Beleidsregel van de Minister van Economische Zaken van 4 juli 2014, nr. WJZ/14112617, met betrekking tot het opleggen van bestuurlijke boetes door de Autoriteit Consument en Markt (Boetebeleidsregel ACM 2014)
De Minister van Economische Zaken,
Gelet op artikel 21 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen, artikel 4.21, eerste lid, van de Aanbestedingswet 2012, artikel 3.8, eerste lid, van de Aanbestedingswet op defensie- en veiligheidsgebied, artikel 77i van de Elektriciteitswet 1998, artikel 60ad van de Gaswet, de artikelen 12l, derde lid, en 12m, eerste en tweede lid, van de Instellingswet Autoriteit Consument en Markt, de artikelen 57, 70a, aanhef en onderdeel a, 71, 73, 74, aanhef en onderdelen 1? tot en met 5?, onder a, en 75, aanhef en onderdeel a, van de Mededingingswet, artikel 49, eerste en tweede lid, van de Postwet 2009, artikel 15.4, eerste tot en met derde lid, van de Telecommunicatiewet, artikel 18, zesde lid, van de Warmtewet, artikel 2.9, eerste lid, onderdeel b jo. artikel 2.15 van de Wet handhaving consumentenbescherming, artikel 22 van de Wet implementatie EU-richtlijnen energie-efficiëntie en artikel IXC, vierde lid, aanhef en onderdeel a, en vijfde lid, aanhef en onderdeel a, van de Wet van 23 november 2006 tot wijziging van de Elektriciteitswet 1998 en van de Gaswet in verband met nadere regels omtrent een onafhankelijk netbeheer (Stb. 2006, 614);
Besluit:
1.
In deze beleidsregel wordt verstaan onder:
ACM: de Autoriteit Consument en Markt, genoemd in artikel 2 van de Instellingswet Autoriteit Consument en Markt;
basisboete: het bedrag dat de basis vormt voor het bepalen van de hoogte van een op te leggen bestuurlijke boete, vastgesteld op grond van:
a. een percentage van de betrokken omzet, of
b. een binnen de bandbreedte van de aan een overtreding gekoppelde boetecategorie vastgesteld bedrag;
a. de opbrengst die een overtreder heeft behaald met de levering van goederen en diensten die direct of indirect verband houden met een overtreding, onder aftrek van kortingen en dergelijke, alsmede van over de omzet geheven belastingen, dan wel
b. indien geen opbrengst als bedoeld in onderdeel a kan worden vastgesteld, de omzet die de overtreder heeft behaald op de te beschermen markt of een deel daarvan, of
c. indien hij op de te beschermen markt geen omzet heeft behaald, de omzet die de overtreder heeft behaald met zijn eigen bijdrage aan de overtreding,
betrokken omzet: in alle gevallen in het laatste volledige jaar waarin hij de desbetreffende overtreding heeft begaan, vermenigvuldigd met een factor 1/12 per maand dat de overtreding geduurd heeft, waarbij een periode korter dan een maand wordt afgerond op een hele maand naar boven;
jaaromzet: omzet van de overtreder als bedoeld in artikel 12o van de Instellingswet Autoriteit Consument en Markt;
VWEU: Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.
2.
Indien een overtreding korter dan een jaar heeft geduurd, wordt voor het bepalen van de betrokken omzet de totale periode dat de overtreding heeft geduurd in ogenschouw genomen.
1.
De betrokken omzet wordt afgerond op een veelvoud van € 1.000.
2.
De vastgestelde bestuurlijke boete wordt naar beneden afgerond op een veelvoud van € 500.
1.
Indien de ACM constateert dat een overtreder meerdere overtredingen heeft begaan, kan zij, in plaats van elke overtreding afzonderlijk te beboeten, een bestuurlijke boete opleggen voor deze overtredingen gezamenlijk.
2.
In afwijking van het eerste lid legt de ACM voor gedragingen die zowel een overtreding vormen van de artikelen 6, eerste lid of 24, eerste lid, van de Mededingingswet als van de artikelen 101 of 102 van het VWEU, in beginsel één bestuurlijke boete op.
Artikel 2.2
De hoogte van de basisboete wordt, voor zover van toepassing, in ieder geval afgestemd op:
a. de ernst van de overtreding,
b. de omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd, en
c. de duur van de overtreding.
1.
In geval van overtreding van de artikelen 6, eerste lid of 24, eerste lid, van de Mededingingswet, 101 of 102 van het VWEU en in gevallen waarin de ACM op basis van artikel 49, eerste en tweede lid van de Postwet 2009 en artikel 15.4, tweede lid, van de Telecommunicatiewet een bestuurlijke boete kan opleggen, stelt de ACM de basisboete vast op basis van de betrokken omzet.
2.
Indien de ACM de betrokken omzet niet op basis van door de overtreder verstrekte informatie kan bepalen, kan de ACM hiervan een schatting maken.
3.
In geval van een verboden aanbestedingsafspraak kan de ACM voor elke bij de aanbestedingsafspraak betrokken overtreder de omzet die kan worden gerealiseerd op basis van het bod waartegen de opdracht is verleend, of een evenredig deel daarvan, als betrokken omzet aanmerken.
4.
Indien de overtreding door een ondernemersvereniging is begaan, kan de betrokken omzet van de daarvan deel uitmakende ondernemingen in aanmerking worden genomen.
5.
Indien de ACM uit bij haar bekende informatie afleidt dat de betrokken omzet onvoldoende aansluit bij de daadwerkelijke economische waarde van de te beboeten gedraging, kan de ACM de in aanmerking te nemen betrokken omzet aanpassen aan deze informatie.
6.
In het kader van specifieke preventie kan de ACM de in aanmerking te nemen betrokken omzet verhogen met het oog op het gewicht van de overtreder, uitgedrukt in de totale jaaromzet van deze overtreder in het boekjaar voorafgaande aan de boetebeschikking.
Artikel 2.4
De ACM stelt een basisboete vast tussen 0 tot 50% van de betrokken omzet van de overtreder.
1.
Indien artikel 2.3, eerste lid, niet van toepassing is, stelt de ACM de basisboete, in het geval dat aan een overtreder blijkens een wettelijke bepaling een maximale boete van een percentage van de omzet kan worden opgelegd, vast binnen de bandbreedtes van de volgende boetecategorieën:
2.
In Bijlage 1 worden de bepalingen ter zake waarvan ingeval van een overtreding een bestuurlijke boete kan worden opgelegd, ingedeeld in de daarbij aangewezen boetecategorie.
3.
Indien de in het tweede lid bedoelde indeling in een boetecategorie in het concrete geval naar het oordeel van de ACM geen passende beboeting toelaat, kan de naast hogere of de naast lagere categorie worden toegepast.
4.
De omzet die in aanmerking wordt genomen voor de bepaling van de maximale basisboete wordt als volgt berekend:
a. de jaaromzet tot € 500.000.000 telt voor 100% mee,
b. de jaaromzet tussen € 500.000.000 en € 1.000.000.000 telt voor 10% mee, en
c. de jaaromzet boven de € 1.000.000.000 telt voor 1% mee.
1.
Bij de toepassing van artikel 2.5, vierde lid, gaat de ACM uit van de in Nederland behaalde omzet.
2.
In afwijking van het eerste lid gaat de ACM uit van de wereldwijde omzet indien het uitgaan van de in Nederland behaalde omzet naar het oordeel van de ACM geen passende beboeting toelaat.
3.
Het tweede lid is niet van toepassing op overtredingen van de Postwet 2009 of de Telecommunicatiewet .
4.
Bij de geografische toerekening van de omzet past de ACM de uitgangspunten toe zoals uiteengezet door de Europese Commissie in de Geconsolideerde mededeling van de Commissie over bevoegdheidskwesties op grond van Verordening (EG) nr. 139/2004 betreffende de controle op concentraties van ondernemingen (PbEU 2008, C 95).
5.
Indien de omzet naar het oordeel van de ACM onvoldoende aansluit bij de daadwerkelijke economische macht van de overtreder, kan de ACM de hoogte van de basisboete bepalen in overeenstemming met deze economische macht.
6.
Indien de ACM de omzet niet op basis van door de overtreder verstrekte informatie kan bepalen, kan de ACM hiervan een schatting maken.
7.
Indien er sprake is van een overtreding van artikel 34, eerste lid, van de Mededingingswet wordt, wanneer de concentratie in het jaar voorafgaand aan het besluit tot het opleggen van de bestuurlijke boete nog niet tot stand was gebracht, voor het bepalen van de omzet de jaaromzetten van de afzonderlijke bij de concentratie betrokken ondernemingen, of onderdelen daarvan, bij elkaar opgeteld.
1.
De ACM stelt de basisboete, in het geval dat aan een overtreder blijkens de wet een maximale boete van € 450.000 kan worden opgelegd, vast binnen de bandbreedtes van de volgende boetecategorieën:
2.
In Bijlage 2 worden de bepalingen ter zake waarvan in geval van overtreding een bestuurlijke boete kan worden opgelegd, ingedeeld in de daarbij aangewezen boetecategorie.
3.
Indien de in het tweede en derde lid bedoelde indeling in een boetecategorie in het concrete geval naar het oordeel van de ACM geen passende beboeting toelaat, kan de naast hogere of de naast lagere categorie worden toegepast.
1.
Bij de vaststelling van de bestuurlijke boete beziet de ACM of sprake is van boeteverhogende of boeteverlagende omstandigheden.
2.
De ACM bepaalt in redelijkheid de mate waarin de betrokken omstandigheid leidt tot een verhoging of verlaging van de basisboete.
1.
Boeteverhogende omstandigheden zijn in ieder geval:
a. de omstandigheid dat de ACM of een andere bevoegde autoriteit, waaronder de Europese Commissie of een rechterlijke instantie, reeds eerder onherroepelijk een zelfde of een vergelijkbare door de overtreder begane overtreding heeft vastgesteld,
b. de omstandigheid dat de overtreder het onderzoek van de ACM heeft belemmerd,
c. de omstandigheid dat de overtreder tot de overtreding heeft aangezet of een leidinggevende rol heeft gespeeld bij de uitvoering daarvan,
d. de omstandigheid dat de overtreder gebruik heeft gemaakt van, of voorzien in, controle- of dwangmiddelen ter handhaving van de te beboeten gedraging.
2.
In geval van recidive als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, verhoogt de ACM de basisboete met 100%, tenzij dit gezien de omstandigheden van het concrete geval onredelijk zou zijn.
Artikel 2.10
Boeteverlagende omstandigheden zijn in ieder geval:
a. de omstandigheid dat de overtreder anders dan in het kader van de Beleidsregel clementie, verdergaande medewerking aan de ACM heeft verleend dan waartoe hij wettelijk gehouden was,
b. de omstandigheid dat de overtreder uit eigen beweging degenen aan wie door de overtreding schade is berokkend, schadeloos heeft gesteld.
Artikel 2.11
Indien de ACM een bestuurlijke boete oplegt aan een natuurlijke persoon vanwege het geven van opdracht tot een overtreding of het feitelijk leiding geven aan een overtreding, kan de ACM bij de vaststelling van boeteverhogende en boeteverlagende omstandigheden als bedoeld in de artikelen 2.12 en 2.13, rekening houden met de mate van betrokkenheid van de natuurlijke persoon bij het plegen van de overtreding en de positie van de natuurlijke persoon binnen de marktorganisatie waarvoor hij of zij werkzaam is, dan wel werkzaam was.
Artikel 2.12
In afwijking van de voorgaande artikelen kan de ACM, indien de uitzonderlijke omstandigheden van het geval naar haar oordeel hiertoe aanleiding geven, een symbolische bestuurlijke boete opleggen.
1.
Dit hoofdstuk is van toepassing op overtredingen waarvoor de ACM op grond van artikel 4.21, eerste lid, van de Aanbestedingswet 2012 of artikel 3.8, eerste lid, van de Aanbestedingswet op defensie- en veiligheidsgebied een bestuurlijke boete kan opleggen.
2.
Hoofdstuk 2 is niet van toepassing op de in het eerste lid bedoelde overtredingen.
1.
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
1.
De hoogte van een bestuurlijke boete bedraagt de waarde van het deel van de overeenkomst dat niet vernietigd is vermenigvuldigd met het boetepercentage.
2.
Als niet vernietigd wordt aangemerkt:
a. het gedeelte van de overeenkomst dat niet is vernietigd en
b. het gedeelte van de overeenkomst dat vernietigd is, maar waarover de werking aan die vernietiging is ontzegd.
3.
Indien de waarde van de overeenkomst hoger is dan de eerder door de aanbestedende dienst of het speciale-sectorbedrijf geraamde waarde van de opdracht wordt bij de toepassing van het eerste lid uitgegaan van die geraamde waarde voor het deel van de opdracht waaraan door de vernietiging van de overeenkomst de werking niet is ontzegd.
1.
