1.
Rust het pandrecht op een vordering, dan is de pandhouder bevoegd in en buiten rechte nakoming daarvan te eisen en betalingen in ontvangst te nemen.
Deze bevoegdheden blijven bij de pandgever, zolang het pandrecht niet aan de schuldenaar van de vordering is meegedeeld.
2.
Degene aan wie de in het eerste lid bedoelde bevoegdheden toekomen, is tevens bevoegd tot opzegging, wanneer de vordering niet opeisbaar is, maar door opzegging opeisbaar gemaakt kan worden. Hij is jegens de ander gehouden niet nodeloos van deze bevoegdheid gebruik te maken.
3.
Rust op de vordering meer dan één pandrecht, dan komen de in het eerste en het tweede lid aan de pandhouder toegekende bevoegdheden alleen aan de hoogst gerangschikte pandhouder toe.
4.
Na mededeling van de verpanding aan de schuldenaar kan de pandgever deze bevoegdheden slechts uitoefenen, indien hij daartoe toestemming van de pandhouder of machtiging van de rechter in eerste aanleg heeft gekregen.
5.
Bij inning van een verpande vordering door de pandhouder of met machtiging van de rechter in eerste aanleg door de pandgever komen de pandrechten waarmee de vordering bezwaard was, op het geïnde te rusten.
Inhoudsopgave
- Boek 3. Vermogensrecht in het algemeen
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht