf maanden die wordt betaald in november. Voorts wordt 6,5% van het genoten bruto salaris maandelijks uitgekeerd boven op het salaris.
Artikel 25d
Indien vanaf 1 januari 2017 de som van het salaris, de vakantie-uitkering en de eindejaarsuitkering van ambtenaren na de overkomst netto lager is dan de som van het salaris, de vakantie-uitkering en de eindejaarsuitkering die zij bij een schoonmaakbedrijf ontvingen vóór de overkomst, draagt het bevoegd gezag er zorg voor dat zij een toeslag op basis van artikel 22a ontvangen, die dit verschil wegneemt.
1.
Voor gevallen waarin dit besluit niet of niet naar billijkheid voorziet, wordt bij koninklijk besluit een bijzondere regeling getroffen op de gemeenschappelijke voordracht van Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, Onze Minister wie het mede aangaat en Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.
2.
Indien een algemene wijziging van het salaris van het burgerlijk rijkspersoneel aanleiding geeft tot het wijzigen van een regeling als bedoeld in het eerste lid, geschiedt dit bij een gezamenlijk besluit van Onze Minister wie het aangaat en Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.
Artikel 27
Dit besluit kan worden aangehaald als Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984.
Artikel 28
Bij algemene maatregel van bestuur, regelende het overgangsrecht, wordt het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit vastgesteld, waarbij kan worden bepaald dat toepassing van een of meer artikelen of onderdelen daarvan met ingang van verschillende tijdstippen zal geschieden.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State en aan de Algemene Rekenkamer.
's-Gravenhage, 1 november 1983
De Minister van Binnenlandse Zaken,
Uitgegeven de negenentwintigste november 1983
De Minister van Justitie,
Inhoudsopgave
+ Hoofdstuk I. Algemene bepalingen
+ Hoofdstuk II. Bepalingen betreffende het salaris
+ Hoofdstuk IIA
+ Hoofdstuk III. Bepalingen betreffende toelagen
+ Hoofdstuk IIIA. Bepalingen betreffende de eindejaarsuitkering
+ Hoofdstuk IV. Bepalingen betreffende de vakantie-uitkering
+ Hoofdstuk IVA. Bepalingen betreffende de toeslag
+ Hoofdstuk V. Bepalingen betreffende vergoedingen voor extra diensten
+ Hoofdstuk VI. Bepalingen betreffende het bevoegde gezag
+ Hoofdstuk VIa. Rijksschoonmaakorganisatie
+ Hoofdstuk VII. Slotbepalingen
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht