Let op. Deze wet is vervallen op 1 juli 2009. U leest nu de tekst die gold op 30 juni 2009.

Binnenschepenbesluit

Uitgebreide informatie
Besluit van 16 juli 1987, houdende bepalingen met betrekking tot de deugdelijkheid van schepen op binnenwateren, de inrichting en de uitrusting daarvan, alsmede ten aanzien van de arbeidsomstandigheden aan boord
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 7 januari 1987, nr. PJ/S 31.977, Directoraat-Generaal Scheepvaart en Maritieme Zaken, gedaan mede namens de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
Na overleg met Onze Ministers van Landbouw en Visserij en van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur;
Gelet op de artikelen 1, derde lid, 5, eerste en derde lid, 10, eerste lid, 13, eerste lid, 27, zesde lid, en 58, eerste lid, van de Binnenschepenwet ( Stb. 1981, 678);
Gelet op de Richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 20 januari 1976 (76/135/EEG) inzake de wederzijdse erkenning van scheepsattesten voor binnenschepen (Pb EG L 21), gewijzigd bij de Richtlijn van die Raad van 23 november 1978 (78/1016/EEG, Pb EG L 349);
Mede gelet op de Richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 4 oktober 1982 (82/714/EEG) tot vaststelling van de technische voorschriften voor binnenschepen (Pb EG L 301);
De Raad van State gehoord (advies van 11 maart 1987, nr. W 09.87.0016);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 9 juli 1987, nr. S/J 30.879/87, Directoraat-Generaal Scheepvaart en Maritieme Zaken, uitgebracht mede namens de Staatssecretaris van Sociale zaken en Werkgelegenheid;
Hebben goedgevonden en verstaan:
1.
In dit besluit en de daarbij behorende bijlagen wordt verstaan onder:
a. richtlijn 76/135/EEG: richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 20 januari 1976 (76/135/EEG) inzake de wederzijdse erkenning van scheepsattesten voor binnenschepen, gewijzigd bij de richtlijn van die Raad van 23 november 1978/1016/EEG);
b. richtlijn 82/714/EEG: richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 4 oktober 1982 (82/714/EEG) tot vaststelling van de technische voorschriften voor binnenschepen;
c. certificaat: certificaat van onderzoek, bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de Binnenschepenwet;
d. communautair certificaat: communautair certificaat, bedoeld in richtlijn 82/714/EEG, zijnde tevens het certificaat;
e. communautair aanvullend certificaat: communautair aanvullend certificaat, bedoeld in richtlijn 82/714/EEG, zijnde tevens in samenhang met een scheepspatent als bedoeld in de Herziene Rijnvaartakte en voor zover verenigbaar met het bij of krachtens de Herziene Rijnvaartakte bepaalde, te beschouwen als het certificaat;
f. document van deugdelijkheid: certificaat, communautair certificaat, scheepsattest als bedoeld in richtlijn 76/135/EEG, scheepspatent als bedoeld in de Herziene Rijnvaartakte, certificaat van deugdelijkheid als bedoeld in de Schepenwet of een document dat bij internationale regeling of door Onze Minister als zodanig is erkend;
g. binnenwateren: wateren als gedefinieerd in artikel 1, eerste lid, van de Binnenschepenwet en voorts de overige wateren, opgenomen in bijlage I van dit besluit;
h. zones: waterwegen van het communautaire net van binnenwateren volgens de indeling, bedoeld in richtlijn 82/714/EEG en in bijlage I van dit besluit;
i. onderzoek: onderzoek, bedoeld in artikel 5 van de Binnenschepenwet;
j. bijzonder onderzoek: onderzoek, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Binnenschepenwet;
k. vrachtschip: schip dat is gebouwd of bestemd voor het bedrijfsmatig vervoer van goederen, met een laadvermogen van 15 ton of meer;
l. sleepboot: schip als gedefinieerd in het tweede lid, onder e ;
m. duwboot: schip als gedefinieerd in het tweede lid, onder f ;
n. passagiersschip: schip als gedefinieerd in het tweede lid, onder p ;
o. bestaande schepen: schepen waarvan bij de inwerkingtreding van dit besluit
- de bouw is voltooid,
- de kiel is gelegd dan wel de bouw zich in een daarmee vergelijkbaar stadium bevindt of
- het bouwcontract is afgesloten en binnen een jaar nadien is aangevangen met de bouw;
p. rijksvaartuig: schip dat eigendom is van of gehuurd is door het Rijk en dat is gebouwd of bestemd om ten dienste van het Rijk te worden gebruikt voor de vaart op de binnenwateren, niet zijnde passagiersschepen of veerboten;
q. open rijksvaartuig: rijksvaartuig dat noch is voorzien van een gesloten opbouw, noch van een doorlopend dek;
r. veerboot: schip dat is gebouwd of bestemd voor het bedrijfsmatig vervoer van meer dan 12 personen buiten de bemanning alsook van voertuigen op meer dan twee wielen, en dat een bootdienst onderhoudt tussen twee of meer aanlegplaatsen gelegen aan
- de Dollard,
- de Eems,
- de Waddenzee, met inbegrip van de verbindingen met de Noordzee, of
- de Westerschelde en de zeemonding daarvan, met inbegrip van de waterwegen tussen Zeeuwsch-Vlaanderen enerzijds en Walcheren en Zuid-Beveland anderzijds;
s. zeilend passagiersschip: schip als gedefinieerd in het tweede lid, onder cc;
t. bestaand zeilend passagiersschip: schip als gedefinieerd in het tweede lid, onder dd;
u. bunkerstation: drijvend bouwsel dat wegens zijn bestemming in de regel niet wordt verplaatst en dat bestemd of in gebruik is voor de opslag of levering van brandstof voor voortstuwing van schepen.
2.
In de bij dit besluit behorende bijlagen wordt verstaan onder:
a. schip: binnenschip of zeeschip;
b. motorvrachtschip: vrachtschip gebouwd om door middel van zijn eigen mechanische voortstuwingsmiddelen zelfstandig te varen, niet zijnde een motortankschip;
c. motortankschip: schip met een laadvermogen van 15 ton of meer, dat is bestemd voor het bedrijfsmatig vervoer van goederen in vaste tanks en gebouwd om door middel van zijn eigen mechanische voortstuwingsmiddelen zelfstandig te varen;
d. motorschip: motorvrachtschip of motortankschip;
e. sleepboot: schip dat is gebouwd om te slepen;
f. duwboot: schip dat is gebouwd om te duwen;
g. sleep-duwboot: schip dat is gebouwd om te slepen en te duwen;
h. sleepvrachtschip: vrachtschip niet zijnde een sleeptankschip, dat is gebouwd om te worden gesleept en dat
- niet is voorzien van eigen mechanische voortstuwingsmiddelen of
- wel voorzien is van eigen mechanische voortstuwingsmiddelen, die slechts verplaatsingen over kleine afstanden toelaten;
i. sleeptankschip: schip met een laadvermogen van 15 ton of meer, dat is bestemd voor het bedrijfsmatig vervoer van goederen in vaste tanks, gebouwd om te worden gesleept en dat
- niet is voorzien van eigen mechanische voortstuwingsmiddelen of
- wel is voorzien van eigen mechanische voortstuwingsmiddelen, die slechts verplaatsingen over kleine afstanden toelaten;
k. sleepschip: sleepvrachtschip of sleeptankschip;
l. vrachtduwbak: vrachtschip niet zijnde een tankduwbak, dat is gebouwd of geschikt gemaakt om te worden geduwd en dat
- niet is voorzien van eigen mechanische voortstuwingsmiddelen of
- wel is voorzien van eigen mechanische voortstuwingsmiddelen, die slechts verplaatsingen over kleine afstanden toelaten;
m. tankduwbak: schip met een laadvermogen van 15 ton of meer, dat is bestemd voor het bedrijfsmatig vervoer van goederen in vaste tanks, gebouwd of geschikt gemaakt om te worden geduwd en dat
- niet is voorzien van eigen mechanische voortstuwingsmiddelen of
- wel is voorzien van eigen mechanische voortstuwingsmiddelen, die slechts verplaatsingen over kleine afstanden toelaten;
n. zeeschipbak: vrachtduwbak of tankduwbak, gebouwd om aan boord van een zeeschip te worden vervoerd en om de binnenwateren te bevaren;
o. duwbak: vrachtduwbak, tankduwbak of zeeschipbak;
p. passagiersschip: schip dat is gebouwd of bestemd voor het bedrijfsmatig vervoer van meer dan twaalf personen buiten de bemanning, niet zijnde een veerboot en niet ingericht om hoofdzakelijk door middel van zeilen te worden voortbewogen;
q. drijvend werktuig: schip met mechanische installaties, dat is bestemd om op de binnenwateren te worden gebruikt, zoals een baggermolen, een elevator, een bok, een kraan;
r. drijvende inrichting: drijvend bouwsel dat niet is bestemd om in de regel te worden verplaatst, zoals een drijvende zweminrichting, een droogdok, een landingsbrug, een drijvend botenhuis;
s. drijvend voorwerp: vlot, bouwsel, samenstel of voorwerp dat is geschikt om te varen, niet zijnde een schip als hiervoor bedoeld, een drijvend werktuig of drijvende inrichting;
t. stuurhuis: ruimte waar de voor het voeren van het schip noodzakelijke bedieningsinrichtingen zijn opgesteld;
u. machinekamer: ruimte waar de voortstuwingswerktuigen, de hulpwerktuigen of beiden zijn opgesteld;
v. verblijf: ruimte die bestemd is voor het gebruik door de gewoonlijk aan boord verblijvende personen of passagiers, met inbegrip van keukens, provisiekamers, toiletten, wasgelegenheden, washokken, portalen en gangen, met uitzondering van het stuurhuis;
w. vlak van de grootste inzinking: vlak door de waterlijn, overeenkomende met de grootste toegelaten inzinking waarbij het schip mag varen;
x. vrijboord: afstand tussen het vlak van de grootste inzinking en het daaraan evenwijdige vlak door het laagste punt van het gangboord, of bij ontbreken van een gangboord, het laagste punt van het vaste boord;
y. veiligheidsafstand: afstand tussen het vlak van de grootste inzinking en het daaraan evenwijdige vlak door het laagste punt, waar het schip niet meer als waterdicht wordt beschouwd;
z. mechanische aandrijving of voortstuwing: aandrijving of voortstuwing waarbij de krachtbron direct of indirect een motor is;
aa. erkend onderzoekingsbureau: bureau als bedoeld in artikel 21, tweede lid, van dit besluit;
bb. VBG: Regeling vervoer over de binnenwateren van gevaarlijke stoffen (VBG).
cc. zeilend passagiersschip: een schip dat is gebouwd of bestemd voor het bedrijfsmatig vervoer van meer dan twaalf personen buiten de bemanning en ingericht om hoofdzakelijk door middel van zeilen te worden voortbewogen, niet zijnde een veerboot;
dd. bestaand zeilend passagiersschip: een zeilend passagiersschip waarvan op 1 januari 2001 de bouw is voltooid, de kiel is gelegd dan wel de bouw zich in een daarmee vergelijkbaar stadium bevindt of het bouwcontract is afgesloten en binnen een jaar nadien is aangevangen met de bouw.
1.
De bepalingen van dit besluit zijn niet van toepassing op schepen met een laadvermogen van 15 ton of meer, die zijn bestemd voor de bedrijfsmatige visvangst.
2.
Luchtkussenvoertuigen worden voor de toepassing van de artikelen 3 tot en met 15, 27, 29, 44, 49, 51, 52, 54 en 56 van de Binnenschepenwet en voor de toepassing van dit besluit met schepen gelijkgesteld.
3.
Bunkerstations worden voor de toepassing van de artikelen 1, eerste en vierde lid, 3, eerste, tweede en vierde lid, tot en met 15, 27 tot en met 30, 39, 43 tot en met 45, 47 tot en met 49 , 52, 52a en 56 van de Binnenschepenwet en voor de toepassing van dit besluit met schepen gelijkgesteld.
Artikel 2a
De categorieën van schepen, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onder a , van de Binnenschepenwet zijn:
a. vrachtschepen, sleepboten en duwboten, ongeacht de binnenwateren waarop zij zich bevinden; en
b. passagiersschepen, voor zover zij zich bevinden op de binnenwateren van de zones 3 en 4.
Artikel 3
Bij dit besluit behoren de volgende bijlagen:
bijlage I : lijst van binnenwateren van het communautaire net, ingedeeld in de zones 1, 2, 3 en 4;
bijlage II : technische regelen voor vrachtschepen, sleepboten en duwboten;
bijlage III : technische regelen voor passagiersschepen;
bijlage IV : regelen met betrekking tot arbeid aan boord van schepen;
bijlage V : technische regelen voor veerboten;
bijlage VI : technische regelen voor rijksvaartuigen;
bijlage VII : technische regelen voor zeilende passagiersschepen;
bijlage VIII: technische regelen voor bunkerstations.
1.
De inspecteur-generaal geeft certificaten af voor:
a. vrachtschepen;
b. sleepboten en duwboten;
c. passagiersschepen;
d. veerboten;
e. rijksvaartuigen;
f. zeilende passagiersschepen;
g. bunkerstations.
2.
De inspecteur-generaal geeft communautaire aanvullende certificaten af voor vrachtschepen, sleepboten en duwboten, die voorzien zijn van een scheepspatent als bedoeld in de Herziene Rijnvaartakte.
3.
Met uitzondering van het bepaalde in artikel 10, is het in dit besluit bepaalde met betrekking tot het certificaat en het communautaire certificaat van overeenkomstige toepassing op het communautaire aanvullende certificaat.
1.
De aanvraag voor een certificaat van onderzoek wordt ingediend door de eigenaar van het schip.
2.
Bij de aanvraag worden de tekeningen van bouw en inrichting van het schip alsmede, indien hiertoe naar het oordeel van de inspecteur-generaal bijzondere redenen bestaan, het rekenkundig bewijs van de sterkte van de romp overgelegd.
3.
Indien het schip is onderzocht door of gebouwd onder toezicht van een erkend onderzoekingsbureau, wordt ook de verklaring van dat bureau inzake het onderzoek of de bouw overgelegd.
4.
Indien ingevolge de artikelen 23 of 24 een hellingproef is vereist, worden de uitkomsten van die proef overgelegd alsmede de gegevens over de stabiliteit van het schip bij verschillende beladingstoestanden.
Artikel 6
Een certificaat wordt afgegeven nadat een schip met gunstig gevolg is onderzocht overeenkomstig het gestelde in de artikelen 19 tot en met 23.
Artikel 7
Voor vrachtschepen, sleepboten en duwboten wordt het certificaat als communautair certificaat afgegeven.
Artikel 8
Het communautaire certificaat voor vrachtschepen, sleepboten en duwboten, die in een andere Lid-Staat van de Europese Gemeenschappen dan Nederland of in een van de overige Staten die partij zijn bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte teboekstaan of daar hun thuishaven hebben, of waarvan de eigenaar in de desbetreffende staat woonachtig is, wordt slechts afgegeven indien die staat of een bevoegde onderzoeksinstantie uit die Staat daarom heeft verzocht.
Artikel 9
In het certificaat worden vermeld:
a. de voornaamste gegevens omtrent het schip, de binnenwateren waarvoor het geschikt is bevonden, alsmede of het in artikel 5, tweede lid, van de Binnenschepenwet bedoelde onderzoek is ingesteld;
b. de regelen die bij het gebruik van het schip in acht moeten worden genomen, alsmede in voorkomende gevallen de toegestane afwijkingen en te treffen voorzieningen met vermelding van de binnenwateren en de periode, waar deze voor gelden en
c. de geldigheidsduur, de verlenging en de vernieuwing van de geldigheidsduur van het certificaat.
1.
Het certificaat en het communautaire certificaat, alsmede het communautaire aanvullende certificaat in samenhang met een scheepspatent als bedoeld in de Herziene Rijnvaartakte zijn geldig voor de bestemming en voor de binnenwateren, bedoeld in bijlage I , waarvoor het schip blijkens het certificaat geschikt is bevonden, voor zover verenigbaar met het bij of krachtens de Herziene Rijnvaartakte bepaalde.
2.
Een communautair certificaat dat geldig is voor de binnenwateren van zone 3, is tevens geldig voor de in Nederland gelegen binnenwateren van zone 2.
1.
Na een bijzonder onderzoek in een geval als bedoeld in artikel 24, eerste lid, wordt indien het schip aan de bij of krachtens de wet gestelde regelen voldoet door de inspecteur-generaal een nieuw certificaat afgegeven dan wel de geldigheidsduur van het certificaat vernieuwd.
2.
Indien het een schip betreft met een communautair certificaat dat in een andere Lid-Staat van de Europese Gemeenschappen dan Nederland of in een van de overige staten die partij zijn bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte is afgegeven of waarvan de geldigheidsduur in de desbetreffende Staat is vernieuwd, wordt de vernieuwing van het communautaire certificaat of de vernieuwing van de geldigheidsduur van het communautaire certificaat binnen een maand ter kennis gebracht van de autoriteit die het communautaire certificaat heeft afgegeven of de geldigheidsduur daarvan heeft vernieuwd.
1.
Bij het verstrijken van de geldigheidsduur van een certificaat kan de geldigheid daarvan worden vernieuwd nadat een aanvraag daartoe is ingediend en een onderzoek van het schip met gunstig gevolg heeft plaatsgevonden.
2.
Het onderzoek kan beperkt blijven tot een onderzoek van de constructie, de werktuigen, de ketels en andere drukvaten, alsmede van de uitrusting en de gehele romp van het schip.
Artikel 13
In bijzondere gevallen kan de inspecteur-generaal zonder onderzoek van het schip de geldigheidsduur van een certificaat verlengen.
Artikel 14
De geldigheidsduur, de verlenging en de vernieuwing van de geldigheidsduur van het certificaat worden vastgesteld volgens het bepaalde in artikel 6 van de Binnenschepenwet.
1.
Indien een certificaat onleesbaar of onbruikbaar is geworden, wordt na terugzending van het certificaat aan de inspecteur-generaal tegen betaling van door Onze Minister vast te stellen kosten een duplicaat van het certificaat verstrekt.
2.
Het duplicaat wordt tegen betaling van door Onze Minister vast te stellen kosten eveneens verstrekt wanneer het certificaat verloren is gegaan en hiervan mededeling is gedaan aan de inspecteur-generaal.
Artikel 16
De certificaten worden door of vanwege de inspecteur-generaal van een volgnummer voorzien en geregistreerd.
1.
Van de certificaten worden afschriften bewaard.
2.
Op de afschriften worden de aantekeningen en wijzigingen vermeld die op de certificaten voorkomen.
3.
Op de afschriften worden tevens de vervangingen en de ongeldigverklaringen van de certificaten aangetekend.
Artikel 18
Behoudens weigering op grond van het bepaalde bij of krachtens de Wet openbaarheid van bestuur wordt door de inspecteur-generaal op verzoek hetzij inzage van het afschrift van een certificaat verleend, hetzij een uittreksel of gewaarmerkt afschrift van een certificaat verschaft tegen betaling van door Onze Minister vast te stellen kosten.
Artikel 19
Bij het onderzoek of bijzonder onderzoek van schepen wordt nagegaan of het schip voldoet aan de voor dat schip van toepassing zijnde regelen, zoals opgenomen in de bij dit besluit behorende bijlagen.
1.
Mits voorzieningen zijn getroffen, die naar het redelijk oordeel van de inspecteur-generaal voldoende waarborg bieden voor de veiligheid van het schip en de opvarenden, dan wel naar het redelijk oordeel van de inspecteur-generaal in overeenstemming met de ingevolge artikel 27, eerste lid, van de Binnenschepenwet, door Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aangewezen ambtenaren voldoende waarborg bieden voor de veiligheid, de gezondheid en het welzijn in verband met de arbeid aan boord, zijn regelen van bijlagen II en III niet van toepassing bij het onderzoek van:
a. schepen uitsluitend bestemd voor het varen in Nederland in een beperkt gebied of in havengebieden;
b. schepen uitsluitend bestemd voor het varen op in Nederland gelegen binnenwateren die niet via een ander binnenwater in verbinding staan met het waterwegennet van Duitsland of België en
c. schepen met een laadvermogen van 350 ton of minder, waarvan de kiel voor 1 januari 1950 is gelegd en die uitsluitend bestemd zijn voor het varen op in Nederland gelegen binnenwateren.
2.
In afwijking van het bepaalde in het eerste lid zijn voor schepen, niet zijnde bestaande schepen, de regelen van hoofdstuk 11 van bijlage II onverkort van toepassing behoudens het bepaalde in bijlage III .
3.
Met betrekking tot vrachtschepen, sleepboten en duwboten wordt toepassing van het eerste lid ter kennis gebracht van de Commissie van de Europese Gemeenschappen.
1.
Indien uit een door een erkend onderzoekingsbureau afgegeven verklaring blijkt, dat een schip voldoet aan de krachtens artikel 5, eerste lid, van de Binnenschepenwet voor dat schip van toepassing zijnde regelen, zoals opgenomen in de bij dit besluit behorende bijlagen, kan van een onderzoek als bedoeld in dat lid worden afgezien.
2.
Van een erkend onderzoekingsbureau is sprake indien het is aangewezen op grond van artikel 27, vijfde lid, van de Binnenschepenwet.
3.
De aanwijzing wordt ter kennis gebracht van de Commissie van de Europese Gemeenschappen en van de Lid-Staten van de Europese Gemeenschappen en van de overige staten die partij zijn bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte.
4.
De aanwijzing kan voor bepaalde of onbepaalde tijd plaatsvinden.
5.
Bij koninklijk besluit kan de aanwijzing te allen tijde worden ingetrokken.
1.
Voor een onderzoek van het schip wordt het door de eigenaar of diens vertegenwoordiger onbeladen, gereinigd en voorzien van de voorgeschreven uitrusting aangeboden.
2.
Indien de inspecteur-generaal om bijzondere redenen een onderzoek van het schip aan de buitenzijde redelijkerwijs nodig oordeelt, wordt het door de eigenaar of diens vertegenwoordiger zodanig drooggezet dat de gehele romp aan de buitenzijde kan worden onderzocht.
3.
De eigenaar van het schip of diens vertegenwoordiger verleent verdere medewerking aan het onderzoek, onder meer door de toegang te vergemakkelijken tot de delen van de romp en tot de installaties, die niet of moeilijk toegankelijk of zichtbaar zijn, door personeel beschikbaar te stellen en door proefvaarten te houden.
1.
Voor de beoordeling van de stabiliteit van een passagiersschip, een veerboot of een zeilend passagiersschip wordt het schip - indien het een eerste onderzoek betreft - aan een hellingproef onderworpen.
2.
Indien de uitkomsten van de hellingproef van een zusterschip van een passagiersschip, een veerboot of een zeilend passagiersschip beschikbaar zijn en daaraan voldoende stabiliteitsgegevens kunnen worden ontleend, kan de inspecteur-generaal toestaan dat een hellingproef achterwege blijft.
3.
Voor de beoordeling van de stabiliteit van vrachtschepen, sleepboten, duwboten, rijksvaartuigen en bunkerstations kan de inspecteur-generaal bepalen dat een hellingproef wordt gehouden, indien de inrichting of de bijzondere bestemming van het schip daartoe aanleiding geeft.
4.
De hellingproef wordt door of namens de eigenaar gehouden in aanwezigheid van de daartoe bevoegde ambtenaar van de divisie Scheepvaart.
1.
Bij belangrijke schade, herstellingen, verbouwingen of andere ingrijpende wijzigingen en bij vermoeden van ernstige gebreken aan een schip met een certificaat of een communautair certificaat wordt een bijzonder onderzoek ingesteld.
2.
Het bijzonder onderzoek omvat een onderzoek van de constructie, de werktuigen en uitrusting van het schip, voor zover deze betrokken zijn bij de schade, de herstelling, de verbouwing, de wijziging of de gebreken. Tevens kan de stabiliteit worden beoordeeld.
3.
Indien het een bijzonder onderzoek van een passagiersschip, een veerboot of een zeilend passagiersschip betreft kan de inspecteur-generaal bepalen dat een hellingproef wordt gehouden.
1.
Nadat een onderzoek of bijzonder onderzoek is beëindigd, dient de toestand van het schip en de uitrusting te worden gehandhaafd in overeenstemming met de vermeldingen in het certificaat.
2.
Het schip mag slechts gebruikt worden voor de bestemming en op de binnenwateren, waarvoor het blijkens het certificaat geldig of geschikt is bevonden.
3.
Bij het gebruik van het schip dienen in acht genomen te worden het vrijboord en de regelen ten aanzien van de belading, het stuwen, de stabiliteit en het gebruik, die in het certificaat zijn aangegeven voor de binnenwateren waarop door het schip wordt gevaren.
4.
Aan boord van een passagiersschip, een veerboot of een zeilend passagiersschip mogen niet meer passagiers worden toegelaten dan het ten hoogste toegestane aantal volgens het certificaat.
5.
Bij het gebruik van het schip dient de in het certificaat vermelde uitrusting in deugdelijke staat op de daarvoor bestemde plaatsen aan boord te zijn.
Artikel 26
Ter bevordering van de veiligheid, de gezondheid en het welzijn in verband met de arbeid aan boord van schepen bij gebruik op de binnenwateren
a. moeten de inrichting en uitrusting van die schepen voldoen aan de regelen, opgenomen in de hoofdstukken 8 en 11 van bijlage II alsmede aan door Onze Ministers aangewezen andere regelen, opgenomen in bijlage II ;
b. moeten met betrekking tot de arbeid aan boord van die schepen de regelen in acht genomen worden, die zijn opgenomen in bijlage IV .
1.
De toezichthoudende ambtenaar die vaststelt dat aan boord van een schip een voor dat schip vereist document van deugdelijkheid ontbreekt of niet geldig is, dan wel dat de op het document vermelde gegevens afwijken van de werkelijke toestand, stelt de inspecteur-generaal op de hoogte van zijn bevindingen.
2.
De eigenaar van het schip of diens vertegenwoordiger dient deze situatie te verhelpen en richt zich daarbij naar eventueel door de inspecteur-generaal voorgeschreven maatregelen, te nemen in overeenstemming met de ingevolge artikel 28, eerste lid, van de Binnenschepenwet, door Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aangewezen ambtenaren, indien het de veiligheid, de gezondheid en het welzijn in verband met de arbeid aan boord betreft.
3.
De ambtenaar van de divisie Scheepvaart of de ingevolge artikel 9, eerste lid, van de Binnenschepenwet, door Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aangewezen ambtenaren, die de vaart met een schip onderbreekt omdat de staat waarin het schip zich bevindt zodanig is dat de veiligheid van het schip en de opvarenden onmiddellijk gevaar loopt, handelt op de in het eerste lid bedoelde wijze.
4.
De inspecteur-generaal beslist zo spoedig mogelijk of een bijzonder onderzoek zal worden ingesteld. Hij kan ook maatregelen voorschrijven ertoe strekkende de redenen voor het onderbreken van de vaart weg te nemen dan wel maatregelen voorschrijven op grond waarvan het schip zonder gevaar, eventueel na beëindiging van zijn reis, kan doorvaren tot de plaats waar het zal worden onderzocht of hersteld. Indien het de veiligheid, de gezondheid en het welzijn in verband met de arbeid aan boord betreft, neemt het hoofd van de scheepvaartinspectie zijn beslissing in overeenstemming met de ingevolge artikel 9, eerste lid, van de Binnenschepenwet, door Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aangewezen ambtenaren.
5.
Indien het een in het buitenland teboekstaand schip betreft dat is of moet zijn voorzien van een communautair certificaat of van een scheepsattest als bedoeld in richtlijn 76/135/EEG, doet de inspecteur-generaal de bevindingen toekomen aan de instantie die het communautaire certificaat of het scheepsattest heeft afgegeven of had moeten afgeven.
1.
Scheepsattesten afgegeven ingevolge richtlijn 76/135/EEG, worden erkend, voor zover het scheepsattest niet meer dan vijf jaren te voren is afgegeven of verlengd en de geldigheidsduur niet verstreken is.
2.
De erkenning van scheepsattesten voor vrachtschepen, sleepboten en duwboten geldt voor de vaart op alle in Nederland gelegen binnenwateren.
3.
De erkenning van scheepsattesten voor passagiersschepen en zeilende passagiersschepen geldt voor de in Nederland gelegen zones 3 en 4 en, indien het schip tevens voldoet aan de desbetreffende regelen voor zone 2 van bijlage III , voor de in Nederland gelegen zone 2.
4.
Het derde lid is van overeenkomstige toepassing op veerboten, met dien verstande dat de erkenning voor de in artikel 1, eerste lid, onder r, genoemde wateren van zone 2 slechts geldt, indien het schip tevens voldoet aan de desbetreffende regelen van bijlage V .
1.
Onze Minister kan voor de toepassing van artikel 4, eerste lid, onder c , van de Binnenschepenwet een document erkennen dat door een bevoegde autoriteit van een andere staat - niet zijnde een Lid-Staat van de Europese Gemeenschappen of een van de overige Staten die partij zijn bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte - is afgegeven ten bewijze van de deugdelijkheid van een aldaar teboekstaand schip.
2.
Erkenning van het in het eerste lid bedoelde document van deugdelijkheid vindt plaats indien het naar het oordeel van Onze Minister voldoende waarborg biedt voor de deugdelijkheid van het schip.
Artikel 30
Een in artikel 29 genoemd document van deugdelijkheid wordt erkend voor in Nederland gelegen binnenwateren van de zones 2, 3 of 4 naar gelang het document naar het oordeel van Onze Minister voldoende waarborg biedt voor de veiligheid van de vaart op die wateren.
Artikel 31
De erkenning kan betrekking hebben op een enkel document van deugdelijkheid of op een groep gelijke documenten.
1.
Met het certificaat ten behoeve van passagiersschepen, veerboten, rijksvaartuigen, zeilende passagiersschepen of bunkerstations wordt gelijkgesteld een document van deugdelijkheid, afgegeven door een onafhankelijke keuringsinstelling in een andere lidstaat in de Europese Unie dan wel in een staat die partij is bij de overeenkomst inzake de Europese Economische Ruimte, welk document is afgegeven op basis van onderzoekingen die ten minste aan gelijkwaardige eisen voldoen.
2.
Met de in de bijlagen III , V , VI , VII en VIII van dit besluit vastgestelde technische eisen worden gelijkgesteld daaraan gelijkwaardige technische eisen vastgesteld door of vanwege een lidstaat van de Europese Unie dan wel door of vanwege een staat die partij is bij de overeenkomst inzake de Europese Economische Ruimte.
Artikel 32
Onze Minister in overeenstemming met de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid stelt een tijdschema vast voor het eerste onderzoek van bestaande vrachtschepen, sleepboten en duwboten.
1.
Het in artikel 32 bedoelde tijdschema omvat een periode gerekend vanaf één jaar na de datum van inwerkingtreding van dit besluit en eindigend op 1 juli 1998.
2.
Het tijdschema kan met een periode van zeven jaren worden verlengd voor schepen waarvan de bouw op 1 januari 1970 is begonnen of voltooid en die bestemd zijn om uitsluitend in Nederland te worden gebruikt.
3.
Het tijdschema wordt ter kennis gebracht van de Commissie van de Europese Gemeenschappen en van de Lid-Staten van de Europese Gemeenschappen en van de overige Staten die partij zijn bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte.
Artikel 34
Onze Minister in overeenstemming met de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid stelt voor het eerste onderzoek van bestaande passagiersschepen een afzonderlijk tijdschema vast.
Artikel 35
Het eerste onderzoek van bunkerstations die op 1 februari 2002 in bedrijf zijn vindt plaats voor 1 februari 2007.
Artikel 36
Mits voorzieningen zijn getroffen, die naar het redelijk oordeel van de inspecteur-generaal voldoende waarborg bieden voor de veiligheid van het schip en de opvarenden, dan wel naar het redelijk oordeel van de inspecteur-generaal in overeenstemming met de ingevolge artikel 27, eerste lid, van de Binnenschepenwet, door Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aangewezen ambtenaren voldoende waarborg bieden voor de veiligheid, de gezondheid en het welzijn in verband met de arbeid aan boord, zijn bij het onderzoek van bestaande vrachtschepen, sleepboten en duwboten niet van toepassing:
a. de regelen opgenomen in de tweede kolom van de tabel van artikel 13.01 van bijlage II ;
b. de regelen van artikel 7.03, zesde lid, van bijlage II , mits wordt voldaan aan het gestelde in artikel 13.02 van bijlage II en behoudens het bepaalde in artikel 37; en
c. de regelen van artikel 11.16 van bijlage II met betrekking tot het hekwerk, mits wordt voldaan aan het gestelde in artikel 13.03 van bijlage II en behoudens het bepaalde in artikel 37.
Artikel 37
Bij het onderzoek van bestaande vrachtschepen, sleepboten en duwboten zijn gedurende vijf jaren vanaf de datum van het eerste onderzoek, bedoeld in artikel 32, niet van toepassing de regelen opgenomen in de eerste kolom van de tabel van artikel 13.01 van bijlage II .
Artikel 38
Bij het onderzoek van bestaande vrachtschepen, sleepboten en duwboten zijn gedurende drie jaren vanaf de datum van het eerste onderzoek, bedoeld in artikel 32, niet van toepassing de regelen van de artikelen 8.01 tot en met 8.14 van bijlage II .
Artikel 39
Bij het onderzoek van bestaande vrachtschepen, sleepboten en duwboten zijn gedurende één jaar vanaf de datum van het eerste onderzoek, bedoeld in artikel 32, niet van toepassing de regelen van bijlage II , niet genoemd in de artikelen 36, 37 en 38.
Artikel 40
In afwijking van het bepaalde in de artikelen 36 tot en met 39 zijn de regelen van artikel 11.01, tweede, vierde en vijfde lid, van bijlage II bij het onderzoek van bestaande schepen van toepassing.
Artikel 41
In afwijking van het bepaalde in artikel 39 zijn bij het onderzoek van bestaande vrachtschepen, sleepboten en duwboten, die op 1 juni 1985 zijn ingericht voor het voeren van het schip door een persoon met behulp van radar, de regelen van hoofdstuk 9 van bijlage II van toepassing.
1.
Bij het onderzoek van bestaande passagiersschepen, veerboten en zeilende passagiersschepen zijn de regelen opgenomen in de tweede kolom van de tabel van artikel 11.02 van bijlage III niet van toepassing, mits voorzieningen zijn getroffen, die naar het redelijk oordeel van de inspecteur-generaal voldoende waarborg bieden voor de veiligheid van het schip en de opvarenden, dan wel naar het redelijk oordeel van de inspecteur-generaal in overeenstemming met de ingevolge artikel 27, eerste lid, van de Binnenschepenwet, door Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aangewezen ambtenaren voldoende waarborg bieden voor de veiligheid, de gezondheid en het welzijn in verband met de arbeid aan boord en met inachtneming van het bepaalde in het volgende lid.
2.
De regelen van hoofdstuk 2, van de artikelen 3.01, eerste lid, 3.02, derde en vierde lid, 3.03, tweede en derde lid, 4.06 en van hoofdstuk 8 van bijlage III zijn bij het onderzoek van bestaande passagiersschepen, veerboten en zeilende passagiersschepen niet van toepassing behoudens het bepaalde in de artikelen tot en met 11.06 van bijlage III .
3.
Bij het onderzoek van bestaande passagiersschepen, veerboten en zeilende passagiersschepen zijn met betrekking tot de regelen van de artikelen 7.02, eerste en tweede lid, en 7.04 van bijlage III de overgangsbepalingen van de artikelen 11.07 en 11.08 van bijlage III van toepassing.
Artikel 43
Bij het onderzoek van bestaande passagiersschepen, veerboten en zeilende passagiersschepen zijn gedurende vijf jaren vanaf de datum van het eerste onderzoek de regelen opgenomen in de eerste kolom van de tabel van artikel 11.02 van bijlage III niet van toepassing.
Artikel 44
Bij het onderzoek van bestaande passagiersschepen zijn gedurende één jaar vanaf de datum van het eerste onderzoek, bedoeld in artikel 34, de regelen van bijlage III , niet genoemd in de artikelen 42, eerste en tweede lid, en 43, niet van toepassing.
Artikel 45
Bij verbouwing van een bestaand schip en bij vervanging van onderdelen of van de uitrusting van een bestaand schip zijn de regelen van bijlage II en III onverkort van toepassing op hetgeen verbouwd of vervangen wordt.
1.
De inspecteur-generaal kan niet toepassing van regelen toestaan bij het eindigen van de termijnen, bedoeld in de artikelen 37, 38, 39, 41, 43 en 44 en bij toepassing van de artikelen 36, 40, 42 en 45, indien toepassing van deze regelen in de praktijk niet uitvoerbaar blijkt of onevenredig hoge kosten met zich meebrengt.
2.
De in het eerste lid bedoelde niet toepassing van regelen wordt slechts toegestaan, mits voorzieningen zijn getroffen, die naar het redelijk oordeel van de inspecteur-generaal voldoende waarborg bieden voor de veiligheid van het schip en de opvarenden, dan wel naar het redelijk oordeel van de inspecteur-generaal in overeenstemming met de ingevolge artikel 27, eerste lid, van de Binnenschepenwet, door Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aangewezen ambtenaren voldoende waarborg bieden voor de veiligheid, de gezondheid en het welzijn in verband met de arbeid aan boord.
Artikel 47
Bij regeling van Onze Minister in overeenstemming met de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, dan wel van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid in overeenstemming met Onze Minister kunnen nadere regelen worden gegeven ter uitvoering van dit besluit.
Artikel 48
Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.
Artikel 49
Dit besluit kan worden aangehaald als "Binnenschepenbesluit".
Lasten en bevelen, dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State.
Tavarnelle, 16 juli 1987
De Minister van Verkeer en Waterstaat a.i.,
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
Uitgegeven de twaalfde november 1987
De Minister van Justitie,
Inhoudsopgave
+ § 1. Algemene bepalingen
+ § 2. De certificaten
+ § 3. Het onderzoek van schepen
+ § 4. Gebruik van het schip op binnenwateren
+ § 5. Erkenning van buitenlandse documenten van deugdelijkheid
+ § 6. Overgangs- en slotbepalingen
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht
Jurisprudentie
Voorbeelden van het gebruik van deze artikel(en) in rechterlijke uitspraken