Besluit van 29 augustus 2011 houdende vaststelling van voorschriften met betrekking tot het bouwen, gebruiken en slopen van bouwwerken (Bouwbesluit 2012)
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 5 juli 2011, nr. 2011- 20112000271178, CZW;
Gelet op de artikelen 2, 3, 5, 6 en 120 van de Woningwet en op richtlijn nr. 89/106/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 december 1988 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der Lid-Staten inzake voor de bouw bestemde producten (PbEG L 40), zoals gewijzigd bij richtlijn nr. 93/68/EEG van de Raad van 22 juli 1993 (PbEG L 220), richtlijn nr. 2004/54/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 inzake de minimumveiligheidseisen voor tunnels in het trans-Europese wegennet (PbEG L 101/56), richtlijn nr. 2010/31/EU van het Europees Parlement en de Raad van 19 mei 2010 betreffende de energieprestatie van gebouwen (PbEU L153) en verordening nr. 305/2011/EU van het Europees parlement en de Raad van 9 maart 2011 tot vaststelling van geharmoniseerde voorwaarden voor het verhandelen van bouwproducten en tot intrekking van Richtlijn 89/106/EEG van de Raad (PbEU L88);
De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 19 juli 2011, W04.11.0267/I);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 22 augustus 2011, nr. 2011-2000364848, CZW;
Hebben goedgevonden en verstaan:
1.
Voor de toepassing van de bij of krachtens dit besluit gegeven voorschriften wordt verstaan onder:
aansluitafstand: afstand tussen een leiding van het distributienet en het deel van het bouwwerk dat zich het dichtst bij die leiding bevindt, gemeten langs de kortste lijn waarlangs een aansluiting zonder bezwaren kan worden gemaakt;
aansluitend terrein: aan een bouwwerk grenzend onbebouwd gedeelte van een perceel of openbaar toegankelijk gebied;
ADR-klasse: classificatie als bedoeld in de op 30 september 1957 te Genève tot stand gekomen Europese overeenkomst betreffende het internationale vervoer van gevaarlijke goederen over de weg (Trb. 1959, 171);
basisnetroute: basisnetroute als bedoeld in het Besluit externe veiligheid transportroutes ;
bedgebied: verblijfsgebied met een of meer bedruimten;
bedieningscentrale: centrale met voorzieningen om voorvallen te detecteren, installaties te bedienen en met tunnelgebruikers en hulpverleningsdiensten te communiceren;
bedruimte: verblijfsruimte bestemd voor een of meer bedden bestemd voor slapen of voor het verblijf van aan bed gebonden patiënten in die ruimte;
belastingscombinatie: verzameling van belastingen die gelijktijdig kunnen optreden;
beschermd subbrandcompartiment: gedeelte van een bouwwerk dat binnen de begrenzing van een subbrandcompartiment ligt of daarmee samenvalt, dat meer bescherming biedt tegen brand of rook dan een subbrandcompartiment;
beschermde route: buiten het subbrandcompartiment waar de vluchtroute begint gelegen gedeelte van een vluchtroute;
beschermde vluchtroute: buiten een subbrandcompartiment gelegen gedeelte van een vluchtroute die uitsluitend voert door een verkeersruimte;
bevoegd gezag: bevoegd gezag als bedoeld in de Wabo ;
bezwijken: het overschrijden van een uiterste grenstoestand;
bijna energieneutraal gebouw: gebouw met een zeer hoge energieprestatie, waarbij de dicht bij nul liggende of zeer lage hoeveelheid energie die is vereist in zeer aanzienlijke mate wordt geleverd uit hernieuwbare bronnen die deels ter plaatse of dichtbij wordt geproduceerd;
bouwconstructie: onderdeel van een bouwwerk dat bestemd is om belasting te dragen;
bouwschil: de geïntegreerde onderdelen die de binnenruimte van een gebouw scheiden van de buitenwereld;
brandcompartiment: gedeelte van een of meer bouwwerken bestemd als maximaal uitbreidingsgebied van brand;
brandgevaarlijke stof: vaste, vloeibare of gasvormige stof die brandbaar of brandbevorderend is, of bij brand gevaar oplevert, in de zin van de ADR-klassen twee tot en met vijf;
brandklasse: Europese brandklasse als bedoeld in NEN-EN 13501-1, onderdeel Classification criteria for construction products;
brandweerlift: lift die met een eenvoudige handeling ter beschikking van de brandweer kan worden gesteld voor het transport van materieel en manschappen;
CE-markering: CE-markering als bedoeld in artikel 8 van de verordening bouwproducten;
dagwaarde: de waarde van het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau voor geluid tussen 07.00 tot 19.00 uur op de gevel van een geluidsgevoelig object als bedoeld in artikel 11.1 van de Wet milieubeheer, vermeerderd met een eventuele toeslag voor geluid met een impulskarakter, bepaald volgens de Handleiding meten en rekenen industrielawaai, internetuitgave 2004;
distributienet voor warmte: collectief circulatiesysteem voor het transport van warmte door een circulerend medium voor verwarming of warmtapwater;
doorgang: toegang, uitgang of doorlaatopening voor personen van een bouwwerk of van een gedeelte daarvan;
erf: erf als bedoeld in bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht ;
extra beschermde vluchtroute: buiten een brandcompartiment gelegen gedeelte van een beschermde vluchtroute;
functiegebied: gebruiksgebied of een gedeelte daarvan, waar de voor die gebruiksfunctie kenmerkende activiteiten, niet zijnde het verblijven van personen, plaatsvinden;
functieruimte: in een functiegebied gelegen ruimte;
gebruiksfunctie: gedeelten van een of meer bouwwerken die dezelfde gebruiksbestemming hebben en die tezamen een gebruikseenheid vormen;
gebruiksgebied: vrij indeelbaar gedeelte van een gebruiksfunctie waar voor de gebruiksfunctie kenmerkende activiteiten plaatsvinden, dat bestaat uit een of meer op dezelfde bouwlaag gelegen ruimten gelegen in een brandcompartiment die niet door een dragende scheidingsconstructie van elkaar zijn gescheiden en die geen toiletruimte, badruimte, technische ruimte of verkeersruimte zijn, tenzij die ruimte zelf een functieruimte is;
gebruiksoppervlakte: gebruiksoppervlakte als bedoeld in NEN 2580;
gecorrigeerde loopafstand: loopafstand waarbij constructieonderdelen die geen onderdeel uitmaken van de bouwconstructie buiten beschouwing worden gelaten, waarbij de loopafstand voor zover deze door een gebruiksgebied voert met 1,5 wordt vermenigvuldigd;
geharmoniseerde norm: norm als bedoeld in artikel 2, elfde lid, van de verordening bouwproducten;
geharmoniseerde technische specificatie: specificatie als bedoeld in artikel 2, tiende lid, van de verordening bouwproducten;
herziene richtlijn energieprestatie gebouwen: richtlijn 2010/31/EU van het Europees Parlement en de Raad van 19 mei 2010 betreffende de energieprestatie van gebouwen (herschikking) (PbEU L153/13);
hoge spanning: nominale wisselspanning van meer dan 1.000 volt, hetzij een nominale gelijkspanning van meer dan 1.500 volt;
installatie: voor het functioneren van een bouwwerk of een gedeelte daarvan noodzakelijke voorziening van niet-bouwkundige aard;
integraal toegankelijke badruimte: badruimte in een toegankelijkheidssector;
integraal toegankelijke toiletruimte: toiletruimte in een toegankelijkheidssector;
inwendige scheidingsconstructie: constructie die de scheiding vormt tussen twee voor personen toegankelijke besloten ruimten van een gebouw, waaronder begrepen de op die constructie aansluitende delen van andere constructies, voor zover die delen van invloed zijn op het voldoen van die scheidingsconstructie aan een bij of krachtens dit besluit gegeven voorschrift;
klimlijn: denkbeeldige, vloeiend verlopende lijn die de voorkanten van de treden van een trap met elkaar verbindt;
koelsysteem: technisch bouwsysteem met als doel het koelen van een ruimte binnen een gebouw of gedeelte daarvan, door middel van het toevoeren van koude of het ontvochtigen van de lucht of een combinatie van beide;
lage spanning: nominale wisselspanning van niet meer dan 1.000 volt, hetzij nominale gelijkspanning van niet meer dan 1.500 volt;
leefzone: gedeelte van een verblijfsgebied waarbij de ruimte gelegen binnen 1 m van een uitwendige scheidingsconstructie, binnen 0,2 m van een inwendige scheidingsconstructie en hoger gelegen dan 1,8 m boven de vloer buiten beschouwing blijft;
lift: lift als bedoeld in artikel 1 van het Warenwetbesluit liften bestemd voor personen;
lifttoegang: doorgang van een liftschacht voor het bereiken van een kooi van een lift;
loopafstand: afstand, gemeten langs een denkbeeldige, kortst realiseerbare lijn tussen twee punten, waarover op een afstand van ten minste 0,3 m van constructieonderdelen kan worden gelopen en waarbij de loopafstand over een trap samenvalt met de klimlijn;
lozingstoestel: toestel met een mogelijkheid voor aansluiting op de afvoervoorziening voor huishoudelijk afvalwater;
meetniveau: hoogte van het aansluitende terrein, gemeten ter plaatse van de toegang van het gebouw;
milieugevaarlijke stoffen: gevaarlijke stoffen als bedoeld in het Activiteitenbesluit milieubeheer ;
NEN: door de Stichting Nederlands Normalisatie-instituut uitgegeven norm;
NEN-EN: door de Europese Commissie voor Normalisatie geharmoniseerde norm;
nevenfunctie: gebruiksfunctie die ten dienste staat van een andere gebruiksfunctie;
nominale belasting: maximale belasting van een verbrandingstoestel, bepaald op basis van de calorische bovenwaarde van de brandstof waarvoor dat toestel is ingericht;
nooddeur: deur die uitsluitend is bestemd om te vluchten;
NVN: door de Stichting Nederlands Normalisatie-instituut uitgegeven voornorm;
onderdeel van een gebouw: technisch bouwsysteem of een onderdeel van de bouwschil;
open erf: onbebouwd deel van een erf;
permanente vuurbelasting: volgens NEN 6090 bepaalde vuurbelasting van de brandbare materialen in de constructieonderdelen van een bouwwerk of van een daarin gelegen ruimte, dan wel de constructieonderdelen die dat bouwwerk of die ruimte begrenzen;
permanente vuurlast: product van de permanente vuurbelasting van een ruimte of een groep van ruimten en de volgens NEN 2580 bepaalde netto-vloeroppervlakte van het beschouwde gedeelte van het bouwwerk;
plasbrandaandachtsgebied: gebied als bedoeld in het Besluit externe veiligheid transportroutes ;
prestatieverklaring: verklaring als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de verordening bouwproducten;
RAL: door het RAL Deutsches Institut für Gütesicherung und Kennzeichnung gestandaardiseerde kleurcode;
rechtens verkregen niveau: niveau dat het gevolg is van de toepassing op enig moment van de relevante op dat moment van toepassing zijnde technische voorschriften en dat niet lager ligt dan het niveau van de desbetreffende voorschriften voor een bestaand bouwwerk en niet hoger dan het niveau van de desbetreffende voorschriften voor een te bouwen bouwwerk;
rookklasse: Europese brandklasse als bedoeld in NEN-EN 13501-1, onderdeel Additional classifications for smoke production;
stookplaats: opstelplaats voor een verbrandingstoestel dat bestemd is voor open verbranding van vaste brandstoffen;
straatpeil:
a. voor een bouwwerk waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang;
b. voor een bouwwerk waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst de hoogte van het terrein ter plaatse van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw;
subbrandcompartiment: gedeelte van een bouwwerk dat binnen de begrenzing van een brandcompartiment ligt of daarmee samenvalt, bestemd voor beperking van verspreiding van rook of verdere beperking van het uitbreidingsgebied van brand;
systeemrendement: verhouding tussen de door het technisch bouwsysteem nuttig geleverde energie voor het doelmatig functioneren van dat systeem en de door dat systeem aangewende primaire energie;
technisch bouwsysteem: gebouwgebonden samenstelling van alle bestanddelen van een installatie, waaronder de isolatiekenmerken daarvan, die is bedoeld voor het verwarmen, koelen, ventileren, of het voorzien van warmtapwater, of een combinatie daarvan, van een gebouw of een gedeelte daarvan;
technische ruimte: ruimte voor het plaatsen van de apparatuur, noodzakelijk voor het functioneren van het bouwwerk, waaronder in ieder geval begrepen een meterruimte, een liftmachineruimte en een stookruimte;
terrein: bij een bouwwerk behorend onbebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, niet zijnde een erf;
toegankelijkheidssector: voor personen met een fysieke functiebeperking zelfstandig bruikbaar en toegankelijk gedeelte van een gebouw;
trappenhuis: verkeersruimte waarin een trap ligt;
tunnelbuislengte: lengte van het omsloten gedeelte van een tunnelbuis;
tunnellengte: lengte van de wegtunnelbuis met de grootste tunnelbuislengte;
tijdelijk bouwwerk: bouwwerk dat bedoeld is om voor een periode van ten hoogste vijftien jaar op een bepaalde plaats aanwezig te zijn;
uitgang van een gebruiksfunctie: uitgang tot het aansluitende terrein, een gemeenschappelijke verkeersruimte, een gemeenschappelijk verblijfsgebied of een ruimte van een andere gebruiksfunctie, ter plaatse waarvan een route eindigt die begint in een punt in een niet-gemeenschappelijk verblijfsgebied en uitsluitend voert door niet-gemeenschappelijke ruimten van de gebruiksfunctie;
uitwendige scheidingsconstructie: constructie die de scheiding vormt tussen een voor personen toegankelijke besloten ruimte van een gebouw en de buitenlucht, de grond of het water, waaronder begrepen de op die constructie aansluitende delen van andere constructies, voor zover die delen van invloed zijn op het voldoen van die scheidingsconstructie aan een bij of krachtens dit besluit gegeven voorschrift;
V: door de Hoofdcommissie voor de Normalisatie uitgegeven leidraad;
veiligheidsroute: gedeelte van een extra beschermde vluchtroute dat voert door een niet besloten ruimte en aansluitend daarop door een ruimte die in de vluchtrichting uitsluitend kan worden bereikt vanuit een niet besloten ruimte;
veiligheidsvluchtroute: gedeelte van een extra beschermde vluchtroute dat voert door een niet besloten ruimte en aansluitend daarop door een ruimte die uitsluitend kan worden bereikt vanuit niet besloten ruimten;
veiligheidszone: gebied langs of binnen een basisnetroute waar het plaatsgebonden risico meer bedraagt of kan bedragen dan 10 -6 ;
ventilatiesysteem: technisch bouwsysteem, geen onderdeel uitmakend van een verwarmings- of koelsysteem, dat verse lucht toevoert of verontreinigde binnenlucht afvoert, of een combinatie daarvan;
verblijfsgebied: gebruiksgebied of een gedeelte daarvan voor het verblijven van personen;
verblijfsruimte: in een verblijfsgebied gelegen ruimte voor het verblijven van personen;
vergunning voor brandveilig gebruik: vergunning voor brandveilig gebruik als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder d, van de Wabo;
vergunning voor het bouwen: vergunning voor een bouwactiviteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo;
verkeersroute: route die begint bij een doorgang van een ruimte, uitsluitend voert over vloeren, trappen of hellingbanen en eindigt bij de doorgang van een andere ruimte;
verkeersruimte: ruimte bestemd voor het bereiken van een andere ruimte, niet zijnde een ruimte in een verblijfsgebied of in een functiegebied, een toiletruimte, een badruimte of een technische ruimte;
verordening bouwproducten: verordening van het Europees parlement en de Raad van 9 maart 2011 tot vaststelling van geharmoniseerde voorwaarden voor het verhandelen van bouwproducten en tot intrekking van Richtlijn 89/106/EEG van de Raad (305/2011/EU, PbEU L88);
verpakkingsgroep: verpakkingsgroep als bedoeld in de op 30 september 1957 te Genève tot stand gekomen Europese overeenkomst betreffende het internationale vervoer van gevaarlijke goederen over de weg (Trb. 1959, 171);
verwarmingssysteem: technisch bouwsysteem waarin warmte wordt opgewekt, gedistribueerd of afgegeven of een combinatie daarvan;
vluchtroute: route die begint in een voor personen bestemde ruimte, uitsluitend voert over vloeren, trappen of hellingbanen en eindigt op een veilige plaats, zonder dat gebruik behoeft te worden gemaakt van een lift;
voor personen bestemde vloer of ruimte: vloer of ruimte waarvan het kenmerkende gebruik verbonden is met de aanwezigheid van personen;
vrije breedte: kleinste afstand tussen constructieonderdelen aan weerskanten van een doorgang;
vrije hoogte: vrije hoogte als bedoeld in NEN 2580;
vuurbelasting: hoeveelheid warmte die vrijkomt per eenheid vloeroppervlakte bij verbranding van alle in een gebouw of een daarin gelegen ruimte aanwezige brandbare materialen;
Wabo: Wet algemene bepalingen omgevingsrecht ;
warmtapwatersysteem: technisch bouwsysteem waarin warmtapwater wordt opgewekt, gedistribueerd of afgegeven of een combinatie daarvan;
warmteplan: besluit van de gemeenteraad inzake de aanleg van een distributienet voor warmte in een bepaald gebied, waarin voor een periode van ten hoogste 10 jaar, uitgaande van het voor die periode geplande aantal aansluitingen op dat distributienet, de mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu, gebaseerd op de energiezuinigheid van dat distributienet en het opwekkingsrendement van de over dat distributienet getransporteerde warmte, bij aansluiting op dat distributienet is opgenomen;
weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag: kortste tijd die een brand nodig heeft om zich uit te breiden van een ruimte naar een andere ruimte;
wegtunnel: tunnel of tunnelvormig bouwwerk uitsluitend dan wel mede bestemd voor motorrijtuigen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder c, van de Wegenverkeerswet 1994;
wegtunnelbuis: gedeelte van een wegtunnel voor een rijbaan;
wet: Woningwet .
2.
Voor de toepassing van de bij of krachtens dit besluit gegeven voorschriften wordt voorts verstaan onder:
bijeenkomstfunctie: gebruiksfunctie voor het samenkomen van personen voor kunst, cultuur, godsdienst, communicatie, kinderopvang, het verstrekken van consumpties voor het gebruik ter plaatse of het aanschouwen van sport;
bouwwerk geen gebouw zijnde: bouwwerk of gedeelte daarvan, voor zover dat geen gebouw of onderdeel daarvan is;
celfunctie: gebruiksfunctie voor dwangverblijf van personen;
gezondheidszorgfunctie: gebruiksfunctie voor medisch onderzoek, verpleging, verzorging of behandeling;
industriefunctie: gebruiksfunctie voor het bedrijfsmatig bewerken of opslaan van materialen en goederen, of voor agrarische doeleinden;
kantoorfunctie: gebruiksfunctie voor administratie;
logiesfunctie: gebruiksfunctie voor het bieden van recreatief verblijf of tijdelijk onderdak aan personen;
onderwijsfunctie: gebruiksfunctie voor het geven van onderwijs;
overige gebruiksfunctie: niet in dit lid benoemde gebruiksfunctie voor activiteiten waarbij het verblijven van personen een ondergeschikte rol speelt;
sportfunctie: gebruiksfunctie voor het beoefenen van sport;
winkelfunctie: gebruiksfunctie voor het verhandelen van materialen, goederen of diensten;
woonfunctie: gebruiksfunctie voor het wonen.
3.
Voor de toepassing van de bij of krachtens dit besluit gegeven voorschriften wordt voorts verstaan onder:
bijeenkomstfunctie voor kinderopvang: bijeenkomstfunctie voor het bedrijfsmatig opvangen, verzorgen, opvoeden en begeleiden van kinderen die het basisonderwijs nog niet hebben beëindigd, niet zijnde gastouderopvang als bedoeld in de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen ;
cel: voor een enkel persoon of een afzonderlijke groep personen bestemd gedeelte van een celfunctie;
lichte industriefunctie: industriefunctie waarin activiteiten plaatsvinden, waarbij het verblijven van personen een ondergeschikte rol speelt;
lichte industriefunctie voor het bedrijfsmatig houden van dieren: lichte industriefunctie waarin dieren als bedoeld in bijlage II bij het Besluit houders van dieren , worden gehouden;
logiesfunctie met 24-uurs bewaking: logiesfunctie waarbij 24 uur per dag een functionaris aanwezig is in het logiesgebouw, op het eigen perceel of op een loopafstand van ten hoogste 100 m vanaf de toegang van het logiesgebouw, mits die functionaris in geval van een calamiteit wordt gealarmeerd door de bij de logiesfunctie behorende ontruimingsinstallatie;
logiesgebouw: gebouw of gedeelte van een gebouw, waarin meer dan een logiesverblijf ligt, dat is aangewezen op een gezamenlijke verkeersroute;
logiesverblijf: voor een enkel persoon of een afzonderlijke groep personen bestemd gedeelte van een logiesfunctie;
overige gebruiksfunctie voor het personenvervoer: overige gebruiksfunctie die bestemd is voor aankomst of vertrek van vervoermiddelen ten behoeve van weg-, spoorweg-, water- of luchtverkeer van personen;
wooneenheid: gedeelte van een woonfunctie voor kamergewijze verhuur dat bestemd is voor afzonderlijke bewoning;
woonfunctie voor kamergewijze verhuur: niet-gemeenschappelijk deel van een woonfunctie waarin zich vijf of meer wooneenheden bevinden;
woonfunctie voor particulier eigendom: woonfunctie die wordt gebouwd in particulier opdrachtgeverschap als bedoeld in artikel 1.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening of die wordt bewoond door de eigenaar;
woonfunctie voor studenten: woonfunctie voor bewoners die zijn ingeschreven aan een instelling als bedoeld in artikel 1.1.1, onderdeel b, van de Wet educatie en beroepsonderwijs of aan een universiteit of hogeschool als bedoeld in artikel 1.2, onderdelen a en b, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek;
woonfunctie voor zorg: woonfunctie waarbij aan de bewoners professionele zorg wordt verleend met een vanuit het zorgaanbod georganiseerde koppeling tussen wonen en zorg in een daarvoor bestemde en uitgeruste woonfunctie;
woongebouw: gebouw of gedeelte daarvan met uitsluitend woonfuncties of nevenfuncties daarvan, waarin meer dan een woonfunctie ligt die is aangewezen op een gemeenschappelijke verkeersroute;
woonwagen: woonfunctie op een perceel bestemd voor het plaatsen van een woonwagen.
4.
Voor de toepassing van de bij of krachtens dit besluit gegeven voorschriften wordt in een tabel verstaan onder:
–: dit lid is niet van toepassing;
*: : het hele artikel is van toepassing;
? : alle waarden kleiner dan of gelijk aan de achter dit teken aangegeven waarde;
> : alle waarden groter dan de achter dit teken aangegeven waarde;
? : alle waarden groter dan of gelijk aan de achter dit teken aangegeven waarde;
g.o.: gebruiksoppervlakte;
wbdbo: weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag.
Artikel 1.2. Aantal personen
Tabel 1.2
gebruiksfunctie ten minste aan te houden aantal personen per m 2 verblijfsgebied
1 Woonfunctie nvt
2 Bijeenkomstfunctie  
  a voor het aanschouwen van sport 0,3
  b andere gebruiksfunctie 0,125
3 Celfunctie  
  a voor bezoekers 0,125
  b andere celfunctie 0,05
4 Gezondheidszorgfunctie  
  a met bedgebied 0,125
  b andere gezondheidszorgfunctie 0,05
5 Industriefunctie nvt
6 Kantoorfunctie 0,05
7 Logiesfunctie 0,05
8 Onderwijsfunctie 0,125
9 Sportfunctie nvt
10 Winkelfunctie nvt
11 Overige gebruiksfunctie nvt
12 Bouwwerk geen gebouw zijnde nvt
1.
In een bouwwerk of gedeelte daarvan zijn niet meer personen aanwezig dan het aantal personen waarvoor het bouwwerk of gedeelte daarvan overeenkomstig dit besluit is bestemd.
2.
Bij een aanvraag om vergunning voor het bouwen wordt onverminderd het eerste lid uitgegaan van een bezetting in personen per m 2 verblijfsgebied, die niet lager is dan de in tabel 1.2 aangegeven bezetting.
1.
Aan een in hoofdstuk 2 tot en met 7 gesteld voorschrift behoeft niet te worden voldaan indien het bouwwerk of het gebruik daarvan anders dan door toepassing van het desbetreffende voorschrift ten minste dezelfde mate van veiligheid, bescherming van de gezondheid, bruikbaarheid, energiezuinigheid en bescherming van het milieu biedt als is beoogd met de in die hoofdstukken gestelde voorschriften.
2.
Een gelijkwaardige oplossing als bedoeld in het eerste lid wordt bij het gebruik van het bouwwerk in stand gehouden.
3.
Een in het eerste lid bedoelde gelijkwaardige oplossing voor een aansluiting op het distributienet voor warmte als bedoeld in artikel 6.10, derde lid, heeft ten minste dezelfde mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu als wordt bereikt met de in het warmteplan voor die aansluiting opgenomen mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu.
1.
Voor de toepassing van voorschriften gesteld bij of krachtens dit besluit is een bouwwerk, een ruimte, een voorziening, of een gedeelte daarvan naar keuze een gemeenschappelijk of niet-gemeenschappelijk, tenzij anders is bepaald.
2.
Voor de toepassing van voorschriften gesteld bij of krachtens dit besluit wordt een gedeelte van een bouwwerk, een ruimte of een voorziening die ten dienste staat van meer dan een gebruiksfunctie, aangemerkt als gemeenschappelijk. Een zodanig gedeelte, een zodanige ruimte of een zodanige voorziening maakt, met uitzondering van een nevenfunctie, voor de toepassing van dit besluit deel uit van alle daarop aangewezen gebruiksfuncties.
3.
Voor de toepassing van voorschriften gesteld bij of krachtens dit besluit wordt een gedeelte van een woonfunctie, een celfunctie of een logiesfunctie of een ruimte of voorziening die ten dienste staat van die gebruiksfunctie, gebruikt door meer dan een wooneenheid, cel of logiesverblijf in die gebruiksfunctie, aangemerkt als gezamenlijk.
1.
Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften worden gegeven over de toepassing van een in dit besluit genoemde norm.
2.
Indien bij of krachtens dit besluit een NEN-EN is aangewezen waarvoor een nationale bijlage is vastgesteld, is bedoeld deze NEN-EN inclusief deze bijlage.
3.
Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften worden gegeven over de toepassing van een in dit besluit genoemd certificatie- of inspectieschema.
Artikel 1.6. In de handel brengen
Het is verboden een bouwproduct in de handel te brengen waarvoor overeenkomstig de verordening bouwproducten een geharmoniseerde norm is vastgesteld en de co-existentieperiode met betrekking tot die norm is afgelopen, indien dat product niet is voorzien van de daarop betrekking hebbende CE-markering.
1.
Indien een bouwproduct, waarop een CE-markering is aangebracht, aan bepaalde prestaties moet voldoen zodat het bouwwerk waarin het wordt toegepast voldoet aan een bij of krachtens dit besluit gestelde eis, is aan die eis voldaan indien het bouwproduct is toegepast overeenkomstig een op die eis toegesneden prestatieverklaring.
2.
Indien een bouwproduct aan bepaalde prestaties die niet onder een geharmoniseerde norm vallen moet voldoen zodat het bouwwerk waarin het wordt toegepast voldoet aan een bij of krachtens dit besluit gestelde eis, is aan die eis voldaan indien het bouwproduct is toegepast overeenkomstig een op die eis toegesneden kwaliteitsverklaring.
3.
Indien een bouwproces aan bepaalde prestaties moet voldoen zodat het bouwwerk waarin het wordt uitgevoerd voldoet aan een bij of krachtens dit besluit gestelde eis, is aan die eis voldaan indien het bouwproces is toegepast overeenkomstig een op die eis toegesneden kwaliteitsverklaring.
4.
Een prestatieverklaring wordt in de Nederlandse taal verstrekt.
1.
Onze Minister wijst technische beoordelingsinstanties als bedoeld in artikel 29 van de verordening bouwproducten aan.
2.
Onze Minister wijst een aanmeldende autoriteit als bedoeld in artikel 40 van de verordening bouwproducten aan.
3.
Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften worden gegeven over het in het eerste en tweede lid bepaalde.
1.
Handelen in strijd met de verplichtingen die voortvloeien uit de verordening bouwproducten is verboden.
2.
Bij ministeriële regeling kunnen nadere voorschriften worden gegeven over de implementatie van de verordening bouwproducten.
1.
Kwaliteitsverklaringen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel i, van de wet worden afgegeven op basis van een door Onze Minister erkend stelsel van kwaliteitsverklaringen voor de bouw.
2.
Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften worden gegeven over het in het eerste lid bepaalde.
1.
Op het geheel of gedeeltelijk vernieuwen of veranderen of het vergroten van een bouwwerk zijn wat betreft de hoofdstukken 2 tot en met 5 de voorschriften van een te bouwen bouwwerk van toepassing tenzij in de desbetreffende afdeling voor een voorschrift anders is aangegeven.
2.
Op het gedeeltelijk vernieuwen of veranderen of het vergroten van een installatie is wat betreft hoofdstuk 6 het rechtens verkregen niveau van toepassing.
3.
Op het geheel vernieuwen van een installatie zijn wat betreft hoofdstuk 6 de voorschriften van een te bouwen bouwwerk van toepassing.
Artikel 1.12a. Uitzonderingen woonfunctie voor particulier eigendom
Op het bouwen van een woonfunctie voor particulier eigendom zijn de afdelingen 4.3, 4.4, 4.5 en 4.6, en onverminderd het bepaalde in artikel 9.2, 10e lid, artikel 6.10 niet van toepassing. Wat betreft de afdelingen 2.3, 2.4, 2.5, 2.6, 3.11, 4.1, 4.2 en 4.7 zijn de voorschriften voor een bestaand bouwwerk van toepassing.
Artikel 1.13. Monumenten
Indien aan een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder f, dan wel artikel 2.2, eerste lid, onder b, van de Wabo een voorschrift is verbonden dat afwijkt van een bij of krachtens dit besluit vastgesteld voorschrift voor het geheel of gedeeltelijk vernieuwen of veranderen of het vergroten van een bouwwerk, is uitsluitend het aan die vergunning verbonden voorschrift van toepassing.
1.
Op het bouwen van een tijdelijk bouwwerk zijn wat betreft de hoofdstukken 2 tot en met 6 de voorschriften voor een bestaand bouwwerk van toepassing, tenzij in de desbetreffende afdeling voor een voorschrift anders is aangegeven.
2.
Indien een als tijdelijk bouwwerk gebouwd bouwwerk als permanent bouwwerk aanwezig blijft, wordt dat bouwwerk wat betreft de hoofdstukken 2 tot en met 6 in overeenstemming gebracht met de voorschriften van een te bouwen bouwwerk.
1.
Op een bestaand bouwwerk dat in ongewijzigde samenstelling wordt verplaatst is het rechtens verkregen niveau van toepassing.
2.
Op een tijdelijk bouwwerk is het eerste lid alleen van toepassing, indien het bouwwerk na verplaatsing een tijdelijk bouwwerk is.
1.
Een bij of krachtens de wet aanwezige installatie als bedoeld in hoofdstuk 6 van dit besluit:
a. functioneert overeenkomstig de op die installatie van toepassing zijnde voorschriften;
b. wordt adequaat beheerd, onderhouden en gecontroleerd, en
c. wordt zodanig gebruikt dat geen gevaar voor de gezondheid of de veiligheid ontstaat dan wel voortduurt.
2.
Na het aanbrengen of wijzigen van een kabel-, leiding- of andere doorvoer in of door een scheidingsconstructie waarvoor op grond van dit besluit een eis met betrekking tot de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag of rookdoorgang geldt, wordt de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag of rookdoorgang op adequate wijze gecontroleerd.
Artikel 1.17. Beschikbaarheid gegevens en bescheiden
Een constructieonderdeel waarvoor volgens de afdelingen 2.2, 2.8 of 2.9 een eis geldt waaraan het constructieonderdeel uitsluitend met een aanvullende behandeling kan blijven voldoen, is voorzien van een geldig door het bevoegd gezag aanvaard document waaruit blijkt dat deze aanvullende behandeling adequaat is toegepast.
1.
Het is verboden om zonder of in afwijking van een gebruiksmelding:
a. een bouwwerk in gebruik te nemen of te gebruiken indien:
1. daarin meer dan 50 personen tegelijk aanwezig zullen zijn, of
2. toepassing is gegeven aan artikel 1.3 in verband met een in hoofdstuk 6 of 7 uit het oogpunt van brandveiligheid gegeven voorschrift, en
b. een woonfunctie in gebruik te nemen of te gebruiken voor kamergewijze verhuur.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing op het in gebruik nemen of gebruiken van een bouwwerk waarvoor een vergunning voor brandveilig gebruik is vereist.
3.
Het eerste lid, onderdeel a, onder 1, is niet van toepassing op het in gebruik nemen of gebruiken van:
a. een één- of meergezinswoning;
b. een wegtunnel.
4.
Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing bij het veranderen van een bouwwerk of van het gebruik daarvan, indien eerder een gebruiksmelding is gedaan en door het veranderen een afwijking ontstaat van de bij die melding verstrekte gegevens.
5.
Voor de toepassing van dit artikel wordt onder bouwwerk mede verstaan een gedeelte daarvan dat is bestemd om afzonderlijk te worden gebruikt.
1.
Een gebruiksmelding wordt ten minste vier weken voor de voorgenomen aanvang van het gebruik schriftelijk ingediend bij het bevoegd gezag.
2.
Een gebruiksmelding langs elektronische weg wordt gedaan met gebruikmaking van het elektronische formulier dat op de datum van indiening van de gebruiksmelding beschikbaar is via de landelijke voorziening, bedoeld in artikel 7.6 van de Wabo. Op die melding is artikel 4.3, eerste en tweede lid, van het Besluit omgevingsrecht van overeenkomstige toepassing.
3.
Een gebruiksmelding anders dan langs elektronische weg wordt gedaan met gebruikmaking van het formulier, bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, van het Besluit omgevingsrecht. Indien de gebruiksmelding tegelijk met de indiening van een aanvraag om vergunning krachtens de Wabo wordt gedaan, wordt van de gebruiksmelding en de daarbij te verstrekken gegevens en bescheiden hetzelfde aantal exemplaren ingediend als op grond van artikel 4.2, tweede en derde lid, van het Besluit omgevingsrecht van de aanvraag om vergunning en de daarbij te verstrekken gegevens en bescheiden wordt ingediend. Indien de gebruiksmelding afzonderlijk wordt gedaan, worden deze en de daarbij te verstrekken gegevens en bescheiden in drievoud ingediend.
4.
Bij de gebruiksmelding, bedoeld in artikel 1.18, eerste lid, onderdeel a, onder 2, verstrekt de melder voor zover dit naar het oordeel van het bevoegd gezag nodig is gegevens en bescheiden waarmee de gelijkwaardigheid voldoende aannemelijk wordt gemaakt.
5.
Bij de gebruiksmelding worden de volgende gegevens en bescheiden aan het bevoegd gezag verstrekt:
a. naam, adres en woonplaats van de melder en indien van toepassing, van de gemachtigde om te melden;
b. adres, kadastrale aanduiding dan wel ligging van het bouwwerk en de aard en omvang daarvan.
6.
Voor zover dit naar het oordeel van het bevoegd gezag nodig is om aannemelijk te maken dat het gebruik voldoet aan de bij of krachtens de wet gegeven voorschriften verstrekt de melder bij de gebruiksmelding, bedoeld in artikel 1.18, eerste lid, onderdelen a, onder 1, en b, een situatieschets met noordpijl met een schaal die niet kleiner is dan 1:1.000, en per bouwlaag een plattegrondtekening met een schaal die niet kleiner is dan 1:100 bij een gebouw met een brutovloeroppervlakte van minder dan 10.000 m 2 en niet kleiner dan 1:200 bij een grotere brutovloeroppervlakte.
Op de plattegrondtekening of een bijlage daarvan is aangegeven:
a. schaalaanduiding;
b. per bouwlaag:
1°. hoogte van de vloer boven het meetniveau;
2°. gebruiksoppervlakte, en
3°. maximaal aantal personen;
c. per ruimte:
1°. vloeroppervlakte;
2°. gebruiksbestemming;
3°. bij ruimten voor meer dan 25 personen, de hoogste bezetting van die ruimte, en
4°. opstelling van inventaris en van inrichtingselementen als bedoeld in dit besluit;
d. met aanduidingen van de plaats van, voor zover deze aanwezig zijn:
1°. brand- en/of rookwerende scheidingsconstructies;
2°. vluchtroutes;
3°. draairichting van deuren;
4°. zelfsluitende deuren als bedoeld in dit besluit;
5°. sluitwerk van deuren als bedoeld in artikel 6.25 en 7.12;
6°. vluchtroute-aanduidingen;
7°. noodverlichting;
8°. oriëntatieverlichting als bedoeld in artikel 6.5;
9°. brandmeldcentrale en brandmeldpaneel;
10°. brandslanghaspels;
11°. mobiele brandblusapparaten;
12°. droge blusleidingen;
13°. brandweeringang;
14°. sleutelkluis of -buis, en
15°. brandweerlift, en
e. gegevens en bescheiden over de aard en de plaats van de brandveiligheidsinstallaties.
De aanduidingen zijn conform NEN 1413 voor zover deze norm daarin voorziet.
7.
Bij een gebruiksmelding voor tijdelijk of seizoensgebonden gebruik van een bouwwerk wordt door de melder aangegeven voor welke periode of voor welke tijdvakken in een kalenderjaar het gebruik is beoogd.
8.
Een gebruiksmelding kan betrekking hebben op meerdere bouwwerken op hetzelfde terrein of op met elkaar samenhangende terreinen.
Artikel 1.20. Afhandeling gebruiksmelding
De melder krijgt door of namens het bevoegd gezag een bewijs van ontvangst toegezonden of uitgereikt, waarin de datum van ontvangst is vermeld.
1.
Het bevoegd gezag kan na een melding van een gebruik als bedoeld in artikel 1.18, eerste lid, onderdeel a, onder 1, nadere voorwaarden opleggen aan het gebruik indien deze noodzakelijk zijn voor het voorkomen, beperken en bestrijden van brand, brandgevaar en ongevallen bij brand.
2.
Het is verboden in strijd te handelen met de nadere voorwaarden, bedoeld in het eerste lid.
1.
Het bevoegd gezag kan de nadere voorwaarden, bedoeld in artikel 1.21, eerste lid, wijzigen:
a. indien een verandering van inzichten of van omstandigheden gelegen buiten het bouwwerk die bij de beoordeling van de melding een rol hebben gespeeld dit noodzakelijk maakt, en
b. op verzoek van de melder.
2.
Het bevoegd gezag gaat niet over tot wijziging van de nadere voorwaarden, bedoeld in artikel 1.21, eerste lid, dan nadat het de melder in de gelegenheid heeft gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen.
Artikel 1.23. Aanwezigheid bescheiden
Tijdens het bouwen zijn, voor zover van toepassing, de volgende bescheiden of een afschrift daarvan op het terrein aanwezig:
a. vergunning voor het bouwen;
b. veiligheidsplan als bedoeld in artikel 8.7;
c. afschrift van een besluit ingevolge artikel 13, 13a, of 14 van de wet, dan wel een besluit tot oplegging van een last onder bestuursdwang dan wel last onder dwangsom, en
d. overige voor het bouwen van belang zijnde vergunningen en documenten met nadere voorwaarden en ontheffingen.
Artikel 1.24. Het uitzetten van de bebouwingsgrenzen
Met het bouwen van een bouwwerk waarvoor vergunning is verleend wordt, onverminderd de voorwaarden bij de vergunning, niet begonnen voordat voor zover nodig door of namens het bevoegd gezag:
a. de rooilijnen of bebouwingsgrenzen op het bouwterrein zijn uitgezet, en
b. het straatpeil is uitgezet.
1.
Het bevoegd gezag wordt ten minste twee werkdagen voor de feitelijke aanvang van bouwwerkzaamheden waarvoor een vergunning voor het bouwen is verleend door de houder van die vergunning schriftelijk van de aanvang van die werkzaamheden, met inbegrip van ontgravingswerkzaamheden, in kennis gesteld.
2.
Het bevoegd gezag wordt uiterlijk op de eerste werkdag na de dag van beëindiging van de bouwwerkzaamheden waarvoor een vergunning voor het bouwen is verleend, door de houder van die vergunning schriftelijk van de beëindiging van die werkzaamheden in kennis gesteld.
3.
Een bouwwerk voor het bouwen waarvan een vergunning voor het bouwen is verleend, wordt niet in gebruik gegeven of genomen indien niet voldaan is aan het bepaalde in het tweede lid.
1.
Het is verboden om zonder of in afwijking van een sloopmelding te slopen indien daarbij asbest wordt verwijderd of de hoeveelheid sloopafval naar redelijke inschatting meer dan 10 m 3 zal bedragen.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing op een voornemen tot slopen dat uitsluitend bestaat uit het in het kader van de uitoefening van een bedrijf geheel of gedeeltelijke verwijderen van asbesthoudende:
a. geklemde vloerplaten onder verwarmingstoestellen;
b. beglazingskit dat is verwerkt in de constructie van kassen;
c. rem- en frictiematerialen;
d. pakkingen uit verbrandingsmotoren, en
e. pakkingen uit procesinstallaties onderscheidenlijk verwarmingstoestellen met een nominaal vermogen van ten hoogste 2.250 kW.
3.
Het eerste lid is niet van toepassing op:
a. het slopen van een seizoensgebonden bouwwerk, en
b. het slopen ingevolge een besluit op grond van artikel 13 van de wet dan wel een besluit tot toepassing van bestuursdwang of oplegging van een last onder dwangsom.
4.
Een sloopmelding wordt ten minste vier weken voor de voorgenomen aanvang van de sloopwerkzaamheden schriftelijk ingediend bij het bevoegd gezag. De in de eerste volzin bedoelde termijn is ten minste vijf werkdagen indien:
a. die sloopwerkzaamheden in het kader van reparatie- of mutatieonderhoudswerkzaamheden worden uitgevoerd aan een asbesthoudende toepassing in een gebouw en handhaving van de termijn, bedoeld in het eerste lid, tot onnodige leegstand van het gebouw of gedeelte daarvan zou leiden of het gebruiksgenot daarvan ernstig zou belemmeren, of
b. die sloopwerkzaamheden bestaan uit het anders dan in de uitoefening van een beroep of bedrijf in zijn geheel verwijderen van geschroefde, asbesthoudende platen waarin de asbestvezels hechtgebonden zijn, niet zijnde dakleien, of van asbesthoudende vloertegels of niet-gelijmde, asbesthoudende vloerbedekking, uit een woonfunctie of nevenfunctie daarvan, voor zover die woonfunctie of die nevenfunctie niet bedoeld zijn voor de uitoefening van een beroep of bedrijf en de oppervlakte van de te verwijderen asbesthoudende platen, vloerbedekking of vloertegels maximaal vijfendertig vierkante meter per kadastraal perceel bedraagt.
5.
Indien dit naar het oordeel van het bevoegd gezag nodig is, kan worden afgeweken van de in het vierde lid bedoelde termijnen.
6.
Bij de sloopmelding worden de volgende gegevens en bescheiden aan het bevoegd gezag verstrekt:
a. naam en adres van de eigenaar van het te slopen bouwwerk en indien van toepassing, van diegene die uit andere hoofde bevoegd is tot het slopen van het bouwwerk;
b. naam en adres van diegene die de sloopwerkzaamheden zal uitvoeren, indien de uitvoerder een ander persoon is dan bedoeld onder a;
c. adres, kadastrale aanduiding en aard van het te slopen bouwwerk of onderdeel daarvan;
d. de data, de tijdstippen en een beschrijving van de wijze waarop het uitvoeren van de sloopwerkzaamheden zal plaatsvinden;
e. een veiligheidsplan als bedoeld in artikel 8.7;
f. een globale inventarisatie van de aard en de hoeveelheid van de afvalstoffen die naar verwachting zullen vrijkomen bij de sloopwerkzaamheden en een opgave van de voorgenomen afvoerbestemming van die stoffen
g. indien op grond van het Asbestverwijderingsbesluit 2005 een asbestinventarisatierapport is vereist, het rapport als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van dat besluit dan wel een eindbeoordeling als bedoeld in artikel 9, eerste en tweede lid, van dat besluit, en
h. indien bij het uitvoeren van de sloopwerkzaamheden steenachtig afval zal vrijkomen dat ter plaatse zal worden gebroken, de hoeveelheid, de naam en het adres van de eigenaar van het recyclinggranulaat.
7.
In afwijking van het zesde lid worden de gegevens, bedoeld in onderdeel b van dat lid, ten minste twee werkdagen voor de feitelijke aanvang van het uitvoeren van de sloopwerkzaamheden aan het bevoegd gezag verstrekt.
8.
Indien tijdens het slopen asbest wordt ontdekt dat niet is opgenomen in het asbestinventarisatierapport als bedoeld in het zesde lid, onder g, wordt het bevoegd gezag daarvan onmiddellijk in kennis gesteld.
9.
Een sloopmelding kan betrekking hebben op meerdere bouwwerken op hetzelfde terrein of op met elkaar samenhangende terreinen.
1.
Een sloopmelding wordt langs elektronische weg gedaan met gebruikmaking van het elektronische formulier dat op de datum van indiening van de sloopmelding beschikbaar is via de landelijke voorziening, bedoeld in artikel 7.6 van de Wabo. Op die melding is artikel 4.3, eerste en tweede lid, van het Besluit omgevingsrecht van overeenkomstige toepassing.
2.
Een sloopmelding anders dan langs elektronische weg wordt gedaan met gebruikmaking van het formulier, bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, van het Besluit omgevingsrecht. Indien de melding tegelijkertijd met de indiening van een aanvraag om vergunning krachtens de Wabo wordt gedaan, is het aantal exemplaren dat van de melding en de daarbij te verstrekken gegevens en bescheiden wordt ingediend gelijk aan het aantal exemplaren dat van de aanvraag om vergunning en de daarbij te verstrekken gegevens en bescheiden op grond van artikel 4.2, tweede en derde lid, van het Besluit omgevingsrecht wordt ingediend. Indien de sloopmelding afzonderlijk wordt gedaan, worden deze en de daarbij te verstrekken gegevens en bescheiden in drievoud ingediend.
Artikel 1.28. Afhandeling sloopmelding
De melder krijgt door of namens het bevoegd gezag een bewijs van ontvangst toegezonden of uitgereikt, waarin de datum van ontvangst is vermeld.
1.
Het bevoegd gezag kan na een sloopmelding als bedoeld in artikel 1.26 nadere voorwaarden opleggen aan het slopen indien deze noodzakelijk zijn voor het voorkomen of beperken van hinder of van een onveilige situatie tijdens het uitvoeren van de sloopwerkzaamheden.
2.
Het bevoegd gezag kan na een sloopmelding als bedoeld in artikel 1.26 tevens nadere voorwaarden opleggen over:
a. het scheiden van en het op de sloopplaats gescheiden houden van het sloopafval in fracties, en
b. de wijze waarop de mededeling als bedoeld in artikel 1.33, tweede lid, wordt gedaan.
3.
Het is verboden in strijd te handelen met de nadere voorwaarden, bedoeld in het eerste en het tweede lid.
1.
Het bevoegd gezag kan de nadere voorwaarden, bedoeld in artikel 1.29, eerste en tweede lid, wijzigen:
a. indien een verandering van inzichten of van omstandigheden gelegen buiten de sloopwerkzaamheden die bij de beoordeling van de sloopmelding een rol hebben gespeeld dit noodzakelijk maakt, en
b. op verzoek van de melder.
2.
Het bevoegd gezag gaat niet over tot wijziging van de nadere voorwaarden, bedoeld in artikel 1.29, dan nadat het de melder in de gelegenheid heeft gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen.
Artikel 1.32. Aanwezigheid bescheiden
Tijdens het slopen zijn, voor zover van toepassing, de volgende bescheiden of een afschrift daarvan op het terrein aanwezig:
a. sloopmelding;
b. veiligheidsplan als bedoeld in artikel 8.7;
c. afschrift van een besluit ingevolge artikel 13, 13a, of 14 van de wet, dan wel een besluit tot oplegging van een last onder bestuursdwang dan wel last onder dwangsom;
d. overige voor het slopen van belang zijnde vergunningen en documenten met nadere voorwaarden en ontheffingen, en
e. indien op grond van het Asbestverwijderingsbesluit 2005 een asbestinventarisatierapport is vereist, een asbestinventarisatierapport als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van het Asbestverwijderingsbesluit 2005 dan wel een afschrift van de resultaten van de eindbeoordeling als bedoeld in artikel 9, eerste en tweede lid, van dat besluit.
1.
Het bevoegd gezag wordt ten minste twee werkdagen voor de feitelijke aanvang van de sloopwerkzaamheden, bedoeld in artikel 1.26, schriftelijk van de aanvang van die werkzaamheden in kennis gesteld door diegene die de sloopwerkzaamheden gaat uitvoeren.
2.
Het bevoegd gezag wordt uiterlijk op de eerste werkdag na de dag van beëindiging van de sloopwerkzaamheden, bedoeld in artikel 1.26 van de beëindiging van die werkzaamheden in kennis gesteld door degene die de werkzaamheden heeft uitgevoerd.
3.
Voor zover van toepassing verstrekt degene die de sloopwerkzaamheden heeft uitgevoerd het bevoegd gezag binnen twee weken na beëindiging van de werkzaamheden een afschrift van de resultaten van de eindbeoordeling, bedoeld in artikel 9, eerste en tweede lid, van het Asbestverwijderingsbesluit 2005.
4.
Op verzoek van het bevoegd gezag overlegt degene die de sloopwerkzaamheden als bedoeld in artikel 1.26 heeft uitgevoerd, binnen een door het bevoegd gezag te bepalen termijn na beëindiging van de werkzaamheden, een opgave van de aard en de hoeveelheid van de bij de werkzaamheden vrijgekomen afvalstoffen en van de afvoerbestemming van die stoffen.
Artikel 2.1. Aansturingsartikel
2.2 2.3 2.4 2.5 2.5a 2.5b Tabel 2.1
gebruiksfunctie leden van toepassing
      fundamentele belastingscombinaties buitengewone belastingscombinaties bepalingsmethode verbouw tijdelijke bouw aardbevingen
    artikel  
  lid * 1 2 1 2 3 * 1 2 *
                         
1 Woonfunctie * 1 2 1 2 3 * * * *
7 Logiesfunctie * 1 2 1 2 3 * * * *
Alle niet hierboven genoemde gebruiksfuncties * 1 2 1 2 * * * *
1.
Een te bouwen bouwwerk is voldoende bestand tegen de daarop werkende krachten.
2.
Voor zover voor een gebruiksfunctie in tabel 2.1 voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die voorschriften.
Artikel 2.2. Fundamentele belastingscombinaties
Een bouwconstructie bezwijkt gedurende de in NEN-EN 1990 bedoelde ontwerplevensduur niet bij de fundamentele belastingscombinaties als bedoeld in NEN-EN 1990.
1.
Een bouwconstructie bezwijkt gedurende de in NEN-EN 1990 bedoelde ontwerplevensduur niet bij de buitengewone belastingscombinaties als bedoeld in NEN-EN 1990, als dit leidt tot het bezwijken van een andere bouwconstructie die niet in de directe nabijheid ligt van die bouwconstructie. Daarbij wordt uitgegaan van de bekende buitengewone belastingen als bedoeld in NEN-EN 1991.
2.
Een dak of een vloerafscheiding bezwijkt gedurende de in NEN-EN 1990 bedoelde ontwerplevensduur niet bij de buitengewone belastingscombinaties als bedoeld in NEN-EN 1990. Daarbij wordt uitgegaan van stootbelastingen als bedoeld in NEN-EN 1991.
1.
Het niet bezwijken als bedoeld in de artikelen 2.2 en 2.3 wordt bepaald volgens:
a. NEN-EN 1999 of NEN-EN 1993, indien de constructie is vervaardigd van metaal als bedoeld in die normen;
b. NEN-EN 1992 of NEN-EN 1996, indien de constructie is vervaardigd van steenachtig materiaal als bedoeld in die normen;
c. NEN-EN 1994, indien de constructie is vervaardigd van staal-beton als bedoeld in die norm;
d. NEN-EN 1995, indien de constructie is vervaardigd van hout als bedoeld in die norm;
e. NEN 2608, indien de constructie is vervaardigd van glas als bedoeld in die norm, of
f. NEN 6707, indien de constructie van de bevestiging van de dakbedekking is vervaardigd van materiaal als bedoeld in die norm.
2.
Indien een ander materiaal of een andere bepalingsmethode is toegepast dan aangegeven in het eerste lid, wordt het niet bezwijken als bedoeld in de artikelen 2.2 en 2.3 bepaald volgens NEN-EN 1990.
3.
Bij een niet in een woongebouw of logiesgebouw gelegen gebruiksfunctie kan bij het bepalen van het niet bezwijken als bedoeld in de artikelen 2.2 en 2.3 rekening worden gehouden met de stabiliteitsvoorziening van een op een aangrenzend perceel gelegen gebruiksfunctie van dezelfde soort.
Artikel 2.5. Verbouw
Op het gedeeltelijk vernieuwen of veranderen of het vergroten van een bouwwerk zijn de artikelen 2.2 tot en met 2.4 van overeenkomstige toepassing, waarbij in plaats van het in die artikelen aangegeven niveau van eisen wordt uitgegaan van het niveau zoals aangegeven in NEN 8700.
1.
Op het bouwen van een tijdelijk bouwwerk met een ontwerplevensduur van 5 jaar als bedoeld in NEN-EN 1990 zijn de artikelen 2.2 en 2.4 van overeenkomstige toepassing.
2.
Op het bouwen van een tijdelijk bouwwerk met een ontwerplevensduur van 15 jaar als bedoeld in NEN-EN 1990 zijn de artikelen 2.2 tot en met 2.4 van overeenkomstige toepassing.
Artikel 2.5b. Aardbevingen
In aanvulling op het bepaalde in de artikelen 2.2 tot en met 2.5a kunnen met betrekking tot de belastingen op bouwwerken door aardbevingen als gevolg van de gaswinning in de provincie Groningen bij ministeriële regeling nadere voorschriften worden gegeven.
Artikel 2.6. Aansturingsartikel
2.7 2.8 Tabel 2.6
gebruiksfunctie leden van toepassing
      fundamentele belastingscombinaties bepalingsmethode
    artikel
    lid * 1 2
1 Woonfunctie * 1 2
7 Logiesfunctie * 1 2
Alle niet hierboven genoemde gebruiksfuncties * 1
1.
Een bestaand bouwwerk is gedurende de restlevensduur voldoende bestand tegen de daarop werkende krachten.
2.
Voor zover voor een gebruiksfunctie in tabel 2.6 voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die voorschriften.
Artikel 2.7. Fundamentele belastingscombinaties
Een bouwconstructie bezwijkt niet gedurende de in NEN 8700 bedoelde restlevensduur bij de fundamentele belastingscombinaties als bedoeld in NEN 8700.
1.
Het niet bezwijken als bedoeld in artikel 2.7 wordt bepaald volgens NEN 8700.
2.
Bij een niet in een woongebouw of logiesgebouw gelegen woonfunctie of logiesfunctie kan het bepalen van het niet bezwijken als bedoeld in artikel 2.7 rekening worden gehouden met de stabiliteitsvoorziening van een op een aangrenzend perceel gelegen gebruiksfunctie van dezelfde soort.
Artikel 2.9. Aansturingsartikel
2.10 2.11 2.12 Tabel 2.9
gebruiksfunctie leden van toepassing
      tijdsduur bezwijken bepalingsmethode verbouw
    artikel
    lid 1 2 3 4 5 6 7 8 9 1 2 *
1 Woonfunctie 1 2 3 1 2 *
2 Bijeenkomstfunctie                        
  a voor kinderopvang met bedgebied 1 5 6 1 2 *
  b andere bijeenkomstfunctie 1 4 6 1 2 *
3 Celfunctie 1 5 6 1 2 *
4 Gezondheidszorgfunctie                        
  a met bedgebied 1 5 6 1 2 *
  b andere gezondheidszorgfunctie 1 4 6 1 2 *
5 Industriefunctie 1 4 6 1 2 *
6 Kantoorfunctie 1 4 6 1 2 *
7 Logiesfunctie 1 5 6 7 1 2 *
8 Onderwijsfunctie 1 4 6 1 2 *
9 Sportfunctie 1 4 6 1 2 *
10 Winkelfunctie 1 4 6 1 2 *
11 Overige gebruiksfunctie                        
  a voor het personenvervoer 1 4 6 1 2 *
  b voor het stallen van motorvoertuigen 1 4 6 1 2 *
  c andere overige gebruiksfunctie
12 Bouwwerk geen gebouw zijnde                        
  a wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m 1 8 1 2 *
  b ander bouwwerk geen gebouw zijnde 9 1 2 *
1.
Een te bouwen bouwwerk kan bij brand gedurende redelijke tijd worden verlaten en doorzocht, zonder dat er gevaar voor instorting is.
2.
Voor zover voor een gebruiksfunctie in tabel 2.9 voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die voorschriften.
1.
Een vloer, trap of hellingbaan waarover of waaronder een vluchtroute voert, bezwijkt niet binnen 30 minuten bij brand in een subbrandcompartiment waarin die vluchtroute niet ligt. Dit geldt niet voor de vloer van een buitenruimte van een woonfunctie.
2.
Een bouwconstructie bezwijkt bij brand in een brandcompartiment waarin die bouwconstructie niet ligt, niet binnen de in tabel 2.10.1 aangegeven tijdsduur door het bezwijken van een bouwconstructie binnen of grenzend aan dat brandcompartiment.
Voor zover dat brandcompartiment een woonfunctie is, geldt dit niet voor een bouwconstructie van een aan dat brandcompartiment grenzend subbrandcompartiment of grenzende buitenruimte.
3.
In afwijking van het tweede lid wordt de in tabel 2.10.1 aangegeven tijdsduur met 30 minuten bekort, indien geen vloer van een verblijfsgebied van de gebruiksfunctie hoger ligt dan 7 m boven het meetniveau en de volgens NEN 6090 bepaalde permanente vuurbelasting van het brandcompartiment niet groter is dan 500 MJ/m 2 .
4.
Een bouwconstructie van een gebruiksfunctie met een vloer van een gebruiksgebied hoger dan 5 m boven het meetniveau of lager dan 5 m onder het meetniveau bezwijkt bij brand in een brandcompartiment waarin de bouwconstructie niet ligt, niet binnen 90 minuten door het bezwijken van een bouwconstructie binnen of grenzend aan het brandcompartiment.
5.
Een bouwconstructie bezwijkt bij brand in een brandcompartiment waarin de bouwconstructie niet ligt, niet binnen de in tabel 2.10.2 aangegeven tijdsduur door het bezwijken van een bouwconstructie binnen of grenzend aan het brandcompartiment.
6.
In afwijking van het vierde en vijfde lid, wordt de tijdsduur met 30 minuten bekort, indien de volgens NEN 6090 bepaalde permanente vuurbelasting van het brandcompartiment niet groter is dan 500 MJ/m 2 .
7.
Het vijfde lid geldt niet voor een logiesfunctie niet gelegen in een logiesgebouw, met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 100 m 2 .
8.
Een bouwconstructie van een tunnel bezwijkt niet binnen 60 minuten en voor zover deze onder open water ligt niet binnen 120 minuten bij brand in de tunnel.
9.
Een bouwconstructie bezwijkt bij brand in een brandcompartiment waarin de bouwconstructie niet ligt, niet binnen een tijdsduur die afhankelijk van de bestemming en inrichting van het bouwwerk redelijkerwijs nodig is om het bouwwerk bij brand te kunnen verlaten en te doorzoeken, door het bezwijken van een bouwconstructie binnen of grenzend aan het brandcompartiment.
1.
Bij het bepalen van het bezwijken van een bouwconstructie, als bedoeld in artikel 2.10, wordt uitgegaan van de buitengewone belastingscombinaties die volgens NEN-EN 1990 kunnen optreden bij brand.
2.
De tijdsduur van het bezwijken als bedoeld in artikel 2.10 wordt afhankelijk van het materiaal van de bouwconstructie bepaald volgens:
a. NEN-EN 1992;
b. NEN-EN 1993;
c. NEN-EN 1994;
d. NEN-EN 1995;
e. NEN-EN 1996;
f. NEN-EN 1999, of
g. NEN 6069.
Artikel 2.12. Verbouw
Op het gedeeltelijk vernieuwen of veranderen of het vergroten van een bouwwerk zijn de artikelen 2.10 en 2.11 van overeenkomstige toepassing, waarbij in plaats van het in artikel 2.10 aangegeven niveau van eisen wordt uitgegaan van het rechtens verkregen niveau en waarbij, in afwijking van artikel 2.11, eerste lid, wordt uitgegaan van de buitengewone belastingscombinaties die volgens NEN 8700 kunnen optreden bij brand.
Artikel 2.13. Aansturingsartikel
2.14 2.15 Tabel 2.13
gebruiksfunctie leden van toepassing
      tijdsduur bezwijken bepalingsmethode
    artikel
    lid 1 2 3 4 5 6 7 1 2
1 Woonfunctie 1 2 1 2
2 Bijeenkomstfunctie 1 3 1 2
3 Celfunctie 1 4 1 2
4 Gezondheidszorgfunctie                  
  a met bedgebied 1 4 1 2
  b andere gezondheidszorgfunctie 1 3 1 2
5 Industriefunctie 1 3 1 2
6 Kantoorfunctie 1 3 1 2
7 Logiesfunctie 1 4 5 1 2
8 Onderwijsfunctie 1 3 1 2
9 Sportfunctie 1 3 1 2
10 Winkelfunctie 1 3 1 2
11 Overige gebruiksfunctie                  
  a voor het personenvervoer 1 3 1 2
  b andere overige gebruiksfunctie
12 Bouwwerk geen gebouw zijnde                  
  a wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m 1 6 1 2
  b ander bouwwerk geen gebouw zijnde 7 1 2
1.
Een bestaand bouwwerk kan bij brand gedurende enige tijd worden verlaten en doorzocht zonder dat er gevaar is voor instorting.
2.
Voor zover voor een gebruiksfunctie in tabel 2.13 voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die voorschriften.
1.
Een vloer, trap of hellingbaan, waarover of waaronder een beschermde route voert, bezwijkt niet binnen 20 minuten bij brand in een subbrandcompartiment waarin die beschermde route niet ligt.
2.
Een bouwconstructie bezwijkt bij brand in een brandcompartiment waarin die bouwconstructie niet ligt, niet binnen de in tabel 2.14.1 aangegeven tijdsduur door het bezwijken van een bouwconstructie binnen of grenzend aan dat brandcompartiment. Dit geldt dit niet voor een bouwconstructie van een aan dat brandcompartiment grenzend subbrandcompartiment of grenzende buitenruimte.
3.
Een bouwconstructie van een gebruiksfunctie met een vloer van een gebruiksgebied hoger dan 5 m boven het meetniveau bezwijkt bij brand in een brandcompartiment waarin de bouwconstructie niet ligt, niet binnen 30 minuten door het bezwijken van een bouwconstructie binnen of grenzend aan het brandcompartiment.
4.
Een bouwconstructie bezwijkt bij brand in een brandcompartiment waarin de bouwconstructie niet ligt, niet binnen de in tabel 2.14.2 aangegeven tijdsduur door het bezwijken van een bouwconstructie binnen of grenzend aan het brandcompartiment.
5.
Het vierde lid geldt niet voor een logiesfunctie niet gelegen in een logiesgebouw, met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 100 m 2 .
6.
Een bouwconstructie van een tunnel bezwijkt niet binnen 30 minuten en voor zover deze onder open water ligt niet binnen 60 minuten bij brand in de tunnel.
7.
Een bouwconstructie bezwijkt bij brand in een brandcompartiment waarin de bouwconstructie niet ligt, niet binnen een tijdsduur die afhankelijk van de bestemming en inrichting van het bouwwerk redelijkerwijs nodig is om het bouwwerk bij brand te kunnen verlaten en te doorzoeken, door het bezwijken van een bouwconstructie binnen of grenzend aan het brandcompartiment.
1.
Bij het bepalen van het bezwijken van een bouwconstructie als bedoeld in artikel 2.14 wordt uitgegaan van de buitengewone belastingscombinaties die volgens NEN 8700 kunnen optreden bij brand.
2.
De tijdsduur van het bezwijken als bedoeld in artikel 2.14 wordt bepaald volgens NEN 6069.
Artikel 2.16. Aansturingsartikel
2.17 2.18 2.19 2.20 2.21 2.19 Tabel 2.16
gebruiksfunctie leden van toepassing grenswaarden
      aanwezigheid hoogte openingen overklauterbaarheid verbouw openingen
    artikel
    lid 1 2 3 4 5 1 2 3 4 5 1 2 3 4 5 1 2 * 1
                                          [m]
1 Woonfunctie 1 2 3 4 1 2 3 5 1 2 3 4 1 * 0,2
2 Bijeenkomstfunctie                                      
  a voor kinderopvang voor kinderen jonger dan 4 jaar 1 2 3 4 1 2 3 5 1 2 3 4 1 * 0,1
  b andere kinderopvang 1 2 3 4 5 1 2 3 5 1 2 3 4 1 * 0,2
  c andere bijeenkomstfunctie 1 2 3 4 5 1 2 3 4 5 1 2 3 4 5 1 2 * 0,5
3 Celfunctie 1 2 3 4 5 1 2 3 5 1 2 3 4 5 1 2 * 0,3
4 Gezondheidszorgfunctie 1 2 3 4 5 1 2 3 5 1 2 3 4 5 1 2 * 0,5
5 Industriefunctie 1 2 3 4 5 1 2 3 5 1 3 4 * 0,5
6 Kantoorfunctie 1 2 3 4 5 1 2 3 5 1 2 3 4 5 1 2 * 0,5
7 Logiesfunctie 1 2 3 4 5 1 2 3 5 1 2 3 4 5 1 2 * 0,5
8 Onderwijsfunctie                                      
  a basisonderwijs 1 2 3 4 5 1 2 3 5 1 2 3 4 1 * 0,2
  b andere onderwijsfunctie 1 2 3 4 5 1 2 3 5 1 2 3 4 5 1 2 * 0,5
9 Sportfunctie 1 2 3 4 5 1 2 3 4 5 1 2 3 4 5 1 2 * 0,5
10 Winkelfunctie 1 2 3 4 5 1 2 3 5 1 2 3 4 5 1 2 * 0,5
11 Overige gebruiksfunctie 1 2 3 4 5 1 2 3 5 1 2 3 4 5 1 2 * 0,5
12 Bouwwerk geen gebouw zijnde 1 2 3 4 5 1 2 3 4 5 1 3 4 * 0,5
1.
Een te bouwen bouwwerk bevat voorzieningen waardoor het vallen van een vloer, een trap en een hellingbaan zo veel mogelijk wordt voorkomen.
2.
Voor zover voor een gebruiksfunctie in tabel 2.16 voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die voorschriften.
1.
Een voor personen bestemde vloer heeft bij een rand een niet beweegbare afscheiding als die rand meer dan 1 m hoger ligt dan een aansluitende vloer, het aansluitende terrein of het aansluitende water.
2.
Een trap als bedoeld in artikel 2.27 heeft, voor zover een zijkant van een tredevlak meer dan 1 m hoger ligt dan een aansluitende vloer, het aansluitende terrein of het aansluitende water, aan die zijkant een niet beweegbare afscheiding.
3.
Een hellingbaan als bedoeld in artikel 2.27 heeft, voor zover een zijkant van de vloer meer dan 1 m hoger ligt dan een aansluitende vloer, het aansluitende terrein of het aansluitende water, aan die zijkant een niet beweegbare afscheiding.
4.
Het eerste lid geldt niet ter plaatse van de aansluiting van de vloer aan:
a. een trap, en
b. een hellingbaan.
5.
Onverminderd het vierde lid geldt het eerste lid niet voor:
a. een rand van een podium;
b. een rand van een vloer die aan een bassin grenst;
c. een rand van een laadvloer;
d. een rand van een perron, en
e. een met een rand als bedoeld onder a tot en met d, gelijk te stellen rand van een vloer.
1.
Een vloerafscheiding als bedoeld in artikel 2.17, eerste lid, heeft een hoogte van ten minste 1 m, gemeten vanaf de vloer.
2.
In afwijking van het eerste lid heeft een vloer die hoger ligt dan 13 m boven een aangrenzende vloer, het aansluitende terrein of het aansluitende water, een vloerafscheiding een hoogte van ten minste 1,2 m, gemeten vanaf de vloer.
3.
In afwijking van het eerste en tweede lid heeft een afscheiding als bedoeld in artikel 2.17, eerste lid, ter plaatse van een al dan niet beweegbaar raam een hoogte van ten minste 0,85 m, gemeten vanaf de vloer.
4.
In afwijking van het eerste lid, heeft een vloerafscheiding een vanaf de vloer gemeten hoogte van ten minste 0,7 m, indien de som van die hoogte en de breedte van de bovenregel ten minste 1,1 m is.
5.
Een afscheiding als bedoeld in artikel 2.17, tweede of derde lid, heeft een hoogte van ten minste 0,85 m, gemeten vanaf de voorkant van de tredevlakken of vanaf de vloer van de hellingbaan.
1.
Een afscheiding als bedoeld in artikel 2.17 heeft geen openingen waardoor een bol kan passeren met een doorsnede groter dan de in tabel 2.16 aangegeven diameter.
2.
In afwijking van het eerste lid heeft een afscheiding als bedoeld in artikel 2.17 tot een hoogte van 0,7 m boven een vloer, een tredevlak of een vloer van een hellingbaan geen openingen waardoor een bol kan passeren met een doorsnede groter dan 0,1 m.
3.
De horizontaal gemeten afstand tussen een vloer, een trap of een hellingbaan en een afscheiding als bedoeld in artikel 2.17 is niet groter dan 0,05 m.
4.
De bovenregel van een in artikel 2.17 bedoelde afscheiding heeft geen onderbreking van meer dan 0,1 m.
5.
Het tweede lid is niet van toepassing op een vloer, een tredevlak of een vloer van een hellingbaan, of een gedeelte daarvan, niet bestemd voor kinderen jonger dan 12 jaar.
1.
Een afscheiding als bedoeld in artikel 2.17 of een constructieonderdeel dat, installatie die of onderdeel van een installatie dat aan of naast een dergelijke afscheiding is geplaatst, heeft, ter voorkoming van het overklauteren, geen opstapmogelijkheden tussen 0,2 m en 0,7 m boven een vloer, een tredevlak of een vloer van een hellingbaan.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing op een vloer, een tredevlak of een vloer van een hellingbaan, of een gedeelte daarvan, niet bestemd voor kinderen jonger dan 12 jaar.
Artikel 2.21. Verbouw
Op het geheel of gedeeltelijk vernieuwen of veranderen of het vergroten van een bouwwerk zijn de artikelen 2.17 tot en met 2.20 van overeenkomstige toepassing, waarbij in plaats van het in die artikelen aangegeven niveau van eisen wordt uitgegaan van het rechtens verkregen niveau.
Artikel 2.22. Aansturingsartikel
2.23 2.24 2.25 2.25 Tabel 2.22
gebruiksfunctie leden van toepassing grenswaarden
      aanwezigheid hoogte openingen openingen
    artikel
    lid 1 2 3 4 5 1 2 3 4 1 2 1
                            [m]
1 Woonfunctie 1 2 3 4 1 2 3 4 1 2 0,2
2 Bijeenkomstfunctie                        
  a voor kinderopvang voor kinderen jonger dan 4 jaar 1 2 3 4 5 1 2 3 4 1 2 0,1
  b andere bijeenkomstfunctie 1 2 3 4 5 1 2 3 4 2
Alle niet hierboven genoemde gebruiksfuncties 1 2 3 4 5 1 2 3 4 2
1.
Een bestaand bouwwerk bevat voorzieningen waardoor het vallen van een vloer, een trap of een hellingbaan redelijkerwijs wordt voorkomen.
2.
Voor zover voor een gebruiksfunctie in tabel 2.22 voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die voorschriften.
1.
Een voor personen bestemde vloer heeft bij een rand een afscheiding als die rand meer dan 1,5 m hoger ligt dan een aansluitende vloer, het aansluitende terrein of het aansluitende water.
2.
Een trap heeft, voor zover een zijkant van een tredevlak meer dan 1,5 m hoger ligt dan een aansluitende vloer, het aansluitende terrein of het aansluitende water, aan die zijkant een niet beweegbare afscheiding.
3.
Een hellingbaan heeft, indien een zijkant van de vloer meer dan 1,5 m hoger ligt dan een aansluitende vloer, het aansluitende terrein of het aansluitende water, aan die zijkant een niet beweegbare afscheiding.
4.
Het eerste lid geldt niet ter plaatse van de aansluiting van de vloer aan:
a. een trap, of
b. een hellingbaan.
5.
Onverminderd het vierde lid geldt het eerste lid niet voor:
a. een rand van een podium;
b. een rand van een vloer die aan een bassin grenst;
c. een rand van een laadvloer;
d. een rand van een perron, en
e. een met een rand als bedoeld onder a tot en met d, gelijk te stellen rand van een vloer.
1.
Een vloerafscheiding als bedoeld in artikel 2.23, eerste lid, heeft een hoogte van ten minste 0,9 m, gemeten vanaf de vloer.
2.
In afwijking van het eerste lid heeft een afscheiding als bedoeld in artikel 2.23, eerste lid, ter plaatse van een al dan niet beweegbaar raam een hoogte van ten minste 0,6 m, gemeten vanaf de vloer.
3.
In afwijking van het eerste lid, heeft een vloerafscheiding een vanaf de vloer gemeten hoogte van ten minste 0,6 m, indien de som van die hoogte en de breedte van de bovenregel ten minste 1 m is.
4.
Een afscheiding als bedoeld in artikel 2.23, tweede en derde lid, heeft een hoogte van ten minste 0,6 m, gemeten vanaf de voorkant van de tredevlakken of vanaf de vloer van de hellingbaan.
1.
Een afscheiding als bedoeld in artikel 2.23 heeft tot een hoogte van 0,6 m boven een vloer, een tredevlak of een vloer van een hellingbaan, geen openingen waardoor een bol kan passeren met een doorsnede groter dan de in tabel 2.22 aangegeven diameter.
2.
De horizontaal gemeten afstand tussen een vloer, een trap of een hellingbaan en een afscheiding als bedoeld in artikel 2.23, is niet groter dan 0,1 m.
1.
Een te bouwen bouwwerk heeft voorzieningen voor het veilig overbruggen van hoogteverschillen door personen.
2.
Aan de in het eerste lid gestelde eis wordt voldaan door toepassing van de voorschriften in deze paragraaf.
1.
Een hoogteverschil van meer dan 0,21 m tussen vloeren waarover een vluchtroute voert en tussen vloeren van verblijfsgebieden, verblijfsruimten, toiletruimten, badruimten, of voor bezoekers bestemde vloeren, vloeren van een verkeersroute die deze ruimten met elkaar verbindt of tussen een van die vloeren en het aansluitende terrein wordt overbrugd door een vaste trap of een vaste hellingbaan.
2.
Voor zover de vluchtroute door een wegtunnelbuis voert, geldt in afwijking van het eerste lid een hoogteverschil van meer dan 0,3 m.
Artikel 2.28. Verbouw
Op het geheel of gedeeltelijk vernieuwen of veranderen of het vergroten van een bouwwerk is artikel 2.27 van overeenkomstige toepassing, waarbij in plaats van het in die artikelen aangegeven niveau van eisen wordt uitgegaan van het rechtens verkregen niveau.
Artikel 2.29. Tijdelijke bouw
Op het bouwen van een tijdelijk bouwwerk is artikel 2.27 van toepassing.
1.
Een bestaand bouwwerk heeft in een vluchtroute voorzieningen voor het veilig overbruggen van hoogteverschillen door personen.
2.
Aan de in het eerste lid gestelde eis wordt voldaan door toepassing van het voorschrift in deze paragraaf.
1.
Een hoogteverschil van meer dan 0,22 m tussen vloeren waarover een vluchtroute voert, of tussen een van die vloeren en het aansluitende terrein, wordt overbrugd door een vaste trap of een vaste hellingbaan.
2.
Voor zover de vluchtroute door een wegtunnelbuis voert, geldt in afwijking van het eerste lid een hoogteverschil van meer dan 0,3 m.
Artikel 2.32. Aansturingsartikel
2.33 2.34 2.35 2.36 2.37 Tabel 2.32
gebruiksfunctie leden van toepassing
      afmetingen trapbordes leuning regenwerend verbouw
    artikel
    lid 1 2 * * * *
1 Woonfunctie 1 2 * * * *
2 Bijeenkomstfunctie 1 2 * * *
3 Celfunctie 1 2 * * *
4 Gezondheidszorgfunctie 1 2 * * *
5 Industriefunctie 1 * * *
6 Kantoorfunctie 1 2 * * *
7 Logiesfunctie 1 2 * * *
8 Onderwijsfunctie 1 2 * * *
9 Sportfunctie 1 2 * * *
10 Winkelfunctie 1 2 * * *
11 Overige gebruiksfunctie 1 * * *
12 Bouwwerk geen gebouw zijnde 1 * * *
1.
Een te bouwen trap die een hoogteverschil als bedoeld in artikel 2.27 overbrugt, kan veilig worden gebruikt.
2.
Voor zover voor een gebruiksfunctie in tabel 2.32 voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die voorschriften.
Artikel 2.33. Afmetingen trap
Tabel 2.33
afmetingen van een trap
  reguliere trap trap uitsluitend voor ontvluchten
  woonfunctie andere gebruiksfunctie alle gebruiksfuncties
Minimum breedte van de trap 0,8 m 0,8 m 0,8 m
Minimum vrije hoogte boven de trap 2,3 m 2,1 m 2,1 m
Minimum aantrede ter plaatse van de klimlijn, gemeten loodrecht op de voorkant van de trede 0,22 m 0,185 m 0,185 m
Maximum hoogte van een optrede 0,188 m 0,21 m 0,21 m
Minimum breedte van het tredevlak, gemeten loodrecht op de voorkant van dat vlak 0,05 m 0,05 m 0,05 m
Minimum breedte van het tredevlak ter plaatse van de klimlijn, gemeten loodrecht op de voorkant van dat vlak 0,23 m 0,23 m 0,23 m
Minimum afstand van de klimlijn tot de zijkanten van de trap 0,3 m 0,3 m 0,3 m
1.
Een trap als bedoeld in artikel 2.27, heeft afmetingen die voldoen aan tabel 2.33.
2.
Een trap overbrugt een hoogteverschil van niet meer dan 4 meter.
Artikel 2.34. Trapbordes
Een trap als bedoeld in artikel 2.27, sluit bij de bovenste trede, over de breedte van de trap, aan op een vloer met een oppervlakte van ten minste 0,8 m x 0,8 m.
Artikel 2.35. Leuning
Een trap als bedoeld in artikel 2.27 voor het overbruggen van een hoogteverschil van meer dan 1 m en met een helling ter plaatse van de klimlijn groter dan 2:3 heeft aan ten minste een zijkant een leuning. De bovenkant van de leuning ligt, gemeten boven de voorkant van een tredevlak van de trap, op een hoogte van ten minste 0,8 m en ten hoogste 1 m.
Artikel 2.36. Regenwerend
Een gemeenschappelijke verkeersruimte met een trap voor het overbruggen van een hoogteverschil van meer dan 1,5 m, is ter plaatse van die trap, bepaald volgens NEN 2778, regenwerend. Dit geldt niet voor een trap die uitsluitend bestemd is om het bouwwerk te ontvluchten.
Artikel 2.37. Verbouw
Op het geheel of gedeeltelijk vernieuwen of veranderen of het vergroten van een bouwwerk zijn de artikelen 2.33 tot en met 2.36 van overeenkomstige toepassing, waarbij in plaats van het in die artikelen aangegeven niveau van eisen wordt uitgegaan van het rechtens verkregen niveau.
1.
Een bestaande trap in een vluchtroute die een hoogteverschil als bedoeld in artikel 2.31 overbrugt, kan veilig worden gebruikt.
2.
Aan de in het eerste lid gestelde eis wordt voldaan door toepassing van de voorschriften in deze paragraaf.
Artikel 2.39. Afmetingen trap
Een trap als bedoeld in artikel 2.31, heeft afmetingen die voldoen aan tabel 2.39. Tabel 2.39
afmetingen van een trap
Minimum breedte van de trap 0,7 m
Minimum vrije hoogte boven de trap 1,9 m
Minimum aantrede ter plaatse van de klimlijn, gemeten loodrecht op de voorkant van de trede 0,13 m
Maximum hoogte van een optrede 0,22 m
Minimum afstand van de klimlijn tot de zijkanten van de trap 0,2 m
Artikel 2.40. Trapbordes
Een trap als bedoeld in artikel 2.31, sluit bij de bovenste trede, over de breedte van de trap, aan op een vloer met een oppervlakte van ten minste 0,7 m x 0,7 m.
Artikel 2.41. Leuning
Een trap als bedoeld in artikel 2.31 waarvan de helling ter plaatse van de klimlijn groter is dan 2:3 heeft, voor zover een hoogteverschil is overbrugd van meer dan 1,5 m, aan ten minste een zijkant een leuning. De bovenkant van de leuning ligt, gemeten boven de voorkant van een tredevlak van de trap, op een hoogte van ten minste 0,6 m en ten hoogste 1 m.
1.
Een te bouwen hellingbaan die een hoogteverschil als bedoeld in artikel 2.27 overbrugt, kan veilig worden gebruikt.
2.
Aan de in het eerste lid gestelde eis wordt voldaan door toepassing van de voorschriften in deze paragraaf.
Artikel 2.43. Afmetingen hellingbaan
Een hellingbaan als bedoeld in de artikelen 2.27 en 6.49, heeft een breedte van ten minste 1,1 m, een hoogte van niet meer dan 1 m en een helling van ten hoogste:
a. 1 : 12 indien het hoogteverschil niet groter is dan 0,25 m;
b. 1 : 16 indien het hoogteverschil groter is dan 0,25 m, maar niet groter dan 0,5 m, en
c. 1 : 20 indien het hoogteverschil groter is dan 0,5 m.
Artikel 2.44. Hellingbaanbordes
Een hellingbaan als bedoeld in de artikelen 2.27 en 6.49, sluit aan de bovenzijde, over de breedte van de hellingbaan, aan op een vloer met een oppervlakte van ten minste 1,4 m x 1,4 m.
Artikel 2.45. Geleiderand
Een hellingbaan als bedoeld in artikel 2.27, heeft aan de zijkant een aaneengesloten geleiderand, met een vanaf de vloer van de hellingbaan gemeten hoogte van ten minste 0,04 m.
Artikel 2.46. Verbouw
Op het geheel of gedeeltelijk vernieuwen of veranderen of het vergroten van een bouwwerk zijn de artikelen 2.43 tot en met 2.45 van overeenkomstige toepassing, waarbij in plaats van het in die artikelen aangegeven niveau van eisen wordt uitgegaan van het rechtens verkregen niveau.
1.
Een bestaande hellingbaan in een vluchtroute die een hoogteverschil als bedoeld in artikel 2.31 overbrugt, kan veilig worden gebruikt.
2.
Aan de in het eerste lid gestelde eis wordt voldaan door toepassing van de voorschriften in deze paragraaf.
Artikel 2.48. Afmetingen hellingbaan
Een hellingbaan als bedoeld in artikel 2.31 heeft een breedte van ten minste 0,7 m en een helling van ten hoogste 1:10.
Artikel 2.49. Hellingbaanbordes
Een hellingbaan als bedoeld in artikel 2.31 sluit aan de bovenzijde, over de breedte van de hellingbaan, aan op een vloer met een oppervlakte van ten minste 0,7 m x 0,7 m.
1.
Een te bouwen bouwwerk heeft zodanige beweegbare constructieonderdelen dat deze geen hinder veroorzaken bij het vluchten door en bij het gebruik van een aangrenzende openbare ruimte.
2.
Aan de in het eerste lid gestelde eis wordt voldaan door toepassing van de voorschriften in deze paragraaf.
1.
Een beweegbaar constructieonderdeel dat zich in geopende stand kan bevinden boven een voor motorvoertuigen openstaande weg of boven een strook van 0,6 m grenzend aan die weg, ligt, gemeten vanaf de onderzijde van dat onderdeel, meer dan 4,2 m boven die weg of strook.
2.
Een beweegbaar constructieonderdeel dat zich in geopende stand kan bevinden boven een niet voor motorvoertuigen openstaande weg, ligt, gemeten vanaf de onderzijde van dat onderdeel, meer dan 2,2 m boven die weg. Dit voorschrift geldt niet voor een nooddeur.
3.
Een beschermde vluchtroute die langs een beweegbaar constructieonderdeel voert, heeft met het constructieonderdeel in geopende stand, een vrije doorgang met een breedte van ten minste 0,6 m en een hoogte van ten minste 2,2 m.
4.
Het eerste tot en met derde lid gelden niet voor een deur van een ruimte met een vloeroppervlakte van minder dan 0,5 m 2 .
Artikel 2.52. Verbouw
Op het geheel of gedeeltelijk vernieuwen of veranderen of het vergroten van een bouwwerk is artikel 2.51, eerste lid, niet van toepassing.
Artikel 2.53. Tijdelijke bouw
Op het bouwen van een tijdelijk bouwwerk is artikel 2.51, tweede tot en met vierde lid, van toepassing.
1.
Een bestaand bouwwerk heeft zodanige beweegbare constructieonderdelen dat deze geen hinder veroorzaken bij het vluchten en bij het gebruik van een aangrenzende openbare ruimte.
2.
Aan de in het eerste lid gestelde eis wordt voldaan door toepassing van het voorschrift in deze paragraaf.
Artikel 2.55. Hinder
Een beweegbaar constructieonderdeel dat zich in geopende stand kan bevinden boven een voor motorvoertuigen openstaande weg, ligt, gemeten vanaf de onderzijde van dat onderdeel, meer dan 4,2 m boven die weg.
1.
Een te bouwen bouwwerk is zodanig dat het ontstaan van een brandgevaarlijke situatie voldoende wordt beperkt.
2.
Aan de in het eerste lid gestelde eis wordt voldaan door toepassing van de voorschriften in deze paragraaf.
Artikel 2.57. Stookplaats
Materiaal ter plaatse van of nabij een stookplaats voldoet aan brandklasse A1 of voor zover het de bovenzijde van een vloer, een trap of een hellingbaan betreft aan brandklasse A1 fl , beide bepaald volgens NEN-EN 13501-1, indien:
a. op het materiaal een intensiteit aan warmtestraling kan optreden die, bepaald volgens NEN 6061, groter is dan 2 kW/m 2 , of
b. in het materiaal een temperatuur kan optreden die, bepaald volgens NEN 6061, hoger is dan 90 °C.
1.
Materiaal toegepast aan de binnenzijde van een schacht, een koker of een kanaal grenzend aan meer dan een brandcompartiment of subbrandcompartiment met een inwendige doorsnede groter dan 0,015 m 2 , voldoet aan brandklasse A2, bepaald volgens NEN-EN 13501-1.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing op:
a. een schacht die uitsluitend is bestemd voor een of meer boven elkaar gelegen toiletruimten of badruimten en die niet door andere ruimten voert;
b. ten hoogste 5% van de totale oppervlakte van de in dat lid bedoelde binnenzijde, en
c. het materiaal van een constructie- of installatieonderdeel dat wordt omsloten door een in dat lid bedoelde schacht, koker of kanaal.
1.
Een afvoervoorziening voor rookgas is brandveilig, bepaald volgens NEN 6062.
2.
De horizontale afstand tussen de uitmonding van een afvoervoorziening voor rookgas van een op vaste brandstof gestookt toestel en een brandgevaarlijk dak als bedoeld in NEN 6063, van een ander bouwwerk is ten minste 15 m.
Artikel 2.60. Opstelplaats open verbrandingstoestel
Een opstelplaats voor een open verbrandingstoestel ligt niet in een toiletruimte, een badruimte, of een ruimte voor het stallen van motorvoertuigen.
Artikel 2.61. Tijdelijk bouwwerk
Op het bouwen van een tijdelijk bouwwerk zijn de artikelen 2.57 tot en met 2.59 van toepassing.
1.
Een bestaand bouwwerk is zodanig dat het ontstaan van een brandgevaarlijke situatie voldoende wordt beperkt.
2.
Aan de in het eerste lid gestelde eis wordt voldaan door toepassing van de voorschriften in deze paragraaf.
1.
Materiaal ter plaatse van of nabij een stookplaats is onbrandbaar, bepaald volgens NEN 6064, indien:
a. op het materiaal een intensiteit aan warmtestraling kan optreden die, bepaald volgens NEN 6061, groter is dan 2 kW/m 2 , of
b. in het materiaal een temperatuur kan optreden die, bepaald volgens NEN 6061, hoger is dan 90 °C.
2.
Bij toepassing van het eerste lid kan in plaats van onbrandbaar, bepaald volgens NEN 6064 worden uitgegaan van brandklasse A1, of A1 fl , bepaald volgens NEN-EN 13501-1.
1.
Een afvoervoorziening voor rookgas is brandveilig. Of de afvoervoorziening brandveilig is kan worden bepaald volgens NEN 8062.
2.
De horizontale afstand tussen de uitmonding van een afvoervoorziening voor rookgas van een op vaste brandstof gestookt toestel en een brandgevaarlijk dak als bedoeld in NEN 6063, van een ander bouwwerk is ten minste 15 m.
Artikel 2.65. Opstelplaats open verbrandingstoestel
Een opstelplaats voor een open verbrandingstoestel ligt niet in een toiletruimte of een badruimte.
Artikel 2.66. Aansturingsartikel
2.67 2.68 2.69 2.70 2.71 2.72 2.73 2.74 2.67 2.68 2.69 Tabel 2.66
gebruiksfunctie leden van toepassing grenswaarden
                                      zijde grenzend aan de bovenzijde
                                      binnenlucht buitenlucht      
  binnenoppervlak buitenoppervlak beloopbaar vlak vrijgesteld dakoppervlak constructieonderdeel verbouw tijdelijke bouw extra beschermde vluchtroute beschermde vluchtroute overig extra beschermde vluchtroute beschermde vluchtroute overig extra beschermde vluchtroute beschermde vluchtroute overig
    artikel  
    lid 1 2 1 2 3 4 5 1 2 1 2 3 1 2 * 1 2 * 1 en 2 1 1 en 2
                                          [brandklasse] [brandklasse] [brandklasse]
1 Woonfunctie                                                      
  a in een woongebouw 1 1 2 3 4 5 1 2 1 2 1 * 1 * B B D C C D C fl C fl D fl
  b voor zorg met een g.o. > 500 m 2 1 1 2 3 4 5 1 2 1 1 * 1 * B B D C C D C fl C fl D fl
  c andere woonfunctie 1 1 2 4 5 1 2 1 2 1 * 1 * B D D C D D C fl D fl D fl
2 Bijeenkomstfunctie                                                      
  a voor kinderopvang voor kinderen jonger dan 4 jaar 1 1 2 3 4 5 1 2 1 1 * 1 * B B D C C D C fl D fl D fl
  b andere bijeenkomstfunctie 1 1 2 3 4 5 1 2 1 2 1 * 1 * B D D C D D C fl D fl D fl
3 Celfunctie 1 1 2 3 4 5 1 2 1 1 * 1 * B B C B B D C fl C fl C fl
4 Gezondheidszorgfunctie                                                      
  a met bedgebied 1 1 2 3 4 5 1 2 1 1 * 1 * B B D C C D C fl D fl D fl
  b andere gezondheidszorgfunctie 1 1 2 3 4 5 1 2 1 2 1 * 1 * B D D C D D C fl D fl D fl
5 Industriefunctie                                                      
  a lichte industriefunctie voor bedrijfsmatig houden van dieren 1 1 2 3 4 5 1 2 1 1 * 1 2 * B B B C D D C fl D fl D fl
  b andere industriefunctie 1 1 2 3 4 5 1 2 1 2 1 * 1 * B D D C D D C fl D fl D fl
6 Kantoorfunctie 1 1 2 3 4 5 1 2 1 2 1 * 1 * B D D C D D C fl D fl D fl
7 Logiesfunctie 1 1 2 3 4 5 1 2 1 2 1 * 1 * B B D C C D C fl D fl D fl
8 Onderwijsfunctie 1 1 2 3 4 5 1 2 1 2 1 * 1 * B D D C D D C fl D fl D fl
9 Sportfunctie 1 1 2 3 4 5 1 2 1 2 1 * 1 * B D D C D D C fl D fl D fl
10 Winkelfunctie 1 1 2 3 4 5 1 2 1 2 1 * 1 * B D D C D D C fl D fl D fl
11 Overige gebruiksfunctie 1 2 1 2 3 4 5 1 2 1 2 1 2 * 1 * B D D C D D C fl D fl D fl
12 Bouwwerk geen gebouw zijnde                                                      
  a tunnel of tunnelvormig bouwwerk voor verkeer 1 1 2 4 5 1 2 3 1 2 * 1 * B B B C D D C fl D fl D fl
  b ander bouwwerk geen gebouw zijnde 1 2 4 5 1 2 3 1 2 * 1 * C D D C fl D fl D fl
1.
Een te bouwen bouwwerk is zodanig dat brand en rook zich niet snel kunnen ontwikkelen.
2.
Voor zover voor een gebruiksfunctie in tabel 2.66 voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die voorschriften en de krachtens die bepalingen gegeven voorschriften.
1.
Een zijde van een constructieonderdeel die grenst aan de binnenlucht voldoet aan de in tabel 2.66 aangegeven brandklasse en aan rookklasse s2, beide bepaald volgens NEN-EN 13501-1.
2.
In afwijking van het eerste lid, geldt de eis aan de rookklasse uitsluitend bij een beschermde vluchtroute.
1.
Een zijde van een constructieonderdeel die grenst aan de buitenlucht voldoet aan de in tabel 2.66 aangegeven brandklasse, bepaald volgens NEN-EN 13501-1.
2.
Het deel van een zijde van een constructieonderdeel dat grenst aan de buitenlucht en hoger ligt dan 13 m, voldoet aan brandklasse B, bepaald volgens NEN-EN 13501-1.
3.
Een zijde van een constructieonderdeel die grenst aan de buitenlucht, van een bouwwerk waarvan een voor personen bestemde vloer ten minste 5 m boven het meetniveau ligt, voldoet vanaf het aansluitende terrein tot een hoogte van ten minste 2,5 m aan brandklasse B, bepaald volgens NEN-EN 13501-1.
4.
Het eerste tot en met derde lid zijn niet van toepassing op de bovenzijde van een dak.
5.
In afwijking van het eerste tot en met derde lid voldoet een deur, een raam, een kozijn en een daaraan gelijk te stellen constructieonderdeel aan brandklasse D, bepaald volgens NEN-EN 13501-1.
1.
In afwijking van artikel 2.67 geldt voor de bovenzijde van een vloer, een trap en een hellingbaan die grenst aan de binnenlucht rookklasse s1 fl en de in tabel 2.66 aangegeven brandklasse, beide bepaald volgens NEN-EN 13501-1.
2.
In afwijking van de artikel 2.68 geldt voor een bovenzijde van een vloer, een trap en een hellingbaan die grenst aan de buitenlucht de in tabel 2.66 aangegeven brandklasse, bepaald volgens NEN-EN 13501-1.
1.
Op ten hoogste 5% van de totale oppervlakte van de constructieonderdelen van elke afzonderlijke ruimte, waarvoor volgens de artikelen 2.67 tot en met 2.69 een eis geldt, is die eis niet van toepassing.
2.
Onverminderd het eerste lid is op ten hoogste 10% van de totale oppervlakte van de constructieonderdelen van elke afzonderlijke ruimte waardoor geen beschermde vluchtroute voert, artikel 2.67 niet van toepassing.
3.
Voor bouwwerken geen gebouw zijnde is op ten hoogste 5% van de totale oppervlakte van de constructieonderdelen, waarvoor volgens de artikelen 2.67 tot en met 2.69 een eis geldt, die eis niet van toepassing.
1.
De bovenzijde van een dak van een bouwwerk is, bepaald volgens NEN 6063, niet brandgevaarlijk. Dit geldt niet indien het bouwwerk geen voor personen bestemde vloer heeft die hoger ligt dan 5 m boven het meetniveau, en de brandgevaarlijke delen van het dak ten minste 15 m vanaf de perceelsgrens liggen. Indien het perceel waarop het bouwwerk ligt, grenst aan een openbare weg, openbaar water, openbaar groen, of een perceel dat niet is bestemd voor bebouwing of voor een speeltuin, een kampeerterrein of opslag van brandgevaarlijke stoffen of van brandbare niet milieugevaarlijke stoffen wordt die afstand aangehouden tot het hart van de weg, dat water, dat groen of dat perceel.
2.
Het eerste lid geldt niet voor een bouwwerk met een gebruiksoppervlakte van ten hoogste 50 m 2 .
Artikel 2.72. Constructieonderdeel
Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften worden gesteld ter beperking van het ontwikkelen van brand en rook in een constructieonderdeel.
1.
Op het geheel of gedeeltelijk vernieuwen of veranderen of het vergroten van een bouwwerk zijn de artikelen 2.67, 2.68, eerste, tweede, vierde en vijfde lid, 2.69 en 2.71 van overeenkomstige toepassing, waarbij in plaats van het in die artikelen aangegeven niveau van eisen wordt uitgegaan van het rechtens verkregen niveau.
2.
In afwijking van het eerste lid wordt bij het geheel of gedeeltelijk vernieuwen of veranderen of vergroten van een bouwwerk bij toepassing van artikel 2.67, eerste lid, niet uitgegaan van het rechtens verkregen niveau.
Artikel 2.74. Tijdelijke bouw
Op het bouwen van een tijdelijk bouwwerk zijn de artikelen 2.68, derde lid, en 2.71 van toepassing.
Artikel 2.75. Aansturingsartikel
2.76 2.77 2.78 2.79 2.80 2.76 2.77 Tabel 2.75
gebruiksfunctie leden van toepassing grenswaarden
                                zijde grenzend aan de
                                binnenlucht buitenlucht
      binnenoppervlak buitenoppervlak beloopbaar vlak vrijgesteld Toepassing Euroklassen extra beschermde vluchtroute beschermde route overig extra beschermde vluchtroute beschermde route overig
    artikel
    lid 1 2 3 4 1 2 3 1 2 3 1 2 * 1 1
                                [brandklasse] [brandklasse]
1 Woonfunctie                                      
  a in een woongebouw 1 2 3 1 2 3 1 2 3 1 * 2 2 4 2 2 4
  b andere woonfunctie 1 3 1 2 3 1 2 3 1 * 2 4 4 2 4 4
2 Bijeenkomstfunctie 1 3 1 2 3 1 2 3 1 * 2 4 4 2 4 4
3 Celfunctie 1 3 4 1 2 3 1 2 3 1 * 1 1 4 1 1 4
4 Gezondheidszorgfunctie                                      
  a met bedgebied 1 2 3 1 2 3 1 2 3 1 * 2 2 4 2 4 4
  b andere gezondheidszorgfunctie 1 3 1 2 3 1 2 3 1 * 2 4 4 2 4 4
5 Industriefunctie 1 3 1 2 3 1 2 3 1 * 2 4 4 2 4 4
6 Kantoorfunctie 1 3 1 2 3 1 2 3 1 * 2 4 4 2 4 4
7 Logiesfunctie                                      
  a in een logiesgebouw 1 2 3 1 2 3 1 2 3 1 * 2 2 4 2 4 4
  b andere logiesfunctie 1 3 1 2 3 1 2 3 1 * 2 4 4 2 4 4
8 Onderwijsfunctie 1 3 1 2 3 1 2 3 1 * 2 4 4 2 4 4
9 Sportfunctie 1 3 1 2 3 1 2 3 1 * 2 4 4 2 4 4
10 Winkelfunctie 1 3 1 2 3 1 2 3 1 * 2 4 4 2 4 4
11 Overige gebruiksfunctie
12 Bouwwerk geen gebouw zijnde                                      
  a tunnel of tunnelvorming bouwwerk voor verkeer 3 1 2 3 1 2 3 2 * 2 4 4
  b ander bouwwerk geen gebouw zijnde 1 2 3 1 2 3 2 * 2 4 4
1.
Een bestaand bouwwerk is zodanig dat brand en rook zich niet snel kunnen ontwikkelen.
2.
Voor zover voor een gebruiksfunctie in tabel 2.75 voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die voorschriften.
1.
Een zijde van een constructieonderdeel die grenst aan de binnenlucht heeft een volgens NEN 6065 bepaalde bijdrage tot brandvoortplanting, die voldoet aan de in tabel 2.75 aangegeven brandklasse en een rookproductie met een volgens NEN 6066 bepaalde rookdichtheid van ten hoogste 10 m -1 .
2.
In afwijking van het eerste lid heeft een zijde van een constructieonderdeel die grenst aan de binnenlucht in een besloten ruimte waardoor een beschermde route voert een rookproductie met een volgens NEN 6066 bepaalde rookdichtheid van ten hoogste 5,4 m -1 .
3.
In afwijking van het eerste lid heeft een zijde van een constructieonderdeel die grenst aan de binnenlucht in een besloten ruimte waardoor een extra beschermde vluchtroute voert een rookproductie met een volgens NEN 6066 bepaalde rookdichtheid van ten hoogste 5,4 m -1 .
4.
In afwijking van het eerste lid heeft een zijde van een constructieonderdeel die grenst aan de binnenlucht in een cel een rookproductie met een volgens NEN 6066 bepaalde rookdichtheid van ten hoogste 5,4 m -1 .
1.
Een zijde van een constructieonderdeel die grenst aan de buitenlucht heeft een volgens NEN 6065 bepaalde bijdrage tot brandvoortplanting, die voldoet aan de in tabel 2.75 aangegeven brandklasse.
2.
In afwijking van het eerste lid hebben een deur, een raam, een kozijn of een daaraan gelijk te stellen constructieonderdeel een volgens NEN 6065 bepaalde bijdrage tot brandvoortplanting die voldoet aan klasse 4.
3.
Het eerste lid geldt niet voor de bovenzijde van een dak.
1.
In afwijking van artikel 2.76 geldt voor de bovenzijde van een vloer, een trap of een hellingbaan, die grenst aan de binnenlucht een volgens NEN 1775 bepaalde bijdrage tot brandvoortplanting van klasse T3 en een rookproductie met een volgens NEN 6066 bepaalde rookdichtheid van ten hoogste 10 m -1 .
2.
In afwijking van artikel 2.77 geldt voor de bovenzijde van een vloer, trap of een hellingbaan, die grenst aan de buitenlucht een volgens NEN 1775 bepaalde bijdrage tot brandvoortplanting van klasse T3.
3.
In afwijking van het eerste en tweede lid geldt voor de bovenzijde van een vloer, een trap of een hellingbaan, waarover een extra beschermde vluchtroute voert een volgens NEN 1775 bepaalde bijdrage tot brandvoortplanting van klasse T1.
1.
Op ten hoogste 5% van de totale oppervlakte van de constructieonderdelen van elke afzonderlijke ruimte, waarvoor volgens de artikelen 2.76 tot en met 2.78 een eis geldt, is die eis niet van toepassing.
2.
Voor bouwwerken geen gebouw zijnde is op ten hoogste 5% van de totale oppervlakte van de constructieonderdelen, waarvoor volgens de artikelen 2.76 tot en met 2.78 een eis geldt, die eis niet van toepassing.
Artikel 2.80. Toepassing Euroklassen
Bij toepassing van de artikelen 2.76 tot en met 2.78 kan in plaats van:
a. brandklasse 1 en bepaald volgens NEN 6065 worden uitgegaan van brandklasse B bepaald volgens NEN-EN 13501-1;
b. brandklasse 2 bepaald volgens NEN 6065 in een besloten ruimte worden uitgegaan van brandklasse B en in een niet besloten ruimte van brandklasse C beide bepaald volgens NEN-EN 13501-1;
c. brandklasse 3 bepaald volgens NEN 6065 worden uitgegaan van brandklasse C bepaald volgens NEN-EN 13501-1;
d. brandklasse 4 bepaald volgens NEN 6065 worden uitgegaan van brandklasse D bepaald volgens NEN-EN 13501-1;
e. brandklasse T1 bepaald volgens NEN 1775 worden uitgegaan van brandklasse C fl , bepaald volgens NEN-EN 13501-1;
f. brandklasse T3 bepaald volgens NEN 1775 worden uitgegaan van brandklasse D fl , bepaald volgens volgens NEN-EN 13501-1, en
g. een rookproductie met een rookdichtheid van ten hoogste 10 m -1 of 5,4 -1 bepaald volgens NEN 6066 worden uitgegaan van rookklasse s2 bepaald volgens NEN-EN 13501-1.
Artikel 2.81. Aansturingsartikel
Tabel 2.81
gebruiksfunctie leden van toepassing     grenswaarden
      ligging omvang wbdbo verbouw tijdelijke bouw omvang
    artikel 2.82 2.83 2.84 2.85 2.86 2.83
    lid 1 2 3 4 5 6 7 8 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 * * 1
1 Woonfunctie                                                                 [m 2 ]
  a woonwagen 1 3 4 2 8 9 10
  b andere woonfunctie 1 3 4 1 3 5 6 7 1 2 3 7 8 * * 1.000
2 Bijeenkomstfunctie 1 3 4 1 3 7 8 1 4 7 8 * * 1.000
3 Celfunctie 1 3 4 1 3 7 9 1 8 * * 1.000
4 Gezondheidszorgfunctie                                                                  
  a met bedgebied 1 3 4 1 3 7 10 1 8 * * 1.000
  b andere gezondheidszorgfunctie 1 3 4 1 3 7 1 4 7 8 * * 1.000
5 Industriefunctie                                                                  
  a lichte industriefunctie 1 3 4 5 6 7 8 1 3 7 1 4 5 7 8 * * 2.500
  b lichte industriefunctie voor bedrijfsmatig houden van dieren 1 4 5 6 7 8 1 3 11 1 4 5 6 7 8 11 * * 2.500
  c andere industriefunctie 1 3 4 5 6 1 3 7 1 4 5 7 8 * * 2.500
6 Kantoorfunctie 1 3 4 1 3 7 8 1 4 7 8 * * 1.000
7 Logiesfunctie 1 3 4 1 3 7 1 4 7 8 * * 500
8 Onderwijsfunctie 1 3 4 1 3 7 8 1 4 7 8 * * 1.000
9 Sportfunctie 1 3 4 1 3 7 1 4 7 8 * * 1.000
10 Winkelfunctie 1 3 4 1 3 7 8 1 4 7 8 * * 1.000
11 Overige gebruiksfunctie 1 3 4 5 6 7 1 3 7 8 1 4 7 8 * * 1.000
12 Bouwwerk geen gebouw zijnde                                                                  
  a Wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m 1 2 3 4 4 1 8 *
  b ander bouwwerk geen gebouw zijnde
1.
Een te bouwen bouwwerk is zodanig dat de kans op een snelle uitbreiding van brand voldoende wordt beperkt.
2.
Voor zover voor een gebruiksfunctie in tabel 2.81 voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die voorschriften.
1.
Een besloten ruimte ligt in een brandcompartiment.
2.
Een wegtunnelbuis met een lengte van meer dan 250 m ligt in een brandcompartiment.
3.
Het eerste lid is niet van toepassing op:
a. een toiletruimte;
b. een badruimte;
c. een liftschacht, indien de constructieonderdelen aan de binnenzijde van de schacht voldoen aan brandklasse B en aan rookklasse s2, beide bepaald volgens NEN-EN 13501-1, en
d. een technische ruimte met een gebruiksoppervlakte van ten hoogste 50 m 2 niet bestemd voor een of meer verbrandingstoestellen met een totale nominale belasting van meer dan 130 kW.
4.
In afwijking van het eerste lid voert een extra beschermde vluchtroute niet door een brandcompartiment.
5.
Een niet besloten gebruiksgebied ligt in een brandcompartiment.
6.
Het eerste en vijfde lid zijn niet van toepassing op een of meer gebruiksfuncties van dezelfde soort met een totale gebruiksoppervlakte van ten hoogste 1.000 m 2 en een vuurbelasting niet groter dan 500 MJ/m 2 , bepaald volgens NEN 6090.
7.
Het eerste en vijfde lid zijn niet van toepassing op een bouwwerk met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m 2 . Deze uitzondering geldt niet indien het bouwwerk aan een of meer andere bouwwerken grenst en de gezamenlijke gebruiksoppervlakte groter is dan 50 m 2 .
8.
Het eerste en vijfde lid zijn niet van toepassing op een lichte industriefunctie uitsluitend bestemd voor het bedrijfsmatig telen, kweken of opslaan van gewassen of daarmee vergelijkbare producten, met een permanente vuurbelasting niet groter dan 150 MJ/m 2 , bepaald volgens NEN 6090.
1.
Een brandcompartiment heeft een gebruiksoppervlakte die niet groter is dan de in tabel 2.81 aangegeven waarde.
2.
In een brandcompartiment liggen ten hoogste vier woonwagens en nevenfuncties daarvan met een totale gebruiksoppervlakte van ten hoogste 1.000 m 2 .
3.
Een brandcompartiment strekt zich uit over niet meer dan een perceel.
4.
Een brandcompartiment strekt zich uit over niet meer dan een wegtunnelbuis.
5.
In een brandcompartiment liggen ten hoogste een woonfunctie en nevenfuncties daarvan.
6.
In afwijking van het vijfde lid is een gemeenschappelijk verblijfsgebied toegestaan, indien dat verblijfsgebied een afzonderlijk brandcompartiment is.
7.
Een technische ruimte met een gebruiksoppervlakte van meer dan 50 m 2 of een technische ruimte waarin een of meer verbrandingstoestellen met een totale nominale belasting van meer dan 130 kW worden opgesteld, is een afzonderlijk brandcompartiment.
8.
Bij een brandcompartiment van een industriefunctie met een gebruiksoppervlakte van meer dan 1.000 m 2 is het eerste lid niet van toepassing op een of meer in dat brandcompartiment gelegen nevenfuncties met een totale gebruiksoppervlakte van ten hoogste 100 m 2 .
9.
In afwijking van het eerste lid is de gebruiksoppervlakte van een brandcompartiment met een of meer cellen ten hoogste 500 m 2 en niet groter dan 77% van de gebruiksoppervlakte van het gebouw.
10.
Een brandcompartiment met bedgebied voor bedgebonden patiënten is niet groter dan 77% van de gebruiksoppervlakte van de bouwlaag waarop dit brandcompartiment ligt.
11.
Een technische ruimte is een afzonderlijk brandcompartiment.
1.
De volgens NEN 6068 bepaalde weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag van een brandcompartiment naar een ander brandcompartiment, naar een besloten ruimte waardoor een extra beschermde vluchtroute voert, naar een niet besloten veiligheidsvluchtroute en naar een liftschacht van een brandweerlift is ten minste 60 minuten.
2.
In afwijking van het eerste lid kan tussen een brandcompartiment en een besloten ruimte waardoor een extra beschermde vluchtroute voert worden volstaan met 30 minuten.
3.
In afwijking van het eerste lid kan worden volstaan met 30 minuten indien:
a. de volgens NEN 6090 bepaalde permanente vuurbelasting van het brandcompartiment niet groter is dan 500 MJ/m 2 , en
b. in het gebouw geen vloer van een verblijfsgebied hoger ligt dan 7 m boven het meetniveau.
4.
In afwijking van het eerste lid kan worden volstaan met 30 minuten indien:
a. de in het eerste lid bedoelde besloten ruimten op hetzelfde perceel liggen, en
b. in het gebouw geen vloer van een gebruiksgebied hoger ligt dan 5 m boven het meetniveau.
5.
Het vierde lid is niet van toepassing op een brandcompartiment met een gebruiksoppervlakte van meer dan 1.000 m 2 .
6.
Het vierde lid is niet van toepassing op een technische ruimte.
7.
Het tweede tot en met vierde lid gelden niet voor een ruimte waardoor een veiligheidsvluchtroute voert.
8.
Bij het bepalen van de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag van een brandcompartiment naar een ruimte van een op een aangrenzend perceel gelegen gebouw wordt voor het op het andere perceel gelegen gebouw uitgegaan van een identiek maar spiegelsymmetrisch ten opzichte van de perceelsgrens gelegen gebouw. Indien het perceel grenst aan een openbare weg, openbaar water, openbaar groen, of een perceel dat niet is bestemd voor bebouwing of voor een speeltuin, een kampeerterrein of opslag van brandgevaarlijke stoffen of van brandbare niet milieugevaarlijke stoffen vindt deze spiegeling plaats ten opzichte van het hart van die weg, dat water, dat groen of dat perceel.
9.
De volgens NEN 6068 bepaalde weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag van een woonwagen naar een andere woonwagen is ten minste 30 minuten. Bij de bepaling van deze weerstand wordt uitgegaan van een identieke maar spiegelsymmetrisch op een afstand van 5 m geplaatste woonwagen.
10.
De volgens NEN 6068 bepaalde weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag van een brandcompartiment naar een ander brandcompartiment is ten minste 30 minuten of de afstand tussen een brandcompartiment en een ander brandcompartiment is ten minste 5 meter.
11.
In afwijking van het eerste lid geldt geen weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag van een brandcompartiment naar een technische ruimte met een gebruiksoppervlakte van ten hoogste 50 m 2 niet bestemd voor een of meer verbrandingstoestellen met een totale nominale belasting van meer dan 130 kW.
Artikel 2.85. Verbouw
Op het gedeeltelijk vernieuwen of veranderen of het vergroten van een bouwwerk zijn de artikelen 2.82 tot en met 2.84 van overeenkomstige toepassing, waarbij in plaats van het in die artikelen aangegeven niveau van eisen wordt uitgegaan van het rechtens verkregen niveau en een weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag van ten minste 30 minuten.
Artikel 2.86. Tijdelijke bouw
Op het bouwen van een tijdelijk bouwwerk zijn de artikelen 2.82 en 2.83 van toepassing en is artikel 2.84 van overeenkomstige toepassing waarbij de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag ten minste 30 minuten is.
Artikel 2.87. Aansturingsartikel
Tabel 2.87
gebruiksfuctie leden van toepassing grenswaarden
      ligging omvang wbdbo omvang
    artikel 2.88 2.89 2.90 2.89
    lid 1 2 3 4 5 6 7 8 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 1 2 3 1
                                                [m 2 ]
1 Woonfunctie                                            
  a woonwagen 1 2 2 3
  b andere woonfunctie 1 3 4 1 3 5 6 7 1 2 2.000
2 Bijeenkomstfunctie 1 3 4 1 3 7 8 1 2 2.000
3 Celfunctie 1 3 4 1 3 7 9 1 2 2.000
4 Gezondheidszorgfunctie                                            
  a met bedgebied 1 3 4 1 3 7 10 1 2 2.000
  b andere gezondheidszorgfunctie 1 3 4 1 3 7 1 2 2.000
5 Industriefunctie                                            
  a lichte industriefunctie 1 3 4 5 6 7 8 1 3 7 1 2 3.000
  b andere industriefunctie 1 3 4 5 6 1 3 7 1 2 3.000
6 Kantoorfunctie 1 3 4 1 3 7 8 1 2 2.000
7 Logiesfunctie 1 3 4 1 3 7 1 2 1.000
8 Onderwijsfunctie 1 3 4 1 3 7 1 2 3.000
9 Sportfunctie 1 3 4 1 3 7 1 2 3.000
10 Winkelfunctie 1 3 4 1 3 7 8 1 2 2.000
11 Overige gebruiksfunctie 1 3 4 5 6 7 1 3 7 8 1 2 3.000
12 Bouwwerk geen gebouw zijnde                                            
  a wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m 1 2 3 4 4 1 2
  b ander bouwwerk geen gebouw zijnde
1.
Een bestaand bouwwerk is zodanig dat de kans op een snelle uitbreiding van brand voldoende wordt beperkt.
2.
Voor zover voor een gebruiksfunctie in tabel 2.87 voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die voorschriften.
1.
Een besloten ruimte ligt in een brandcompartiment.
2.
Een wegtunnelbuis met een tunnelbuislengte van meer dan 250 m ligt in een brandcompartiment.
3.
Het eerste lid is niet van toepassing op:
a. een toiletruimte;
b. een badruimte;
c. een liftschacht, indien de constructieonderdelen aan de binnenzijde van de schacht voldoen aan een volgens NEN 6065 bepaalde bijdrage tot brandvoortplanting die voldoet aan klasse 2 en een rookproductie met een volgens NEN 6066 bepaalde rookdichtheid van ten hoogste 5,4 m -1 , of aan brandklasse B en rookklasse s2, beide bepaald volgens NEN 13501-1, en
d. een technische ruimte met een gebruiksoppervlakte van ten hoogste 100 m 2 niet bestemd voor een of meer verbrandingstoestellen met een totale nominale belasting van meer dan 160 kW.
4.
In afwijking van het eerste lid voert een extra beschermde vluchtroute niet door een brandcompartiment.
5.
Een niet besloten gebruiksgebied ligt in een brandcompartiment.
6.
Het eerste en vijfde lid zijn niet van toepassing op een of meer gebruiksfuncties van dezelfde soort met een gebruiksoppervlakte van ten hoogste 2.000 m 2 en een vuurbelasting niet groter dan 500 MJ/m 2 , bepaald volgens NEN 6090.
7.
Het eerste en vijfde lid zijn niet van toepassing op een of meer gebruiksfuncties van dezelfde soort met een totale gebruiksoppervlakte van ten hoogste100 m 2 .
8.
Het eerste en vijfde lid zijn niet van toepassing op een lichte industriefunctie met een permanente vuurbelasting niet groter dan 200 MJ/m 2 , bepaald volgens NEN 6090.
1.
Een brandcompartiment heeft een gebruiksoppervlakte die niet groter is dan de in tabel 2.87 aangegeven waarde.
2.
In een brandcompartiment liggen ten hoogste vier woonwagens en nevenfuncties daarvan met een totale gebruiksoppervlakte van ten hoogste 1.000 m 2 .
3.
Een brandcompartiment strekt zich uit over niet meer dan een perceel.
4.
Een brandcompartiment strekt zich uit over niet meer dan een wegtunnelbuis.
5.
In een brandcompartiment liggen ten hoogste een woonfunctie en nevenfuncties daarvan.
6.
In afwijking van het vijfde lid is een gemeenschappelijk verblijfsgebied toegestaan, indien dat verblijfsgebied een afzonderlijk brandcompartiment is.
7.
Een technische ruimte met een gebruiksoppervlakte van meer dan 100 m 2 of een technische ruimte waarin een of meer verbrandingstoestellen met een totale nominale belasting van meer dan 160 kW worden opgesteld, is een afzonderlijk brandcompartiment.
8.
Bij een brandcompartiment van een industriefunctie met een gebruiksoppervlakte van meer dan 2.000 m 2 is het eerste lid niet van toepassing op een of meer in dat brandcompartiment gelegen nevenfuncties.
9.
In afwijking van het eerste lid is de gebruiksoppervlakte van een brandcompartiment met een of meer cellen ten hoogste 1.000 m 2 en niet groter dan 77% van de gebruiksoppervlakte van het gebouw.
10.
Een brandcompartiment met bedgebied voor bedgebonden patiënten is niet groter dan 77% van de gebruiksoppervlakte van de bouwlaag waarop dit brandcompartiment ligt.
1.
De volgens NEN 6068 bepaalde weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag van een brandcompartiment naar een ander brandcompartiment en een besloten ruimte waardoor een extra beschermde vluchtroute voert is ten minste 20 minuten.
2.
Bij het bepalen van de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag van een brandcompartiment naar een ruimte van een op een aangrenzend perceel gelegen gebouw wordt voor het op het andere perceel gelegen gebouw uitgegaan van een identiek maar spiegelsymmetrisch ten opzichte van de perceelsgrens gelegen gebouw. Indien het perceel grenst aan een openbare weg, openbaar water of openbaar groen, of een perceel dat niet is bestemd voor bebouwing of voor een speeltuin, een kampeerterrein of opslag van brandgevaarlijke stoffen vindt deze spiegeling plaats ten opzichte van het hart van die weg, dat water, dat groen of dat perceel.
3.
De volgens NEN 6068 bepaalde weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag van een brandcompartiment naar een ander brandcompartiment is ten minste 20 minuten of de afstand tussen een brandcompartiment en een ander brandcompartiment is ten minste 5 meter.
Artikel 2.91. Aansturingsartikel
Tabel 2.91
gebruiksfunctie leden van toepassing grenswaarden
      ligging omvang beschermd subbrandcompartiment wbdbo en rookdoorgang verbouw tijdelijke bouw omvang beschermd subbrandcompartiment
    artikel 2.92 2.93 2.94 2.95 2.96 2.93
    lid 1 2 3 4 5 6 7 1 2 3 4 5 6 7 8 1 2 3 * * 1
1 Woonfunctie                                          
  a voor zorg met een g.o. > 500 m 2 1 2 3 4 1 2 1 2 3 * * 100
  b woonwagen 1 2 1 * *
  c andere woonfunctie 1 2 3 4 1 1 2 3 * * 500
2 Bijeenkomstfunctie                                          
  a voor kinderopvang met bedgebied 1 2 3 5 1 3 8 1 2 3 * * 200
  b andere bijeenkomstfunctie 1 2 3 1 3 * *
3 Celfunctie 1 2 3 6 1 4 1 2 3 * * 500
4 Gezondheidszorgfunctie                                          
  a met bedgebied 1 2 3 5 5 6 1 2 3 * *
  b andere gezondheidszorgfunctie 1 2 3 1 3 * *
5 Industriefunctie 1 2 3 1 3 * *
6 Kantoorfunctie 1 2 3 1 3 * *
7 Logiesfunctie 1 2 3 7 1 7 8 1 2 3 * * 500
8 Onderwijsfunctie 1 2 3 1 3 * *
9 Sportfunctie 1 2 3 1 3 * *
10 Winkelfunctie 1 2 3 1 3 * *
11 Overige gebruiksfunctie 1 2 3 1 3 * *
12 Bouwwerk geen gebouw zijnde                                          
  a wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m 1 2 3 1 3
  b ander bouwwerk geen gebouw zijnde
1.
Een te bouwen bouwwerk is zodanig dat uitbreiding van brand in verdergaande mate wordt beperkt dan is beoogd met paragraaf 2.10.1 en dat veilig kan worden gevlucht.
2.
Voor zover voor een gebruiksfunctie in tabel 2.91 voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die voorschriften en de krachtens die bepalingen gegeven voorschriften.
1.
Een brandcompartiment is ingedeeld in een of meer subbrandcompartimenten of verkeersruimten waardoor een beschermde vluchtroute voert.
2.
Een beschermde vluchtroute ligt niet in een subbrandcompartiment.
3.
In afwijking van het eerste lid kan een verblijfsgebied voor bewaking buiten een subbrandcompartiment liggen indien:
a. constructieonderdelen in dat gebied voldoen aan de eisen die artikel 2.67 stelt aan constuctieonderdelen die grenzen aan de binnenlucht in een ruimte waardoor een beschermde vluchtroute voert, en
b. aankleding in dat gebied voldoet aan de eisen die artikel 7.4 stelt aan aankleding in een ruimte waardoor een beschermde vluchtroute voert.
4.
Een verblijfsgebied ligt in een beschermd subbrandcompartiment.
5.
Een bedgebied ligt in een beschermd subbrandcompartiment.
6.
Een cel ligt in een beschermd subbrandcompartiment.
7.
Een logiesverblijf ligt in een beschermd subbrandcompartiment.
1.
Een beschermd subbrandcompartiment heeft een gebruiksoppervlakte van ten hoogste de in tabel 2.91 aangegeven waarde.
2.
In afwijking van het eerste lid is een gezamenlijke verblijfsruimte een afzonderlijk beschermd subbrandcompartiment met een gebruiksoppervlakte van ten hoogste 500 m 2 .
3.
Een beschermd subbrandcompartiment omvat niet meer dan een gebruiksfunctie en nevenfuncties van die gebruiksfunctie.
4.
Een cel is een afzonderlijk beschermd subbrandcompartiment.
5.
Een beschermd subbrandcompartiment met bedgebied omvat uitsluitend een of meer bedruimten en ruimten die ten dienste staan van die bedruimten, en heeft een totale gebruiksoppervlakte van ten hoogste 500 m 2 .
6.
Een beschermd subbrandcompartiment als bedoeld in het vijfde lid, bestemd voor bedgebonden patiënten heeft, afhankelijk van het bewakingsniveau, een totale gebruiksoppervlakte van ten hoogste 50 m 2 zonder bewaking en ten hoogste 500 m 2 bij permanente bewaking.
7.
Een logiesverblijf is een afzonderlijk beschermd subbrandcompartiment.
8.
Een afzonderlijk beschermd subbrandcompartiment is een afzonderlijk subbrandcompartiment.
1.
De volgens NEN 6068 bepaalde weerstand tegen branddoorslag van een subbrandcompartiment naar een andere ruimte in het brandcompartiment is ten minste 20 minuten, waarbij voor de bepaling van de brandwerendheid met betrekking tot de scheidende functie van een scheidingsconstructie uitsluitend rekening wordt gehouden met het beoordelingscriterium vlamdichtheid met betrekking op de afdichting.
2.
De volgens NEN 6068 bepaalde weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag van een beschermd subbrandcompartiment naar een andere ruimte in het brandcompartiment is ten minste 30 minuten.
3.
Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften worden gegeven over de rookdoorgang van een subbrandcompartiment en van een beschermd subbrandcompartiment naar een andere ruimte.
Artikel 2.95. Verbouw
Op het gedeeltelijk vernieuwen of veranderen of het vergroten van een bouwwerk zijn de artikelen 2.92 tot en met 2.94 van overeenkomstige toepassing, waarbij in plaats van het in die artikelen aangegeven niveau van eisen wordt uitgegaan van het rechtens verkregen niveau.
Artikel 2.96. Tijdelijke bouw
Op het bouwen van een tijdelijk bouwwerk zijn de artikelen 2.94, eerste en derde lid van toepassing.
Artikel 2.97. Aansturingsartikel
Tabel 2.97
gebruiksfunctie leden van toepassing grenswaarden
      ligging omvang beschermd subbrandcompartiment wtrd en wbdbo omvang beschermd subbrandcompartiment
    artikel 2.98 2.99 2.100 2.99
    lid 1 2 3 4 5 6 7 1 2 3 4 5 6 7 1 2 3 1
1 Woonfunctie                                    
  a voor zorg met een g.o. > 1.000 m 2 1 2 3 4 1 2 1 2 200
  b woonwagen 1 2 1
  c andere woonfunctie 1 2 3 4 1 1 2 1.000
2 Bijeenkomstfunctie 1 2 3 1
3 Celfunctie 1 2 3 6 3 1 2 3
4 Gezondheidszorgfunctie                                    
  a met bedgebied 1 2 3 5 4 5 1 2 3
  b andere gezondheidszorgfunctie 1 2 3 1
5 Industriefunctie 1 2 3 1
6 Kantoorfunctie 1 2 3 1
7 Logiesfunctie 1 2 3 7 1 6 7 1 2 1.000
8 Onderwijsfunctie 1 2 3 1
9 Sportfunctie 1 2 3 1
10 Winkelfunctie 1 2 3 1
11 Overige gebruiksfunctie 1 2 3 1
12 Bouwwerk geen gebouw zijnde                                    
  a wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m 1 2 3 1
  b ander bouwwerk geen gebouw zijnde
1.
Een bestaand bouwwerk is zodanig dat uitbreiding van brand in verdergaande mate wordt beperkt dan in paragraaf 2.10.2 en dat veilig kan worden gevlucht.
2.
Voor zover voor een gebruiksfunctie in tabel 2.97 voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die voorschriften.
1.
Een brandcompartiment is ingedeeld in een of meer subbrandcompartimenten of ruimten waardoor een beschermde route voert.
2.
Een beschermde route ligt niet in het subbrandcompartiment waarin de vluchtroute begint.
3.
In afwijking van het eerste lid kan een verblijfsgebied voor bewaking buiten een subbrandcompartiment liggen indien:
a. constructieonderdelen in dat gebied voldoen aan de eisen die artikel 2.76 stelt aan constructieonderdelen die grenzen aan de binnenlucht in een ruimte waardoor een beschermde route voert, en
b. aankleding in dat gebied voldoet aan de eisen die artikel 7.4 stelt aan aankleding in een ruimte waardoor een beschermde route voert.
4.
Een verblijfsruimte ligt in een beschermd subbrandcompartiment.
5.
Een bedruimte ligt in een beschermd subbrandcompartiment.
6.
Een cel ligt in een beschermd subbrandcompartiment.
7.
Een logiesverblijf ligt in een beschermd subbrandcompartiment.
1.
Een beschermd subbrandcompartiment heeft een gebruiksoppervlakte van ten hoogste de in tabel 2.97 aangegeven waarde.
2.
In afwijking van het eerste lid heeft een beschermd subbrandcompartiment met uitsluitend gezamenlijke ruimten een gebruiksoppervlakte van ten hoogste 1.000 m 2 .
3.
Een cel is een afzonderlijk beschermd subbrandcompartiment.
4.
Een beschermd subbrandcompartiment met bedgebied omvat uitsluitend een of meer bedruimten en ruimten die ten dienste staan van die bedruimten, en heeft een totale gebruiksoppervlakte van ten hoogste 1.000 m 2 .
5.
Een beschermd subbrandcompartiment als bedoeld in het vierde lid, bestemd voor bedgebonden patiënten heeft, afhankelijk van het bewakingsniveau, een totale gebruiksoppervlakte van ten hoogste 100 m 2 zonder bewaking en ten hoogste 1000 m 2 bij permanente bewaking.
6.
Een logiesverblijf is een afzonderlijk beschermd subbrandcompartiment.
7.
Een afzonderlijk beschermd subbrandcompartiment is een afzonderlijk subbrandcompartiment.
1.
De volgens NEN 6075 bepaalde weerstand tegen rookdoorgang van een subbrandcompartiment naar een besloten ruimte in het brandcompartiment is ten minste 20 minuten.
2.
De volgens NEN 6068 bepaalde weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag van een beschermd subbrandcompartiment als bedoeld in artikel 2.99 naar een andere ruimte in het brandcompartiment is ten minste 20 minuten.
3.
Bij het bepalen van de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag als bedoeld in het tweede lid blijft onder een deur een oppervlak van niet meer dan 0,02 m 2 bij een hoogte van niet meer dan 0,05 m, gemeten vanaf de vloer, buiten beschouwing.
Artikel 2.101. Aansturingsartikel
2.102 2.103 2.104 2.105 2.106 2.107 2.108 2.109 2.110 2.102 2.104 2.107 Tabel 2.101
gebruiksfunctie leden van toepassing grenswaarden
      vluchtroute beschermde vluchtroute extra beschermde vluchtroute veiligheidsvluchtroute tweede vluchtroute inrichting vluchtroute doorstroomcapaciteit verbouw tijdelijke bouw vluchtroute extra beschermde vluchtroute inrichting vluchtroute
    artikel
    lid 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 1 2 3 1 2 3 4 5 6 7 1 2 1 2 3 4 5 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 1 2 3 * * 4 en 5 6 8
                                                                                                  [m] [m] [m]
1 Woonfunctie                                                                                                  
  a woonwagen 1 4 8 12 * * 30 2,1
  b andere woonfunctie 1 2 4 1 2 3 4 7 1 2 3 4 5 1 2 3 4 5 6 7 8 10 12 * * 30 2,3
2 Bijeenkomstfunctie                                                                                                  
  a voor kinderopvang met bedgebied 1 2 4 5 9 1 6 7 1 1 2 3 4 1 2 3 5 6 8 12 1 2 * * 30 5 2,3
  b andere bijeenkomstfunctie 1 2 4 5 9 10 2 3 5 6 7 1 1 2 3 4 1 2 3 5 6 8 12 1 2 * * 30 30 2,3
3 Celfunctie 2 4 5 6 9 10 12 1 6 7 1 1 2 3 4 1 2 3 5 6 8 12 1 2 * * 22,5 22,5 2,3
4 Gezondheidszorgfunctie                                                                                                  
  a met bedgebied 1 2 4 5 6 9 12 1 6 7 1 1 2 3 4 1 2 3 5 6 8 11 12 1 2 * * 30 20 2,3
  b andere gezondheidszorgfunctie 1 2 4 5 6 9 10 2 3 5 6 7 1 1 2 3 4 1 2 3 5 6 8 12 1 2 * * 30 30 2,3
5 Industriefunctie 1 2 4 5 6 7 10 2 3 5 6 7 1 1 2 3 4 1 2 3 5 6 8 12 1 2 * * 30 30 2,3
6 Kantoorfunctie 1 2 4 5 6 9 10 2 3 5 6 7 1 1 2 3 4 1 2 3 5 6 8 12 1 2 * * 30 30 2,3
7 Logiesfunctie                                                                                                  
  a in een logiesgebouw 1 2 4 5 9 10 1 6 7 1 2 1 2 3 4 1 2 3 5 6 8 12 1 2 * * 30 20 2,3
  b andere logiesfunctie 1 2 4 5 9 10 1 6 7 1 2 1 2 3 4 1 2 3 5 6 8 12 1 2 * * 30 20 2,1
8 Onderwijsfunctie 1 2 4 5 9 10 2 3 5 6 7 1 1 2 3 4 1 2 3 5 6 8 12 1 2 * * 30 15 2,3
9 Sportfunctie 1 2 4 5 6 7 9 10 2 3 5 6 7 1 1 2 3 4 1 2 3 5 6 8 12 1 2 * * 30 30 2,3
10 Winkelfunctie 1 2 4 5 6 7 9 10 2 3 5 6 7 1 1 2 3 4 1 2 3 5 6 8 12 1 2 * * 30 30 2,3
11 Overige gebruiksfunctie 1 2 4 5 6 7 10 2 3 5 6 7 1 1 2 3 4 1 2 3 5 6 8 12 1 2 * * 30 30 2,1
12 Bouwwerk geen gebouw zijnde                                                                                                  
  a wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m 1 3 8 1 1 3 5 8 9 12 3 * 2,1
  b ander bouwwerk geen gebouw zijnde 1 11 12 3 *
1.
Een te bouwen bouwwerk heeft zodanige vluchtroutes dat bij brand een veilige plaats kan worden bereikt.
2.
Voor zover voor een gebruiksfunctie in tabel 2.101 voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die voorschriften en de krachtens die bepalingen gegeven voorschriften.
1.
Op elk punt van een voor personen bestemd gedeelte van een vloer begint een vluchtroute die leidt naar het aansluitende terrein en vandaar naar de openbare weg.
2.
Op elk punt van een voor personen bestemd gedeelte van een vloer van een celfunctie of van een nevenfunctie daarvan begint een vluchtroute die, al dan niet via een buitenruimte, leidt naar een ander brandcompartiment.
3.
Op elk punt van een rijbaan begint een vluchtroute die leidt naar het aansluitende terrein en vandaar naar de openbare weg.
4.
De gecorrigeerde loopafstand tussen een punt in een gebruiksgebied en ten minste een uitgang van het subbrandcompartiment waarin dat gebruiksgebied ligt, is niet groter dan de in tabel 2.101 aangegeven waarde.
5.
In afwijking van het vierde lid, wordt bij een niet nader in te delen gebruiksgebied en bij een verblijfsruimte in plaats van de gecorrigeerde loopafstand uitgegaan van de loopafstand die niet groter is dan de in tabel 2.101 aangegeven waarde.
6.
In afwijking van het vierde en vijfde lid geldt bij een bezetting van minder dan 1 persoon per 12 m 2 gebruiksoppervlakte van het subbrandcompartiment een waarde van ten hoogste 45 m.
7.
In afwijking van het vierde en vijfde lid geldt bij een bezetting van minder dan 1 persoon per 30 m 2 gebruiksoppervlakte van het subbrandcompartiment een waarde van ten hoogste 60 m.
8.
De loopafstand tussen een punt op een rijbaanvloer en een uitgang van het subbrandcompartiment is ten hoogste 150 m. De afstand tussen twee uitgangen is ten hoogste 250 m, gemeten langs de tunnelwand.
9.
Op elk punt van een voor personen bestemde vloer in een subbrandcompartiment begint ten minste een vluchtroute met een op die vluchtroute te overbruggen hoogteverschil naar een uitgang van het subbrandcompartiment van ten hoogste 4 m.
10.
Een subbrandcompartiment of een daar in gelegen ruimte heeft, indien bestemd voor meer dan 150 personen, ten minste twee uitgangen waardoor een vluchtroute loopt. De onderlinge afstand tussen de uitgangen is ten minste 5 m.
11.
Een bouwwerk geen gebouw zijnde heeft afhankelijk van zijn bestemming en grootte, voldoende en zodanig ingerichte vluchtroutes dat in geval van brand op doeltreffende en veilige wijze kan worden gevlucht.
12.
Ten minste een uitgang van een beschermd subbrandcompartiment als bedoeld in artikel 2.93, vierde tot en met zevende lid:
a. is de uitgang van het subbrandcompartiment waarin het beschermde subbrandcompartiment ligt, of
b. is een uitgang waarbij een vluchtroute begint die niet door een verblijfsruimte, een toiletruimte, een badruimte of een technische ruimte naar een uitgang van het subbrandcompartiment voert.
1.
Een vluchtroute is vanaf de uitgang van het subbrandcompartiment waarin de vluchtroute begint een beschermde vluchtroute, tenzij die uitgang direct grenst aan het aansluitende terrein. Dit geldt niet voor zover de vluchtroute door een andere wegtunnelbuis voert dan de wegtunnelbuis waar de vluchtroute begint.
2.
Een vluchtroute waarop ten hoogste 37 personen zijn aangewezen, is vanaf de uitgang van het subbrandcompartiment waarin de vluchtroute begint een beschermde vluchtroute, tenzij die uitgang direct grenst aan het aansluitende terrein.
3.
Een besloten ruimte waardoor een beschermde vluchtroute voert heeft vanaf de uitgang van een subbrandcompartiment tot de volgende uitgang op de vluchtroute een loopafstand niet groter dan 30 m. Dit geldt niet voor zover de vluchtroute door een trappenhuis voert.
1.
Een vluchtroute is vanaf de uitgang van het subbrandcompartiment waarin de vluchtroute begint een extra beschermde vluchtroute, tenzij die uitgang direct grenst aan het aansluitende terrein.
2.
De in het eerste lid bedoelde vluchtroute voert niet langs een beweegbaar constructieonderdeel van een andere woonfunctie dan de woonfunctie waarin de vluchtroute begint. Dit geldt niet bij de toegang van een woonfunctie die recht tegenover de toegang ligt van de woonfunctie waarin de vluchtroute begint.
3.
De in het eerste lid bedoelde vluchtroute voert niet door een trappenhuis.
4.
Het tweede en derde lid gelden niet indien de route door een trappenhuis voert, de uitgangen van de op die route aangewezen woonfuncties direct aan het trappenhuis grenzen, op die route uitsluitend woonfuncties en nevenfuncties daarvan zijn aangewezen, en de uitgang van het trappenhuis direct grenst aan het aansluitende terrein en:
a. er niet meer dan 6 woonfuncties op die route zijn aangewezen en geen vloer van een verblijfsgebied van die woonfuncties hoger ligt dan 6 m boven het meetniveau, of
b. de totale gebruiksoppervlakte van de woonfuncties die op de route zijn aangewezen ten hoogste 800 m 2 bedraagt, geen vloer van een verblijfsgebied van die woonfuncties hoger ligt dan 12,5 m boven het meetniveau en geen van die woonfuncties een gebruiksoppervlakte heeft van meer dan 150 m 2 .
Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften worden gegeven over een in dit lid bedoeld trappenhuis.
5.
Een vluchtroute waarop meer dan 37 en ten hoogste 150 personen zijn aangewezen, is vanaf de uitgang van het subbrandcompartiment waarin de vluchtroute begint een extra beschermde vluchtroute, tenzij die uitgang direct grenst aan het aansluitende terrein.
6.
In een besloten ruimte waardoor een extra beschermde vluchtroute voert is de loopafstand vanaf de uitgang van het subbrandcompartiment waarin de vluchtroute begint tot het punt waar een tweede vluchtroute of een veiligheidsvluchtroute begint, of tot het aansluitende terrein niet groter dan de in tabel 2.101 aangegeven waarde.
7.
Een vluchtroute in een trappenhuis waarin een hoogteverschil van meer dan 8 m wordt overbrugd, is een extra beschermde vluchtroute.
1.
Een vluchtroute waarop meer dan 150 personen zijn aangewezen is vanaf de uitgang van het subbrandcompartiment waarin de vluchtroute begint een veiligheidsvluchtroute, tenzij die uitgang direct grenst aan het aansluitende terrein.
2.
Een vluchtroute in een besloten trappenhuis waarin een hoogteverschil van meer dan 12,5 m wordt overbrugd, is een veiligheidsvluchtroute.
1.
Indien op een vluchtroute een tweede vluchtroute begint zijn de artikelen 2.103, 2.104, eerste tot en met zesde lid, en 2.105 niet van toepassing vanaf het punt dat de twee vluchtroutes door verschillende ruimten voeren.
2.
Buiten het brandcompartiment waarin de in het eerste lid bedoelde tweede vluchtroute begint, voeren de twee vluchtroutes niet door eenzelfde brandcompartiment.
3.
In afwijking van het eerste en tweede lid kunnen de twee vluchtroutes vanaf de uitgang van het subbrandcompartiment waarin de eerste vluchtroute begint door dezelfde ruimte voeren indien:
a. die ruimte aan die uitgang van het subbrandcompartiment grenst;
b. de vluchtroutes in die ruimte beschermde vluchtroutes en voor zover deze buiten een brandcompartiment liggen extra beschermde vluchtroutes zijn;
c. de loopafstand in die ruimte gemeten over beide vluchtroutes ten hoogste 30 m is indien de ruimte besloten is, en
d. de vluchtroutes in verschillende richtingen voeren.
4.
In afwijking van het eerste lid kunnen de twee vluchtroutes door dezelfde ruimte voeren voor zover de vluchtroute een veiligheidsvluchtroute is.
5.
De in het vierde lid bedoelde veiligheidsvluchtroute voert uitsluitend door een trappenhuis.
1.
De volgens NEN 6068 bepaalde weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag tussen een besloten ruimte waardoor een beschermde of extra beschermde vluchtroute voert en de in de vluchtrichting aansluitende besloten ruimte is ten minste 20 minuten, waarbij voor de bepaling van de brandwerendheid met betrekking tot de scheidende functie van een scheidingsconstructie uitsluitend rekening wordt gehouden met het beoordelingscriterium vlamdichtheid met betrekking tot de afdichting.
2.
De volgens NEN 6068 bepaalde weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag tussen de twee ruimten als bedoeld in artikel 2.106, eerste lid, is ten minste 30 minuten.
3.
Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften worden gegeven over de rookdoorgang tussen:
a. een beschermde of extra beschermde vluchtroute en de in de vluchtrichting aansluitende besloten ruimte, en
b. tussen twee vluchtroutes als bedoeld in aritkel 2.106, eerste lid, die door verschillende ruimten voeren.
4.
Per bouwlaag is de permanente vuurlast van een trappenhuis waardoor een beschermde of een extra beschermde vluchtroute voert, met inbegrip van de vanuit dat trappenhuis direct bereikbare besloten ruimten, ten hoogste 3.500 MJ. Bij de bepaling van de vuurlast blijft een besloten ruimte buiten beschouwing als de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag tussen die ruimte en het trappenhuis ten minste 30 minuten is, bepaald volgens NEN 6068. Bij de in rekening te brengen vuurlast van de dakconstructie op de bovenste bouwlaag van het trappenhuis waardoor geen veiligheidsvluchtroute voert, wordt een reductie van 50% toegepast. Dit geldt niet voor een trappenhuis als bedoeld in artikel 2.104, vierde lid.
5.
Per bouwlaag is de permanente vuurlast van een besloten ruimte waardoor een veiligheidsvluchtroute voert, met inbegrip van de vanuit die ruimte direct bereikbare besloten ruimten, ten hoogste 3.500 MJ. Bij de bepaling van de vuurlast blijft een besloten ruimte buiten beschouwing als de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag tussen die ruimte en de ruimte waardoor de veiligheidsvluchtroute voert ten minste 30 minuten is, bepaald volgens NEN 6068.
6.
Een besloten trappenhuis, waarin een hoogteverschil van meer dan 20 m wordt overbrugd, wordt in de vluchtrichting uitsluitend bereikt door een afzonderlijke beschermde vluchtroute met een loopafstand van ten minste 2 m.
7.
Een uitgang van een woonfunctie grenst niet aan een in het zesde lid bedoelde afzonderlijke vluchtroute.
8.
Een vluchtroute heeft een vrije doorgang met een breedte van ten minste 0,85 m en een hoogte van ten minste de in tabel 2.101 aangegeven waarde. Dit geldt niet voor zover de vluchtroute over een trap voert.
9.
In afwijking van het achtste lid heeft een beschermde vluchtroute, voor zover deze niet door een uitgang of over een trap voert, een vrije doorgang met een breedte van ten minste 1,2 m.
10.
Indien op een trap in totaal meer dan 600 m 2 vloeroppervlakte aan verblijfsgebied is aangewezen, is de breedte van de trap ten minste 1,2 m.
11.
Een vluchtroute die voert vanuit een bedgebied voor bedgebonden patiënten naar een ander brandcompartiment als bedoeld in artikel 2.83, tiende lid, heeft een vrije doorgang waardoor een blok met een lengte van 2,3 m, een hoogte van 1,2 m en een breedte van 1,1 m horizontaal kan worden voortbewogen. Deze route voert niet over een trap of via een liftkooi.
12.
Een niet besloten ruimte waardoor een vluchtroute voert heeft een zodanige capaciteit voor de afvoer van warmte en rook, en de toevoer van verse lucht dat die ruimte tijdens brand gedurende langere tijd kan worden gebruikt om te vluchten en voor het uitvoeren van reddings- en bluswerkzaamheden.
1.
De doorstroomcapaciteit van een gedeelte van een vluchtroute, uitgedrukt in personen, is ten minste het aantal personen dat op dat gedeelte is aangewezen. Bij de bepaling van de doorstroomcapaciteit wordt uitgegaan van:
a. 45 personen per meter breedte van een trap voor het overbruggen van een hoogteverschil van meer dan 1 meter en 90 personen per meter vrije breedte bij een hoogteverschil van ten hoogste 1 meter, voor zover de aantrede van de trap ten minste 0,17 m bedraagt;
b. 90 personen per meter vrije breedte van een ruimte;
c. 90 personen per meter vrije breedte van een doorgang, indien zich in de doorgang een dubbele deur of vergelijkbaar beweegbaar constructieonderdeel bevindt met een met een maximale openingshoek van minder dan 135 graden;
d. 110 personen per meter vrije breedte van een doorgang, indien zich in de doorgang een enkele deur of vergelijkbaar beweegbaar constructieonderdeel bevindt met een maximale openingshoek van minder dan 135 graden, en
e. 135 personen per meter vrije breedte van een andere doorgang.
2.
Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften worden gegeven over een gedeelte van een vluchtroute, gelegen buiten het subbrandcompartiment waarin de vluchtroute begint, op grond waarvan kan worden afgeweken van het eerste lid.
3.
De doorstroomcapaciteit van een gedeelte van een vluchtroute is zodanig, dat de op dat gedeelte aangewezen personen veilig kunnen vluchten.
Artikel 2.109. Verbouw
Op het gedeeltelijk vernieuwen of veranderen of het vergroten van een bouwwerk zijn de artikelen 2.102 tot en met 2.108 van overeenkomstige toepassing, waarbij in plaats van het in die artikelen aangegeven niveau van eisen wordt uitgegaan van het rechtens verkregen niveau.
Artikel 2.110. Tijdelijke bouw
Op het bouwen van een tijdelijk bouwwerk zijn de artikelen 2.102 tot en met 2.106 en 2.108 van toepassing.
Artikel 2.111. Aansturingsartikel
2.112 2.113 2.114 2.115 2.116 2.117 2.118 2.112 2.117 Tabel 2.111
gebruiksfunctie leden van toepassing grenswaarden
      vluchtroute beschermde route extra beschermde vluchtroute veiligheidsroute tweede vluchtroute inrichting vluchtroute capaciteit van een vluchtroute vluchtroute breedte hoogte
    artikel
    lid 1 2 3 4 5 6 7 1 2 1 2 3 1 2 1 2 3 1 2 3 4 5 6 * 4 4
                                                      [m] [m] [m]
1 Woonfunctie 1 4 1 1 1 1 2 3 1 2 3 4 6 45 0,5 1,7
2 Bijeenkomstfunctie 1 2 4 6 2 2 3 2 1 2 3 1 2 3 4 6 * 60 0,5 1,7
3 Celfunctie 2 4 6 2 2 3 2 1 2 3 1 2 3 4 6 * 75 0,5 1,7
4 Gezondheidszorgfunctie                                                      
  a met bedgebied 1 2 4 6 2 2 3 2 1 2 3 1 2 3 4 5 6 * 75 0,5 1,7
  b andere gezondheidszorgfunctie 1 2 4 6 2 2 3 2 1 2 3 1 2 3 4 6 * 75 0,5 1,7
5 Industriefunctie 1 2 4 6 2 2 3 2 1 2 3 1 2 3 4 6 * 75 0,5 1,7
6 Kantoorfunctie 1 2 4 6 2 2 3 2 1 2 3 1 2 3 4 6 * 75 0,5 1,7
7 Logiesfunctie 1 2 4 6 2 2 3 2 1 2 3 1 2 3 4 6 * 75 0,5 1,7
8 Onderwijsfunctie 1 2 4 6 2 2 3 2 1 2 3 1 2 3 4 6 * 60 0,5 1,7
9 Sportfunctie 1 2 4 6 2 2 3 2 1 2 3 1 2 3 4 6 * 75 0,5 1,7
10 Winkelfunctie 1 2 4 6 2 2 3 2 1 2 3 1 2 3 4 6 * 75 0,5 1,7
11 Overige gebruiksfunctie 1 2 4 6 2 2 3 2 1 2 3 1 2 3 4 6 * 75 0,5 1,7
12 Bouwwerk geen gebouw zijnde                                                      
  a wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m 1 3 5 1 1 3 4 6 0,7 1,9
  b ander bouwwerk geen gebouw zijnde 1 7 6
1.
Een bestaand bouwwerk heeft zodanige vluchtroutes dat bij brand een veilige plaats kan worden bereikt.
2.
Voor zover voor een gebruiksfunctie in tabel 2.111 voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die voorschriften en de krachtens die bepalingen gegeven voorschriften.
1.
Op elk punt van een voor personen bestemd gedeelte van een vloer begint een vluchtroute die leidt naar het aansluitende terrein en vandaar naar de openbare weg.
2.
Op elk punt van een voor personen bestemd gedeelte van een vloer van een celfunctie of van een nevenfunctie daarvan begint een vluchtroute die, al dan niet via een buitenruimte, leidt naar een ander brandcompartiment.
3.
Op elk punt van een rijbaan begint een vluchtroute die leidt naar het aansluitende terrein en vandaar naar de openbare weg.
4.
De loopafstand tussen een punt in een gebruiksgebied en een uitgang van het subbrandcompartiment waarin dat gebruiksgebied ligt, is niet groter dan de in tabel 2.111 aangegeven waarde.
5.
De loopafstand tussen een punt op een rijbaanvloer en een uitgang van het subbrandcompartiment is ten hoogste 150 m. De afstand tussen twee uitgangen is ten hoogste 250 m, gemeten langs de tunnelwand.
6.
Een subbrandcompartiment of een daar in gelegen ruimte heeft, indien bestemd voor meer dan 225 personen, ten minste twee uitgangen waardoor een vluchtroute loopt.
7.
Een bouwwerk geen gebouw zijnde heeft afhankelijk van zijn bestemming en grootte, voldoende en zodanig ingerichte vluchtroutes dat in geval van brand op doeltreffende en veilige wijze kan worden gevlucht.
1.
Een vluchtroute is vanaf de uitgang van het subbrandcompartiment waarin de vluchtroute begint een beschermde route, tenzij die uitgang direct grenst aan het aansluitende terrein.
2.
Een vluchtroute waarop ten hoogste 60 personen zijn aangewezen, is vanaf de uitgang van het subbrandcompartiment waarin de vluchtroute begint een beschermde route, tenzij die uitgang direct grenst aan het aansluitende terrein.
1.
Een vluchtroute die door een gemeenschappelijke verkeersruimte voert waarop een totale gebruiksoppervlakte van meer dan 500 m 2 aan woonfuncties is aangewezen, is een extra beschermde vluchtroute.
2.
Een vluchtroute waarop meer dan 60 en ten hoogste 225 personen zijn aangewezen, is vanaf de uitgang van het subbrandcompartiment waarin de vluchtroute begint een extra beschermde vluchtroute, tenzij dat compartiment direct grenst aan het aansluitende terrein.
3.
Een vluchtroute die vanaf de uitgang van een subbrandcompartiment over een trap voert en een hoogteverschil van meer dan 12,5 m overbrugt, is een extra beschermde vluchtroute.
1.
Een vluchtroute die door een gemeenschappelijke verkeersruimte voert waarop een totale gebruiksoppervlakte van meer dan 1.500 m 2 aan woonfuncties is aangewezen, is een veiligheidsroute.
2.
Een vluchtroute waarop meer dan 225 personen zijn aangewezen, is vanaf de uitgang van het subbrandcompartiment waarin de vluchtroute begint een veiligheidsroute, tenzij dat compartiment direct grenst aan het aansluitende terrein.
1.
Indien op een vluchtroute een tweede vluchtroute begint, zijn de artikelen 2.113, 2.114 eerste en tweede lid, en 2.115 niet van toepassing vanaf het punt dat de twee vluchtroutes door verschillende ruimten voeren.
2.
In afwijking van het eerste lid kunnen de twee vluchtroutes vanaf de uitgang van het subbrandcompartiment waarin de eerste vluchtroute begint door dezelfde ruimte voeren indien:
a. de ruimte grenst aan de uitgang van het subbrandcompartiment;
b. de vluchtroutes in de ruimte naar verschillende uitgangen voeren, en
c. de ruimte een besloten ruimte is, is de loopafstand in die ruimte gemeten over de vluchtroute ten hoogste 30 m en indien de route een beschermde route is ten hoogste 70 m.
3.
In afwijking van het eerste lid kunnen de twee vluchtroutes vanaf de uitgang van het subbrandcompartiment waarin de eerste vluchtroute begint door dezelfde ruimte voeren voor zover de vluchtroute een veiligheidsroute is.
1.
De volgens NEN 6075 bepaalde weerstand tegen rookdoorgang tussen een besloten ruimte waardoor een beschermde route of extra beschermde vluchtroute voert en de in de vluchtrichting aansluitende besloten ruimte is ten minste 20 minuten.
2.
De volgens NEN 6068 bepaalde weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag tussen twee vluchtroutes als bedoeld in de artikel 2.116, eerste lid, is ten minste 20 minuten.
3.
Het product van de volgens NEN 6090 bepaalde permanente vuurbelasting en de netto-vloeroppervlakte van een ruimte waardoor een veiligheidsvluchtroute voert is per bouwlaag ten hoogste 7.000 MJ.
4.
Een vluchtroute heeft een vrije doorgang met ten minste de in tabel 2.111 aangegeven breedte en hoogte.
5.
Een vluchtroute die voert vanuit een bedgebied voor bedgebonden patiënten naar een ander brandcompartiment als bedoeld in artikel 2.89, tiende lid, heeft een vrije doorgang waardoor een blok met een lengte van 2,3 m, een hoogte van 1,2 m en een breedte van 1,1 m horizontaal kan worden voortbewogen. Deze vluchtroute voert niet over een trap of via een liftkooi.
6.
Een niet besloten ruimte waardoor een vluchtroute voert heeft een zodanige capaciteit voor de afvoer van warmte en rook, en de toevoer van verse lucht dat die ruimte tijdens brand gedurende langere tijd kan worden gebruikt om te vluchten en voor het uitvoeren van reddings- en bluswerkzaamheden.
Artikel 2.118. Capaciteit van een vluchtroute
Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften worden gegeven over de capaciteit van een vluchtroute.
Artikel 2.119. Aansturingsartikel
2.120 2.121 2.122 2.123 2.124 Tabel 2.119
gebruiksfunctie leden van toepassing
      brandweerlift loopafstand hulppost verbouw tijdelijke bouw
    artikel
    lid 1 2 1 2 * * *
1 Woonfunctie 1 2 1 2 * *
2 Bijeenkomstfunctie 1 1 2 * *
3 Celfunctie 1 1 2 * *
4 Gezondheidszorgfunctie 1 1 2 * *
5 Industriefunctie 1 1 2 * *
6 Kantoorfunctie 1 1 2 * *
7 Logiesfunctie 1 1 2 * *
8 Onderwijsfunctie 1 1 2 * *
9 Sportfunctie 1 1 2 * *
10 Winkelfunctie 1 1 2 * *
11 Overige gebruiksfunctie
12 Bouwwerk geen gebouw zijnde              
  a. wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m *
  b. ander bouwwerk geen gebouw zijnde
1.
Een te bouwen bouwwerk is zodanig dat hulpverlening binnen redelijke tijd personen kan redden en brand kan bestrijden.
2.
Voor zover voor een gebruiksfunctie in tabel 2.119 voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die voorschriften.
1.
Vanaf een lifttoegang van een brandweerlift is vanaf een verdieping de lifttoegang op de verdieping daarboven bereikbaar via een extra beschermde vluchtroute.
2.
Een uitgang van een woonfunctie grenst niet aan een in het eerste lid bedoelde extra beschermde vluchtroute voor zover die voert door een ruimte die direct grenst aan de lifttoegang.
1.
De loopafstand tussen een punt in een gebruiksgebied en ten minste een toegang van een trappenhuis is niet groter dan 75 m.
2.
De loopafstand tussen een punt in een gebruiksgebied en ten minste een lifttoegang van een brandweerlift is niet groter dan 120 m.
Artikel 2.122. Hulppost
Een wegtunnelbuis met een lengte van meer dan 250 m heeft een zodanig aantal hulpposten dat de loopafstand tussen een punt op de rijbaanvloer en ten minste een hulppost niet groter is dan 75 m. Deze afstand wordt gemeten over een route die uitsluitend voert over vloeren, trappen of hellingbanen zonder dat deuren worden gepasseerd die met een sleutel moeten worden geopend. De afstand tussen twee opeenvolgende hulpposten is ten hoogste 100 m.
Artikel 2.123. Verbouw
Op het gedeeltelijk vernieuwen of veranderen of het vergroten van een bouwwerk zijn de artikelen 2.120 en 2.121 van overeenkomstige toepassing, waarbij in plaats van het in die artikelen aangegeven niveau van eisen wordt uitgegaan van het rechtens verkregen niveau.
Artikel 2.124. Tijdelijke bouw
Op het bouwen van een tijdelijk bouwwerk zijn de artikelen 2.120 en 2.121 van toepassing.
1.
Een bestaande wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m is zodanig dat de hulpverlening binnen redelijke tijd personen kan redden en brand kan bestrijden.
2.
Aan de in het eerste lid gestelde eis wordt voldaan door toepassing van het voorschrift in deze paragraaf.
Artikel 2.126. Hulppost
Een wegtunnelbuis met een lengte van meer dan 250 m heeft een zodanig aantal hulpposten dat de loopafstand tussen een punt op de rijbaanvloer en ten minste een hulppost niet groter is dan 75 m. Deze afstand wordt gemeten over een route die uitsluitend voert over vloeren, trappen of hellingbanen zonder dat deuren worden gepasseerd die met een sleutel moeten worden geopend. De afstand tussen twee opeenvolgende hulpposten is ten hoogste 100 m.
1.
Een te bouwen bouwwerk waarin een vloer van een gebruiksgebied hoger dan 70 m boven of lager dan 8 m onder het meetniveau ligt, is zodanig ingericht dat het bouwwerk brandveilig is.
2.
Aan de in het eerste lid gestelde eis wordt voldaan door toepassing van de voorschriften in deze afdeling.
1.
Een bouwwerk waarin een vloer van een gebruiksgebied hoger dan 70 m boven het meetniveau ligt, is zo ingericht dat het bouwwerk een zelfde mate van brandveiligheid heeft als beoogd met de paragrafen 2.2.1, 2.8.1, 2.9.1, 2.10.1 2.11.1, 2.12.1 en 2.13.1.
2.
Een bouwwerk waarin een vloer van een gebruiksgebied lager dan 8 m onder het meetniveau ligt, is zo ingericht dat het bouwwerk een zelfde mate van brandveiligheid heeft als beoogd met de paragrafen 2.2.1, 2.8.1, 2.9.1, 2.10.1, 2.11.1, 2.12.1 en 2.13.1.
1.
Een te bouwen woonfunctie, niet zijnde een woonwagen, biedt weerstand tegen inbraak.
2.
Aan de in het eerste lid gestelde eis wordt voldaan door toepassing van de voorschriften in deze afdeling.
Artikel 2.130. Reikwijdte
Deuren, ramen, kozijnen en daarmee gelijk te stellen constructieonderdelen in een scheidingsconstructie van een niet-gemeenschappelijke ruimte die volgens NEN 5087 bereikbaar zijn voor inbraak, hebben een volgens NEN 5096 bepaalde inbraakwerendheid die voldoet aan de in die norm aangegeven weerstandsklasse 2.
Artikel 2.131. Verbouw
Op het gedeeltelijk vernieuwen of veranderen of het vergroten van een woonfunctieniet zijnde een woonwagen is artikel 2.130 van overeenkomstige toepassing, waarbij in plaats van het in dat artikel aangegeven niveau van eisen wordt uitgegaan van het rechtens verkregen niveau.
1.
Een te bouwen bouwwerk in een veiligheidszone of plasbrandaandachtsgebied of boven de volle breedte van een basisnetroute indien de veiligheidszone slechts een deel van de breedte van die basisnetroute betreft is zodanig dat het risico dat voortvloeit uit het vervoer van gevaarlijke stoffen voor personen in het bouwwerk beperkt is.
2.
Aan de in het eerste lid gestelde eis wordt voldaan door toepassing van het voorschrift in deze afdeling en de krachtens die bepaling gegeven voorschriften.
Artikel 2.133. Veiligheidszone en plasbrandaandachtsgebied
Bij ministeriële regeling kunnen aan een bouwwerk in een veiligheidszone of een plasbrandaandachtsgebied of boven de volle breedte van een basisnetroute indien de veiligheidszone slechts een deel van de breedte van die basisnetroute betreft zodanige voorschriften worden gegeven dat personen beschermd zijn tegen gevolgen van een calamiteit op de weg, de spoorweg of het binnenwater waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken.
Artikel 2.133a. Verbouw
Op het gedeeltelijk vernieuwen of veranderen of het vergroten van een bouwwerk is artikel 2.133 van overeenkomstige toepassing, waarbij in plaats van het in het krachtens dat artikel aangegeven niveau van eisen wordt uitgegaan van het rechtens verkregen niveau.
1.
Een te bouwen wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m is zodanig dat de veiligheid voor het wegverkeer is gewaarborgd.
2.
Aan de in het eerste lid gestelde eis wordt voldaan door toepassing van de voorschriften in deze paragraaf.
1.
Een buiten de bebouwde kom gelegen wegtunnel voor twee rijrichtingen heeft ten minste twee wegtunnelbuizen.
2.
Een wegtunnelbuis met een tunnelbuislengte van meer dan 250 m heeft een rijbaanvloer met een helling van ten hoogste 1 : 20.
3.
Een wegtunnelbuis met een tunnelbuislengte van meer dan 250 m heeft, voor een doelmatige doorgang voor wegvoertuigen, een vloer met een breedte van ten minste 7 m en een hoogte boven die breedte van ten minste 4,2 m.
1.
Een bestaande wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m is zodanig dat de veiligheid voor het wegverkeer is gewaarborgd.
2.
Aan de in het eerste lid gestelde eis wordt voldaan door toepassing van het voorschrift in deze paragraaf.
Artikel 3.1. Aansturingsartikel
Tabel 3.1
gebruiksfunctie leden van toepassing
      geluid van buiten industrie-, weg- of spoorweglawaai luchtvaartlawaai verbouw tijdelijke bouw
    artikel 3.2 3.3 3.4 3.5 3.6
    lid * 1 2 3 4 5 1 2 3 4 * 1 2
1 Woonfunctie                          
  a woonwagen * *
  b andere woonfunctie * 1 3 4 5 1 2 3 4 * 1 2
2 Bijeenkomstfunctie                          
  a voor kinderopvang * 1 2 3 4 5 1 2 3 4 * 1 2
  b andere bijeenkomstfunctie
3 Celfunctie
4 Gezondheidszorgfunctie * 1 2 3 4 5 1 2 3 4 * 1 2
5 Industriefunctie
6 Kantoorfunctie
7 Logiesfunctie
8 Onderwijsfunctie * 1 3 4 5 1 2 3 4 * 1 2
9 Sportfunctie
10 Winkelfunctie
11 Overige gebruiksfunctie
12 Bouwwerk geen gebouw zijnde
1.
Een te bouwen bouwwerk biedt in een verblijfsgebied bescherming tegen geluid van buiten.
2.
Voor zover voor een gebruiksfunctie in tabel 3.1 voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die voorschriften.
3.
Het eerste lid is niet van toepassing op de gebruiksfuncties waarvoor in tabel 3.1 geen voorschrift is aangewezen.
Artikel 3.2. Geluid van buiten
Een uitwendige scheidingsconstructie van een verblijfsgebied heeft een volgens NEN 5077 bepaalde karakteristieke geluidwering met een minimum van 20 dB.
1.
Bij een krachtens de Wet geluidhinder of de Tracéwet vastgesteld hogere-waardenbesluit is de volgens NEN 5077 bepaalde karakteristieke geluidwering van een uitwendige scheidingsconstructie van een verblijfsgebied niet kleiner dan het verschil tussen de in dat besluit opgenomen hoogst toelaatbare geluidsbelasting voor industrie-, weg- of spoorweglawaai en 35 dB(A) bij industrielawaai, of 33 dB bij weg- of spoorweglawaai.
2.
Bij een krachtens de Wet geluidhinder of de Tracéwet vastgesteld hogere-waardenbesluit is de volgens NEN 5077 bepaalde karakteristieke geluidwering van een uitwendige scheidingsconstructie van een bedgebied niet kleiner dan het verschil tussen de in dat besluit opgenomen hoogst toelaatbare geluidsbelasting voor industrie-, weg- of spoorweglawaai en 30 dB(A) bij industrielawaai, of 28 dB bij weg- of spoorweglawaai.
3.
Indien dit leidt tot een lagere karakteristieke geluidwering van de uitwendige scheidingsconstructie dan bij toepassing van het eerste of tweede lid het geval is kan de in het eerste en tweede lid bedoelde geluidsbelasting worden bepaald volgens het reken- en meetvoorschrift, bedoeld in artikel 110d van de Wet geluidhinder.
4.
Op een inwendige scheidingsconstructie van een gebied als bedoeld in het eerste en tweede lid, die niet de scheiding vormt met een verblijfsgebied van een aangrenzende gebruiksfunctie waarop het eerste en tweede lid van toepassing zijn, zijn deze leden van overeenkomstige toepassing.
5.
Een scheidingsconstructie als bedoeld in het eerste, tweede en vierde lid van een verblijfsruimte heeft een volgens NEN 5077 bepaalde karakteristieke geluidwering die maximaal 2 dB of dB(A) lager is dan de karakteristieke geluidwering als bedoeld in het eerste, tweede en vierde lid van het verblijfsgebied waarin de verblijfsruimte ligt.
1.
Een uitwendige scheidingsconstructie van een verblijfsgebied van een gebruiksfunctie in een krachtens de Luchtvaartwet of de Wet luchtvaart vastgestelde Ke-geluidzone bij een militaire luchthaven, heeft een volgens NEN 5077 bepaalde karakteristieke geluidwering die niet kleiner is dan de waarde in tabel 3.4. Indien de geluidsbelasting ligt tussen de in de eerste kolom opgenomen Ke-waarden, wordt de te bereiken waarde van de geluidwering bepaald door middel van rechtevenredige interpolatie tussen de in de tweede kolom opgenomen dB-waarden.
2.
Een uitwendige scheidingsconstructie van een verblijfsgebied van een gebruiksfunctie in een voor de luchthaven Schiphol op de kaarten in bijlage 3B, nummer 4, van het Luchthavenindelingbesluit Schiphol aangewezen gebied of een krachtens de Wet luchtvaart vastgestelde 56 dB(A) L den beperkingengebied of een vastgestelde 35 Ke-geluidzone bij een burgerluchthaven, heeft een zodanige volgens NEN 5077 bepaalde karakteristieke geluidwering dat het karakteristiek geluidniveau in het verblijfsgebied ten hoogste 33 dB is. Daarbij wordt uitgegaan van de krachtens de Luchtvaartwet of de Wet luchtvaart bepaalde geluidbelasting op de uitwendige scheidingsconstructie.
3.
Op een inwendige scheidingsconstructie van een gebied als bedoeld in het eerste en tweede lid, die niet de scheiding vormt met een verblijfsgebied van een aangrenzende gebruiksfunctie waarop het eerste en tweede lid van toepassing zijn, zijn deze leden van overeenkomstige toepassing.
4.
Een scheidingsconstructie als bedoeld in het eerste tot en met derde lid van een verblijfsruimte heeft een volgens NEN 5077 bepaalde karakteristieke geluidwering die maximaal 2 dB of dB(A) lager is dan de karakteristieke geluidwering als bedoeld in het eerste tot en met derde lid van het verblijfsgebied waarin de verblijfsruimte ligt.
Artikel 3.5. Verbouw
Op het gedeeltelijk vernieuwen of veranderen of het vergroten van een bouwwerk zijn de artikelen 3.2 tot en met 3.4 van overeenkomstige toepassing, waarbij in plaats van het in die artikelen aangegeven niveau van eisen wordt uitgegaan van het rechtens verkregen niveau.
1.
Op het bouwen van een tijdelijk bouwwerk zijn de artikelen 3.2 tot en met 3.4 van overeenkomstige toepassing, waarbij wordt uitgegaan van een niveau van eisen dat 10 dB of dB(A) lager is dan het in die artikelen aangegeven niveau.
2.
In afwijking van het eerste lid wordt bij toepassing van artikel 3.4, derde lid, uitgegaan van een karakteristiek geluidniveau in het verblijfsgebied van ten hoogste 30 dB.
Artikel 3.7. Aansturingsartikel
3.8 3.9 3.10 3.11 3.9 Tabel 3.7
gebruiksfunctie leden van toepassing grenswaarden
      aangrenzend perceel zelfde perceel verbouw tijdelijke bouw zelfde perceel
    artikel
    lid * 1 2 * * 2
                [dB]
1 Woonfunctie * 1 2 * * 30
2 Bijeenkomstfunctie            
  a voor kinderopvang * 1 2 * * 35
  b andere bijeenkomstfunctie * 1 * *
3 Celfunctie * 1 * *
4 Gezondheidszorgfunctie * 1 * *
5 Industriefunctie * 1 * *
6 Kantoorfunctie * 1 * *
7 Logiesfunctie * 1 * *
8 Onderwijsfunctie * 1 2 * * 35
9 Sportfunctie * 1 * *
10 Winkelfunctie * 1 * *
11 Overige gebruiksfunctie * 1 * *
12 Bouwwerk geen gebouw zijnde * 1
1.
Een te bouwen bouwwerk biedt bescherming tegen geluid van installaties.
2.
Voor zover voor een gebruiksfunctie in tabel 3.7 voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die voorschriften.
Artikel 3.8. Aangrenzend perceel
Een toilet met waterspoeling, een kraan, een mechanisch ventilatiesysteem, een warmwatertoestel, een installatie voor het verhogen van waterdruk of een lift veroorzaakt in een op een aangrenzend perceel gelegen verblijfsgebied een volgens NEN 5077 bepaald karakteristiek installatie-geluidsniveau van ten hoogste 30 dB. Dit geldt niet voor een op een aangrenzend perceel gelegen lichte industriefunctie of een overige gebruiksfunctie.
1.
Een toilet met waterspoeling, een kraan, een mechanische voorziening voor luchtverversing, een warmwatertoestel, een installatie voor verhoging van waterdruk of een lift veroorzaakt in een niet-gemeenschappelijke verblijfsruimte van een aangrenzende op hetzelfde perceel gelegen woonfunctie een volgens NEN 5077 bepaald karakteristiek installatie-geluidsniveau van ten hoogste 30 dB.
2.
Een mechanische voorziening voor luchtverversing, warmteopwekking of warmteterugwinning veroorzaakt in een niet-gemeenschappelijke verblijfsruimte van de gebruiksfunctie een volgens NEN 5077 bepaald karakteristiek installatie-geluidsniveau van ten hoogste de in tabel 3.7 aangegeven waarde.
Artikel 3.10. Verbouw
Op gedeeltelijk vernieuwen of veranderen of het vergroten van een bouwwerk zijn de artikelen 3.8 en 3.9 van overeenkomstige toepassing, waarbij wordt uitgegaan van een niveau van eisen dat 10 dB lager is dan het in die artikelen aangegeven niveau.
Artikel 3.11. Tijdelijke bouw
Op het bouwen van een tijdelijk bouwwerk zijn de artikelen 3.8 en 3.9, van overeenkomstige toepassing, waarbij wordt uitgegaan van een niveau van eisen dat 10 dB lager is dan het in die artikelen aangegeven niveau.
1.
Een te bouwen woongebouw heeft in een gemeenschappelijke verkeersruimte een zodanige geluidsabsorptie, dat geluidhinder door galm wordt beperkt.
2.
Aan de in het eerste lid gestelde eis wordt voldaan door toepassing van de voorschriften in deze afdeling.
Artikel 3.13. Geluidsabsorptie
Een besloten gemeenschappelijke verkeersruimte voor het ontsluiten van een woonfunctie die grenst aan een niet-gemeenschappelijke ruimte van een woonfunctie, heeft een volgens NEN-EN 12354-6 bepaalde totale geluidsabsorptie met een getalswaarde, uitgedrukt in m 2 , die niet kleiner is dan 1/8 van de getalswaarde van de inhoud van die ruimte, uitgedrukt in m 3 , in elk van de octaafbanden met middenfrequenties van 250, 500, 1.000 en 2.000 Hz.
Artikel 3.14. Verbouw
Op het gedeeltelijk vernieuwen of veranderen of het vergroten van een woongebouw is artikel 3.13 van overeenkomstige toepassing, waarbij in plaats van het in dat artikel aangegeven niveau van eisen wordt uitgegaan van het rechtens verkregen niveau.
Artikel 3.15. Aansturingsartikel
3.16 3.17 3.17a 3.18 3.19 3.16 3.17 Tabel 3.15
gebruiksfunctie leden van toepassing grenswaarden
      ander perceel verschillende gebruiksfuncties op hetzelfde perceel verblijfsruimten van dezelfde woonfunctie verbouw tijdelijke bouw ander perceel verschillende gebruiksfuncties op hetzelfde perceel
    artikel
    lid 1 2 3 4 1 2 3 4 5 6 7 8 1 2 3 * * 3 4 3 4
                                        [dB] [dB]
1 Woonfunctie                                          
  a woonwagen
  b in een woongebouw 1 2 3 4 1 2 3 4 6 7 1 2 3 * * 54 59 54 59
  c voor studenten in een woongebouw 1 2 3 4 1 2 3 4 6 7 8 1 2 3 * * 54 59 54 59
  d andere woonfunctie 1 2 3 4 1 2 3 4 1 2 3 * * 54 59 54 59
2 Bijeenkomstfunctie 1 2 3 4 1 2 3 4 * * 59 64 59 64
3 Celfunctie 1 2 3 4 1 2 3 4 * * 59 64 59 64
4 Gezondheidszorgfunctie 1 2 3 4 1 2 3 4 * * 59 64 59 64
5 Industriefunctie                                          
  a lichte industriefunctie
  b andere industriefunctie 1 2 3 4 1 2 3 4 * * 59 64 59 64
6 Kantoorfunctie 1 2 3 4 1 2 3 4 5 * * 59 64 59 64
7 Logiesfunctie 1 2 3 4 1 2 3 4 5 * * 59 64 59 64
8 Onderwijsfunctie 1 2 3 4 1 2 3 4 * * 59 64 59 64
9 Sportfunctie 1 2 3 4 1 2 3 4 5 * * 59 64 59 64
10 Winkelfunctie 1 2 3 4 1 2 3 4 5 * * 59 64 59 64
11 Overige gebruiksfunctie 1 2 3 4 1 2 3 4 5 * * 59 64 59 64
12 Bouwwerk geen gebouw zijnde
1.
Een te bouwen bouwwerk biedt bescherming tegen geluidsoverlast tussen gebruiksfuncties en tussen ruimten in een woonfunctie voor zover in het bouwwerk een woonfunctie ligt.
2.
Voor zover voor een gebruiksfunctie in tabel 3.15 voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die voorschriften.
3.
Het eerste lid is niet van toepassing op de gebruiksfuncties waarvoor in tabel 3.15 geen voorschrift is aangewezen.
1.
Het volgens NEN 5077 bepaalde karakteristieke lucht-geluidniveauverschil voor de geluidsoverdracht van een besloten ruimte naar een verblijfsgebied van een aangrenzende gebruiksfunctie op een ander perceel is niet kleiner dan 52 dB.
2.
Het volgens NEN 5077 bepaalde karakteristieke lucht-geluidniveauverschil voor de geluidsoverdracht van een besloten ruimte naar een niet in een verblijfsgebied gelegen besloten ruimte van een aangrenzende woonfunctie op een ander perceel is niet kleiner dan 47 dB.
3.
Het volgens NEN 5077 bepaalde gewogen contact-geluidniveau voor de geluidsoverdracht van een besloten ruimte naar een verblijfsgebied van een aangrenzende gebruiksfunctie op een ander perceel is niet groter dan de in tabel 3.15 aangegeven waarde.
4.
Het volgens NEN 5077 bepaalde gewogen contact-geluidniveau voor de geluidsoverdracht van een besloten ruimte naar een niet in een verblijfsgebied gelegen besloten ruimte van een aangrenzende woonfunctie op een ander perceel is niet groter dan de in tabel 3.15 aangegeven waarde.
1.
Het volgens NEN 5077 bepaalde karakteristieke lucht-geluidniveauverschil voor de geluidsoverdracht van een besloten ruimte naar een verblijfsgebied van een aangrenzende woonfunctie op hetzelfde perceel is niet kleiner dan 52 dB.
2.
Het volgens NEN 5077 bepaalde karakteristieke lucht-geluidniveauverschil voor de geluidsoverdracht van een besloten ruimte naar een niet in een verblijfsgebied gelegen besloten ruimte van een aangrenzende woonfunctie op hetzelfde perceel is niet kleiner dan 47 dB.
3.
Het volgens NEN 5077 bepaalde gewogen contact-geluidniveau voor de geluidsoverdracht van een besloten ruimte naar een verblijfsgebied van een aangrenzende woonfunctie op hetzelfde perceel is niet groter dan de in tabel 3.15 aangegeven waarde.
4.
Het volgens NEN 5077 bepaalde gewogen contact-geluidniveau voor de geluidsoverdracht van een besloten ruimte naar een niet in een verblijfsgebied gelegen besloten ruimte van een aangrenzende woonfunctie op hetzelfde perceel is niet groter dan de in tabel 3.15 aangegeven waarde.
5.
Het eerste tot en met vierde lid zijn niet van toepassing op de geluidsoverdracht van een nevenfunctie van een woonfunctie naar die woonfunctie.
6.
Het eerste tot en met vierde lid zijn niet van toepassing op de geluidsoverdracht van een gemeenschappelijke ruimte naar een aangrenzende gemeenschappelijke ruimte.
7.
Het tweede en vierde lid zijn niet van toepassing op de geluidsoverdracht van een besloten ruimte naar een gemeenschappelijk verkeersruimte of op de geluidsoverdracht van een gemeenschappelijke verkeersruimte naar een niet in een verblijfsgebied gelegen besloten ruimte.
8.
Het eerste tot en met vierde lid zijn niet van toepassing op de geluidsoverdracht van een gemeenschappelijke verkeersruimte naar een aangrenzende woonfunctie.
1.
Het volgens NEN 5077 bepaalde karakteristieke lucht-geluidniveauverschil voor de geluidsoverdracht van een verblijfsruimte naar een andere verblijfsruimte van dezelfde woonfunctie is niet kleiner dan 32 dB.
2.
Het volgens NEN 5077 bepaalde gewogen contact-geluidniveau voor de geluidsoverdracht van een verblijfsruimte naar een andere verblijfsruimte van dezelfde woonfunctie is niet groter dan 79 dB.
3.
Het eerste en tweede lid gelden niet indien de verblijfsruimten met elkaar in open verbinding staan, of indien de ene verblijfsruimte vanuit de andere rechtstreeks bereikbaar is door een deuropening.
Artikel 3.18. Verbouw
Op het gedeeltelijk vernieuwen of veranderen of het vergroten van een bouwwerk zijn de artikelen 3.16 tot en met 3.17a van overeenkomstige toepassing, waarbij in plaats van het in die artikelen aangegeven niveau van eisen wordt uitgegaan van het rechtens verkregen niveau.
Artikel 3.19. Tijdelijke bouw
Op het bouwen van een tijdelijk bouwwerk zijn de artikelen 3.16 tot en met 3.17a van overeenkomstige toepassing, waarbij wordt uitgegaan van een niveau van eisen dat 10 dB lager is dan het in die artikelen aangegeven niveau.
Artikel 3.20. Aansturingsartikel
3.21 3.22 3.23 3.24 3.22 Tabel 3.20
gebruiksfunctie leden van toepassing grenswaarden
      wering van vocht van buiten factor van de temperatuur wateropname verbouw factor van de temperatuur
    artikel
    lid 1 2 3 4 1 2 1 2 * 1
1 Woonfunctie 1 2 3 4 1 2 1 2 * 0,65
2 Bijeenkomstfunctie 1 2 3 4 1 2 1 2 * 0,5
3 Celfunctie 1 2 3 4 1 2 1 2 * 0,5
4 Gezondheidszorgfunctie 1 2 3 4 1 2 1 2 * 0,5
5 Industriefunctie 1 2 1 2 * 0,5
6 Kantoorfunctie 1 2 3 4 1 2 1 2 * 0,5
7 Logiesfunctie 1 2 3 4 1 2 1 2 * 0,5
8 Onderwijsfunctie 1 2 3 4 1 2 1 2 * 0,5
9 Sportfunctie 1 2 3 4 1 2 1 2 * 0,5
10 Winkelfunctie 1 2 3 4 1 2 1 2 * 0,5
11 Overige gebruiksfunctie
12 Bouwwerk geen gebouw zijnde
1.
Een te bouwen bouwwerk heeft zodanige scheidingsconstructies dat de vorming van allergenen door vocht in verblijfsgebieden, toiletruimten en badruimten voldoende wordt beperkt.
2.
Voor zover voor een gebruiksfunctie in tabel 3.20 voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die voorschriften.
3.
Het eerste lid is niet van toepassing op de gebruiksfuncties waarvoor in tabel 3.20 geen voorschrift is aangewezen.
1.
Een uitwendige scheidingsconstructie van een verblijfsgebied, een toiletruimte of een badruimte is, bepaald volgens NEN 2778, waterdicht.
2.
Een constructie die de scheiding vormt tussen een verblijfsgebied, een toiletruimte of een badruimte, en een kruipruimte, met inbegrip van de op die constructie aansluitende delen van andere constructies, voor zover die delen van invloed zijn op het kunnen binnendringen van vocht in het verblijfsgebied, de toiletruimte of de badruimte, is, bepaald volgens NEN 2778, waterdicht.
3.
Een inwendige scheidingsconstructie van een verblijfsgebied, een toiletruimte of een badruimte, voor zover die scheidingsconstructie niet grenst aan een ander verblijfsgebied, een andere toiletruimte of een andere badruimte, is, bepaald volgens NEN 2778, waterdicht.
4.
Een constructie die de scheiding vormt tussen een verblijfsgebied, een toiletruimte of een badruimte, en een kruipruimte, met inbegrip van de op die constructie aansluitende delen van andere constructies, voor zover die delen van invloed zijn op de specifieke luchtvolumestroom naar het verblijfsgebied, de toiletruimte of de badruimte, heeft een volgens NEN 2690 bepaalde, specifieke luchtvolumestroom van ten hoogste 20.10 -6 m 3 /(m 2 .s).
1.
Een scheidingsconstructie waarvoor een warmteweerstand als bedoeld in artikel 5.3 geldt, heeft aan de zijde die grenst aan een verblijfsgebied een volgens NEN 2778 bepaalde factor van de temperatuur van de binnenoppervlakte, die niet kleiner is dan de in tabel 3.20 aangegeven waarde.
2.
Het eerste lid geldt niet voor ramen, deuren, kozijnen en daarmee gelijk te stellen constructieonderdelen.
1.
Een scheidingsconstructie van een toiletruimte of een badruimte heeft aan een zijde die grenst aan die ruimte, tot 1,2 m hoogte boven de vloer van die ruimte een volgens NEN 2778 bepaalde wateropname die gemiddeld niet groter is dan 0.01 kg/(m 2 .s 1/2 ) en op geen enkele plaats groter dan 0,2 kg/(m 2 .s 1/2 ).
2.
Voor een badruimte geldt het in het eerste lid gestelde voorschrift ter plaatse van een bad of een douche over een lengte van ten minste 3 m, tot een hoogte van 2,1 m boven de vloer van die ruimte.
Artikel 3.24. Verbouw
Op het gedeeltelijk vernieuwen of veranderen of het vergroten van een bouwwerk zijn de artikelen 3.21 tot en met 3.23 van overeenkomstige toepassing, waarbij in plaats van het in die artikelen aangegeven niveau van eisen wordt uitgegaan van het rechtens verkregen niveau.
Artikel 3.25. Aansturingsartikel
3.26 3.27 Tabel 3.25
gebruiksfunctie leden van toepassing
      vocht van buiten wateropname
    artikel
    lid 1 2 3 *
1 Woonfunctie 1 2 3 *
2 Bijeenkomstfunctie 1 2 3 *
3 Celfunctie 1 2 3 *
4 Gezondheidszorgfunctie 1 2 3 *
5 Industriefunctie *
6 Kantoorfunctie 1 2 3 *
7 Logiesfunctie 1 2 3 *
8 Onderwijsfunctie 1 2 3 *
9 Sportfunctie 1 2 3 *
10 Winkelfunctie 1 2 3 *
11 Overige gebruiksfunctie
12 Bouwwerk geen gebouw zijnde
1.
Een bestaand bouwwerk heeft zodanige scheidingsconstructies dat de vorming van allergenen door vocht in verblijfsruimten, toiletruimten en badruimten voldoende wordt beperkt.
2.
Voor zover voor een gebruiksfunctie in tabel 3.25 voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die voorschriften.
3.
Het eerste lid is niet van toepassing op de gebruiksfuncties waarvoor in tabel 3.25 geen voorschrift is aangewezen.
1.
Een uitwendige scheidingsconstructie van een verblijfsruimte, een toiletruimte of een badruimte is, bepaald volgens NEN 2778, waterdicht.
2.
Een constructie die de scheiding vormt tussen een verblijfsruimte, een toiletruimte of een badruimte en een kruipruimte, met inbegrip van de op die constructie aansluitende delen van andere constructies, voor zover die delen van invloed zijn op het kunnen binnendringen van vocht in de verblijfsruimte, de toiletruimte of de badruimte, is, bepaald volgens NEN 2778, waterdicht.
3.
Een inwendige scheidingsconstructie van een verblijfsruimte, een toiletruimte of een badruimte, voor zover die scheidingsconstructie niet grenst aan een andere verblijfsruimte, een andere toiletruimte of een andere badruimte, is, bepaald volgens NEN 2778, waterdicht.
Artikel 3.27. Wateropname
Een scheidingsconstructie van een badruimte heeft aan een zijde die grenst aan die ruimte tot 1 m boven de vloer van die ruimte een volgens NEN 2778 bepaalde wateropname die gemiddeld niet groter is dan 0.01 kg/(m 2 .s 1/2 ) en op geen enkele plaats groter dan 0,2 kg/(m 2 .s 1/2 ).
Artikel 3.28. Aansturingsartikel
Tabel 3.28
gebruiksfunctie leden van toepassing grens waarde
                      capaciteit
      luchtverversing verblijfsgebied, verblijfsruimte, toiletruimte en badruimte thermisch comfort regelbaarheid luchtverversing overige ruimten plaats van de opening luchtkwaliteit verbouw tijdelijke bouw per persoon
    artikel 3.29           3.30 3.31     3.32           3.33   3.34               3.35   3.36 3.29
    lid 1 2 3 4 5 6 7 * 1 2 3 1 2 3 4 5 6 7 1 2 3 1 2 3 4 5 6 7 8 9 1 2 * 3
                                                                        [dm 3 /s per persoon]
1 Woonfunctie 1 2 4 5 6 7 * 1 2 3 1 2 3 4 1 2 3 1 2 3 4 5 7 8 1 2 *
2 Bijeenkomstfunctie                                                                    
  a. voor kinderopvang 3 4 6 7 * 1 2 3 2 3 4 1 2 3 1 4 5 7 8 1 2 * 6,5
  b. andere bijeenkomstfunctie 3 4 6 7 * 1 2 3 2 3 4 1 2 3 1 4 5 7 8 1 2 4
3 Celfunctie 3 4 6 7 * 1 2 3 2 3 4 1 2 3 1 4 5 7 8 1 2  
  a. cel                                                                   12
  b. ander verblijfsgebied                                                                   6,5
4 Gezondheidszorgfunctie 3 4 6 7 * 1 2 3 2 3 4 1 2 3 1 4 5 7 8 1 2  
  a. bedgebied                                                                   12
  b. ander verblijfsgebied                                                                   6,5
5 Industriefunctie 3 4 6 7 2 3 4 1 2 3 1 4 5 7 8 1 2 6,5
6 Kantoorfunctie 3 4 6 7 * 1 2 3 2 3 4 1 2 3 1 4 5 7 8 1 2 6,5
7 Logiesfunctie                                                                    
  a. in een logiesgebouw 3 4 6 7 * 1 2 3 2 3 4 1 2 3 1 2 4 5 7 8 1 2 12
  b. andere logiesfunctie 3 4 5 6 7 * 1 2 3 2 3 4 1 2 3 1 2 4 5 7 8 1 2 12
8 Onderwijsfunctie 3 4 6 7 * 1 2 3 2 3 4 1 2 3 1 4 5 7 8 1 2 * 8,5
9 Sportfunctie 3 4 6 7 * 1 2 3 2 3 4 1 2 3 1 4 5 7 8 1 2 6,5
10 Winkelfunctie 3 4 6 7 * 1 2 3 2 3 4 1 2 3 1 4 5 7 8 1 2 4
11 Overige gebruiksfunctie                                                                    
  a. voor het stallen van motorvoertuigen 6 7 2 3 4 5 4 5 7 8 9 1 2
  b. andere overige gebruiksfunctie 6 7 2 3 4 4 5 7 8 1 2
12 Bouwwerk geen gebouw zijnde                                                                    
  a. wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m 2 4 6 7 4 6 1 2
  b. andere tunnel of tunnelvormig bouwwerk 2 4 6 4 1 2
  c. ander bouwwerk geen gebouw zijnde 2 4 4 5 1 2
1.
Een te bouwen bouwwerk heeft een zodanige voorziening voor luchtverversing dat het ontstaan van een voor de gezondheid nadelige kwaliteit van de binnenlucht wordt voorkomen.
2.
Voor zover voor een gebruiksfunctie in tabel 3.28 voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die voorschriften.
1.
Een verblijfsgebied heeft een voorziening voor luchtverversing met een volgens NEN 1087 bepaalde capaciteit van ten minste 0,9 dm 3 /s per m 2 vloeroppervlakte met een minimum van 7 dm 3 /s.
2.
Een verblijfsruimte heeft een voorziening voor luchtverversing met een volgens NEN 1087 bepaalde capaciteit van ten minste 0,7 dm 3 /s per m 2 vloeroppervlakte met een minimum van 7 dm 3 /s.
3.
Een verblijfsgebied en een verblijfsruimte heeft een voorziening voor luchtverversing met een volgens NEN 1087 bepaalde capaciteit van ten minste de in tabel 3.28 aangegeven capaciteit per persoon.
4.
Onverminderd het eerste tot en met derde lid heeft een verblijfsgebied of een verblijfsruimte, met een opstelplaats voor een kooktoestel als bedoeld in artikel 4.38 een voorziening voor luchtverversing met een volgens NEN 1087 bepaalde capaciteit van ten minste 21 dm 3 /s.
5.
Een voorziening voor luchtverversing voor meer dan een verblijfsgebied heeft een capaciteit die niet kleiner is dan de hoogste waarde die volgens het eerste en derde lid geldt voor elk afzonderlijk verblijfsgebied. In aanvulling daarop is de capaciteit niet kleiner dan 70% van de som van de waarden die volgens het eerste, derde en vierde lid gelden voor de op die voorziening aangewezen verblijfsgebieden.
6.
Een toiletruimte heeft een voorziening voor luchtverversing met een capaciteit van ten minste 7 dm 3 /s, bepaald volgens NEN 1087.
7.
Een badruimte heeft een voorziening voor luchtverversing met een capaciteit van ten minste 14 dm 3 /s, bepaald volgens NEN 1087.
Artikel 3.30. Thermisch comfort
De toevoer van verse lucht veroorzaakt in de leefzone van een verblijfsgebied een volgens NEN 1087 bepaalde luchtsnelheid die niet groter is dan 0,2 m/s.
1.
Een voorziening voor natuurlijke toevoer van verse lucht is regelbaar in het gebied van 0% tot 30% van de capaciteit als bedoeld in artikel 3.29 en heeft, bepaald volgens NEN 1087, naast een laagste stand van ten hoogste 10% van die capaciteit en een stand van 100% van die capaciteit, ten minste twee regelstanden in het regelgebied die onderling ten minste 10% in capaciteit verschillen.
2.
Een voorziening voor mechanische toevoer van verse lucht heeft een dichtstand, is regelbaar in het gebied van 10% tot 100% van de capaciteit als bedoeld in artikel 3.29 en heeft naast een laagste stand van ten hoogste 10% van die capaciteit en een stand van 100% van die capaciteit ten minste een regelstand in het regelgebied.
3.
Een voorziening voor toevoer van verse lucht als bedoeld in het eerste en tweede lid mag zelfregelend zijn in het regelgebied.
1.
Een gemeenschappelijke verkeersruimte heeft een niet afsluitbare voorziening voor luchtverversing met een volgens NEN 1087 bepaalde capaciteit van ten minste 0,5 dm 3 /s per m 2 vloeroppervlakte van die ruimte.
2.
Een ruimte met een opstelplaats voor een gasmeter heeft een niet afsluitbare voorziening voor luchtverversing met een volgens NEN 1087 bepaalde capaciteit van ten minste 1 dm 3 /s per m 2 vloeroppervlakte van die ruimte, met een minimum van 2 dm 3 /s.
3.
Een schacht voor een lift heeft een niet afsluitbare voorziening voor luchtverversing met een volgens NEN 1087 bepaalde capaciteit van ten minste 3,2 dm 3 /s per m 2 vloeroppervlakte van die liftschacht.
4.
Een opslagruimte voor huishoudelijk afval met een vloeroppervlakte van meer dan 1,5 m 2 heeft een niet afsluitbare voorziening voor luchtverversing met een volgens NEN 1087 bepaalde capaciteit van ten minste 10 dm 3 /s per m 2 vloeroppervlakte van die ruimte.
5.
Een stallingruimte voor motorvoertuigen heeft een niet afsluitbare voorziening voor luchtverversing met een volgens NEN 1087 bepaalde capaciteit van ten minste 3 dm 3 /s per m 2 vloeroppervlakte van die ruimte.
6.
Een tunnel heeft afhankelijk van zijn bestemming en tunnellengte een voorziening voor luchtverversing met voldoende capaciteit.
7.
Bij een tunnelbuislengte van meer dan 500 m is de in het zesde lid bedoelde voorziening voor luchtverversing mechanisch.
1.
De volgens NEN 1087 bepaalde verdunningsfactor van de uitstoot van een afvoervoorziening voor luchtverversing heeft ter plaatse van een instroomopening voor de toevoer van verse lucht voor een voorziening voor luchtverversing als bedoeld in artikel 3.29 ten hoogste de in tabel 3.33 aangegeven waarde. Bij de bepaling van de verdunningsfactor blijven afvoervoorzieningen en belemmeringen die op een ander perceel liggen buiten beschouwing.
2.
De volgens NEN 2757 bepaalde verdunningsfactor van de uitstoot van een afvoervoorziening voor rookgas heeft ter plaatse van een instroomopening voor de toevoer van verse lucht voor een voorziening voor luchtverversing als bedoeld in artikel 3.29 ten hoogste de in tabel 3.33 aangegeven waarde. Bij de bepaling van de verdunningsfactor blijven afvoervoorzieningen en belemmeringen die op een ander perceel liggen buiten beschouwing.
3.
Een instroomopening en een uitmonding van een voorziening voor luchtverversing liggen op een afstand van ten minste 2 m van de perceelsgrens, gemeten loodrecht op de uitwendige scheidingsconstructie van de gebruiksfunctie. Dit geldt niet voor een in een dak gelegen instroomopening of uitmonding. Indien het perceel waarop de gebruiksfunctie ligt, grenst aan een openbare weg, openbaar water of openbaar groen, wordt die afstand aangehouden tot het hart van die weg, dat water of dat groen.
1.
De toevoer van de in artikel 3.29 bedoelde hoeveelheid verse lucht naar een verblijfsgebied vindt rechtstreeks van buiten plaats.
2.
In afwijking van het eerste lid mag, bij de toevoer van verse lucht naar een niet-gemeenschappelijk verblijfsgebied, ten hoogste 50% van de in artikel 3.29 bedoelde hoeveelheid via een niet-gemeenschappelijk verblijfsgebied of niet-gemeenschappelijke verkeersruimte van dezelfde gebruiksfunctie worden aangevoerd.
3.
De toevoer van verse lucht naar een gemeenschappelijke verkeersruimte vindt rechtstreeks van buiten plaats. Afvoer van binnenlucht uit een dergelijke ruimte vindt rechtstreeks naar buiten plaats.
4.
De toevoer van verse lucht naar een schacht voor een lift vindt rechtstreeks van buiten plaats, of via de liftmachineruimte van buiten. Afvoer van binnenlucht uit een dergelijke ruimte vindt rechtstreeks naar buiten plaats, of via de liftmachineruimte naar buiten.
5.
De toevoer van verse lucht naar een opslagruimte voor huishoudelijk afval vindt rechtstreeks van buiten plaats en de afvoer van binnenlucht rechtstreeks naar buiten.
6.
Bij een wegtunnelbuis met een tunnelbuislengte van meer dan 250 m vindt de toevoer van verse lucht rechtstreeks van buiten plaats en de afvoer van binnenlucht rechtstreeks naar buiten.
7.
Ten minste 21 dm 3 /s van de capaciteit van de afvoer van binnenlucht uit een verblijfsgebied of een verblijfsruimte waarin zich een opstelplaats voor een kooktoestel, als bedoeld in artikel 3.29, vierde lid, bevindt, wordt rechtstreeks naar buiten afgevoerd.
8.
De afvoer van binnenlucht uit een toiletruimte of een badruimte vindt rechtstreeks naar buiten plaats.
9.
De afvoer van binnenlucht uit een stallingruimte voor motorvoertuigen vindt rechtstreeks naar buiten plaats.
1.
Op het gedeeltelijk vernieuwen of veranderen of het vergroten van een bouwwerk zijn de artikelen 3.29 tot en met 3.34 van overeenkomstige toepassing, waarbij in plaats van het in die artikelen aangegeven niveau van eisen wordt uitgegaan van het rechtens verkregen niveau.
2.
In afwijking van het eerste lid mag bij het installeren van een afvoervoorziening voor rookgas bij toepassing van artikel 3.33, tweede lid, niet worden uitgegaan van het rechtens verkregen niveau.
Artikel 3.36. Tijdelijke bouw
Op het bouwen van een tijdelijk bouwwerk zijn de artikelen 3.29 tot en met 3.34 van toepassing.
Artikel 3.37. Aansturingsartikel
3.38 3.39 3.40 3.38 Tabel 3.37
gebruiksfunctie leden van toepassing grenswaarde
      luchtverversing verblijfsruimte, toiletruimte en badruimte   luchtverversing overige ruimten luchtkwaliteit capaciteit
      per persoon
    artikel  
    lid 1 2 3 4 5 6 7 1 2 3 4 5 6 1 2 3 4 5 2
                                          [dm 3 /s per persoon]
1 Woonfunctie 1 3 4 5 6 7 1 2 3 1 2 4 5
2 Bijeenkomstfunctie                                      
  a voor kinderopvang 2 3 6 7 1 2 3 1 2 4 5 3,44
  b andere bijeenkomstfunctie 2 3 6 7 1 2 3 1 2 4 5 2,12
3 Celfunctie 2 3 6 7 1 2 3 1 2 4 5  
    1 cel                                     6,40
    2 andere verblijfsruimte                                     3,44
4 Gezondheidszorgfunctie 2 3 6 7 1 2 3 1 2 4 5 3,44
5 Industriefunctie 2 3 6 7 1 2 3 1 2 4 5 3,44
6 Kantoorfunctie 2 3 6 7 1 2 3 1 2 4 5 3,44
7 Logiesfunctie 2 3 4 6 7 1 2 3 1 2 4 5 6,40
8 Onderwijsfunctie 2 3 6 7 1 2 3 1 2 4 5 3,44
9 Sportfunctie 2 3 6 7 1 2 3 1 2 4 5 3,44
10 Winkelfunctie 2 3 6 7 1 2 3 1 2 4 5 2,12
11 Overige gebruiksfunctie                                      
  a voor het stallen van motorvoertuigen 6 7 1 2 4 1 2 4 5
  b andere overige gebruiksfunctie 6 7 1 2 3 1 2 4 5
12 Bouwwerk geen gebouw zijnde                                      
  a wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m 1 2 3 6 1 3
  b andere tunnel of tunnelvormig bouwwerk voor verkeer 1 2 5 1
  c ander bouwwerk geen gebouw zijnde 1 2 3 1
1.
Een bestaand bouwwerk heeft een zodanige voorziening voor luchtverversing dat het ontstaan van een voor de gezondheid nadelige kwaliteit van de binnenlucht wordt voorkomen.
2.
Voor zover voor een gebruiksfunctie in tabel 3.37 voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die voorschriften.
1.
Een verblijfsruimte heeft een voorziening voor luchtverversing met een volgens NEN 8087 bepaalde capaciteit van ten minste 0,7 dm 3 /s per m 2 vloeroppervlakte met een minimum van 7 dm 3 /s.
2.
Een verblijfsruimte heeft een voorziening voor luchtverversing met een volgens NEN 8087 bepaalde capaciteit van ten minste de in tabel 3.37 aangegeven capaciteit per persoon.
3.
Onverminderd het eerste en tweede lid heeft een verblijfsruimte met een opstelplaats voor een kooktoestel als bedoeld in artikel 4.42 of met een opstelplaats voor een open verbrandingstoestel voor warmwater een voorziening voor luchtverversing met een volgens NEN 8087 bepaalde capaciteit van ten minste 21 dm 3 /s. Een opstelplaats voor een kooktoestel of een warmwatertoestel met een nominale belasting van meer dan 15 kW, of voor een warmwatertoestel dat geen open verbrandingstoestel is, blijft hierbij buiten beschouwing.
4.
Een voorziening voor luchtverversing voor meer dan een verblijfsruimte heeft een capaciteit die ten minste voldoet aan de hoogste waarde die volgens het eerste tot en met derde lid is bepaald voor een op die voorziening aangewezen verblijfsruimte.
5.
Een voorziening voor luchtverversing voor een verblijfsgebied, dat bestaat uit meer dan één gemeenschappelijke verblijfsruimte heeft, in afwijking van het vierde lid, een capaciteit die ten minste voldoet aan de som van de waarden die volgens het eerste tot en met derde lid is bepaald voor de op die voorziening aangewezen verblijfsruimten.
6.
Een toiletruimte heeft een voorziening voor luchtverversing met een capaciteit van ten minste 7 dm 3 /s, bepaald volgens NEN 8087.
7.
Een badruimte heeft een voorziening voor luchtverversing met een capaciteit van ten minste 14 dm 3 /s, bepaald volgens NEN 8087.
1.
Een ruimte met een opstelplaats voor een gasmeter heeft een voorziening voor luchtverversing met een volgens NEN 8087 bepaalde capaciteit van ten minste 1 dm 3 /s per m 2 vloeroppervlakte van die ruimte, met een minimum van 2 dm 3 /s.
2.
Een schacht voor een lift heeft een voorziening voor luchtverversing met een volgens NEN 8087 bepaalde capaciteit van ten minste 3,2 dm 3 /s per m 2 vloeroppervlakte van die liftschacht.
3.
Een opslagruimte voor huishoudelijk afval met vloeroppervlakte van meer dan 1,5 m 2 heeft een niet afsluitbare voorziening voor luchtverversing met een volgens NEN 8087 bepaalde capaciteit van ten minste 10 dm 3 /s per m 2 vloeroppervlakte van die ruimte of een volgens NEN 8087 bepaalde capaciteit van ten minste100 dm 3 /s.
4.
Een stallingruimte voor motorvoertuigen heeft een voorziening voor luchtverversing met een volgens NEN 8087 bepaalde capaciteit van ten minste 3 dm 3 /s per m 2 vloeroppervlakte van die ruimte.
5.
Een tunnel heeft afhankelijk van zijn bestemming en tunnellengte een voorziening voor luchtverversing met voldoende capaciteit.
6.
Bij een wegtunnelbuis met een tunnelbuislengte van meer dan 500 m is de in het vijfde lid bedoelde voorziening voor luchtverversing mechanisch.
1.
De toevoer van verse lucht naar een liftschacht voor een brandweerlift vindt rechtstreeks van buiten plaats, of via de liftmachineruimte. Afvoer van binnenlucht uit een dergelijke ruimte vindt rechtstreeks naar buiten plaats, of via de liftmachineruimte.
2.
De toevoer van verse lucht naar een opslagruimte voor huishoudelijk afval vindt rechtstreeks van buiten plaats. Afvoer van binnenlucht uit een dergelijke ruimte vindt rechtstreeks naar buiten plaats.
3.
Bij een wegtunnelbuis met een tunnelbuislengte van meer dan 250 m vindt de toevoer van verse lucht rechtstreeks van buiten plaats en de afvoer van binnenlucht rechtstreeks naar buiten.
4.
Ten minste 21 dm 3 /s van de capaciteit van de afvoer van binnenlucht uit een verblijfsruimte waarin zich een opstelplaats voor een kooktoestel, als bedoeld in artikel 3.38, derde lid, bevindt, wordt rechtstreeks naar buiten afgevoerd.
5.
De afvoer van binnenlucht uit een toiletruimte of een badruimte vindt rechtstreeks naar buiten plaats.
Artikel 3.41. Aansturingsartikel
3.42 3.43 3.44 3.45 Tabel 3.41
gebruiksfunctie leden van toepassing
      capaciteit plaats van de opening verbouw tijdelijke bouw
    artikel
    lid 1 2 3 * * *
1 Woonfunctie 1 2 * * *
2 Bijeenkomstfunctie            
  a voor kinderopvang 1 2 3 * * *
  b andere bijeenkomstfunctie
3 Celfunctie
4 Gezondheidszorgfunctie
5 Industriefunctie
6 Kantoorfunctie
7 Logiesfunctie
8 Onderwijsfunctie            
  a voor basisonderwijs 1 2 * * *
  b andere onderwijsfunctie
9 Sportfunctie
10 Winkelfunctie
11 Overige gebruiksfunctie
12 Bouwwerk geen gebouw zijnde
1.
Een te bouwen bouwwerk heeft een voorziening voor het zo nodig snel kunnen afvoeren van sterk verontreinigde binnenlucht.
2.
Voor zover voor een gebruiksfunctie in tabel 3.41 voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die voorschriften.
3.
Het eerste lid is niet van toepassing op de gebruiksfuncties waarvoor in tabel 3.41 geen voorschrift is aangewezen.
1.
Een verblijfsgebied heeft een spuivoorziening met een volgens NEN 1087 bepaalde capaciteit van de spuiventilatie van ten minste 6 dm 3 /s per m 2 vloeroppervlakte van dat gebied. In een uitwendige scheidingsconstructie van dat gebied zijn beweegbare constructieonderdelen die op die capaciteit zijn afgestemd.
2.
Een verblijfsruimte heeft een spuivoorziening met een volgens NEN 1087 bepaalde capaciteit van de spuiventilatie van ten minste 3 dm 3 /s per m 2 vloeroppervlakte van die ruimte. In een uitwendige scheidingsconstructie van die ruimte zijn beweegbare constructieonderdelen die op die capaciteit zijn afgestemd. Ten minste een van die beweegbare constructieonderdelen is een beweegbaar raam.
3.
In afwijking van het eerste en tweede lid kan de bedoelde capaciteit worden gerealiseerd met een in artikel 3.29 bedoelde voorziening voor luchtverversing.
Artikel 3.43. Plaats van de opening
Een opening van een spuivoorziening als bedoeld in artikel 3.42, eerste lid, ligt op een afstand van ten minste 2 m van de perceelsgrens, gemeten loodrecht op de uitwendige scheidingsconstructie van de gebruiksfunctie. Indien het perceel waarop de gebruiksfunctie ligt, grenst aan een openbare weg, openbaar water of openbaar groen, wordt die afstand aangehouden tot het hart van de weg, dat water of dat groen.
Artikel 3.44. Verbouw
Op het gedeeltelijk vernieuwen of veranderen of het vergroten van een bouwwerk zijn de artikelen 3.42 en 3.43 van overeenkomstige toepassing, waarbij in plaats van het in die artikelen aangegeven niveau van eisen wordt uitgegaan van het rechtens verkregen niveau.
Artikel 3.45. Tijdelijke bouw
Op het bouwen van een tijdelijk bouwwerk zijn de artikelen 3.42 en 3.43 van toepassing.
Artikel 3.46. Aansturingsartikel
3.47 Tabel 3.46
gebruiksfunctie leden van toepassing
      capaciteit
    artikel
    lid 1 2 3
1 Woonfunctie 1 2 3
2 Bijeenkomstfunctie      
  a voor kinderopvang 1 3
  b andere bijeenkomstfunctie
Alle niet hierboven genoemde gebruiksfuncties
1.
Een bestaand bouwwerk heeft een voorziening voor het zo nodig snel kunnen afvoeren van sterk verontreinigde binnenlucht.
2.
Voor zover voor een gebruiksfunctie in tabel 3.46 voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die voorschriften.
3.
Het eerste lid is niet van toepassing op de gebruiksfuncties waarvoor in tabel 3.46 geen voorschrift is aangewezen.
1.
Een verblijfsruimte heeft een spuivoorziening met een volgens NEN 8087 bepaalde capaciteit van de spuiventilatie van ten minste 3 dm 3 /s per m 2 vloeroppervlakte van die ruimte.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing op een gemeenschappelijke verblijfsruimte.
3.
De in het eerste lid bedoelde capaciteit kan worden gerealiseerd met de in artikel 3.38 bedoelde voorziening voor luchtverversing.
Artikel 3.48. Aansturingsartikel
Tabel 3.48
gebruiksfunctie leden van toepassing
      aanwezigheid capaciteit plaats van de opening thermisch comfort rookdoorlatendheid stromingsrichting verbouw tijdelijke bouw
    artikel 3.49 3.50 3.51 3.52 3.53 3.54 3.55 3.56
    lid * 1 2 3 4 5 6 1 2 3 4 * * 1 2 1 2 3 *
1 Woonfunctie * 1 2 3 4 5 6 1 2 3 4 * * 1 2 1 2 3 *
2 Bijeenkomstfunctie * 1 2 3 4 5 6 1 2 3 4 * * 1 2 1 2 3 *
3 Celfunctie * 1 2 3 4 5 6 1 2 3 4 * * 1 2 1 2 3 *
4 Gezondheidszorgfunctie * 1 2 3 4 5 6 1 2 3 4 * * 1 2 1 2 3 *
5 Industriefunctie * 1 2 3 4 5 6 1 2 3 4 * 1 2 1 2 3 *
6 Kantoorfunctie * 1 2 3 4 5 6 1 2 3 4 * * 1 2 1 2 3 *
7 Logiesfunctie * 1 2 3 4 5 6 1 2 3 4 * * 1 2 1 2 3 *
8 Onderwijsfunctie * 1 2 3 4 5 6 1 2 3 4 * * 1 2 1 2 3 *
9 Sportfunctie * 1 2 3 4 5 6 1 2 3 4 * * 1 2 1 2 3 *
10 Winkelfunctie * 1 2 3 4 5 6 1 2 3 4 * * 1 2 1 2 3 *
11 Overige gebruiksfunctie * 2 3 4 5 6 2 3 4 * 1 2 1 2 3 *
12 Bouwwerk geen gebouw zijnde
1.
Een te bouwen bouwwerk met een opstelplaats voor een verbrandingstoestel heeft zodanige voorzieningen voor de toevoer van verbrandingslucht en de afvoer van rookgas, dat een voor de gezondheid nadelige kwaliteit van de binnenlucht wordt voorkomen.
2.
Voor zover voor een gebruiksfunctie in tabel 3.48 voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die voorschriften.
3.
Het eerste lid is niet van toepassing op de gebruiksfuncties waarvoor in tabel 3.48 geen voorschrift is aangewezen.
Artikel 3.49. Aanwezigheid
Een ruimte met een opstelplaats voor een verbrandingstoestel heeft voorzieningen voor de toevoer van verbrandingslucht en de afvoer van rookgas. Een opstelplaats voor een kooktoestel met een nominale belasting van niet meer dan 15 kW, gelegen in een verblijfsruimte, blijft hierbij buiten beschouwing.
1.
Een voorziening voor de toevoer van verbrandingslucht voor een opstelplaats voor een verbrandingstoestel met een nominale belasting van meer dan 130 kW heeft een zodanige capaciteit, dat de verbranding doeltreffend kan plaatsvinden.
2.
Een voorziening voor de toevoer van verbrandingslucht voor een verbrandingstoestel met een nominale belasting van niet meer dan 130 kW heeft ten minste de volgens tabel 3.50.1 benodigde capaciteit, bepaald volgens NEN 1087.
3.
Een voorziening voor de afvoer van rookgas voor een opstelplaats voor een verbrandingstoestel heeft een volgens NEN 2757 bepaalde capaciteit die niet kleiner is dan de met formule 3.50 bepaalde normaalvolumestroom van het rookgas.
4.
In afwijking van het derde lid heeft een voorziening voor de afvoer van rookgas voor een opstelplaats voor een open verbrandingstoestel met ventilator een volgens NEN 2757 bepaalde capaciteit die niet kleiner is dan de door de toestelventilator opgewekte volumestroom.
5.
Een combinatie luchttoevoer- verbrandingsgasafvoersysteem heeft een volgens NEN 2757 bepaald positief drukverschil tussen het afvoerkanaal voor rookgas en het toevoerkanaal voor verbrandingslucht.
6.
Een combinatie van een voorziening voor de afvoer van rookgas met een voorziening voor de afvoer van binnenlucht heeft een volgens NEN 2757 bepaalde capaciteit die gelijk is aan de hoogste waarde die geldt voor de afzonderlijke voorzieningen.
1.
Bij toevoer van verbrandingslucht via een verblijfsgebied, heeft de volgens NEN 1087 bepaalde verdunningsfactor van de uitstoot van een afvoervoorziening voor luchtverversing en van een afvoervoorziening voor rookgas, ter plaatse van een in de uitwendige scheidingsconstructie gelegen instroomopening voor verbrandingslucht, ten hoogste de in tabel 3.33 aangegeven waarde. Bij de bepaling van de verdunningsfactor blijven afvoervoorzieningen en belemmeringen die op een ander perceel liggen, buiten beschouwing.
2.
Een instroomopening van een toevoervoorziening voor verbrandingslucht en een uitmonding van een afvoervoorziening voor rookgas, liggen op een afstand van ten minste 2 m van de perceelsgrens, gemeten loodrecht op de uitwendige scheidingsconstructie van de gebruiksfunctie. Dit geldt niet voor een in een dak gelegen instroomopening of uitmonding. Indien het perceel waarop de gebruiksfunctie ligt, grenst aan een openbare weg, openbaar water of openbaar groen, wordt die afstand aangehouden tot het hart van de weg, dat water of dat groen.
3.
Een uitmonding van een afvoervoorziening voor rookgas ligt, gemeten langszij aan een uitwendige scheidingsconstructie van een gebruiksfunctie, niet zijnde het dak, op een afstand van ten minste 1 m van de perceelsgrens.
4.
Een instroomopening van een toevoervoorziening voor verbrandingslucht en een uitmonding van een afvoervoerziening voor rookgas, gelegen boven een constructieonderdeel of het aansluitende terrein, liggen, ter voorkoming van gehele of gedeeltelijke afsluiting van de opening door ophoping van vuil of sneeuw, ten minste 0,3 m boven de bovenzijde van dat constructieonderdeel of dat terrein.
Artikel 3.52. Thermisch comfort
De toevoer van verbrandingslucht veroorzaakt in de leefzone van een verblijfsgebied een volgens NEN 1087 bepaalde luchtsnelheid die niet groter is dan 0,2 m/s.
Artikel 3.53. Rookdoorlatendheid
Het inwendig oppervlak van een afvoervoorziening voor rookgas heeft, ter voorkoming van verspreiding van voor de gezondheid schadelijke bestanddelen uit de rook, een volgens NEN 2757 bepaalde doorlatendheid die niet groter is dan in tabel 3.53 is aangegeven. Tabel 3.53
afvoervoorziening voor rook toegestane doorlatendheid
Een overdrukvoorziening als bedoeld in NEN 2757 0,006 x 10 -3 m 3 /s per m 2 inwendig oppervlak, gemeten bij een drukverschil van 200 Pa
Een onderdrukvoorziening als bedoeld in NEN 2757 3 x 10 -3  m 3 /s per m 2 inwendig oppervlak, gemeten bij een drukverschil van 40 Pa
1.
De volgens NEN 1087 bepaalde richting van de luchtstroming voor de toevoer van verbrandingslucht gaat vanuit de voorziening voor de toevoer van verbrandingslucht naar een opstelplaats van een verbrandingstoestel. Bij de bepaling van de stromingsrichting blijven bouwwerken en daarmee gelijk te stellen belemmeringen, die op een ander perceel liggen, buiten beschouwing.
2.
Rookgas stroomt, bepaald volgens NEN 2757, vanaf de opstelplaats van een verbrandingstoestel naar de uitmonding van de voorziening voor de afvoer van rook. Bij de bepaling van de stromingsrichting blijven bouwwerken en andere daarmee gelijk te stellen belemmeringen op een ander perceel buiten beschouwing.
1.
Op het gedeeltelijk vernieuwen of veranderen of het vergroten van een bouwwerk zijn de artikelen 3.51 tot en met 3.53 van overeenkomstige toepassing, waarbij in plaats van het in die artikelen aangegeven niveau van eisen wordt uitgegaan van het rechtens verkregen niveau.
2.
In afwijking van het eerste lid wordt bij het installeren van een afvoervoorziening voor rookgas bij toepassing van de artikelen 3.51 en 3.53 niet uitgegaan van het rechtens verkregen niveau.
3.
In afwijking van het eerste lid wordt bij het installeren van een toevoervoorziening voor verbrandingslucht bij toepassing van artikel 3.51 niet uitgegaan van het rechtens verkregen niveau.
Artikel 3.56. Tijdelijke bouw
Op het bouwen van een tijdelijk bouwwerk zijn de artikelen 3.49 tot en met 3.54 van toepassing.
Artikel 3.57. Aansturingsartikel
3.58 3.59 3.60 3.61 Tabel 3.57
gebruiksfunctie leden van toepassing
      aanwezigheid capaciteit rookdoorlatendheid stromingsrichting
    artikel
    lid * 1 2 3 4 5 6 * 1 2
12 Bouwwerk geen gebouw zijnde
Alle niet hierboven genoemde gebruiksfuncties * 1 2 3 4 5 6 * 1 2
1.
Een bestaand bouwwerk met een opstelplaats voor een verbrandingstoestel heeft zodanige voorzieningen voor de toevoer van verbrandingslucht en de afvoer van rookgas, dat een voor de gezondheid nadelige kwaliteit van de binnenlucht wordt voorkomen.
2.
Voor zover voor een gebruiksfunctie in tabel 3.57 voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die voorschriften.
3.
Het eerste lid is niet van toepassing op de gebruiksfuncties waarvoor in tabel 3.57 geen voorschrift is aangewezen.
Artikel 3.58. Aanwezigheid
Een ruimte met een opstelplaats voor een verbrandingstoestel heeft voorzieningen voor de toevoer van verbrandingslucht en de afvoer van rookgas. Een opstelplaats voor een kooktoestel of een warmwatertoestel met open verbranding met een nominale belasting van niet meer dan 15 kW, gelegen in een verblijfsruimte, blijft hierbij buiten beschouwing.
1.
Een voorziening voor de toevoer van verbrandingslucht en een voorziening voor de afvoer van rookgas voor een opstelplaats voor een verbrandingstoestel met een nominale belasting van meer dan 130 kW hebben een zodanige capaciteit, dat de verbranding doeltreffend kan plaatsvinden.
2.
Een voorziening voor de toevoer van verbrandingslucht voor een verbrandingstoestel met een nominale belasting van niet meer dan 130 kW heeft ten minste de volgens tabel 3.50.1 benodigde capaciteit, bepaald volgens NEN 8087.
3.
Een voorziening voor de afvoer van rookgas voor een opstelplaats voor een verbrandingstoestel met een nominale belasting van niet meer dan 130 kW heeft een volgens NEN 8757 bepaalde capaciteit die niet kleiner is dan de met formule 3.50 bepaalde normaalvolumestroom van het rookgas.
4.
In afwijking van het derde lid heeft een voorziening voor de afvoer van rookgas voor een opstelplaats voor een open verbrandingstoestel met ventilator en een nominale belasting van niet meer dan 130 kW, een volgens NEN 8757 bepaalde capaciteit die niet kleiner is dan de door de toestelventilator opgewekte volumestroom.
5.
Een combinatie luchttoevoer- verbrandingsgasafvoersysteem heeft een volgens NEN 8757 bepaald positief drukverschil tussen het afvoerkanaal voor rookgas en het toevoerkanaal voor verbrandingslucht.
6.
Een combinatie van een voorziening voor de afvoer van rookgas met een voorziening voor de afvoer van binnenlucht heeft een volgens NEN 8757 bepaalde capaciteit die gelijk is aan de hoogste waarde die geldt voor de afzonderlijke voorzieningen.
Artikel 3.60. Rookdoorlatendheid
Het inwendig oppervlak van een overdrukvoorziening voor de afvoer van rookgas heeft, ter voorkoming van verspreiding van voor de gezondheid schadelijke bestanddelen uit de rook, een volgens NEN 8757 bepaalde doorlatendheid die bij een drukverschil van 200 Pa, niet groter is dan 0,006 x 10 -3  m 3 /s per m 2 .
1.
De richting van de luchtstroming voor de toevoer van verbrandingslucht gaat vanuit de voorziening voor de toevoer van verbrandingslucht naar een opstelplaats van een verbrandingstoestel. Bij de bepaling van de stromingsrichting blijven bouwwerken en daarmee gelijk te stellen belemmeringen, die op een ander perceel liggen, buiten beschouwing.
2.
Rookgas stroomt, bepaald volgens NEN 8757, vanaf de opstelplaats van een verbrandingstoestel naar de uitmonding van de voorziening voor de afvoer van rook. Bij de bepaling van de stromingsrichting blijven bouwwerken en andere daarmee gelijk te stellen belemmeringen op een ander perceel buiten beschouwing.
Artikel 3.62. Aansturingsartikel
3.63 3.64 3.65 Tabel 3.62
gebruiksfunctie leden van toepassing
      ministeriële regeling verbouw tijdelijke bouw
    artikel
    lid 1 2 * *
11 Overige gebruiksfunctie 1 * *
12 Bouwwerk geen gebouw zijnde 1 * *
Alle niet hierboven genoemde gebruiksfuncties 1 2 * *
1.
Een te bouwen bouwwerk is zodanig dat het ontstaan van een voor de gezondheid nadelige kwaliteit van de binnenlucht door de aanwezigheid van voor de gezondheid schadelijke stoffen en ioniserende straling beperkt is.
2.
Voor zover voor een gebruiksfunctie in tabel 3.62 voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die voorschriften en de krachtens die bepalingen gegeven voorschriften.
1.
Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften worden gegeven over het in een bouwwerk toepassen van materialen waaruit giftige of hinderlijke stoffen kunnen vrijkomen of waaruit ioniserende stralen kunnen ontstaan.
2.
Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften worden gegeven voor een uitwendige scheidingsconstructie, die de scheiding vormt met de grond of met de kruipruimte voor zover die scheidingsconstructie van invloed is op het ontstaan van een voor de gezondheid nadelige kwaliteit van de binnenlucht door de aanwezigheid van voor de gezondheid schadelijke stoffen en ioniserende straling.
Artikel 3.64. Verbouw
Op het gedeeltelijk vernieuwen of het veranderen of het vergroten van een bouwwerk is artikel 3.63 van overeenkomstige toepassing, waarbij in plaats van het in dat artikel aangegeven niveau van eisen wordt uitgegaan van het rechtens verkregen niveau.
Artikel 3.65. Tijdelijke bouw
Op het bouwen van een tijdelijk bouwwerk is artikel 3.63 van toepassing.
1.
Een bestaand bouwwerk is zodanig dat het ontstaan van een voor de gezondheid nadelige kwaliteit van de binnenlucht door de aanwezigheid van voor de gezondheid schadelijke stoffen beperkt is.
2.
Aan de in het eerste lid gestelde eis wordt voldaan door toepassing van het voorschrift in deze paragraaf en de krachtens die bepaling gegeven voorschriften.
Artikel 3.67. Ministeriële regeling
Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften worden gegeven over het in een bouwwerk aanwezig zijn van materialen waaruit giftige of hinderlijke stoffen kunnen vrijkomen.
Artikel 3.68. Aansturingsartikel
3.69 3.70 3.71 Tabel 3.68
gebruiksfunctie leden van toepassing
      openingen scherm verbouw
    artikel
    lid 1 2 3 1 2 3 *
1 Woonfunctie              
  a woonwagen 1 2 3
  b andere woonfunctie 1 2 3 1 2 3 *
2 Bijeenkomstfunctie 1 2 3 1 2 3 *
3 Celfunctie 1 2 3 1 2 3 *
4 Gezondheidszorgfunctie 1 2 3 1 2 3 *
5 Industriefunctie
6 Kantoorfunctie 1 2 3 1 2 3 *
7 Logiesfunctie              
  a in een logiesbouw 1 2 3 1 2 3 *
  b andere logiesfunctie 1 2 3
8 Onderwijsfunctie 1 2 3 1 2 3 *
9 Sportfunctie 1 2 3 1 2 3 *
10 Winkelfunctie 1 2 3 1 2 3 *
11 Overige gebruiksfunctie
12 Bouwwerk geen gebouw zijnde
1.
Een te bouwen bouwwerk is zodanig dat het binnendringen van ratten en muizen wordt tegengegaan.
2.
Voor zover voor een gebruiksfuncties in tabel 3.68 voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die voorschriften.
3.
Het eerste lid is niet van toepassing op de gebruiksfuncties waarvoor in tabel 3.68 geen voorschrift is aangewezen.
1.
Een uitwendige scheidingsconstructie heeft geen openingen die breder zijn dan 0,01 m. Dit geldt niet voor een afsluitbare opening en een uitmonding van:
a. een afvoervoorziening voor luchtverversing;
b. een afvoervoorziening voor rookgas, en
c. een ont- en beluchting van een afvoervoorziening voor huishoudelijk afvalwater en hemelwater.
2.
In afwijking van het eerste lid is een grotere opening toegestaan voor een nest of een vaste rust- of verblijfplaats voor bij of krachtens de Flora- en faunawet beschermde diersoorten.
3.
Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een inwendige scheidingsconstructie die de scheiding vormt met een gebruiksfunctie waarop het eerste lid niet van toepassing is.
1.
Een gebruiksfunctie heeft ter plaatse van een uitwendige scheidingsconstructie, een scherm tot een vanaf het aansluitende terrein gemeten diepte van ten minste 0,6 m. Het scherm heeft geen openingen die breder zijn dan 0,01 m.
2.
Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een inwendige scheidingsconstructie die de scheiding vormt met een gebruiksfunctie waarop het eerste lid niet van toepassing is.
3.
Het eerste en het tweede lid zijn niet van toepassing op een scheidingsconstructie van een technische ruimte, indien zich, ter plaatse van de inwendige scheidingsconstructies die de scheiding vormen tussen die ruimte en een andere ruimte van de gebruiksfunctie, een scherm als bedoeld in het eerste lid, bevindt.
Artikel 3.71. Verbouw
Op het gedeeltelijk vernieuwen of veranderen of het vergroten van een bouwwerk is artikel 3.70 van overeenkomstige toepassing waarbij in plaats van het in dat artikel aangegeven niveau van eisen wordt uitgegaan van het rechtens verkregen niveau.
Artikel 3.72. Aansturingsartikel
3.73 Tabel 3.72
gebruiksfunctie leden van toepassing
      openingen
    artikel
    lid 1 2
1 Woonfunctie 1 2
2 Bijeenkomstfunctie 1 2
3 Celfunctie 1 2
4 Gezondheidszorgfunctie 1 2
5 Industriefunctie
6 Kantoorfunctie 1 2
7 Logiesfunctie 1 2
8 Onderwijsfunctie 1 2
9 Sportfunctie 1 2
10 Winkelfunctie 1 2
11 Overige gebruiksfunctie
12 Bouwwerk geen gebouw zijnde
1.
Een bestaand bouwwerk is zodanig dat het binnendringen van ratten en muizen wordt tegengegaan.
2.
Voor zover voor een gebruiksfuncties in tabel 3.72 voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die voorschriften.
3.
Het eerste lid is niet van toepassing op de gebruiksfuncties waarvoor in tabel 3.72 geen voorschrift is aangewezen.
1.
Een uitwendige scheidingsconstructie heeft geen openingen die breder zijn dan 0,01 m. Dit geldt niet voor een afsluitbare opening en een uitmonding van:
a. een voorziening voor luchtverversing;
b. een afvoervoorziening voor rookgas, en
c. een ont- en beluchting van een afvoervoorziening voor huishoudelijk afvalwater en hemelwater.
2.
In afwijking van het eerste lid is een grotere opening toegestaan voor een nest of een vaste rust- of verblijfplaats voor bij of krachtens de Flora- en faunawet beschermde diersoorten.
Artikel 3.74. Aansturingsartikel
3.75 3.76 3.75 Tabel 3.74
gebruiksfunctie leden van toepassing grenswaarden
      daglichtoppervlakte verbouw daglichtoppervlakte
    artikel
    lid 1 2 3 4 5 6 7 8 * 1 2
                        [%] [m 2 ]
1 Woonfunctie 1 2 3 * 10 0,5
2 Bijeenkomstfunctie                      
  a voor kinderopvang 1 2 3 4 5 * 5 0,5
  b andere bijeenkomstfunctie
3 Celfunctie 1 2 3 4 6 * 3 0,15
4 Gezondheidszorgfunctie 1 2 3 4 7 * 5 0,5
5 Industriefunctie
6 Kantoorfunctie 1 2 3 4 * 2,5 0,5
7 Logiesfunctie
8 Onderwijsfunctie 1 2 3 4 8 * 5 0,5
9 Sportfunctie
10 Winkelfunctie
11 Overige gebruiksfunctie
12 Bouwwerk geen gebouw zijnde
1.
Een te bouwen bouwwerk is zodanig dat daglicht in voldoende mate kan toetreden.
2.
Voor zover voor een gebruiksfunctie in tabel 3.74 voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die voorschriften.
3.
Het eerste lid is niet van toepassing op de gebruiksfuncties waarvoor in tabel 3.74 geen voorschrift is aangewezen.
1.
Een verblijfsgebied heeft een volgens NEN 2057 bepaalde equivalente daglichtoppervlakte in m 2 waarvan de getalswaarde niet kleiner is dan de getalswaarde van het in tabel 3.74 aangegeven deel van de vloeroppervlakte in m 2 van dat verblijfsgebied.
2.
Een verblijfsruimte heeft een volgens NEN 2057 bepaalde equivalente daglichtoppervlakte die niet kleiner is dan de in tabel 3.74 gegeven oppervlakte.
3.
Bij het bepalen van een equivalente daglichtoppervlakte als bedoeld in het eerste en tweede lid:
a. blijven bouwwerken en daarmee gelijk te stellen belemmeringen, die op een ander perceel liggen, buiten beschouwing;
b. blijven daglichtopeningen in een uitwendige scheidingsconstructie, die op een loodrecht op het projectievlak van die openingen gemeten afstand van minder dan 2 m vanaf de perceelsgrens liggen, buiten beschouwing, waarbij, indien het perceel waarop de gebruiksfunctie ligt, grenst aan een openbare weg, openbaar water of openbaar groen, de afstand wordt aangehouden tot het hart van de weg, het openbaar groen of het openbaar water, en
c. is de in rekening te brengen belemmeringshoek ?, bedoeld in NEN 2057 voor elk te onderscheiden segment niet kleiner dan 20°.
4.
Het eerste en tweede lid gelden niet voor een bouwwerk of een gedeelte daarvan voor de landsverdediging of de bescherming van de bevolking.
5.
Het eerste en tweede lid gelden niet voor een bedgebied dat niet mede bestemd is voor spelactiviteiten.
6.
In afwijking van het eerste en tweede lid, kan in een cel of andere ruimte als bedoeld in de regeling politiecellencomplex worden volstaan met het waarneembaar zijn van de dag- en nachtcyclus.
7.
Het eerste en tweede lid gelden uitsluitend voor een bedgebied.
8.
Bij de bepaling van de in het eerste lid bedoelde vloeroppervlakte van een verblijfsgebied, blijft een verblijfsruimte met een vloeroppervlakte van meer dan 150 m 2 buiten beschouwing. Op een dergelijke verblijfsruimte is het tweede lid niet van toepassing.
Artikel 3.76. Verbouw
Op het gedeeltelijk vernieuwen of veranderen of het vergroten van een bouwwerk is artikel 3.75 van overeenkomstige toepassing, waarbij in plaats van het in dat artikel aangegeven niveau van eisen wordt uitgegaan van het rechtens verkregen niveau.
Artikel 3.77. Aansturingsartikel
3.78 Tabel 3.77
gebruiksfunctie leden van toepassing grenswaarden
      daglichtoppervlakte daglichtoppervlakte
    artikel 3.78
    lid 1 2 3 4 5 6 7 8 1
                      [m 2 ]
1 Woonfunctie 1 2 8 0,5
2 Bijeenkomstfunctie                  
  a kinderopvang 1 2 3 4 8 0,5
  b andere bijeenkomstfunctie
3 Celfunctie 1 2 3 5 8 0,15
4 Gezondheidszorgfunctie 1 2 3 6 8 0,5
5 Industriefunctie
6 Kantoorfunctie 1 2 3 8 0,5
7 Logiesfunctie
8 Onderwijsfunctie 1 2 3 7 8 0,5
9 Sportfunctie
10 Winkelfunctie
11 Overige gebruiksfunctie
12 Bouwwerk geen gebouw zijnde
1.
Een bestaand bouwwerk is zodanig dat daglicht in voldoende mate kan toetreden.
2.
Voor zover voor een gebruiksfunctie in tabel 3.77 voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die voorschriften.
3.
Het eerste lid is niet van toepassing op de gebruiksfuncties waarvoor in tabel 3.77 geen voorschrift is aangewezen.
1.
Een verblijfsruimte heeft een volgens NEN 2057 bepaalde equivalente daglichtoppervlakte die niet kleiner is dan de in tabel 3.77 gegeven oppervlakte.
2.
Bij het bepalen van een equivalente daglichtoppervlakte als bedoeld in het eerste lid:
a. blijven bouwwerken en daarmee gelijk te stellen belemmeringen, die op een ander perceel liggen, buiten beschouwing;
b. blijven daglichtopeningen in een uitwendige scheidingsconstructie, die op een loodrecht op het projectievlak van die openingen gemeten afstand van minder dan 2 m vanaf de perceelsgrens liggen, buiten beschouwing, waarbij, indien het perceel waarop de gebruiksfunctie ligt, grenst aan een openbare weg, openbaar water of openbaar groen, de afstand wordt aangehouden tot het hart van de weg, het openbaar groen of het openbaar water, en
c. is de in rekening te brengen belemmeringshoek ?, bedoeld in NEN 2057 voor elk te onderscheiden segment niet kleiner dan 25°.
3.
Het eerste lid geldt niet voor een bouwwerk of een gedeelte daarvan voor de landsverdediging of de bescherming van de bevolking.
4.
Het eerste lid geldt niet voor een bedruimte.
5.
In afwijking van het eerste en tweede lid, kan in een cel of andere ruimte als bedoeld in de regeling politiecellencomplex volstaan worden met het waarneembaar zijn van de dag- en nachtcyclus.
6.
Het eerste lid geldt uitsluitend voor een bedruimte.
7.
Het eerste lid geldt niet voor een verblijfsruimte met een vloeroppervlakte van meer dan 150 m 2 .
8.
Indien de op grond van het eerste tot en met zevende lid vereiste equivalente daglichtoppervlakte groter is dan de met artikel 3.75 vastgestelde ten minste aan te houden equivalente daglichtoppervlakte kan in plaats van het eerste tot en met de zevende lid artikel 3.75 worden toegepast.
Artikel 4.1. Aansturingsartikel
4.2 4.3 4.4 4.2 4.3 Tabel 4.1
gebruiksfunctie leden van toepassing grenswaarden
      aanwezigheid afmetingen verblijfsgebied en verblijfsruimte verbouw aanwezigheid afmetingen verblijfsgebied en verblijfsruimte
    artikel
    lid 1 2 1 2 3 4 5 6 * 1 1 2 6
                        [m 2 ] [m 2 ] [m] [m]
1 Woonfunctie                          
  a woonwagen 1 2 1 2 3 4 6 * 18 5 1,8 2,2
  b voor studenten 1 1 2 3 4 6 * 15 5 1,8 2,6
  c andere woonfunctie 1 2 1 2 3 4 6 * 18 5 1,8 2,6
2 Bijeenkomstfunctie 2 1 2 6 * 5 1,8 2,6
3 Celfunctie 2 1 2 6 * 4 1,8 2,5
4 Gezondheidszorgfunctie 2 1 2 6 * 5 1,8 2,6
5 Industriefunctie
6 Kantoorfunctie 2 1 2 6 * 5 1,8 2,6
7 Logiesfunctie                          
  a in een logiesgebouw 2 1 2 5 6 * 4 1,5 2,6
  b andere logiesfunctie 2 1 2 5 6 * 4 1,5 2,1
8 Onderwijsfunctie 2 1 2 6 * 5 1,8 2,6
9 Sportfunctie 2 1 2 6 * 5 1,8 2,6
10 Winkelfunctie 2 1 2 6 * 5 1,8 2,6
11 Overige gebruiksfunctie
12 Bouwwerk geen gebouw zijnde
1.
Een te bouwen bouwwerk heeft een verblijfsgebied waarin de voor de gebruiksfunctie kenmerkende activiteiten in een of meer verblijfsruimten kunnen plaatsvinden.
2.
Voor zover voor een gebruiksfunctie in tabel 4.1 voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die voorschriften.
3.
Het eerste lid is niet van toepassing op de gebruiksfuncties waarvoor in tabel 4.1 geen voorschrift is aangewezen.
1.
Een woonfunctie heeft ten minste de in tabel 4.1 aangegeven vloeroppervlakte aan niet-gemeenschappelijk verblijfsgebied.
2.
Ten minste 55% van de gebruiksoppervlakte van een gebruiksfunctie is verblijfsgebied.
1.
Een verblijfsgebied heeft ten minste de in tabel 4.1 aangegeven vloeroppervlakte.
2.
Een verblijfsgebied heeft ten minste de in tabel 4.1 aangegeven breedte.
3.
Een verblijfsruimte heeft een breedte van ten minste 1,8 m.
4.
In ten minste een verblijfsgebied ligt een verblijfsruimte met een vloeroppervlakte van ten minste 11 m 2 bij een breedte van ten minste 3 m.
5.
In afwijking van het eerste en tweede lid heeft een verblijfsgebied in een toegankelijkheidssector een verblijfsruimte met een vloeroppervlakte van ten minste 14 m 2 bij een breedte van ten minste 3,2 m.
6.
Een verblijfsgebied en een verblijfsruimte hebben ten minste de in tabel 4.1 aangegeven hoogte boven de vloer.
Artikel 4.4. Verbouw
Op het geheel of gedeeltelijk vernieuwen of veranderen of het vergroten van een bouwwerk zijn de artikelen 4.2 en 4.3 van overeenkomstige toepassing, waarbij in plaats van het in die artikelen aangegeven niveau van eisen bij de breedte en de vloeroppervlakte wordt uitgegaan van het rechtens verkregen niveau en bij de hoogte van 2,1 m.
Artikel 4.5. Aansturingsartikel
4.6 4.7 Tabel 4.5
gebruiksfunctie leden van toepassing
      aanwezigheid afmetingen verblijfsgebied en verblijfsruimte
    artikel
    lid * 1 2
1 Woonfunctie * 1 2
2 Bijeenkomstfunctie 1
3 Celfunctie 1
4 Gezondheidszorgfunctie 1
5 Industriefunctie 1
6 Kantoorfunctie 1
7 Logiesfunctie 1
8 Onderwijsfunctie 1
9 Sportfunctie 1
10 Winkelfunctie 1
11 Overige gebruiksfunctie
12 Bouwwerk geen gebouw zijnde
1.
Een bestaand bouwwerk heeft een verblijfsgebied waarin de voor de gebruiksfunctie kenmerkende activiteiten in een of meer verblijfsruimten kunnen plaatsvinden.
2.
Voor zover voor een gebruiksfunctie in tabel 4.5 voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die voorschriften.
3.
Het eerste lid is niet van toepassing op de gebruiksfuncties waarvoor in tabel 4.5 geen voorschrift is aangewezen.
Artikel 4.6. Aanwezigheid
Een woonfunctie heeft een vloeroppervlakte van ten minste 10 m 2 aan niet-gemeenschappelijk verblijfsgebied.
1.
Een verblijfsgebied en een verblijfsruimte hebben boven de vloer een hoogte van ten minste 2,1 m.
2.
In ten minste een verblijfsgebied ligt een verblijfsruimte met een vloeroppervlakte van ten minste 7,5 m 2 en een breedte van ten minste 2,4 m.
Artikel 4.8. Aansturingsartikel
4.9 4.10 4.11 4.12 4.9 4.11 Tabel 4.8
gebruiksfunctie leden van toepassing grenswaarden
      aanwezigheid bereikbaarheid afmetingen verbouw aanwezigheid afmetingen
    artikel
    lid 1 2 3 4 5 * 1 2 3 4 * 1 3
1 Woonfunctie                       [n] [m]
  a voor zorg met een g.o. > 500 m 2 1 2 1 2 3 * 1 2,3
  b woonwagen 1 2 1 3 * 1 2,1
  c andere woonfunctie 1 2 1 3 * 1 2,3
2 Bijeenkomstfunctie                          
  a voor kinderopvang 1 3 4 * 2
  b voor alcoholgebruik 1 4 * 1 2 3 * 2 2,3
  c andere bijeenkomstfunctie 1 4 1 2 3 * 2 2,3
3 Celfunctie 1 3 4 1 2 3 4 * 2 2,3
4 Gezondheidszorgfunctie 1 3 4 1 2 3 * 2 2,3
5 Industriefunctie                          
  a lichte industriefunctie
  b andere industriefunctie 1 4 1 2 3 * 2 2,3
6 Kantoorfunctie 1 3 4 1 2 3 * 2 2,3
7 Logiesfunctie                          
  a in een logiesgebouw 1 5 1 2 3 * 1 2,3
  b andere logiesfunctie 1 5 1 2 3 * 1 2,1
8 Onderwijsfunctie 1 3 4 1 2 3 * 2 2,3
9 Sportfunctie 1 4 1 2 3 * 2 2,3
10 Winkelfunctie 1 1 2 3 * 1 2,3
11 Overige gebruiksfunctie
12 Bouwwerk geen gebouw zijnde
1.
Een te bouwen bouwwerk heeft voldoende toiletruimten.
2.
Voor zover voor een gebruiksfunctie in tabel 4.8 voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die voorschriften.
3.
Het eerste lid is niet van toepassing op de gebruiksfuncties waarvoor in tabel 4.8 geen voorschrift is aangewezen.
1.
Een gebruiksfunctie heeft ten minste het in tabel 4.8 aangegeven aantal toiletruimten.
2.
Op een toiletruimte zijn niet meer dan vijf woonfuncties aangewezen. Op een dergelijke toiletruimte zijn uitsluitend woonfuncties of een nevenfunctie daarvan aangewezen.
3.
Op een toiletruimte zijn niet meer dan 30 personen aangewezen.
4.
In afwijking van het eerste lid kan met een toiletruimte worden volstaan, indien op die toiletruimte niet meer dan 15 personen zijn aangewezen.
5.
Op een toiletruimte zijn niet meer dan zes logiesverblijven aangewezen.
Artikel 4.10. Bereikbaarheid
Een toiletruimte is niet rechtstreeks toegankelijk vanuit een verblijfsruimte van een bijeenkomstfunctie voor alcoholgebruik.
1.
Een toiletruimte als bedoeld in artikel 4.9, heeft een vloeroppervlakte van ten minste 0,9 m x 1,2 m.
2.
In afwijking van het eerste lid heeft een integraal toegankelijke toiletruimte een vloeroppervlakte van ten minste 1,65 m x 2,2 m.
3.
Een vloeroppervlakte als bedoeld in het eerste en tweede lid heeft boven die vloer ten minste de in tabel 4.8 aangegeven hoogte.
4.
Het eerste lid is niet van toepassing op een toiletruimte in een cel.
Artikel 4.12. Verbouw
Op het geheel of gedeeltelijk vernieuwen of veranderen of het vergroten van een bouwwerk zijn de artikelen 4.9 tot en met 4.11 van overeenkomstige toepassing, waarbij in plaats van het in die artikelen aangegeven niveau van eisen bij de breedte en de vloeroppervlakte wordt uitgegaan van het rechtens verkregen niveau en bij de hoogte van 2 m.
Artikel 4.13. Aansturingsartikel
4.14 4.15 4.16 4.14 Tabel 4.13
gebruiksfunctie leden van toepassing grenswaarden
      aanwezigheid bereikbaarheid afmetingen aanwezigheid
    artikel
    lid 1 2 3 4 * 1 2 1
                    [n]
1 Woonfunctie 1 1 1
2 Bijeenkomstfunctie                
  a voor kinderopvang 1 3 4 1 2
  b voor alcoholgebruik 1 4 * 1 2
  c andere bijeenkomstfunctie 1 4 1 2
3 Celfunctie 1 3 4 1 2 2
4 Gezondheidszorgfunctie 1 3 4 1 2
5 Industriefunctie                
  a lichte industriefunctie
  b andere industriefunctie 1 4 1 2
6 Kantoorfunctie 1 3 4 1 2
7 Logiesfunctie 1 2 1 1
8 Onderwijsfunctie 1 3 4 1 2
9 Sportfunctie 1 4 1 2
10 Winkelfunctie 1 1 1
11 Overige gebruiksfunctie
12 Bouwwerk geen gebouw zijnde
1.
Een bestaand bouwwerk heeft voldoende toiletruimten.
2.
Voor zover voor een gebruiksfunctie in tabel 4.13 voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die voorschriften.
3.
Het eerste lid is niet van toepassing op de gebruiksfuncties waarvoor in tabel 4.13 geen voorschrift is gegeven.
1.
Een gebruiksfunctie heeft ten minste het in tabel 4.13 aangegeven aantal toiletruimten.
2.
Op een toiletruimte zijn niet meer dan 9 logiesverblijven aangewezen.
3.
Op een toiletruimte zijn niet meer dan 45 personen aangewezen.
4.
In afwijking van het eerste lid, kan met een toiletruimte worden volstaan, indien op die toiletruimte niet meer dan 25 personen zijn aangewezen.
Artikel 4.15. Bereikbaarheid
Een toiletruimte is niet rechtstreeks toegankelijk vanuit een verblijfsruimte van een bijeenkomstfunctie voor alcoholgebruik.
1.
Een toiletruimte als bedoeld in artikel 4.14 heeft een vloeroppervlakte van ten minste 0,64 m 2 , met een breedte van tenminste 0,6 m en een hoogte boven de vloer van ten minste 2 m.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing op een toiletruimte in een cel.
Artikel 4.17. Aansturingsartikel
4.18 4.19 4.20 4.19 Tabel 4.17
gebruiksfunctie leden van toepassing grenswaarden
      aanwezigheid afmetingen verbouw afmetingen
    artikel
    lid * 1 2 3 4 5 6 * 5
1 Woonfunctie                 [m]
  a woonwagen * 1 2 5 * 2,1
  b voor zorg met een g.o. > 500 m 2 * 1 2 3 4 5 * 2,3
  c andere woonfunctie * 1 2 5 * 2,3
2 Bijeenkomstfunctie
3 Celfunctie * 1 2 3 4 5 6 * 2,3
4 Gezondheidszorgfunctie                  
  a met bedgebied * 3 4 5 * 2,3
  b andere gezondheidszorgfunctie
5 Industriefunctie
6 Kantoorfunctie
7 Logiesfunctie                  
  a in een logiesgebouw * 3 4 5 * 2,3
  b andere logiesfunctie * 3 4 5 * 2,1
8 Onderwijsfunctie
9 Sportfunctie
10 Winkelfunctie
11 Overige gebruiksfunctie
12 Bouwwerk geen gebouw zijnde
1.
Een te bouwen bouwwerk heeft voldoende badruimten.
2.
Voor zover voor een gebruiksfunctie in tabel 4.17 voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die voorschriften.
3.
Het eerste lid is niet van toepassing op de gebruiksfuncties waarvoor in tabel 4.17 geen voorschrift is aangewezen.
Artikel 4.18. Aanwezigheid
Een gebruiksfunctie heeft ten minste een badruimte.
1.
Een badruimte als bedoeld in artikel 4.18 heeft een vloeroppervlakte van ten minste 1,6 m 2 en een breedte van ten minste 0,8 m.
2.
Een badruimte als bedoeld in artikel 4.18 die is samengevoegd met een toiletruimte als bedoeld in artikel 4.9 heeft een vloeroppervlakte van ten minste 2,2 m 2 en een breedte van ten minste 0,9 m.
3.
Een integraal toegankelijke badruimte heeft een vloeroppervlakte van ten minste 1,6 m x 1,8 m.
4.
Een integraal toegankelijke badruimte die is samengevoegd met een toiletruimte heeft een vloeroppervlakte van ten minste 2,2 m x 2,2 m.
5.
Een vloeroppervlakte als bedoeld in het eerste tot en met vierde lid, heeft boven die vloer ten minste de in tabel 4.17 aangegeven hoogte.
6.
Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op een badruimte in een cel.
Artikel 4.20. Verbouw
Op het gedeeltelijk vernieuwen of veranderen of het vergroten van een bouwwerk zijn de artikelen 4.18 en 4.19 van overeenkomstige toepassing waarbij in plaats van het in die artikelen aangegeven niveau van eisen bij de breedte en de vloeroppervlakte wordt uitgegaan van het rechtens verkregen niveau en bij de hoogte van 2 m.
Artikel 4.21. Aansturingsartikel
4.22 4.23 4.24 4.25 4.26 4.27 4.28 4.29 4.22 4.23 4.24 4.25 Tabel 4.21
gebruiksfunctie leden van toepassing grenswaarden
      vrije doorgang vrije doorgang verkeersroute aanwezigheid toegankelijkheidssector integraal toegankelijke toilet- en badruimte bereikbaarheid toegankelijkheidssector hoogteverschillen afmetingen liftkooi verbouw vrije doorgang vrije doorgang verkeersroute toegankelijkheidssector integraal toegankelijke toilet- en badruimte
    artikel en
    lid 1 2 1 2 3 4 5 6 1 2 3 4 5 6 1 2 3 4 5 1 2 3 4 1 2 3 4 5 1 2 3 * 1 3 4 2
1 Woonfunctie                                                                 [m] [%]   [n]
  a woonwagen 1 2 1 2,1
  b voor zorg met een g.o. > 500 m 2 1 2 1 2 3 4 5 6 1 2 1 4 5 1 3 4 1 2 3 4 5 1 2 3 * 2,3
  c andere woonfunctie 1 2 1 2 3 4 5 6 1 1 3 4 1 2 3 4 5 1 2 3 * 2,3
2 Bijeenkomstfunctie                                                                        
  a voor alcoholgebruik 1 2 1 6 4 6 1 1 2 1 1 * 2,3 80
  b andere bijeenkomstfunctie 1 2 1 6 4 5 1 1 2 1 1 * 2,3 80
3 Celfunctie 1 2 1 6 3 1 2 4 5 1 1 1 * 2,3 40 10
4 Gezondheidszorgfunctie 1 2 1 6 4 1 2 3 5 1 2 1 1 * 2,3 80 10
5 Industriefunctie                                                                        
  a lichte industriefunctie
  b andere industriefunctie 1 2 1 6 3 1 1 1 1 * 2,3 40
6 Kantoorfunctie 1 2 1 6 3 1 2 1 1 1 * 2,3 40 10
7 Logiesfunctie                                                                        
  a in een logiesgebouw 1 2 1 6 4 1 4 5 1 1 1 * 2,3
  b andere logiesfunctie 1 2 1 6 3 1 4 5 1 1 1 * 2,1 40
8 Onderwijsfunctie 1 2 1 6 3 1 2 1 1 1 * 2,3 100 35
9 Sportfunctie 1 2 1 6 3 1 1 1 1 * 2,3 40
10 Winkelfunctie 1 2 1 6 4 1 1 2 1 1 * 2,3 60
11 Overige gebruiksfunctie
12 Bouwwerk geen gebouw zijnde
1.
Een te bouwen bouwwerk heeft voldoende bereikbare en toegankelijke ruimten.
2.
Voor zover voor een gebruiksfunctie in tabel 4.21 voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die voorschriften.
3.
Het eerste lid is niet van toepassing op de gebruiksfuncties waarvoor in tabel 4.21 geen voorschrift is aangewezen.
1.
Een doorgang heeft een vrije breedte van ten minste 0,85 m en ten minste de in tabel 4.21 aangegeven vrije hoogte. Dit geldt voor een doorgang naar:
a. een verblijfsgebied;
b. een verblijfsruimte;
c. een toiletruimte als bedoeld in de artikelen 4.9 en 4.25;
d. een badruimte als bedoeld in de artikelen 4.18 en 4.25;
e. een bergruimte als bedoeld in artikel 4.31;
f. een buitenruimte als bedoeld in artikel 4.35, en
g. een ruimte voor het bereiken van een lift.
Dit geldt ook voor een doorgang op een route vanaf het aansluitende terrein naar een in dit lid bedoelde ruimte.
2.
Een lifttoegang heeft een vrije breedte van ten minste 0,85 m en een tussen de onderdelen van de bouwconstructie gemeten hoogte van 2,3 m.
1.
Een verkeersroute die begint bij een doorgang als bedoeld in artikel 4.22, loopt door een ruimte met een vrije breedte van ten minste 0,85 m en ten minste de in tabel 4.21 aangegeven vrije hoogte. Dit geldt niet voor zover de verkeersroute over een trap voert.
2.
Indien de in het eerste lid bedoelde ruimte een gemeenschappelijke verkeersruimte is, is de vrije breedte ten minste 1,2 m. Dit geldt niet voor zover de verkeersroute over een trap voert.
3.
Een toegang van een woongebouw als bedoeld in artikel 4.27 ontsluit een gemeenschappelijke verkeersruimte die bij die toegang over een lengte van ten minste 1,5 m een vrije doorgang heeft met een breedte van ten minste 1,5 m.
4.
Aan een doorgang van een liftschacht grenst een ruimte met een vloeroppervlakte van ten minste 1,5 m x 1,5 m.
5.
In aanvulling op het tweede lid, heeft een gemeenschappelijke verkeersruimte, over een lengte van 1,5 m een vrije doorgang met een breedte van ten minste 1,5 m. Dit geldt niet indien een rolstoelgebruiker vanuit die verkeersruimte zonder te keren het aansluitende terrein kan bereiken.
6.
Indien de in het eerste lid bedoelde ruimte in een toegankelijkheidssector ligt, is de vrije breedte ten minste 1,2 m.
1.
Een woongebouw heeft een gemeenschappelijke toegankelijkheidssector, indien:
a. de vloer van een verblijfsgebied in het woongebouw hoger ligt dan 12,5 m boven het meetniveau, of
b. het woongebouw een gebruiksoppervlakte heeft van meer dan 3.500 m 2 die hoger ligt dan 1,5 m boven het meetniveau.
2.
In een woonfunctie voor zorg ligt ten minste een verblijfsgebied in een toegankelijkheidssector.
3.
Indien de gebruiksoppervlakte van een gebruiksfunctie, tezamen met de gebruiksoppervlakte van andere in hetzelfde gebouw gelegen gebruiksfuncties waarvoor dit voorschrift geldt, groter is dan 400 m 2 , ligt het in tabel 4.21 aangegeven deel van de vloeroppervlakte aan verblijfsgebied van de gebruiksfunctie in een toegankelijkheidssector.
4.
Indien de gebruiksoppervlakte van een gebruiksfunctie, tezamen met de gebruiksoppervlakte van andere in hetzelfde gebouw gelegen gebruiksfuncties waarvoor dit voorschrift geldt, groter is dan 250 m 2 ligt het in tabel 4.21 aangegeven deel van de vloeroppervlakte aan verblijfsgebied van de gebruiksfunctie in een toegankelijkheidssector en ligt 5% van de logiesverblijven, op een geheel getal naar boven afgerond in een toegankelijkheidssector.
5.
Voor zover de in het vierde lid bedoelde gebruiksfunctie een bijeenkomstfunctie is voor het aanschouwen van sport, film, muziek of theater of een bijeenkomstfunctie die een nevenfunctie is van een kantoor- of industriefunctie, ligt 40% van de vloeroppervlakte aan verblijfsgebied in een toegankelijkheidssector.
6.
Een bijeenkomstfunctie voor alcoholgebruik met een gebruiksoppervlakte van meer dan 150 m 2 heeft een toegankelijkheidssector.
1.
Een gebruiksfunctie met een toegankelijkheidssector als bedoeld in artikel 4.24 heeft ten minste een integraal toegankelijke toiletruimte.
2.
Een gebruiksfunctie met een toegankelijkheidssector als bedoeld in artikel 4.24 heeft een aantal integraal toegankelijke toiletruimten van ten minste het aantal toiletruimten als bedoeld in artikel 4.9, gedeeld door de in tabel 4.21 aangegeven waarde, op een geheel getal naar boven afgerond.
3.
Een gezondheidszorgfunctie met een bedgebied heeft ten minste een integraal toegankelijke badruimte per 500 m 2 vloeroppervlakte aan bedgebied, op een geheel getal naar boven afgerond.
4.
Een gebruiksfunctie met een toegankelijkheidssector als bedoeld in artikel 4.24 heeft een aantal integraal toegankelijke badruimten van ten minste de getalswaarde van het aantal aanwezige badruimten gedeeld door 20, op een geheel getal naar boven afgerond.
5.
Een integraal toegankelijke badruimte mag zijn samengevoegd met een integraal toegankelijke toiletruimte.
1.
Een ruimte die in een toegankelijkheidssector ligt, is rechtstreeks bereikbaar vanaf het aansluitende terrein of langs een verkeersroute die uitsluitend door een toegankelijkheidssector voert.
2.
Ten minste een toegang van een toegankelijkheidssector die rechtstreeks bereikbaar is vanaf het aansluitend terrein is de hoofdtoegang van het gebouw.
3.
Een verkeersroute als bedoeld in het eerste lid, voert niet door een niet-gemeenschappelijke ruimte van een andere gebruiksfunctie.
4.
De toegang van een woonfunctie gelegen in een woongebouw met een gemeenschappelijke toegankelijkheidssector als bedoeld in artikel 4.24, eerste lid, grenst aan een gemeenschappelijke toegankelijkheidssector.
1.
Op ten minste een route tussen een punt in een toegankelijkheidssector en het aansluitende terrein is een hoogteverschil groter dan 0,02 m, gemeten vanaf de afgewerkte vloer, overbrugd door een lift of een hellingbaan. Het hoogteverschil tussen de op die route gelegen toegang van de toegankelijkheidssector en het aansluitende terrein is niet groter dan 1 m.
2.
Op ten minste een route tussen de vloer ter plaatse van de toegang van een woongebouw zonder een toegankelijkheidssector en het aansluitende terrein is een hoogteverschil groter dan 0,02 m, gemeten vanaf de afgewerkte vloer, overbrugd door een hellingbaan. Het hoogteverschil tussen die toegang en het aansluitende terrein is niet groter dan 1 m.
3.
Bij ten minste een toegang van een woonfunctie is een hoogteverschil op de route tussen een niet-gemeenschappelijke vloer en de aangrenzende vloer van een gemeenschappelijke verkeersruimte of het aansluitende terrein groter dan 0,02 m, gemeten vanaf de afgewerkte vloer, overbrugd door een hellingbaan. Het hoogteverschil tussen die toegang en het aansluitende terrein of de gemeenschappelijke verkeersruimte is niet groter dan 1 m.
4.
Op ten minste een route tussen ten minste een uitgang van een woonfunctie en een gemeenschappelijke buitenruimte als bedoeld in artikel 4.35, tweede lid, is een hoogteverschil groter dan 0,02 m, gemeten vanaf de afgewerkte vloer, overbrugd door een lift of een hellingbaan.
5.
Een woongebouw waarin de vloer ter plaatste van de toegang van een woonfunctie hoger ligt dan 3 m boven het meetniveau, heeft op elke bouwlaag een opstelplaats voor een lift, met een liftkooi van ten minste 1,05 m x 2,05 m.
1.
De kooi van een lift als bedoeld in artikel 4.27, eerste lid, heeft een vloeroppervlakte van ten minste 1,05 m x 1,35 m.
2.
In afwijking van het eerste lid heeft de kooi van een lift in een woongebouw met meer dan 6 woonfuncties een vloeroppervlakte van ten minste 1,05 m x 2,05 m.
3.
De loopafstand tussen de toegang van een woonfunctie en de toegang van ten minste een lift als bedoeld in het eerste lid is ten hoogste 90 m. Indien het tweede lid van toepassing is, wordt de loopafstand bepaald tussen de toegang van de woonfunctie en de toegang van ten minste een in het tweede lid bedoelde lift.
Artikel 4.29. Verbouw
Op het gedeeltelijk vernieuwen of veranderen of het vergroten van een bouwwerk zijn de artikelen 4.22 tot en met 4.28 van overeenkomstige toepassing, waarbij in plaats van het in die artikelen aangegeven niveau van eisen wordt uitgegaan van het rechtens verkregen niveau.
1.
Een te bouwen woonfunctie, anders dan een woonfunctie waarin door het Centraal Orgaan opvang asielzoekers opvang aan asielzoekers wordt geboden, heeft een afsluitbare bergruimte om fietsen of scootmobielen beschermd tegen weer en wind te kunnen opbergen.
2.
Voor zover voor een woonfunctie in deze afdeling voorschriften zijn aangewezen wordt voor die woonfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die voorschriften.
1.
Een woonfunctie heeft als nevenfunctie een niet-gemeenschappelijke afsluitbare bergruimte met een vloeroppervlakte van ten minste 5 m 2 bij een breedte van ten minste 1,8 m en een hoogte daarboven van ten minste 2,3 m.
2.
In afwijking van het eerste lid kan bij een woonfunctie met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m 2 de bergruimte gemeenschappelijk zijn indien de vloeroppervlakte van de bergruimte ten minste 1,5 m 2 per woonfunctie bedraagt.
3.
Een bergruimte als bedoeld in dit artikel is vanaf de openbare weg rechtstreeks bereikbaar via het aansluitende terrein of een gemeenschappelijke verkeersruimte.
4.
Het eerste tot en met derde lid zijn niet van toepassing op een woonfunctie voor studenten en een woonfunctie voor zorg.
Artikel 4.32. Regenwerend
De uitwendige scheidingsconstructie van een bergruimte als bedoeld in artikel 4.31 is, bepaald volgens NEN 2778, regenwerend.
Artikel 4.33. Verbouw
Op het gedeeltelijk vernieuwen of veranderen of het vergroten van een woonfunctie zijn de artikelen 4.31 en 4.32 van overeenkomstige toepassing waarbij in plaats van het in die artikelen aangegeven niveau van eisen wordt uitgegaan van het rechtens verkregen niveau.
1.
Een te bouwen woonfunctie, anders dan een woonfunctie voor studenten of een woonfunctie voor zorg, heeft een rechtstreeks bereikbare buitenruimte.
2.
Aan de in het eerste lid gestelde eis wordt voldaan door toepassing van de voorschriften in deze afdeling.
1.
Een woonfunctie heeft een niet-gemeenschappelijke buitenruimte met een vloeroppervlakte van ten minste 4 m 2 en een breedte van ten minste 1,5 m, die rechtstreeks bereikbaar is vanuit een niet-gemeenschappelijk verblijfsgebied van die woonfunctie.
2.
In afwijking van het eerste lid kan bij een woonfunctie met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m 2 de buitenruimte gemeenschappelijk zijn indien de vloeroppervlakte aan buitenruimte ten minste 1 m 2 per op die buitenruimte aangewezen woonfunctie bedraagt, met een minimum van 4 m 2 en een breedte van ten minste 1,3 m. De buitenruimte is rechtstreeks vanuit de woning bereikbaar of via gemeenschappelijke ruimten.
3.
Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op een woonfunctie waarin door het Centraal Orgaan opvang asielzoekers opvang aan asielzoekers wordt geboden.
Artikel 4.36. Verbouw
Op het gedeeltelijk vernieuwen of veranderen of het vergroten van een woonfunctie is artikel 4.35 van overeenkomstige toepassing, waarbij in plaats van het in dat artikel aangegeven niveau van eisen wordt uitgegaan van het rechtens verkregen niveau.
Artikel 4.37. Aansturingsartikel
4.38 4.39 4.40 Tabel 4.37
gebruiksfunctie leden van toepassing
      aanwezigheid afmetingen verbouw
    artikel
    lid 1 2 3 4 1 2 *
1 Woonfunctie              
  a voor zorg 2 3 *
  b andere woonfunctie 1 2 3 1 2 *
2 Bijeenkomstfunctie              
  a voor alcoholgebruik 2 4 *
  b andere bijeenkomstfunctie 2 *
3 Celfunctie 2 *
4 Gezondheidszorgfunctie 2 3 *
5 Industriefunctie
6 Kantoorfunctie 2 *
7 Logiesfunctie              
  a in een logiesgebouw 2 *
  b andere logiesfunctie
8 Onderwijsfunctie 2 *
9 Sportfunctie 2 *
10 Winkelfunctie 2 *
11 Overige gebruiksfunctie
12 Bouwwerk geen gebouw zijnde
1.
Een te bouwen bouwwerk heeft opstelplaatsen voor een aanrecht, een kooktoestel, een verwarmingstoestel en een warmwatertoestel.
2.
Voor zover voor een gebruiksfunctie in tabel 4.37 voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die voorschriften.
3.
Het eerste lid is niet van toepassing op de gebruiksfuncties waarvoor in tabel 4.37 geen voorschrift is aangewezen.
1.
Een woonfunctie heeft in ten minste een verblijfsgebied een opstelplaats voor een aanrecht en een opstelplaats voor een kooktoestel.
2.
Een gebruiksfunctie heeft een opstelplaats voor een verwarmingstoestel, waarvan de afmetingen zijn afgestemd op het te plaatsen toestel. Dit geldt niet indien de gebruiksfunctie wordt aangesloten op een publieke voorziening voor verwarming.
3.
Een gebruiksfunctie heeft een opstelplaats voor een warmwatertoestel, waarvan de afmetingen zijn afgestemd op het te plaatsen toestel. Dit geldt niet indien de gebruiksfunctie wordt aangesloten op een publieke voorziening voor warm water.
4.
Een bijeenkomstfunctie voor alcoholgebruik heeft in ten minste een verblijfsgebied een opstelplaats voor een aanrecht.
1.
Een opstelplaats voor een aanrecht als bedoeld in artikel 4.38, eerste lid, heeft een vloeroppervlakte van ten minste 1,5 m x 0,6 m.
2.
Een opstelplaats voor een kooktoestel als bedoeld in artikel 4.38, eerste lid, heeft een vloeroppervlakte van ten minste 0,6 m x 0,6 m.
Artikel 4.40. Verbouw
Op het gedeeltelijk vernieuwen of veranderen of het vergroten van een bouwwerk zijn de artikelen 4.38 en 4.39 van overeenkomstige toepassing, waarbij in plaats van het in die artikelen aangegeven niveau van eisen wordt uitgegaan van het rechtens verkregen niveau.
Artikel 4.41. Aansturingsartikel
4.42 4.43 Tabel 4.41
gebruiksfunctie leden van toepassing
      aanwezigheid afmetingen
    artikel
    lid 1 2 1 2
1 Woonfunctie
  a voor zorg
  b andere woonfunctie 1 1 2
2 Bijeenkomstfunctie
  a voor alcoholgebruik 2
  b andere bijeenkomstfunctie
Alle niet hierboven genoemde gebruiksfuncties
1.
Een bestaand bouwwerk heeft opstelplaatsen voor een aanrecht en voor een kooktoestel.
2.
Voor zover voor een gebruiksfunctie in tabel 4.41 voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die voorschriften.
3.
Het eerste lid is niet van toepassing op de gebruiksfuncties waarvoor in tabel 4.41 geen voorschrift is aangewezen.
1.
Een woonfunctie heeft een opstelplaats voor een aanrecht en een opstelplaats voor een kooktoestel die in een besloten ruimte liggen.
2.
Een bijeenkomstfunctie voor alcoholgebruik heeft in ten minste een verblijfsgebied een opstelplaats voor een aanrecht.
1.
Een opstelplaats voor een aanrecht als bedoeld in artikel 4.42, eerste lid, heeft een vloeroppervlakte van ten minste 0,7 m x 0,4 m.
2.
Een opstelplaats voor een kooktoestel als bedoeld in artikel 4.42, eerste lid, heeft een vloeroppervlakte van ten minste 0,4 m x 0,4 m.
Artikel 5.1. Aansturingsartikel
Tabel 5.1
gebruiksfunctie leden van toepassing grenswaarde
      energieprestatiecoëfficiënt thermische isolatie luchtvolumestroom onverwarmde gebruiksfunctie verbouw tijdelijk bouwwerk energieprestatiecoëfficiënt thermische isolatie
    artikel 5.2 5.3 5.4 5.5 5.6 5.7 5.2 5.3
    lid 1 2 3 4 5 6 7 1 2 3 4 5 6 7 8 1 2 * 1 2 3 4 5 * 1, 2 en 3 1 en 5 2 3 en 4
                                          [-] [m 2 .K/W]
1 Woonfunctie                                      
  a woonwagen 1 3 4 5 6 7 1 2 3 4 5 6 7 8 1 2 1 2 3 4 5 * 1,3 2,5 2,5 2,5
  b andere woonfunctie 1 2 3 4 5 6 7 1 2 3 4 5 6 7 8 1 2 1 2 3 4 5 * 0,4 4,5 6,0 3,5
2 Bijeenkomstfunctie 1 2 3 4 5 6 7 1 2 3 4 5 6 7 8 1 2 * 1 2 4 5 * 1,1 4,5 6,0 3,5
3 Celfunctie                                      
  a in een cellengebouw 1 2 3 4 5 6 7 1 2 3 4 5 6 7 8 1 2 1 2 4 5 * 1 4,5 6,0 3,5
  b andere celfunctie 1 2 3 4 5 6 7 1 2 3 4 5 6 7 8 1 2 1 2 4 5 * 1 4,5 6,0 3,5
4 Gezondheidszorgfunctie                                      
  a met bedgebied 1 2 3 4 5 6 7 1 2 3 4 5 6 7 8 1 2 1 2 4 5 * 1,8 4,5 6,0 3,5
  b andere gezondheidszorgfunctie 1 2 3 4 5 6 7 1 2 3 4 5 6 7 8 1 2 1 2 4 5 * 0,8 4,5 6,0 3,5
5 Industriefunctie 1 2 3 4 5 6 7 8 1 2 * 1 2 4 5 * 4,5 6,0 3,5
6 Kantoorfunctie 1 2 3 4 5 6 7 1 2 3 4 5 6 7 8 1 2 1 2 4 5 * 0,8 4,5 6,0 3,5
7 Logiesfunctie                                      
  a in een logiesgebouw 1 2 3 4 5 6 7 1 2 3 4 5 6 7 8 1 2 1 2 4 5 * 1 4,5 6,0 3,5
  b andere logiesfunctie 1 2 3 4 5 6 7 1 2 3 4 5 6 7 8 1 2 * 1 2 4 5 * 1,4 4,5 6,0 3,5
8 Onderwijsfunctie 1 2 3 4 5 6 7 1 2 3 4 5 6 7 8 1 2 1 2 4 5 * 0,7 4,5 6,0 3,5
9 Sportfunctie 1 2 3 4 5 6 7 1 2 3 4 5 6 7 8 1 2 * 1 2 4 5 * 0,9 4,5 6,0 3,5
10 Winkelfunctie 1 2 3 4 5 6 7 1 2 3 4 5 6 7 8 1 2 * 1 2 4 5 * 1,7 4,5 6,0 3,5
11 Overige gebruiksfunctie  
12 Bouwwerk geen gebouw zijnde  
1.
Een te bouwen bouwwerk is energiezuinig.
2.
Voor zover voor een gebruiksfunctie in tabel 5.1 voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die voorschriften.
3.
Het eerste lid is niet van toepassing op de gebruiksfuncties waarvoor in tabel 5.1 geen voorschrift is aangewezen.
1.
Een gebruiksfunctie heeft een volgens NEN 7120 bepaalde energieprestatiecoëfficiënt van ten hoogste de in tabel 5.1 aangegeven waarde. De in de tabel aangegeven waarde voor een gebruiksfunctie wordt tenminste om de vijf jaar getoetst, en zo mogelijk aangepast aan de technische ontwikkelingen.
2.
In afwijking van het eerste lid, heeft een gebouw of een gedeelte daarvan dat op niet meer dan een perceel ligt, met meerdere gebruiksfuncties waarvoor volgens het eerste lid een energieprestatiecoëfficiënt geldt, een totaal volgens NEN 7120 bepaald karakteristiek energiegebruik dat niet hoger is dan het totale volgens NEN 7120 bepaalde toelaatbare energiegebruik. Bij het bepalen van het toelaatbare energiegebruik wordt per gebruiksfunctie uitgegaan van de in tabel 5.1 aangegeven waarde.
3.
Indien bij toepassing van NEN 7120 gebruik wordt gemaakt van NVN 7125 dan is de waarde van de zonder NVN 7125 bepaalde energieprestatiecoëfficiënt ten hoogste 1,33 maal de in tabel 5.1 aangegeven waarde.
4.
Indien bij een gebruiksfunctie gebruik kan worden gemaakt van een energie-infrastructuur op gebiedsniveau als bedoeld in NVN 7125, dan zal bij de bepaling van de energieprestatiecoëfficiënt de technische, functionele en economische haalbaarheid in overweging worden genomen. De resultaten van deze overwegingen worden gedocumenteerd en beschikbaar gehouden voor controle.
5.
[Dit lid is nog niet in werking getreden.]
6.
[Dit lid is nog niet in werking getreden.]
7.
Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften worden gegeven over het in het vierde tot en met zesde lid bepaalde.
1.
Een verticale uitwendige scheidingsconstructie van een verblijfsgebied, een toiletruimte of een badruimte, heeft een volgens NEN 1068 bepaalde warmteweerstand van ten minste de in tabel 5.1 gegeven waarde.
2.
Een horizontale of schuine uitwendige scheidingsconstructie van een verblijfsgebied, een toiletruimte of een badruimte, heeft een volgens NEN 1068 bepaalde warmteweerstand van ten minste de in tabel 5.1 gegeven waarde.
3.
Een constructie die de scheiding vormt tussen een verblijfsgebied, een toiletruimte of een badruimte en een kruipruimte, met inbegrip van de op die constructie aansluitende delen van andere constructies, voor zover die delen van invloed zijn op de warmteweerstand, heeft een volgens NEN 1068 bepaalde warmteweerstand van ten minste de in tabel 5.1 gegeven waarde.
4.
Een uitwendige scheidingsconstructie die de scheiding vormt tussen een verblijfsgebied, een toiletruimte of een badruimte en de grond of het water, met inbegrip van de op die constructie aansluitende delen van andere constructies, voor zover die delen van invloed zijn op de warmteweerstand, heeft een volgens NEN 1068 bepaalde warmteweerstand van ten minste de in tabel 5.1 gegeven waarde.
5.
Een inwendige scheidingsconstructie die de scheiding vormt tussen een verblijfsgebied, een toiletruimte of een badruimte, en een ruimte die niet wordt verwarmd of die wordt verwarmd voor uitsluitend een ander doel dan het verblijven van personen, heeft een volgens NEN 1068 bepaalde warmteweerstand van ten minste de in tabel 5.1 gegeven waarde.
6.
Ramen, deuren en kozijnen in een in het eerste tot en met vijfde lid bedoelde scheidingsconstructie hebben een volgens NEN 1068 bepaalde warmtedoorgangscoëfficiënt van ten hoogste 2,2 W/m 2 .K. De gemiddelde warmtedoorgangscoëfficiënt van de ramen, deuren en kozijnen in de in het eerste tot en met vijfde lid bedoelde scheidingsconstructies van een bouwwerk is, bepaald volgens een bij ministeriële regeling gegeven bepalingsmethode, ten hoogste 1,65 W/m 2 .K.
7.
Met ramen, deuren en kozijnen gelijk te stellen constructieonderdelen in een in het eerste tot en met vijfde lid bedoelde scheidingsconstructie hebben een volgens NEN 1068 bepaalde warmtedoorgangscoëfficiënt van ten hoogste 1,65 W/m 2 .K.
8.
Het eerste tot en met het vijfde lid zijn niet van toepassing op een oppervlakte aan scheidingsconstructies, waarvan de getalwaarde niet groter is dan 2% van de gebruiksoppervlakte van de gebruiksfunctie.
1.
De volgens NEN 2686 bepaalde luchtvolumestroom van het totaal aan verblijfsgebieden, toiletruimten en badruimten van een gebruiksfunctie is niet groter dan 0,2 m 3 /s.
2.
In afwijking van het eerste lid, heeft een gebouw of een gedeelte daarvan dat op niet meer dan een perceel ligt, met meerdere gebruiksfuncties waarvoor volgens het eerste lid een eis aan de luchtvolumestroom geldt, een volgens NEN 2686 bepaalde luchtvolumestroom van het totaal aan verblijfsgebieden, toiletruimten en badruimten van de gebruiksfuncties die niet groter is dan 0,2 m 3 /s.
Artikel 5.5. onverwarmde gebruiksfunctie
Op een gebruiksfunctie die niet bestemd is om te worden verwarmd, of indien de verwarming uitsluitend is bestemd voor een ander doel dan het verblijven van personen, zijn de artikelen 5.2 tot en met 5.4 niet van toepassing.
1.
Bij het gedeeltelijk vernieuwen of veranderen of het vergroten van een bouwwerk zijn de voorschriften van artikel 5.2 niet van toepassing en de voorschriften van de artikelen 5.3, eerste tot en met zevende lid, en 5.4 van overeenkomstige toepassing, waarbij wordt uitgegaan van het rechtens verkregen niveau voor zover dat niveau voor de warmteweerstand niet lager is dan 1,3 m 2• K/W.
2.
In afwijking van het eerste lid geldt bij het vernieuwen of vervangen van isolatielagen een warmteweerstand van ten minste 2,5m 2 .K/W voor een vloer, 1,3 m 2 .K/W voor een gevel en 2,0m 2 .K/W voor een dak, bepaald volgens NEN 1068 en bij het vernieuwen of vervangen van ramen, deuren en kozijnen een warmtedoorgangscoëfficiënt van ten hoogste 2,2W/m 2 .K, bepaald volgens NEN 1068. Indien het rechtens verkregen niveau een betere energieprestatie heeft, dan geldt het rechtens verkregen niveau.
3.
In afwijking van het eerste lid zijn op het geheel oprichten of geheel vernieuwen van een dakkapel of van een bijbehorend bouwwerk als bedoeld in bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht de voorschriften van artikel 5.2 niet van toepassing, en zijn de voorschriften van de artikelen 5.3, eerste tot en met zevende lid, en 5.4 van overeenkomstige toepassing, waarbij in plaats van het in artikel 5.4 aangegeven niveau van eisen wordt uitgegaan van het rechtens verkregen niveau.
4.
In afwijking van het eerste lid zijn op een ingrijpende renovatie als bedoeld in artikel 2 van de herziene richtlijn energieprestatie gebouwen de voorschriften van artikel 5.2 niet van toepassing en zijn de voorschriften van de artikelen 5.3, eerste tot en met zevende lid, en 5.4 van overeenkomstige toepassing, waarbij in plaats van het in artikel 5.4 aangegeven niveau van eisen wordt uitgegaan van het rechtens verkregen niveau.
5.
Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften worden gegeven over de in het vierde lid bedoelde ingrijpende renovatie.
Artikel 5.7. Tijdelijk bouwwerk
Op het bouwen van een tijdelijk bouwwerk dat bestemd is om te worden verwarmd is artikel 5.3 van overeenkomstige toepassing, waarbij de warmteweerstand ten minste 1,3 m 2• K/W en de warmtedoorgangscoëfficiënt ten hoogste 4,2 W/m 2• K bedraagt.
Artikel 5.8. Aansturingsartikel
5.9 5.10 Tabel 5.8
gebruiksfunctie leden van toepassing
      duurzaam bouwen verbouw
    artikel
    lid 1 2 3 *
             
1 Woonfunctie        
  a woonwagen
  b andere woonfunctie 1 3 *
6 Kantoorfunctie 2 3 *
Alle niet hierboven genoemde gebruiksfuncties
1.
Een te bouwen bouwwerk is zodanig dat de belasting van het milieu door de in het bouwwerk toe te passen materialen wordt beperkt.
2.
Voor zover voor een gebruiksfunctie in tabel 5.8 voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die voorschriften en de krachtens die bepalingen gegeven voorschriften.
3.
Het eerste lid is niet van toepassing op de gebruiksfuncties waarvoor in tabel 5.8 geen voorschrift is aangewezen.
1.
Van de samenstelling van constructieonderdelen van een woonfunctie is de uitstoot van broeikasgassen en de uitputting van grondstoffen gekwantificeerd volgens de Bepalingsmethode Milieuprestatie Gebouwen en GWW-werken.
2.
Van de samenstelling van constructieonderdelen van een gebouw met uitsluitend kantoorfuncties en nevenfuncties daarvan met een totale gebruiksoppervlakte van meer dan 100 m 2 is de uitstoot van broeikasgassen en de uitputting van grondstoffen gekwantificeerd volgens de Bepalingsmethode Milieuprestatie Gebouwen en GWW-werken.
3.
Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften worden gegeven over het in het eerste en tweede lid bepaalde.
Artikel 5.10. Verbouw
Op het geheel of gedeeltelijk vernieuwen of veranderen of het vergroten van een bouwwerk is artikel 5.9 niet van toepassing.
Artikel 6.1. Aansturingsartikel
Tabel 6.1
gebruiksfunctie leden van toepassing
      verlichtingssterkte noodverlichting stroomvoorziening verduisterde ruimten tijdelijke bouw
    artikel 6.2           6.3         6.4 6.5 6.6
    lid 1 2 3 4 5 6 1 2 3 4 5 * * *
1 Woonfunctie 4 5 * *
2 Bijeenkomstfunctie 1 4 1 3 5 * * *
3 Celfunctie 1 4 1 3 5 * * *
4 Gezondheidszorgfunctie 1 4 1 3 5 * * *
5 Industriefunctie                            
  a lichte industriefunctie 5 *
  b andere industriefunctie 1 4 1 3 5 * * *
6 Kantoorfunctie 1 4 1 3 5 * * *
7 Logiesfunctie                            
  a in een logiesgebouw 1 4 1 3 5 * * *
  b andere logiesfunctie 1 4 1 3 5 * *
8 Onderwijsfunctie 1 4 1 3 5 * * *
9 Sportfunctie 1 4 1 3 5 * * *
10 Winkelfunctie 1 4 1 3 5 * * *
11 Overige gebruiksfunctie                            
  a voor het personenvervoer 2 3 4 2 3 5 * * *
  b voor het stallen van motorvoertuigen 2 4 2 3 5 * * *
  c andere overige gebruiksfunctie 4 5 * * *
12 Bouwwerk geen gebouw zijnde                            
  a wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m 4 5 6 3 4 5 * *
  b ander bouwwerk geen gebouw zijnde 4 3 5 * * *
1.
Een bouwwerk heeft een zodanige verlichtingsinstallatie dat het bouwwerk veilig kan worden gebruikt en verlaten.
2.
Voor zover voor een gebruiksfunctie in tabel 6.1 voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die voorschriften.
1.
Een verblijfsruimte heeft een verlichtingsinstallatie die een op een vloer, een tredevlak of een hellingbaan gemeten verlichtingssterkte kan geven van ten minste 1 lux.
2.
Een onder het meetniveau gelegen functieruimte heeft een verlichtingsinstallatie die een op een vloer, een tredevlak of een hellingbaan gemeten verlichtingssterkte kan geven van ten minste 1 lux.
3.
Een overige gebruiksfunctie voor het personenvervoer met een gebruiksoppervlakte van meer dan 50 m 2 heeft in een boven het meetniveau gelegen functieruimte een verlichtingsinstallatie die een op een vloer, een tredevlak of een hellingbaan gemeten verlichtingssterkte kan geven van ten minste 1 lux.
4.
Een besloten ruimte waardoor een beschermde vluchtroute of beschermde route voert heeft een verlichtingsinstallatie die een op een vloer, een tredevlak of een hellingbaan gemeten verlichtingssterkte kan geven van ten minste 1 lux.
5.
Een wegtunnelbuis heeft een verlichtingsinstallatie die een op een vloer, een tredevlak of een hellingbaan gemeten verlichtingssterkte kan geven van ten minste 1 lux.
6.
Een te bouwen wegtunnelbuis heeft een voorziening die een uit oogpunt van verkeersveiligheid voldoende geleidelijke overgang van daglicht naar kunstlicht waarborgt.
1.
Een verblijfsruimte voor meer dan 75 personen en een besloten ruimte waardoor een vluchtroute uit die verblijfsruimte voert, hebben noodverlichting.
2.
Een onder het meetniveau gelegen functieruimte als bedoeld in artikel 6.2, tweede lid, heeft noodverlichting.
3.
Een besloten ruimte als bedoeld in artikel 6.2, vierde lid, heeft noodverlichting.
4.
Een wegtunnelbuis heeft noodverlichting.
5.
Noodverlichting als bedoeld in het eerste tot en met vierde lid geeft binnen 15 seconden na het uitvallen van de voorziening voor elektriciteit gedurende ten minste 60 minuten een op een vloer, een tredevlak of een hellingbaan gemeten verlichtingssterkte van ten minste 1 lux.
Artikel 6.4. Aansluiting op voorziening voor elektriciteit
Een verlichtingsinstallatie als bedoeld in de artikelen 6.2 en 6.3 is aangesloten op een voorziening voor elektriciteit als bedoeld in artikel 6.8.
Artikel 6.5. Verduisterde ruimten
Een ruimte bestemd om te worden verduisterd tijdens het gebruik door meer dan 50 personen heeft zodanige voorzieningen dat tijdens de verduistering een redelijke oriëntatie mogelijk is.
Artikel 6.6. Tijdelijke bouw
Op het bouwen van een tijdelijk bouwwerk is artikel 6.3, vierde lid, van toepassing.
1.
Een bouwwerk met een voorziening voor het afnemen en gebruiken van energie heeft een veilige voorziening voor het afnemen en gebruiken van energie.
2.
Aan de in het eerste lid gestelde eis wordt voldaan door toepassing van de voorschriften in deze afdeling.
1.
Een voorziening voor elektriciteit voldoet aan:
a. NEN 1010 bij lage spanning, en
b. NEN-EN-IEC 61936-1 en NEN-EN 50522, bij hoge spanning.
2.
Bij een bestaand bouwwerk voldoet in afwijking van het eerste lid, onderdeel b, de voorziening voor elektriciteit aan V 1041.
1.
Een te installeren voorziening voor gas voldoet aan:
a. NEN 1078 bij een nominale werkdruk van ten hoogste 0,5 bar, en
b. NEN-EN 15001-1 bij een nominale werkdruk hoger dan 0,5 bar en lager dan 40 bar.
2.
Een bestaande voorziening voor gas voldoet aan:
a. NEN 8078 bij een nominale werkdruk van ten hoogste 0,5 bar, en
b. NEN 2078 bij een nominale werkdruk hoger dan 0,5 bar en lager dan 40 bar.
3.
Een te bouwen bouwwerk met een in artikel 6.10 bedoelde aansluiting op het distributienet voor gas heeft, voor die aansluiting, leidingdoorvoeren en een mantelbuis die voldoen aan NEN 2768.
1.
Een in artikel 6.8, eerste en tweede lid, bedoelde voorziening voor elektriciteit is aangesloten op het distributienet voor elektriciteit indien:
a. de aansluitafstand niet groter is dan 100 m, of
b. de aansluitafstand groter is dan 100 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 100 m.
2.
Een in artikel 6.9, eerste en tweede lid, bedoelde voorziening voor gas is aangesloten op het distributienet voor gas indien:
a. de aansluitafstand niet groter is dan 40 m, of
b. de aansluitafstand groter is dan 40 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 40 m.
3.
Een te bouwen bouwwerk met een of meer verblijfsgebieden is aangesloten op het in het warmteplan bedoelde distributienet voor warmte indien:
a. het in het warmteplan geplande aantal aansluitingen op dat distributienet op het moment van het indienen van de aanvraag om vergunning voor het bouwen nog niet is bereikt, en
b. de aansluitafstand:
i. niet groter is dan 40 m, of
ii. groter is dan 40 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 40 m.
1.
Een bouwwerk met een voorziening voor drinkwater of warmwater heeft een voorziening voor drinkwater of warmwater die de gezondheid niet nadelig beïnvloedt.
2.
Aan de in het eerste lid gestelde eis wordt voldaan door toepassing van de voorschriften in deze afdeling.
1.
Een voorziening voor drinkwater voldoet aan NEN 1006.
2.
Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften worden gegeven over het in het eerste lid bepaalde.
1.
Een voorziening voor warmwater voldoet aan NEN 1006.
2.
Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften worden gegeven over het in het eerste lid bepaalde.
Artikel 6.14. Aansluiting op het distributienet voor drinkwater
Een in artikel 6.12 bedoelde watervoorziening is aangesloten op het openbare distributienet voor drinkwater, indien:
a. de aansluitafstand niet groter is dan 40 m, of
b. de aansluitafstand groter is dan 40 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 40 m.
Artikel 6.15. Aansturingsartikel
6.16 6.17 6.18 Tabel 6.15
gebruiksfunctie leden van toepassing
      afvoer van huishoudelijk afvalwater afvoer van hemelwater aansluitleiding en buitenriolering
    artikel
    lid 1 2 1 2 1 2 3 4
                     
1 Woonfunctie 1 2 1 2 1 2 3 4
2 Bijeenkomstfunctie 1 2 1 2 1 2 3 4
3 Celfunctie 1 2 1 2 1 2 3 4
4 Gezondheidszorgfunctie 1 2 1 2 1 2 3 4
5 Industriefunctie 1 2 1 2 3 4
6 Kantoorfunctie 1 2 1 2 1 2 3 4
7 Logiesfunctie                
  a. in een logiesgebouw 1 2 1 2 1 2 3 4
  b. andere logiesfunctie 1 2 1 2 3 4
8 Onderwijsfunctie 1 2 1 2 1 2 3 4
9 Sportfunctie 1 2 1 2 1 2 3 4
10 Winkelfunctie 1 2 1 2 1 2 3 4
11 Overige gebruiksfunctie 1 2 1 2 3 4
12 Bouwwerk geen gebouw zijnde 1 2 1 2 3 4
1.
Een bouwwerk heeft een zodanige voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater of hemelwater dat het water zonder nadelige gevolgen voor de gezondheid kan worden afgevoerd.
2.
Voor zover voor een gebruiksfunctie in tabel 6.15 voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die voorschriften.
1.
Een gebruiksfunctie met een toilet- of badruimte of met een andere opstelplaats voor een lozingstoestel heeft voor die opstelplaats een afvoervoorziening voor huishoudelijk afvalwater.
2.
Een afvoervoorziening voor huishoudelijk afvalwater als bedoeld in het eerste lid heeft:
a. bij een te bouwen bouwwerk: een capaciteit, een lucht- en waterdichtheid en een uitmonding en capaciteit van de ontspanningsleiding die voldoen aan NEN 3215;
b. bij een bestaand bouwwerk: een zodanige capaciteit dat elk daarop aangesloten lozingstoestel binnen 5 minuten kan worden geleegd en een lucht- en waterdichtheid die voldoen aan NEN 3215.
1.
Een dak van een te bouwen bouwwerk heeft een voorziening voor de opvang en afvoer van hemelwater met een volgens NEN 3215 bepaalde capaciteit van ten minste de volgens die norm bepaalde belasting van die voorziening.
2.
Een binnen een bouwwerk gelegen voorziening voor de opvang en afvoer van hemelwater is, bepaald volgens NEN 3215, lucht- en waterdicht.
1.
Een ondergrondse doorvoer van een afvoervoorziening als bedoeld in de artikelen 6.16 en 6.17 door een uitwendige scheidingconstructie van een bouwwerk ligt zoveel mogelijk haaks op de scheidingsconstructie.
2.
De gebouwaansluiting van een afvoervoorziening als bedoeld in de artikelen 6.16 en 6.17 op de op het eigen erf of terrein gelegen riolering of andere voorziening voor afvoer van afvalwater is zodanig dat bij zetting de dichtheid van de aansluiting en de afvoer gehandhaafd blijft.
3.
Een terreinleiding waardoor huishoudelijk afvalwater wordt geleid:
a. heeft geen vernauwing in de stroomrichting;
b. heeft een vloeiend beloop;
c. is waterdicht;
d. heeft een voldoende inwendige middellijn, en
e. bevat geen beer- of rottingput.
4.
Op aanwijzing van het bevoegd gezag wordt bepaald:
a. indien voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater een openbaar vuilwaterriool of een systeem als bedoeld in artikel 10.33, tweede lid, van de Wet milieubeheer aanwezig is waarop aangesloten kan worden: op welke plaats, op welke hoogte en met welke inwendige middellijn de voor aansluiting van een afvoervoorziening als bedoeld in artikel 6.16 op dat riool of dat systeem noodzakelijke perceelaansluitleiding bij de gevel van het bouwwerk dan wel de grens van het erf of terrein wordt aangelegd;
b. indien voor de afvoer van hemelwater een openbaar hemelwaterstelsel of een openbaar vuilwaterriool aanwezig is waarop aangesloten kan worden en hemelwater op dat stelsel of riool mag worden gebracht: op welke plaats, op welke hoogte en met welke inwendige middellijn de voor aansluiting van een afvoervoorziening als bedoeld in artikel 6.17 op dat stelsel of riool noodzakelijke perceelaansluitleiding bij de gevel van het bouwwerk dan wel de grens van het erf of terrein wordt aangelegd, en
c. of, en zo ja welke voorzieningen in de afvoervoorziening of de op het erf of terrein gelegen riolering moeten worden aangebracht om het functioneren van de afvoervoorzieningen, naburige aansluitingen en de openbare voorzieningen voor de inzameling en het transport van afvalwater te waarborgen.
Artikel 6.19. Aansturingsartikel
Tabel 6.19
  gebruiksfunctie leden van toepassing
      brandmeldinstallatie rookmelders
    Artikel 6.20 6.21
    lid 1 2 3 4 5 6 7 8 9 1 2 3 4 5
1 Woonfunctie                            
  a voor zorg 1 2 3 4 6 7 8 1
  b voor kamergewijze verhuur 2 3
  c andere woonfunctie 1
2 Bijeenkomstfunctie                            
  a voor het aanschouwen van sport 5
  b voor kinderopvang voor kinderen jonger dan 4 jaar 1 2 3 5 6 7 8 9 4
  c andere bijeenkomstfunctie 1 2 5 6 7 8
3 Celfunctie 1 2 3 5 6 7 8
4 Gezondheidszorgfunctie 1 2 3 5 6 7 8
5 Industriefunctie                            
  a lichte industriefunctie
  b andere industriefunctie 1 2 5 6 7 8
6 Kantoorfunctie 1 2 3 5 6 7 8
7 Logiesfunctie                            
  a in een logiesgebouw 1 2 3 5 6 7 8 4
  b andere logiesfunctie 4 5
8 Onderwijsfunctie 1 2 3 5 6 7 8
9 Sportfunctie 1 2 3 5 6 7 8
10 Winkelfunctie 1 2 3 5 6 7 8
11 Overige gebruiksfunctie                            
  a voor het stallen van motorvoertuigen 1 2 5 6 7 8
  b voor het personenvervoer 1 2 5 6 7 8
  c andere overige gebruiksfunctie
12 Bouwwerk geen gebouw zijnde
1.
Een bouwwerk heeft zodanige voorzieningen dat brand tijdig kan worden ontdekt zodat veilig kan worden gevlucht.
2.
Voor zover voor een gebruiksfunctie in tabel 6.19 voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die voorschriften.
1.
Een gebruiksfunctie heeft een brandmeldinstallatie als bedoeld in NEN 2535 met een omvang van de bewaking en een doormelding zoals aangegeven in bijlage I bij dit besluit, indien:
a. de gebruiksoppervlakte van de gebruiksfunctie of de totale gebruiksoppervlakte aan gebruiksfuncties van dezelfde soort in het gebouw voor zover die gebruiksfuncties op eenzelfde vluchtroute zijn aangewezen groter is dan de in deze bijlage aangegeven grenswaarde;
b. de hoogste vloer van een verblijfsruimte van de gebruiksfunctie gemeten boven het meetniveau hoger is gelegen dan op de in deze bijlageaangegeven grenswaarde, of
c. deze bijlage dit aanwijst zonder dat sprake is van een grenswaarde als hierboven bedoeld.
2.
Een brandcompartiment waarin een gebruiksfunctie met een brandmeldinstallatie als bedoeld in het eerste lid ligt, heeft een brandmeldinstallatie met een zelfde omvang van de bewaking en doormelding als die gebruiksfunctie.
3.
Een doormelding als bedoeld in het eerste lid vindt rechtstreeks plaats naar de regionale alarmcentrale van de brandweer.
4.
Bij een woonfunctie voor zorg met zorg op afroep in een woongebouw of in een groepszorgwoning vindt rechtstreekse melding naar een zorgcentrale plaats. Bij 24-uurszorg in een woongebouw of in een groepszorgwoning vindt deze melding naar een zusterpost plaats.
5.
Voor zover vanuit de uitgang van een verblijfsruimte slechts in één richting kan worden gevlucht, zijn de buiten die verblijfsruimte gelegen ruimten waardoor die enkele vluchtroute voert alsmede aan die ruimten grenzende verblijfsruimten en ruimten met een verhoogd brandrisico voorzien van een brandmeldinstallatie met ruimtebewaking als bedoeld in NEN 2535, indien:
a. de loopafstand tussen de uitgang van een verblijfsruimte en het punt van waaruit in meer dan één richting kan worden gevlucht meer dan 10 m is;
b. de totale vloeroppervlakte van de ruimten waardoor die enkele vluchtroute voert alsmede van de daarop aangewezen verblijfsruimten meer dan 200 m 2 is, of
c. het aantal aan de enkele vluchtroute gelegen verblijfsruimten meer dan twee is.
6.
In de in bijlage I bij dit besluit aangewezen gevallen heeft een bij of krachtens de wet voorgeschreven brandmeldinstallatie een geldig inspectiecertificaat dat is afgegeven op grond van het CCV-inspectieschema Brandmeldinstallaties.
7.
Het onderhoud van een bij of krachtens de wet voorgeschreven brandmeldinstallatie waarvoor geen certificaat als bedoeld in het zesde lid is vereist, voldoet aan NEN 2654-1.
8.
Het beheer en de controle van een bij of krachtens de wet voorgeschreven brandmeldinstallatie voldoen aan NEN 2654-1.
9.
Het eerste lid, onderdeel b, is niet van toepassing indien boven de in bijlage I bedoelde hoogste vloer niet meer dan 6 opstelplaatsen voor bedden voor kinderen zijn.
1.
Bij een te bouwen woonfunctie en bij functiewijziging naar een woonfunctie heeft een besloten ruimte waardoor een vluchtroute voert tussen de uitgang van een verblijfsruimte en de uitgang van de woonfunctie een of meer rookmelders die voldoen aan en zijn geplaatst volgens de primaire inrichtingseisen als bedoeld in NEN 2555. Dit geldt niet voor een woonfunctie met een brandmeldinstallatie als bedoeld in artikel 6.20.
2.
Bij een woonfunctie voor kamergewijze verhuur heeft een besloten ruimte waardoor een vluchtroute voert tussen de uitgang van een verblijfsruimte en de uitgang van de woonfunctie een of meer rookmelders die voldoen aan en zijn geplaatst volgens de primaire inrichtingseisen als bedoeld in NEN 2555. Dit geldt niet voor een woonfunctie met een brandmeldinstallatie als bedoeld in artikel 6.20.
3.
Een verblijfsruimte heeft een of meer rookmelders die voldoen aan en zijn geplaatst volgens de primaire inrichtingseisen als bedoeld in NEN 2555. Dit geldt niet voor een verblijfsruimte in een wooneenheid indien elke wooneenheid in de woonfunctie in een afzonderlijk beschermd subbrandcompartiment ligt met een volgens NEN 6068 bepaalde weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag vanuit dat beschermd subbrandcompartiment naar een andere ruimte in het brandcompartiment van ten minste 30 minuten.
4.
Een verblijfsruimte en een besloten ruimte waardoor een vluchtroute voert tussen de uitgang van een verblijfsruimte en de uitgang van het gebouw hebben een of meer rookmelders die voldoen aan de primaire inrichtingseisen als bedoeld in NEN 2555. Dit geldt niet voor een gebruiksfunctie met een brandmeldinstallatie als bedoeld in artikel 6.20.
5.
Het vierde lid is niet van toepassing op een bestaande logiesfunctie.
Artikel 6.22. Aansturingsartikel
Tabel 6.22
  gebruiksfunctie leden van toepassing
      ontruimtingsalarminstallatie en ontruimingsplan vluchtorueteaanduidingen deuren in vluchtroutes zelfsluitende constructieonderdelen
    Artikel 6.23 6.24 6.25 6.26
    lid 1 2 3 4 5 6 1 2 3 4 5 6 7 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 1 2 3 4
1 Woonfunctie                                                        
  a voor zorg met een g.o. > 500 m 2 1 2 3 4 5 6 1 7 8 9 10 1 4
  b andere woonfunctie voor zorg 1 2 3 4 5 6 1 7 8 9 1 4
  c voor kamergewijze verhuur 1 2 8 9 1 4
  d andere woonfunctie 1 8 9 1 2
2 Bijeenkomstfunctie 1 2 3 4 5 6 1 3 4 5 3 4 6 7 8 9 10 11 1
3 Celfunctie 1 2 3 4 5 6 1 3 4 5 3 4 6 7 8 9 10 11 1 3
4 Gezondheidszorgfunctie 1 2 3 4 5 6 1 3 4 5 3 4 6 7 8 9 10 11 1
5 Industriefunctie                                                        
  a lichte industriefunctie 3 4 6 7 8 9 10 11 1
  b andere industriefunctie 1 2 3 4 5 6 1 3 4 5 3 4 6 7 8 9 10 11 1
6 Kantoorfunctie 1 2 3 4 5 6 1 3 4 5 3 4 6 7 8 9 10 11 1
7 Logiesfunctie                                                        
  a in een logiesgebouw 1 2 3 4 5 6 1 3 4 5 3 4 6 7 8 9 10 11 1
  b andere logiesfunctie 1 2 3 4 5 6 3 4 6 7 8 9 10 11 1
8 Onderwijsfunctie 1 2 3 4 5 6 1 3 4 5 3 4 6 7 8 9 10 11 1
9 Sportfunctie 1 2 3 4 5 6 1 3 4 5 3 4 6 7 8 9 10 11 1
10 Winkelfunctie 1 2 3 4 5 6 1 3 4 5 3 4 6 7 8 9 10 11 1
11 Overige gebruiksfunctie                                                        
  a voor het stallen van motorvoertuigen 1 2 3 4 5 6 1 3 4 5 3 4 6 7 8 9 10 11 1
  b voor het personenvervoer 1 2 3 4 5 6 1 3 4 5 3 4 6 7 8 9 10 11 1
  c andere overige gebruiksfunctie 3 4 6 7 8 9 10 11 1
12 Bouwwerk geen gebouw zijnde                                                        
  a wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m 2 3 6 7 5 8 9 10 1
  b ander bouwwerk geen gebouw zijnde 3 4 6 8 9 10 11 1
1.
Een bouwwerk heeft zodanige voorzieningen dat het ontvluchten goed kan verlopen.
2.
Voor zover voor een gebruiksfunctie in tabel 6.22 voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die voorschriften en de krachtens die bepalingen gegeven voorschriften.
1.
Een gebruiksfunctie met een brandmeldinstallatie als bedoeld in artikel 6.20, eerste, tweede en vijfde lid, heeft een ontruimingsalarminstallatie als bedoeld in NEN 2575.
2.
Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften worden gegeven over het ontruimingssignaal van de in het eerste lid bedoelde ontruimingsalarminstallatie.
3.
Het beheer en de controle van een ontruimingsalarminstallatie als bedoeld in het eerste lid voldoen aan NEN 2654-2.
4.
Een ontruimingsalarminstallatie als bedoeld in het eerste lid, die behoort bij een brandmeldinstallatie waarop artikel 6.20, zesde lid, van toepassing is, heeft een geldig inspectiecertificaat dat is afgegeven op grond van het CCV-inspectieschema Ontruimingsalarminstallaties.
5.
Het onderhoud van een ontruimingsalarminstallatie als bedoeld in het eerste lid, die behoort bij een brandmeldinstallatie waarop artikel 6.20, zevende lid, van toepassing is, voldoet aan NEN 2654-2.
6.
Een gebruiksfunctie met een brandmeldinstallatie als bedoeld in artikel 6.20 heeft een ontruimingsplan.
1.
Een ruimte waardoor een verkeersroute voert en een ruimte voor meer dan 50 personen hebben een vluchtrouteaanduiding die voldoet bij een te bouwen bouwwerk aan NEN 3011 of bij een bestaand bouwwerk aan NEN 6088, en aan de zichtbaarheidseisen, bedoeld in de artikelen 5.2 tot en met 5.6 van NEN-EN 1838.
2.
Een wegtunnel heeft een vluchtrouteaanduiding die voldoet aan NEN 6088 en aan de zichtbaarheidseisen, bedoeld in de artikelen 5.2 tot en met 5.6 van NEN-EN 1838. De vluchtrouteaanduiding is niet hoger dan 1,5 m boven de vloer aangebracht en de afstand tussen twee vluchtrouteaanduidingen is niet meer dan 25 meter, gemeten langs de tunnelwand.
3.
Een vluchtrouteaanduiding als bedoeld in het eerste of tweede lid is aangebracht op een duidelijk waarneembare plaats.
4.
Een vluchtrouteaanduiding als bedoeld in het eerste of tweede lid voldoet binnen 15 seconden na het uitvallen van de voorziening voor elektriciteit, gedurende een periode van ten minste 60 minuten, aan de zichtbaarheidseisen bedoeld in de artikelen 5.2 tot en met 5.6 van NEN-EN 1838.
5.
Op een vluchtrouteaanduiding als bedoeld in het eerste lid gelegen op een vluchtroute vanuit een ruimte met een verlichtingsinstallatie niet zijnde noodverlichting als bedoeld in artikel 6.3, zijn bij het uitvallen van de voorziening voor elektriciteit de in het eerste lid bedoelde zichtbaarheidseisen niet van toepassing.
6.
Een deur in een tunnel die toegang geeft tot een beschermde route als bedoeld in afdeling 2.12 is uitgevoerd in de kleur groen, RAL 6024.
7.
Bij een vluchtrouteaanduiding als bedoeld in het tweede lid is goed zichtbaar aangegeven de loopafstand in twee richtingen tot het einde van de tunnelbuis of, indien die loopafstand korter is, de loopafstand tot de meest nabije toegang als bedoeld in het zesde lid.
1.
Een deur op een gemeenschappelijke vluchtroute die toegang geeft tot een trappenhuis van een te bouwen woongebouw draait bij het openen niet tegen de vluchtrichting in.
2.
Een deur op een vluchtroute vanaf de uitgang van een wooneenheid naar de uitgang van de woonfunctie voor kamergewijze verhuur kan in de vluchtrichting worden geopend:
a. door een lichte druk tegen de deur, of
b. met behulp van een ontsluitingsmechanisme dat voldoet aan NEN-EN 179 of aan NEN-EN 1125.
3.
Een deur op een vluchtroute draait bij het openen niet tegen de vluchtrichting in indien bij een te bouwen bouwwerk meer dan 37 personen of bij een bestaand bouwwerk meer dan 60 personen op die uitgang zijn aangewezen.
4.
Een nooddeur kan geen schuifdeur zijn.
5.
Een deur op een vluchtroute draait bij het openen niet tegen de vluchtrichting in.
6.
Een deur waarop bij het vluchten meer dan 100 personen zijn aangewezen kan worden geopend door:
a. een lichte druk tegen de deur, of
b. een lichte druk tegen een op circa 1 m boven de vloer over de volle breedte van de deur aangebrachte panieksluiting die voldoet aan NEN-EN 1125.
7.
Een deur op een vluchtroute die begint in een ruimte voor het insluiten van personen, kan tijdens het vluchten met een sleutel worden geopend.
8.
Een automatisch werkende deur en een voorziening voor toegangs- of uitgangscontrole in een vluchtroute mogen het vluchten niet belemmeren.
9.
Een deur die toegang geeft tot een overdruktrappenhuis is voorzien van een aanduiding waaruit blijkt dat hard duwen noodzakelijk kan zijn.
10.
Aan de aan de buitenlucht grenzende zijde van een nooddeur is het opschrift «nooddeur vrijhouden» of «nooduitgang» aangebracht. Dit opschrift voldoet aan de eisen voor aanvullende tekens in NEN 3011.
11.
Bij ministeriële regeling kan worden afgeweken van het derde lid.
1.
Een beweegbaar constructieonderdeel in een inwendige scheidingsconstructie waarvoor een eis aan de weerstand tegen branddoorslag, weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag of weerstand tegen rookdoorgang geldt, is zelfsluitend.
2.
Het eerste lid geldt niet voor een deur in een niet-gemeenschappelijke doorgang.
3.
Het eerste lid geldt niet voor een deur van een cel.
4.
Het eerste lid geldt niet voor een deur in een niet-gezamenlijke doorgang.
Artikel 6.27. Aansturingsartikel
6.28 6.29 6.30 6.31 6.32 6.33 6.34 6.28 Tabel 6.27 <
gebruiksfunctie leden van toepassing grenswaarden
      brandslanghaspels droge blusleidingen bluswatervoorziening blustoestellen automatische brandblusinstallatie en rookbeheersingssysteem aanduiding blusmiddelen tijdelijke bouw brandslanghaspels
    artikel
    lid 1 2 3 4 1 2 3 4 5 6 7 1 2 3 4 1 2 3 4 1 2 * * 2
1 Woonfunctie                                               [m 2 ]
  a voor zorg met een g.o. > 500 m 2 1 3 4 1 2 4 5 6 7 1 3 4 1 4 1 2 * *
  b kamergewijze verhuur 1 2 4 5 6 7 1 3 4 1 2 4 1 2 * *
  c andere woonfunctie 1 2 4 5 6 7 1 3 4 1 2 *
2 Bijeenkomstfunctie                                                
  a voor kinderopvang 1 3 4 1 2 4 5 6 7 1 3 4 1 4 1 2 * *
  b andere bijeenkomstfunctie 2 3 4 1 2 4 5 6 7 1 3 4 1 4 1 2 * * 500
3 Celfunctie 1 3 4 1 2 4 5 6 7 1 3 4 1 4 1 2 * *
4 Gezondheidszorgfunctie                                                
  a met bedgebied 1 3 4 1 2 4 5 6 7 1 3 4 1 4 1 2 * *
  b ander gezondheidszorgfunctie 2 3 4 1 2 4 5 6 7 1 3 4 1 4 1 2 * * 500
5 Industriefunctie                                                
  a lichte industriefunctie 1 2 4 5 6 7 1 3 4 1 4 1 2 * *
  b andere industriefunctie 2 3 4 1 2 4 5 6 7 1 3 4 1 4 1 2 * * 1.000
6 Kantoorfunctie 2 3 4 1 2 4 5 6 7 1 3 4 1 4 1 2 * * 500
7 Logiesfunctie