De waarde van de overeenkomst wordt vastgesteld op grond van de volgende criteria:
a. in een onherroepelijk geworden oordeel van de rechter is de waarde van de overeenkomst vastgesteld,
b. indien onderdeel a niet kan worden toegepast, wordt de waarde van de overeenkomst op basis van een onherroepelijk geworden oordeel van de rechter berekend,
c. indien onderdeel b niet kan worden toegepast, blijkt de waarde van de overeenkomst uit de waarde van de inschrijving of vergelijkbare inschrijvingen,
d. indien onderdeel c niet kan worden toegepast, blijkt de waarde van de overeenkomst uit de documenten waarover de aanbestedende dienst of het speciale-sectorbedrijf beschikt, die betrekking hebben op de aanbestedingsprocedure die ten grondslag aan de overeenkomst ligt of heeft gelegen,
e. indien onderdeel d niet kan worden toegepast, wordt de waarde van de overeenkomst vastgesteld aan de hand van historisch gebruik of verbruik van vergelijkbare opdrachten door de aanbestedende dienst of het speciale-sectorbedrijf,
f. indien onderdeel e niet kan worden toegepast, wordt de waarde van de opdracht vastgesteld aan de hand van opgaven van ondernemingen die vergelijkbare opdrachten gewoonlijk uitvoeren.
2.
De waarde van het deel van de overeenkomst dat niet is vernietigd wordt vastgesteld op de wijze beschreven in het eerste lid.
1.
Indien de aanbestedende dienst of het speciale-sectorbedrijf ten onrechte geen voorafgaande aankondiging van de opdracht heeft bekendgemaakt, bedraagt het boetepercentage 15%.
2.
Indien de omstandigheden van het geval daartoe aanleiding geven, kan de ACM in afwijking van het eerste lid een lager boetepercentage vaststellen.
3.
Het boetepercentage, bedoeld in het eerste lid, wordt in ieder geval lager vastgesteld indien uit een onherroepelijk geworden oordeel van de rechter blijkt dat er sprake is van verzachtende omstandigheden ten aanzien van het ontbreken van die voorafgaande aankondiging.
4.
Indien een gedeeltelijke vernietiging van een overeenkomst is gebaseerd op artikel 4.15, eerste lid, onderdeel c, van de Aanbestedingswet 2012 of artikel 3.2, eerste lid, onderdeel c, van de Aanbestedingswet op defensie- en veiligheidsgebied, zijn voor de vaststelling van het boetepercentage het eerste en tweede lid van overeenkomstige toepassing.
1.
Indien de aanbestedende dienst of het speciale-sectorbedrijf de overeenkomst heeft gesloten tijdens de opschortende termijn bedraagt het boetepercentage 10%.
2.
Indien de omstandigheden van het geval daartoe aanleiding geven, kan de ACM in afwijking van het eerste lid een lager of hoger boetepercentage vaststellen.
3.
Het boetepercentage, bedoeld in het eerste lid wordt in ieder geval verhoogd, indien uit het onherroepelijk geworden oordeel van de rechter blijkt dat er sprake is van verzwarende omstandigheden ten aanzien van het niet in acht nemen van de opschortende termijn.
4.
Het boetepercentage, bedoeld in het eerste lid, wordt in ieder geval verlaagd, indien uit het onherroepelijk geworden oordeel van de rechter blijkt dat er sprake is van verzachtende omstandigheden ten aanzien van het niet in acht nemen van de opschortende termijn.
Artikel 4.1
Op overtredingen waarvan een rapport is opgemaakt voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van deze beleidsregel wordt beslist met toepassing van de Beleidsregels van de Minister van Economische Zaken voor het opleggen van bestuurlijke boetes door de ACM zoals deze golden onmiddellijk voorafgaand aan dat tijdstip.
Artikel 4.2
De Beleidsregels van de Minister van Economische Zaken voor het opleggen van bestuurlijke boetes door de ACM worden ingetrokken.
Artikel 4.3
Deze beleidsregel treedt in werking met ingang van 1 augustus 2014.
Artikel 4.4
Deze beleidsregel wordt aangehaald als: Boetebeleidsregel ACM 2014.
Deze beleidsregel zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
De
Minister
Inhoudsopgave
+ Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
+ Hoofdstuk 2. Consumenten, energie, mededinging, post en telecommunicatie
+ Hoofdstuk 3. Aanbesteden
+ Hoofdstuk 4. Overgangs- en slotbepalingen
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht