1.
De disciplinaire straffen, welke kunnen worden opgelegd, zijn:
a. schriftelijke berisping;
b. buitengewone dienst op andere dagen dan zondag en de voor de ambtenaar geldende kerkelijke feestdagen, zonder beloning of tegen een lagere dan de normale beloning en wel voor ten hoogste 6 uren met een maximum van 3 uren per dag;
c. vermindering van het recht op jaarlijkse vakantie met ten hoogste één derde van het aantal uren, waarop in het desbetreffende kalenderjaar aanspraak bestaat;
d. geldboete van ten minste € 2 en ten hoogste € 22,50;
e. gehele of gedeeltelijke inhouding van salaris tot een bedrag van ten hoogste het salaris over een halve maand;
f. vaststelling van het salaris op een bedrag in de voor de ambtenaar geldende salarisschaal dat maximaal twee jaarlijkse periodieke salarisverhogingen minder bedraagt dan ingevolge de op hem van toepassing zijnde bezoldigingsregeling behoort te gelden, of indien voor het door de ambtenaar beklede ambt geen salarisschaal geldt, vermindering van het salaris met ten hoogste 5%, een en ander voor de tijd van niet langer dan twee jaren;
g. het niet toekennen van periodieke salarisverhogingen gedurende ten hoogste vier jaren;
h. uitsluiting voor de tijd van ten hoogste vier jaren van indeling in een salarisschaal waarvoor een hoger maximumsalaris geldt, indien zodanige indeling anders volgens de daarvoor geldende regeling zou hebben plaatsgevonden;
i. indeling in een salarisschaal waarvoor een lager maximumsalaris geldt dan dat verbonden aan de salarisschaal welke ingevolge de van toepassing zijnde bezoldigingsregeling behoort te gelden, een en ander al dan niet voor een bepaalde tijd en met of zonder vermindering van bezoldiging;
j. verplaatsing, al dan niet met verlening van een tegemoetkoming in mogelijke verplaatsingskosten tot ten hoogste het bedrag, dat in geval van verplaatsing in het belang van de dienst zou kunnen worden verleend;
k. schorsing voor een bepaalde tijd met geheel of gedeeltelijke inhouding van bezoldiging;
l. ontslag.
2.
Een opgelegde straf, als bedoeld in het eerste lid onder g, h, of i, kan, indien daar gelet op het gedrag van betrokken ambtenaar naar het oordeel van de bevoegde autoriteit, bedoeld in artikel 99, derde of vierde lid, reden voor is, ongedaan worden gemaakt.
3.
Bij het opleggen van een straf kan worden bepaald, dat zij niet ten uitvoer zal worden gelegd, indien de ambtenaar zich gedurende een vastgestelde termijn niet schuldig maakt aan soortgelijk plichtsverzuim, als waarvoor de bestraffing plaats vindt, noch aan enig ander ernstig plichtsverzuim en zich houdt aan bij het opleggen van de straf eventueel gestelde bijzondere voorwaarden.
Inhoudsopgave
+ Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
+ Hoofdstuk 2. Aanstelling en loopbaanvorming
+ Hoofdstuk 3. Bezoldiging
+ Hoofdstuk 4. Werk- en rusttijden
+ Hoofdstuk 5. Vakantie en verlof
+ Hoofdstuk 6. Bedrijfsgeneeskundige begeleiding en voorzieningen in verband met ziekte
+ Hoofdstuk 7a. Integriteit
+ Hoofdstuk 7b. Overige rechten en verplichtingen
- Hoofdstuk 8. Disciplinaire straffen
+ Hoofdstuk 9. Rechten en verplichtingen bij het vervallen van een functie
+ Hoofdstuk 10. Schorsing en ontslag
+ Hoofdstuk 11
+ Hoofdstuk 12. Rechtspositie deelnemers aan initiële opleidingen en entree- en basisberoepsopleidingen in de zin van de Wet educatie en beroepsonderwijs
+ Hoofdstuk 13. Slot- en overgangsbepalingen
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht