Let op. Deze wet is vervallen op 1 juli 2008. U leest nu de tekst die gold op 30 juni 2008.

Bouwstoffenbesluit bodem- en oppervlaktewaterenbescherming

Uitgebreide informatie
Besluit van 23 november 1995, houdende regels met betrekking tot het op of in de bodem of in het oppervlaktewater gebruiken van bouwstoffen
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 1 november 1993, nr. MJZ01n93028, Centrale Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving, gedaan mede namens Onze Minister van Verkeer en Waterstaat;
Gelet op richtlijn nr. 89/106/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 december 1988 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der lid-staten inzake de voor de bouw bestemde produkten ( PbEG 1989, L 40), zoals gewijzigd bij richtlijn nr. 93/68/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 22 juli 1993 ( PbEG L 220);
Gelet op de artikelen 6, 8, 15, 16, 17, en 71 van de Wet bodembescherming, gelet op de artikelen 2 a , 2 b , 2 c en 2 d van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren voor zover het betreft de artikelen 17 tot en met 27 en gelet op artikel 120 van de Woningwet voor zover het betreft artikel 29;
Gezien het advies van de Centrale raad voor de milieuhygiëne van 9 januari 1992, nr. B-92/26, het advies van de Raad van de Waterstaat van 28 november 1991 en de adviezen van de Technische commissie bodembescherming nrs. TCB A89/13 en TCB A91/02 van april 1989 en juli 1991;
De Raad van State gehoord (advies van 1 juli 1994, nr. W08.93.0727);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 21 november 1995, nr. MJZ 95024090, Centrale Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving, uitgebracht mede namens Onze Minister van Verkeer en Waterstaat;
Hebben goedgevonden en verstaan:
1.
In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. werk: grondwerk, wegenbouwkundig werk, waterbouwkundig werk of bouwwerk;
b. bouwstof: materiaal in de hoedanigheid waarin het is bestemd in een werk te worden gebruikt en waarin de totaalgehalten aan silicium, calcium of aluminium tezamen meer dan 10% (m/m) van dat materiaal bedragen;
c. gebruik of gebruiken van bouwstoffen: in een werk aanbrengen of houden van bouwstoffen;
d. degene die een bouwstof gebruikt:
1°. wanneer een bouwstof in een werk wordt aangebracht: degene die zelf, op eigen kosten, een bouwstof in een werk aanbrengt of degene die opdracht geeft om op zijn kosten een bouwstof in een werk aan te brengen, en
2°. wanneer een bouwstof in een werk is aangebracht en in dat werk wordt gehouden: de eigenaar van die bouwstof;
e. vormgegeven bouwstof: bouwstof met een volume per kleinste eenheid van ten minste cm3, die onder normale omstandigheden een duurzame vormvastheid heeft;
f. niet-vormgegeven bouwstof: bouwstof, niet zijnde een vormgegeven bouwstof;
g. grond: niet-vormgegeven bouwstof met een vaste structuur, die van natuurlijke oorsprong is, niet door de mens is geproduceerd en onderdeel van de Nederlandse bodem kan uitmaken;
h. schone grond: grond die geen van de samenstellingswaarden voor anorganische en organische stoffen, zoals aangegeven in bijlage 1 , overschrijdt;
i. isolatiemaatregelen: maatregelen waardoor bij gebruik van een bouwstof nagenoeg geen contact van die bouwstof met hemelwater of grondwater en in geval van gebruik in oppervlaktewater of op of in de bodem onder oppervlaktewater tevens nagenoeg geen contact met oppervlaktewater plaats vindt;
j. categorie 1-bouwstof: bouwstof die:
1°. geen van de samenstellingswaarden voor organische stoffen en, in geval het grond betreft, tevens geen van de samenstellingswaarden voor anorganische stoffen, zoals aangegeven in bijlage 2 , overschrijdt, en
2°. op zodanige wijze wordt gebruikt dat, ook indien geen isolatiemaatregelen worden genomen, geen van de immissiewaarden voor anorganische stoffen, zoals aangegeven in bijlage 2 , wordt overschreden;
k. categorie 2-bouwstof: bouwstof die:
1°. geen van de samenstellingswaarden voor organische stoffen en, in geval het grond betreft, tevens geen van de samenwetllingswaarden voor anorganische stoffen, zoals aangegeven in bijlage 2 , overschrijdt, en
2°. op zodanige wijze wordt gebruikt dat, slechts indien isolatiemaatregelen worden genomen, geen van de immissiewaarden voor anorganische stoffen, zoals aangegeven in bijlage 2 , wordt overschreden;
l. bouwstof met teerhoudend asfaltgranulaat: bouwstof die geheel of gedeeltelijk is samengesteld uit granulaat, verkregen door het breken of frezen van teerhoudend asfalt, en die:
1°. van de samenstellingswaarden voor organische stoffen, zoals aangegeven in bijlage 2 , uitsluitend één of meer van de waarden voor polycyclische aromatische koolwaterstoffen overschrijdt, en
2°. op zodanige wijze wordt gebruikt dat geen van de immissiewaarden voor anorganische stoffen, zoals aangegeven in bijlage 2 , wordt overschreden;
m. avi-bodemas: de bodemas die resteert na verbranding in een inrichting die uitsluitend of in hoofdzaak is bestemd voor het verbranden van huishoudelijke afvalstoffen en bedrijfsafvalstoffen als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer in een roosteroven of wervelbedoven;.
n. gemiddeld hoogste grondwaterstand: rekenkundig gemiddelde over ten minste acht achtereenvolgende jaren van de drie hoogste grondwaterstanden per hydrologisch jaar;
o. hydrologisch jaar: periode van 1 april tot en met 31 maart;
p. waterkwaliteitsbeheerder: bestuursorgaan dat op grond van artikel 3 van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren bevoegd is tot vergunningverlening;
q. Onze Minister: Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer;
r. Onze Ministers: Onze Minister en Onze Minister van Verkeer en Waterstaat;
s. NEN: door de Stichting Nederlands Normalisatie-instituut uitgegeven norm;
t. kwaliteitsverklaring: schriftelijk bewijs, voorzien van een door Onze Ministers aangewezen merkteken, afgegeven door een door Onze Ministers aangewezen, deskundig, onafhankelijk instituut, op grond waarvan een bouwstof, indien die bouwstof wordt gebruikt op de in de verklaring aangegeven wijze, wordt geacht te voldoen aan de bij of krachtens dit besluit gestelde eisen met betrekking tot samenstelling en immissie;
u. deskundig bedrijf: bedrijf dat of dienst die voldoet aan de eisen ter zake van het verrichten van een bij of krachtens dit besluit voorgeschreven werkzaamheid zoals die zijn gesteld door een door de Stichting Raad voor de Certificatie erkende certificatie-instelling op grond waarvan het bedrijf of de dienst is gemachtigd het voor die werkzaamheid door Onze Ministers aangewezen merkteken te voeren;
v. Europese richtlijn bouwprodukten: richtlijn nr. 89/106/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 december 1988 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der lid-staten inzake de voor de bouw bestemde produkten ( PbEG 1989, L 40), zoals gewijzigd bij richtlijn nr. 93/68/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 22 juli 1993 ( PbEG 1993, L 220);
w. CE-markering: CE-markering als bedoeld in artikel 4 van de Europese richtlijn bouwprodukten;
x. bijlagen 1, 2, 3, 4 a en 4 b : de bij dit besluit behorende bijlagen 1 , 2 , 3 , 4a en 4b ;
y. werkdagen: dagen die niet vallen op zaterdag, zondag, algemeen erkende feestdagen of Goede Vrijdag;
z. algemeen erkende feestdagen: de Nieuwjaarsdag, de Christelijke tweede Paas- en Pinksterdag, de beide Kerstdagen, de Hemelvaartsdag, de dag waarop de verjaardag van de Koning wordt gevierd en de vijfde mei, alsmede de dagen die op grond van het derde lid van artikel 3 van de Algemene termijnenwet gelijk worden gesteld aan algemeen erkende feestdagen;
aa. CROW-rapport 04-08, «Richtlijn omgaan met vrijkomend asfalt»: door het Kennisplatform voor infrastructuur,verkeer, vervoer en openbare ruimte uitgegeven richtlijn inzake het omgaan met vrijkomend asfalt, Voorpublicatie 210, augustus 2004;
bb. E-vliegas: fijn poeder, hoofdzakelijk bestaand uit bolvormige glasachtige deeltjes, dat vrijkomt bij filtering van de rookgasstroom in poederkoolgestookte elektriciteitscentrales;
cc. IPO-interimbeleid «Werken met secundaire grondstoffen»: vooruitlopend op dit besluit door het Inter Provinciaal Overlegorgaan ter uitwerking van artikel 10.47 van de Wet milieubeheer en het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer vastgesteld beleid inzake het toepassen van secundaire grondstoffen van december 1994, zoals gewijzigd in juni 1997;
dd. project: een combinatie van werken die worden uitgevoerd als samenhangend en in tijd en plaats afgebakend geheel.
2.
Voor de toepassing van dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt het houden van een bouwstof in een werk geacht niet onderbroken te zijn, wanneer die bouwstof tijdelijk wordt verplaatst of uit het werk wordt weggenomen en die bouwstof na de verplaatsing of het wegnemen, zonder te zijn bewerkt, op of nabij dezelfde plaats en onder dezelfde condities opnieuw in dat werk wordt aangebracht.
3.
Voor de toepassing van dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt het terugbrengen van grond op of in de bodem, daaronder begrepen de bodem onder oppervlaktewater, op of nabij de plaats waar deze is ontgraven, niet beschouwd als het gebruiken van een bouwstof, tenzij die grond sinds dat ontgraven is bewerkt.
1.
Bij regeling van Onze Ministers worden regels gesteld met betrekking tot het bepalen van de totaalgehalten aan silicium, calcium of aluminium in een materiaal dat is bestemd om in een werk te worden gebruikt, ter bepaling of dat materiaal als bouwstof kan worden aangemerkt.
2.
Bij regeling van Onze Ministers worden voorts regels gesteld met betrekking tot:
a. het bepalen van het volume van de kleinste eenheid van een bouwstof, en
b. het bepalen of een bouwstof een duurzame vormvastheid heeft, ter bepaling of een bouwstof als vormgegeven bouwstof kan worden aangemerkt.
3.
Bij regeling van Onze Ministers kunnen bouwstoffen worden aangewezen, die, indien die bouwstoffen worden gebruikt op een bij die regeling aangegeven wijze, geacht worden onder normale omstandigheden niet duurzaam vormvast te zijn.
4.
Bij regeling van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kunnen grote oppervlaktewateren als bedoeld in bijlage 2 worden aangewezen.
1.
Behoudens het tweede, derde en vierde lid, zijn voor de toepassing van dit besluit en de daarop berustende bepalingen burgemeester en wethouders van de gemeente waar de bouwstoffen worden gebruikt, het bevoegd gezag.
2.
Behoudens het derde en vierde lid, zijn gedeputeerde staten het bevoegd gezag, indien:
a. de bouwstoffen worden gebruikt, anders dan bij het bouwen van bouwwerken als bedoeld in artikel 1, onder a , van de Woningwet, en
b. de bouwstoffen worden gebruikt binnen een inrichting die is aangewezen krachtens artikel 1.1, derde lid, van de Wet milieubeheer en waarvoor gedeputeerde staten voor de vergunningverlening krachtens die wet het bevoegd gezag zijn.
3.
Behoudens het vierde lid, is Onze Minister het bevoegd gezag, indien:
a. de bouwstoffen worden gebruikt, anders dan bij het bouwen van bouwwerken als bedoeld in artikel 1, onder a , van de Woningwet, en
b. de bouwstoffen worden gebruikt binnen een inrichting die is aangewezen krachtens artikel 1.1, derde lid, van de Wet milieubeheer en waarvoor Onze Minister voor de vergunningverlening krachtens die wet bevoegd gezag is.
4.
De waterkwaliteitsbeheerder is het bevoegd gezag indien bouwstoffen worden gebruikt in oppervlaktewater of op of in de bodem onder oppervlaktewater.
1.
Voor de toepassing van de bij of krachtens dit hoofdstuk gestelde regels wordt onder "bodem" niet mede de bodem onder oppervlaktewater verstaan.
2.
Dit hoofdstuk is niet van toepassing op het gebruiken van:
a. bouwstoffen binnen een gebouw als bedoeld in artikel 1, onder c , van de Woningwet;
b. vlakglas, en
c. metallisch aluminium.
1.
Tot één jaar na het tijdstip waarop schone grond in een werk is aangebracht, verstrekt degene die die grond op of in de bodem gebruikt op verzoek van het bevoegd gezag gegevens met betrekking tot de samenstelling van die grond.
2.
Indien het bevoegd gezag daarom verzoekt, dienen de gegevens die ingevolge het eerste lid worden verstrekt, te zijn verkregen door bepaling van de samenstelling van de grond door een door Onze Ministers aangewezen instantie overeenkomstig de bij regeling van Onze Ministers ter zake gestelde regels of overeenkomstig een wijze die gelijkwaardig is aan de wijze zoals in die regels wordt voorgeschreven.
3.
Bij regeling van Onze Ministers:
a. kunnen gevallen worden aangewezen, waarin de verplichting, bedoeld in het eerste lid, niet geldt, en
b. kan een formulier worden vastgesteld, dat bij het verstrekken van de gegevens, bedoeld in het eerste lid, wordt gebruikt.
4.
Degene die grond gebruikt, waarvoor een door Onze Ministers erkende kwaliteitsverklaring is afgegeven, waaruit blijkt dat die grond is aan te merken als schone grond, kan ter voldoening aan het bepaalde in het eerste en tweede lid aan het bevoegd gezag die kwaliteitsverklaring verstrekken.
1.
Deze paragraaf is niet van toepassing op het op of in de bodem gebruiken van schone grond.
2.
Bij het gebruiken van niet-schone grond op of in de bodem zijn ten aanzien van de vaststelling van een overschrijding van één of meer van de samenstellingswaarden voor anorganische of organische stoffen, zoals aangegeven in bijlage 1, in die grond de regels met betrekking tot de bepaling van de samenstelling van schone grond, gesteld bij of krachtens artikel 5, tweede lid, van toepassing voor zover dat bij regeling van Onze Ministers is bepaald. Bij die regeling kunnen ten aanzien van de vaststelling, bedoeld in de eerste volzin, nadere regels worden gesteld.
1.
Het op of in de bodem gebruiken van een bouwstof, is verboden, indien:
a. die bouwstof één of meer van de samenstellingswaarden voor organische stoffen of, in geval het grond betreft, één of meer van de samenstellingswaarden voor organische of anorganische stoffen, zoals aangegeven in bijlage 2 , overschrijdt, of
b. die bouwstof op zodanige wijze wordt gebruikt dat één of meer van de immissiewaarden voor anorganische stoffen, zoals aangegeven in bijlage 2 , worden overschreden.
2.
Ten aanzien van de vaststelling van een overschrijding als bedoeld in het eerste lid, onder a , zijn de regels met betrekking tot de bepaling van de samenstelling van de bouwstof, gesteld bij of krachtens artikel 9, tweede, derde, zesde of zevende lid, van toepassing, voor zover dat bij regeling van Onze Ministers is bepaald. Bij die regeling kunnen ten aanzien van de vaststelling, bedoeld in de eerste volzin, nadere regels worden gesteld.
3.
Ten aanzien van de vaststelling van een overschrijding als bedoeld in het eerste lid, onder b , zijn de regels met betrekking tot de bepaling van de immissie in de bodem als gevolg van emissie uit de bouwstof, gesteld bij of krachtens artikel 9, vijfde, zesde of zevende lid, van toepassing, voor zover dat bij regeling van Onze Ministers is bepaald. Bij die regeling kunnen ten aanzien van de vaststelling, bedoeld in de eerste volzin, nadere regels worden gesteld.
4.
Voor een bouwstof met teerhoudend asfaltgranulaat kan bij regeling van Onze Minister worden bepaald dat ten aanzien van de in die bouwstof aanwezige polycyclische aromatische koolwaterstoffen het in het eerste lid gestelde verbod niet van toepassing is gedurende een daarbij aan te geven periode.
5.
Voor avi-bodemas die behoort tot de bijzondere, bij regeling van Onze Minister aan te wijzen categorie, kan bij regeling van Onze Minister worden bepaald dat gedurende een daarbij aan te geven periode het eerste, tweede en derde lid niet van toepassing zijn.
6.
Voor E-vliegas zijn ten aanzien van de in die bouwstof aanwezige stoffen molybdeen en seleen het eerste, tweede en derde lid niet van toepassing, indien de krachtens artikel 14, vierde lid, voor avi-bodemas bepaalde isolatie-, beheers- en controlemaatregelen zijn getroffen.
7.
Voor het op of in de bodem gebruiken van E-vliegas in niet-standaard toepassingen is het daarvoor krachtens artikel 14, zesde lid, voor avi-bodemas bepaalde van overeenkomstige toepassing.
Artikel 8
Het is verboden op of in de bodem een bouwstof te gebruiken, indien daarbij niet wordt voldaan aan de regels die bij of krachtens deze paragraaf met betrekking tot het gebruiken van die bouwstof zijn gesteld.
1.
Een bouwstof wordt op of in de bodem slechts gebruikt, indien voor de in bijlage 2 vermelde organische stoffen en, in geval het grond betreft, tevens voor de in die bijlage vermelde anorganische stoffen de samenstelling van die bouwstof door een door Onze Ministers aangewezen instantie is bepaald.
2.
De bepaling van de samenstelling van een bouwstof vindt plaats overeenkomstig de volgende methoden:
a. de monsterneming vindt plaats overeenkomstig NEN 7300;
b. de monsters worden voorbereid overeenkomstig NEN 7310, en
c. de analyse van de organische stoffen in de monsters vindt plaats overeenkomstig NEN 7330.
3.
Voor grond vindt, in afwijking van het tweede lid, de bepaling van de samenstelling plaats overeenkomstig de bij regeling van Onze Ministers gestelde regels.
4.
Een bouwstof wordt op of in de bodem slechts gebruikt, indien voor de in bijlage 2 vermelde anorganische stoffen de immissie in de bodem als gevolg van emissie uit die bouwstof door een door Onze Ministers aangewezen instantie is bepaald.
5.
De bepaling van de immissie in de bodem, bedoeld in het vierde lid, vindt, rekening houdend met de wijze waarop een bouwstof wordt gebruikt, en - indien van toepassing - rekening houdend met de isolatiemaatregelen die worden genomen, plaats overeenkomstig de volgende methoden:
a. de monsterneming vindt plaats overeenkomstig NEN 7300;
b. de monsters worden voorbereid overeenkomstig NEN 7310;
c. de bepaling van de uitloging van de monsters van de bouwstof in het laboratorium vindt plaats overeenkomstig NEN 7340;
d. de analyse van de anorganische stoffen in het eluaat uit de monsters vindt plaats overeenkomstig NEN 7320;
e. de berekening van de immissie in de bodem als gevolg van emissie uit de bouwstof vindt plaats:
1°. voor de anorganische stoffen in een vormgegeven bouwstof, waarvan de uitloging niet diffusie-bepaald is, en voor de anorganische stoffen in een niet-vormgegeven bouwstof volgens een functie waarin Ib uitgedrukt wordt in E gem(L/S=10) , a, h en fext.n, waarbij:
I b = berekende immissie van de bouwstof in de bodem als gevolg van het gebruik van een bouwstof [mg/m 2 ]
E gem(L/S=10) = uitloging van een bouwstof in het laboratorium [mg/kg]
a = correctie voor de uitloging van een bouwstof in het laboratorium en de uitloging in de praktijk [mg/kg]
h = de grootste hoogte waarin een bouwstof in een werk wordt aangebracht[m], met een voor de berekening te hanteren minimum van 0,2 m
f ext.n = factor voor de extrapolatie van de uitloging van de bouwstof bij de kort durende laboratoriumproef naar de uitloging over 100 jaar, voor toepassingen met isolatiemaatregelen en toepassingen zonder isolatiemaatregelen;
2°. voor de anorganische stoffen in een vormgegeven bouwstof, waarvan de uitloging diffusie-bepaald is, volgens een functie waarin Ib wordt uitgedrukt in E gem (64d) , f ext.v , f bev , f temp en f iso , waarbij:
I b = berekende immissie van de bouwstof in de bodem als gevolg van het gebruik van een bouwstof [mg/m 2 ]
E gem(64d) = uitloging van een bouwstof in het laboratorium [mg/m 2 ]
f ext.v = factor voor de extrapolatie van de uitloging van de bouwstof bij de kort durende laboratoriumproef naar de uitloging over 100 jaar
f bev = factor voor de bevochtigingsperiode
f temp = factor voor het verschil in temperatuur bij bepaling van de uitloging van een bouwstof in het laboratorium en bij het gebruik van die bouwstof
f iso = factor voor de isolatiemaatregelen,
of volgens de functie, beschreven onder 1°.
6.
Bij regeling van Onze Ministers worden nadere regels gesteld met betrekking tot:
a. de bepaling van de samenstelling van een bouwstof, uitgezonderd grond, bedoeld in het eerste lid, en
b. de bepaling van de immissie in de bodem als gevolg van emissie uit een bouwstof, bedoeld in het vierde lid.
Tot die regels behoren in ieder geval:
1°. regels met betrekking tot de wijze waarop wordt bepaald of de uitloging van een anorganische stof in een vormgegeven bouwstof diffusie-bepaald is;
2°. regels met betrekking tot de toepassing van de in het tweede en vijfde lid genoemde NEN, daaronder begrepen de aanwijzing van door de Stichting Nederlands Normalisatie-instituut uitgegeven ontwerp- of voornormen die in plaats van die NEN gelden zolang die NEN nog niet zijn vastgesteld, en
3°. regels ter uitwerking van de in het vijfde lid, onder e , beschreven functies.
7.
De bepaling van de samenstelling van een bouwstof of de bepaling van de immissie in de bodem als gevolg van emissie uit een bouwstof door een door Onze Ministers aangewezen instantie, bedoeld in het eerste onderscheidenlijk vierde lid, kan op een andere wijze plaatsvinden dan die welke is voorgeschreven in de bij of krachtens het tweede, derde, vijfde of zesde lid gestelde regels, indien die andere wijze ten minste gelijkwaardig is aan bedoelde, voorgeschreven wijze.
8.
Degene die beschikt over een voor de desbetreffende bouwstof afgegeven, door Onze Ministers erkende kwaliteitsverklaring, voldoet aan de bij of krachtens het eerste tot en met het zevende lid gestelde regels.
9.
Tot vijf jaar na het tijdstip waarop een categorie 1-bouwstof niet zijnde grond, in een werk is aangebracht, verstrekt degene die de bouwstof gebruikt, op verzoek van het bevoegd gezag:
a. gegevens met betrekking tot de samenstelling van die bouwstof en de immissie in de bodem als gevolg van emissie uit die bouwstof, verkregen door bepaling van die samenstelling en immissie overeenkomstig de bij of krachtens het tweede, vijfde, zesde of zevende lid gestelde regels, dan wel
b. een voor die bouwstof afgegeven kwaliteitsverklaring als bedoeld in het achtste lid.
Onze Ministers kunnen een model van een formulier vaststellen, dat bij het verstrekken van de gegevens, bedoeld onder a, wordt gebruikt.
10.
Dit artikel is niet van toepassing op het gebruiken van avi-bodemas die behoort tot de bijzondere, krachtens artikel 7, vijfde lid, aangewezen categorie gedurende een krachtens dat artikel aangegeven periode.
11.
Het vierde lid is niet van toepassing op het op of in de bodem gebruiken van niet-vormgegeven bouwstoffen, indien een door Onze Ministers aangewezen instantie het uitlooggedrag overeenkomstig NEN 7373 heeft trachten te bepalen gedurende een periode van tenminste 28 dagen en daarbij een L/S-waarde is bereikt die kleiner is dan 2. Tot vijf jaar na het tijdstip waarop een niet-vormgegeven bouwstof niet zijnde grond in een werk is aangebracht worden op verzoek van het bevoegd gezag de gegevens van deze uitloogproef verstrekt.
1.
Tenzij het gaat om bouwstoffen waarvan op grond van kennis of organoleptische waarneming niet kan of redelijkerwijs niet zou kunnen worden aangenomen dat die bouwstoffen voldoen aan de samenstellings- en immissiewaarden, zoals aangegeven in bijlage 2 , is artikel 9 niet van toepassing op:
a. het op of in de bodem gebruiken van gezaagde natuursteenproducten of metselmortel;
b. het zonder bewerking opnieuw op of in de bodem gebruiken van vormgegeven bouwstoffen van beton, keramiek, natuursteen, alsmede bakstenen;
c. het opnieuw warm in situ op of in de bodem gebruiken van asfalt in wegverhardingen, indien overeenkomstig de CROW-rapport 04-08, «Richtlijn omgaan met vrijkomend asfalt» wordt aangetoond dat het materiaal niet teerhoudend is;
d. het binnen een project op of in de bodem zonder bewerking en onder dezelfde condities opnieuw gebruiken van categorie 1-bouwstoffen, mits wordt aangetoond dat de bouwstof voldoet aan de samenstellings- en immissiewaarden, zoals aangegeven in bijlage 2 op grond van:
1°. algemene informatie of
2°. gegevens omtrent samenstelling en immissie die bij of krachtens het eerste tot en met achtste lid van artikel 9 of vooruitlopend daarop onder de vigeur van het IPO- interimbeleid «Werken met secundaire grondstoffen» zijn bepaald in het kader van het eerdere gebruiken in een werk.
2.
Tot vijf jaar na het tijdstip waarop opnieuw asfalt als bedoeld in het eerste lid, onderdeel c of opnieuw binnen een project een categorie1-bouwstof niet zijnde grond als bedoeld in het eerste lid, onderdeel d in een werk is aangebracht, worden op verzoek van het bevoegd gezag de gegevens als bedoeld in het eerste lid, onderdeel c respectievelijk onderdeel d, onder 1° en 2° verstrekt.
1.
Degene die een bouwstof gebruikt op of in de bodem, draagt er zorg voor dat die bouwstof:
a. niet met de bodem wordt vermengd;
b. kan worden verwijderd en
c. wordt verwijderd in geval het deel van het werk waarvan de bouwstof deel uitmaakt, wordt verwijderd.
2.
In afwijking van het eerste lid, aanhef en onder c, wordt een categorie 1-bouwstof niet verwijderd, indien het verwijderen van die bouwstof tot een grotere aantasting van de bodem ter plaatse van die bouwstof leidt dan het niet verwijderen van die bouwstof.
1.
Degene die voornemens is een bouwstof op of in de bodem te gebruiken, meldt dit voornemen aan het bevoegd gezag.
2.
Een melding als bedoeld in het eerste lid, wordt gedaan gelijktijdig met het voor of in verband met dat werk:
a. indienen van een aanvraag voor een vergunning als bedoeld in artikel 40, eerste lid, van de Woningwet of, indien deze vergunning niet is vereist;
b. doen van een melding als bedoeld in artikel 42, eerste lid, onder a, van de Woningwet of, indien noch deze melding noch een vergunning als bedoeld onder a, is vereist;
c. indienen van een aanvraag voor een vergunning als bedoeld in artikel 8.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer of, indien noch deze vergunning noch een vergunning als bedoeld onder a, noch een melding als bedoeld onder b, is vereist;
d. doen van een melding als bedoeld in artikel 8.41, eerste lid, van de Wet milieubeheer of, indien noch deze melding, noch een melding als bedoeld onder b, noch een vergunning als bedoeld onder a of onder c, is vereist;
e. indienen van een aanvraag voor een vergunning als bedoeld in artikel 14 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, indien het bestuursorgaan dat bevoegd is een vergunning als bedoeld onder a, c of e, te verlenen of het bestuursorgaan tot wie een melding als bedoeld onder b of d, moet worden gericht tevens voor het betreffende gebruiken van bouwstoffen krachtens artikel 3 het bevoegd gezag is.
3.
Indien enig voor een melding benodigd gegeven nog niet bekend is op het tijdstip waarop een aanvraag voor een vergunning wordt ingediend of een melding wordt gedaan als bedoeld in het tweede lid, onder a tot en met e, dan wordt dat gegeven aan het bevoegd gezag verstrekt:
a. ten minste vijf werkdagen voor het gebruiken bij een voorgenomen gebruik van grond die behoort tot de categorie 1-bouwstoffen, of
b. ten minste een maand voor het gebruiken bij een voorgenomen gebruik van een andere bouwstof.
4.
Het derde lid is van overeenkomstige toepassing in geval van wijziging van bij een melding verstrekte gegevens.
5.
Indien zich niet één van de gevallen, bedoeld in het tweede lid, voordoet, wordt een melding als bedoeld in het eerste lid, gedaan:
a. ten minste vijf werkdagen voor het gebruiken bij een voorgenomen gebruik van grond die behoort tot de categorie 1-bouwstoffen, of
b. ten minste een maand voor het gebruiken bij een voorgenomen gebruik van een andere bouwstof.
6.
Indien bij een voorgenomen gebruik van een bouwstof, niet zijnde grond die behoort tot de categorie 1-bouwstoffen, de in bijlage 3 , onder punt 4, genoemde gegevens nog niet bekend zijn op het tijdstip waarop de melding, bedoeld in het eerste lid, dient te worden gedaan, worden deze gegevens, zo nodig in afwijking van het tweede, derde of vijfde lid, uiterlijk vijf werkdagen voor het gebruik van de desbetreffende bouwstof aan het bevoegd gezag verstrekt.
7.
Bij een melding als bedoeld in het eerste lid, worden de in bijlage 3 genoemde gegevens verstrekt. Voor zover deze gegevens reeds in het kader van een aanvraag voor een vergunning of in het kader van een melding als bedoeld in het tweede lid, onder a tot en met e , worden verstrekt, behoeven deze niet meer bij de melding te worden verstrekt. De melding wordt gedaan op een formulier waarvan het model wordt vastgesteld door Onze Minister.
8.
Onze Minister kan nadere regels stellen met betrekking tot de bij de melding te verstrekken gegevens.
9.
Dit artikel is niet van toepassing op het gebruiken van een categorie 1-bouwstof, niet zijnde grond.
10.
Indien bij een voorgenomen gebruik van een bouwstof sprake is van verschillende partijen kunnen met uitzondering van de eerste partij de in bijlage 3, onder punt 4 , genoemde gegevens zo nodig in afwijking van het derde lid, onderdeel a, vijfde lid, onderdeel a, en zesde lid uiterlijk twee werkdagen voor het gebruik van de desbetreffende bouwstof aan het bevoegd gezag worden verstrekt.
11.
In afwijking van het zevende lid worden bij een melding als bedoeld in het eerste lid van het gebruik van een niet-vormgegeven bouwstof zijnde grond als bedoeld in artikel 9, elfde lid, in plaats van de in bijlage 3, onder punt 4 , genoemde gegevens met betrekking tot de immissie in de bodem, de gegevens als bedoeld in artikel 9, elfde lid, verstrekt.
12.
In afwijking van het zevende lid worden bij een melding als bedoeld in het eerste lid van het opnieuw binnen een project gebruiken van categorie 1-bouwstoffen zijnde grond als bedoeld in artikel 9a, eerste lid, onderdeel d, in plaats van de in bijlage 3, onder punt 4 , genoemde gegevens, de gegevens als bedoeld in artikel 9a, eerste lid, onderdeel d, onder 1° en 2° verstrekt.
1.
Grond die behoort tot de categorie 1-bouwstoffen, wordt op of in de bodem slechts gebruikt in een zodanige hoeveelheid dat is gewaarborgd dat de gebruiker van die grond kan voldoen aan artikel 10. Die hoeveelheid is ten minste 50 m 3 aaneensluitend in een werk.
2.
Het bevoegd gezag kan een nadere eis stellen ten aanzien van de minimumhoeveelheid, waarin de in het eerste lid bedoelde grond in een werk moet worden gebruikt; deze hoeveelheid mag echter niet kleiner zijn dan de in het eerste lid, tweede volzin, genoemde hoeveelheid. Degene tot wie een nadere eis als bedoeld in de eerste volzin, wordt gericht, is verplicht daaraan te voldoen.
1.
Een bouwstof, niet zijnde een categorie 1-bouwstof, wordt op of in de bodem slechts gebruikt in hoeveelheden van ten minste 10 000 ton aaneensluitend in een werk.
2.
In afwijking van het eerste lid is het gebruiken van een categorie 2-bouwstof in funderingen van een wegenbouwkundig werk toegestaan in hoeveelheden van ten minste 1 000 ton aaneensluitend.
1.
Degene die een bouwstof, niet zijnde een categorie 1-bouwstof, op of in de bodem gebruikt, treft de volgende isolatiemaatregelen en daarbij behorende beheers- en controlemaatregelen:
a. voordat de bouwstof op of in de bodem wordt gebracht, wordt door een deskundig bedrijf de gemiddeld hoogste grondwaterstand ter plaatse van het gebruiken van de bouwstof en de te verwachten afstand tussen die grondwaterstand en de aan te brengen bouwstof bepaald;
b. de bouwstof wordt zodanig gebruikt dat deze zich, na zetting van de bodem, ten minste 0,5 m boven de gemiddeld hoogste grondwaterstand bevindt;
c. gedurende het houden van de bouwstof wordt periodiek de gemiddeld hoogste grondwaterstand ter plaatse van de aangebrachte bouwstof en de afstand van de bouwstof tot die grondwaterstand door een deskundig bedrijf bepaald en worden de daarbij verkregen gegevens op verzoek aan het bevoegd gezag overgelegd;
d. aan de bovenzijde van de bouwstof wordt een zodanige isolerende afdichting aangebracht dat nagenoeg geen contact van de bouwstof met hemelwater plaatsvindt, en
e. de afdichting wordt zodanig onderhouden en gecontroleerd dat haar isolerende werking is gewaarborgd.
2.
Bij regeling van Onze Minister worden nadere regels gesteld omtrent de bepaling van de gemiddeld hoogste grondwaterstand en van de afstand van de bouwstof tot die grondwaterstand, bedoeld in het eerste lid, onder a en c , en het verstrekken van gegevens als bedoeld in onderdeel c van dat lid. Tot die regels behoren in ieder geval regels met betrekking tot het onderzoek dat ten behoeve van die bepalingen moet worden verricht en de frequentie waarmee die bepalingen dienen plaats te vinden.
3.
Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld omtrent het aanbrengen, het onderhoud en de controle van de isolerende bovenafdichting, bedoeld in het eerste lid, onder d en e . Tot de in de eerste volzin bedoelde regels kan de eis behoren, dat de afdichting bij het aanbrengen en vervolgens periodiek door een deskundig bedrijf op haar isolerende werking wordt gekeurd. Bij de in de eerste volzin bedoelde regeling kunnen voorts regels worden gesteld omtrent het verstrekken aan het bevoegd gezag van gegevens, verkregen bij controles of keuringen van de afdichting.
4.
Bij regeling van Onze Minister kunnen voor bouwstoffen, niet zijnde categorie 1-bouwstoffen, die op een bij die regeling aangewezen wijze worden gebruikt, de naar zijn oordeel geschikte maatregelen inzake een isolerende bovenafdichting als bedoeld in het eerste lid, onder d en e , worden aangewezen.
5.
Degene die een bouwstof, niet zijnde een categorie 1-bouwstof, gebruikt op de bij de regeling, bedoeld in het vierde lid, aangewezen wijze, en de voor die bouwstof bij die regeling aangewezen maatregelen inzake een isolerende bovenafdichting treft, voldoet aan de regels, gesteld bij of krachtens het eerste lid, onder d en e , en derde lid.
6.
Degene die voornemens is een bouwstof, niet zijnde een categorie 1-bouwstof, te gebruiken, overlegt, in geval op hem het vijfde lid niet van toepassing zal zijn, bij de melding, bedoeld in artikel 11, eerste lid, gegevens over de te verwachten isolerende werking van de isolatiemaatregelen en daarbij behorende beheers- en controlemaatregelen die hij ingevolge de bij of krachtens het eerste lid, onder d en e , en derde lid, gestelde regels dient te treffen. De gegevens, bedoeld in de eerste volzin, worden opgesteld door een deskundig bedrijf.
Artikel 15
Behoudens in een geval als bedoeld in artikel 14, vijfde lid, kan het bevoegd gezag ten aanzien van het aanbrengen, het onderhoud en de controle van een isolerende bovenafdichting als bedoeld in artikel 14, eerste lid, onder d en e, nadere eisen stellen. Degene tot wie een nadere eis wordt gericht, is verplicht daaraan te voldoen.
1.
Degene die ingevolge de bij of krachtens artikel 14 gestelde regels onderzoek dient te verrichten op of in een gedeelte van de bodem ten aanzien waarvan hem de nodige bevoegdheid ontbreekt, kan het bevoegd gezag verzoeken de rechthebbenden een verplichting op te leggen als bedoeld in artikel 71, eerste lid, van de Wet bodembescherming.
2.
Degene die een verzoek doet als bedoeld in het eerste lid, verstrekt bij het verzoek de volgende gegevens:
a. de naam en het adres van de aanvrager en de rechthebbenden;
b. de plaats waar het onderzoek moet plaatsvinden;
c. de aard, de omvang en het tijdstip van het voorgenomen onderzoek, en
d. de handelingen die de rechthebbenden in het belang van het onderzoek moeten nalaten.
3.
Het bevoegd gezag kan, indien een verzoek als bedoeld in het eerste lid is gedaan, de rechthebbenden ten aanzien van het betrokken gedeelte van de bodem de in artikel 71, eerste lid van de Wet bodembescherming bedoelde verplichting opleggen.
1.
Voor de toepassing van de bij of krachtens dit hoofdstuk gestelde regels wordt onder "oppervlaktewater" mede de bodem onder oppervlaktewater verstaan en wordt onder "het gebruiken van bouwstoffen in oppervlaktewater" mede verstaan het gebruiken van bouwstoffen op of in de bodem onder oppervlaktewater.
2.
Dit hoofdstuk is niet van toepassing op het gebruiken van de in artikel 4, tweede lid, onder b en c, genoemde bouwstoffen.
1.
De bij of krachtens artikel 1, eerste, derde of vierde lid, van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren gestelde verboden gelden niet voor het in oppervlaktewater gebruiken van schone grond.
2.
Degene die voornemens is schone grond te gebruiken in oppervlaktewater, meldt dit voornemen aan het bevoegd gezag uiterlijk vijf werkdagen voor het gebruiken.
3.
Bij een melding als bedoeld in het tweede lid, worden de in bijlage 4a genoemde gegevens verstrekt.
1.
Ten aanzien van het in oppervlaktewater gebruiken van schone grond zijn de regels, gesteld bij of krachtens artikel 5 van overeenkomstige toepassing.
2.
Tenzij op grond van kennis of visuele waarneming niet kan of redelijkerwijs niet zou kunnen worden aangenomen dat die grond voldoet aan de samenstellingswaarden, zoals aangegeven in bijlage 1 , is het eerste lid niet van toepassing op het bij de uitvoering van zandsuppleties op het strand of de onderwaterbodem van de Noordzee, de Waddenzee, of de Westerschelde gebruiken van grond afkomstig uit die wateren.
1.
Deze paragraaf is niet van toepassing op het in oppervlaktewater gebruiken van schone grond.
2.
Ten aanzien van het gebruiken van niet-schone grond in oppervlaktewater is artikel 6, tweede lid, van overeenkomstige toepassing.
1.
De bij of krachtens artikel 1, eerste, derde of vierde lid, van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren gestelde verboden gelden niet voor het in oppervlaktewater gebruiken van categorie 1-bouwstoffen.
2.
Degene die voornemens is een categorie 1-bouwstof te gebruiken in oppervlaktewater, meldt dit voornemen aan het bevoegd gezag uiterlijk vijf werkdagen voor het gebruiken.
3.
Bij een melding als bedoeld in het tweede lid, worden de in bijlage 4b genoemde gegevens verstrekt.
4.
Indien bij een voorgenomen gebruik van een categorie1-bouwstof sprake is van verschillende partijen kunnen met uitzondering van de eerste partij de in bijlage 4b, onder punt 3 , genoemde gegevens zo nodig in afwijking van het tweede lid uiterlijk twee werkdagen voor het gebruik van de desbetreffende bouwstof aan het bevoegd gezag worden verstrekt.
5.
In afwijking van het derde lid worden bij een melding als bedoeld in het tweede lid van het gebruiken van een niet-vormgegeven bouwstof als bedoeld in artikel 22, zevende lid, in plaats van de in bijlage 4b, onder punt 3 , genoemde gegevens met betrekking tot de immissie in oppervlaktewater, de gegevens als bedoeld in artikel 22, zevende lid, verstrekt.
6.
In afwijking van het derde lid worden bij een melding als bedoeld in het tweede lid van het opnieuw asfalt gebruiken als bedoeld in artikel 22a, eerste lid, onder c of het opnieuw binnen een project gebruiken van categorie 1-bouwstoffen als bedoeld in artikel 22a, eerste lid, onder deel d, in plaats van de in bijlage 4b, onder punt 3 genoemde gegevens, de gegevens als bedoeld in artikel 22a, eerste lid, onderdeel c respectievelijk d, onder 1° en 2° verstrekt.
7.
Ten aanzien van het in oppervlaktewater gebruiken van een categorie 1-bouwstof zijn de regels, gesteld bij of krachtens artikel 7, tweede en derde lid, van overeenkomstige toepassing.
1.
Een bouwstof wordt in oppervlaktewater slechts gebruikt indien voor de in bijlage 2 vermelde organische stoffen en, in geval het grond betreft, tevens voor de in die bijlage vermelde anorganische stoffen de samenstelling van die bouwstof door een door Onze Ministers aangewezen instantie is bepaald.
2.
De bepaling van de samenstelling van de bouwstof, bedoeld in het eerste lid, vindt plaats overeenkomstig de regels, gesteld bij of krachtens artikel 9, tweede en zesde lid, of zevende lid.
3.
In afwijking van het tweede lid vindt voor grond de bepaling van de samenstelling plaats overeenkomstig de regels, gesteld bij of krachtens artikel 9, derde of zevende lid.
4.
Een bouwstof wordt in oppervlaktewater slechts gebruikt indien voor de in bijlage 2 vermelde anorganische stoffen de immissie in het oppervlaktewater als gevolg van emissie uit die bouwstof door een door Onze Ministers aangewezen instantie is bepaald.
5.
De bepaling van de immissie in het oppervlaktewater, bedoeld in het vierde lid, vindt plaats overeenkomstig de regels, gesteld bij of krachtens artikel 9, vijfde en zesde lid, of zevende lid.
6.
Degene die een categorie 1-bouwstof gebruikt en beschikt over een voor de desbetreffende bouwstof afgegeven, door Onze Ministers erkende kwaliteitsverklaring voldoet aan de bij of krachtens het eerste tot en met het vijfde lid gestelde regels.
7.
Het vierde lid is niet van toepassing op het in oppervlaktewater gebruiken van niet-vormgegeven bouwstoffen, indien een door Onze Ministers aangewezen instantie het uitlooggedrag conform NEN 7373 heeft trachten te bepalen gedurende een periode van tenminste 28 dagen en daarbij een L/S-waarde is bereikt die kleiner is dan 2.
Artikel 22a
Tenzij het gaat om bouwstoffen waarvan op grond van kennis of organoleptische waarneming niet kan of redelijkerwijs niet zou kunnen worden aangenomen dat die bouwstoffen voldoen aan de samenstellings- en immissiewaarden, zoals aangegeven in bijlage 2 , is artikel 22 niet van toepassing op:
a. het in oppervlaktewater gebruiken van gezaagde natuursteenproducten of metselmortel;
b. het zonder bewerking opnieuw in oppervlaktewater gebruiken van vormgegeven bouwstoffen van beton, keramiek, natuursteen, alsmede bakstenen;
c. het opnieuw warm in situ in oppervlaktewater gebruiken van asfalt in wegverhardingen, indien overeenkomstig de CROW-rapport 04-08, «Richtlijn omgaan met vrijkomend asfalt» wordt aangetoond dat het materiaal niet teerhoudend is;
d. het binnen een project in oppervlaktewater zonder bewerking en onder dezelfde condities opnieuw gebruiken van categorie 1-bouwstoffen, mits wordt aangetoond dat de bouwstof voldoet aan de samenstellings- en immissiewaarden, zoals aangegeven in bijlage 2 op grond van:
1°. algemene informatie of
2°. gegevens omtrent samenstelling en immissie die bij of krachtens het eerste tot en met zesde lid van artikel 22 of vooruitlopend daarop onder de vigeur van het IPO- interimbeleid «Werken met secundaire grondstoffen» zijn bepaald in het kader van het eerdere gebruiken in een werk.
Artikel 23
Ten aanzien van degene die een bouwstof gebruikt in oppervlaktewater, is artikel 10 van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat in het eerste lid, onder a , en in het tweede lid van dat artikel in plaats van "de bodem" wordt gelezen: de bodem onder oppervlaktewater.
Artikel 24
Grond die behoort tot de categorie 1-bouwstoffen, wordt in oppervlaktewater slechts gebruikt in een hoeveelheid van ten minste 50 m 3 aaneensluitend in een werk.
1.
Met betrekking tot het gebruiken van een bouwstof in oppervlaktewater, is artikel 13 van overeenkomstige toepassing.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing op een categorie 1-bouwstof.
1.
De waterkwaliteitsbeheerder verbindt aan een vergunning als bedoeld in artikel 1, eerste, derde of vierde lid, van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren, die betrekking heeft op het gebruiken van een bouwstof in oppervlaktewater, voorschriften, inhoudende de verplichting dat isolatiemaatregelen en daarbij behorende beheers- en controlemaatregelen worden getroffen.
2.
In de in het eerste lid bedoelde voorschriften wordt ten minste bepaald dat degene die de bouwstof gebruikt:
a. een zodanige isolerende afdichting aanbrengt dat nagenoeg geen contact van de bouwstof met het oppervlaktewater, met hemelwater of met het grondwater plaatsvindt;
b. de afdichting zodanig onderhoudt en controleert dat haar goede werking is gewaarborgd, en
c. de gegevens, verkregen bij de controles van de afdichting, op verzoek aan het bevoegd gezag verstrekt.
3.
Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op een categorie 1-bouwstof.
1.
De waterkwaliteitsbeheerder brengt aan een vergunning als bedoeld in artikel 1, eerste, derde of vierde lid, van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren, die betrekking heeft op het gebruiken van een bouwstof in oppervlaktewater, een beperking aan in de zin van het voorschrijven van de maximumhoeveelheid te gebruiken bouwstoffen.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing op een categorie 1-bouwstof.
1.
Onze Ministers dragen zorg voor opstelling en bekendmaking van een overzicht, alsmede van wijziging van dat overzicht, van bouwstoffen waarvoor een door hen erkende kwaliteitsverklaring is afgegeven.
2.
Het in het eerste lid bedoelde overzicht omvat tevens een overzicht van bouwstoffen die overeenkomstig de Europese richtlijn bouwprodukten moeten zijn voorzien van de CE-markering en die bovendien, bij een bepaalde wijze van gebruik, in overeenstemming zijn met de bij of krachtens dit besluit gestelde eisen met betrekking tot samenstelling en immissie.
3.
Bij regeling van Onze Ministers kunnen nadere regels worden gesteld omtrent opstelling en bekendmaking van het in het eerste lid bedoelde overzicht en van wijziging van dat overzicht.
1.
De artikelen 1.4, 1.9 en 1.10 van het Bouwbesluit 2003, alsmede de krachtens die artikelen gegeven voorschriften zijn van toepassing.
2.
De artikelen 1.7 en 1.8 van het Bouwbesluit 2003 zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 30
Tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip waarop dit artikel vervalt, wordt in afwijking van artikel 1, eerste lid, onder u , onder "deskundig bedrijf" verstaan: een bedrijf dat of een dienst die aantoonbare ervaring en deskundigheid heeft met het verrichten van een bij of krachtens dit besluit voorgeschreven werkzaamheid.
Artikel 31
Een artikel van dit besluit of onderdeel daarvan is niet van toepassing op het gebruiken van een bouwstof in een werk, indien die bouwstof in dat werk is aangebracht uiterlijk zes maanden na het tijdstip waarop dat artikel of artikelonderdeel ingevolge artikel 32 in werking treedt.
Artikel 32
Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 1998 danwel met ingang van een ander, bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Dit tijdstip kan voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan en voor verschillende, bij het koninklijk besluit aan te wijzen bouwstoffen of categorieën van bouwstoffen, die op een bij het koninklijk besluit aan te geven wijze worden gebruikt, verschillend worden gesteld.
Artikel 33
Dit besluit wordt aangehaald als: Bouwstoffenbesluit bodem- en oppervlaktewaterenbescherming.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
's-Gravenhage, 23 november 1995
De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,
De Minister van Verkeer en Waterstaat,
Uitgegeven de dertigste november 1995
De Minister van Justitie,
Inhoudsopgave
+ Hoofdstuk 1. Inleidende bepalingen
+ Hoofdstuk 2. Het gebruiken van bouwstoffen op of in de bodem
+ Hoofdstuk 3. Het gebruiken van bouwstoffen in oppervlaktewater
+ Hoofdstuk 4. Overgangs- en slotbepalingen
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht