Besluit van 2 juni 1998 tot wijziging van enkele algemene maatregelen van bestuur naar aanleiding van het totstandbrengen van een Wet op het primair onderwijs en een Wet op de expertisecentra en toevoeging van een tweede deel aan de Wet op het voortgezet onderwijs en in verband met het onderwijs in allochtone levende talen
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, T. Netelenbos, van 17 maart 1998 nr. 1998/12 527 (2536), directie Wetgeving en Juridische Zaken, gedaan mede namens Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij;
Gelet op de artikelen 9, vijfde lid, 69, tweede en derde lid, 120, eerste en tweede lid, 121, eerste lid, 122, eerste en vierde lid, 123, tweede lid, 124, eerste en tweede lid, 125, eerste lid, 132, zevende lid, 173, eerste lid, 185 en 186, vijfde lid, van de Wet op het primair onderwijs, de artikelen 8, derde lid, 14, vijfde lid, 17, eerste lid, 25, 70, 117, eerste en tweede lid, 120, tweede lid, 159, eerste lid, en 171, derde, vierde, zesde en zevende lid, van de Wet op de expertisecentra en de artikelen 131, derde lid, 135, vijfde lid,137, eerste lid, 142, 188, 233, eerste en tweede lid, 235, tweede lid, en 286, derde, vierde, zesde en zevende lid,van de Wet op het voortgezet onderwijs, artikel III, tweede lid, onder c, van de wet van 5 maart 1998, houdende wijziging van enkele onderwijswetten in verband met het onderwijs in allochtone levende talen en enkele technische aanpassingen (Stb. 148), de artikelen XXXIII, tweede lid, XXXVII, tweede lid, en XLV, zevende lid, van de wet van 2 april 1998 tot wijziging van enkele onderwijswetten en technische wijziging van enkele andere wetten in verband met het totstandbrengen van onder meer een Wet op het primair onderwijs en een Wet op de expertisecentra (Stb. 228), de artikelen 9, 10, 11, eerste lid, en 12 van de Tabakswet, de artikelen 2, derde lid, 3 en 6, tweede lid, van de Wet collectieve preventie volksgezondheid, de artikelen 7, eerste lid, en 17, onder b en c, van de Wet persoonsregistraties, de artikelen 47, eerste lid, 49, 50, eerste lid, 66, eerste lid, 68, eerste en tweede lid, 82, tweede lid, 83, eerste lid, 84, tweede lid, 85, 86, eerste, tweede en vijfde lid, 105, 106, 108, 110, 125, 129, 130 en 174 van de Wet geluidhinder, de artikelen 25 en 76, eerste lid onder a, van de Luchtvaartwet en de artikelen 12, eerste lid, 15 en 21.8 van de Wet milieubeheer;
De Raad van State gehoord (advies van 24 april 1998, nr. W05.98 0097);
Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, T. Netelenbos, van 29 mei 1998 nr. 1998/22 594 (2536), directie Wetgeving en Juridische Zaken, uitgebracht mede namens Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Artikel III. Wijziging Besluit kerndoelen basisonderwijs
[Wijzigt het Besluit kerndoelen basisonderwijs.]
Artikel VII. Intrekking Besluit leerlingen met een niet-Nederlandse culturele achtergrond WBO
Het Besluit leerlingen met een niet-Nederlandse culturele achtergrond WBO wordt ingetrokken.
Artikel XVI. Wijziging besluit staatsexamens v.w.o.-h.a.v.o.-m.a.v.o. 1978
[Wijzigt het Besluit staatsexamens v.w.o.-h.a.v.o.-m.a.v.o. 1978.]
Artikel XXVI. Wijziging Uitvoeringsbesluit Les- en cursusgeldwet
[Wijzigt het Uitvoeringsbesluit Les- en cursusgeldwet.]
Artikel XXXII. Wijziging Besluit ex artikel 17 Wet persoonsregistraties
[Wijzigt het Besluit van 19 december 1989, houdende uitvoering van artikel 17, onder b en c, van de Wet persoonsregistraties.]
Artikel XXXIII. Wijziging Besluit gevoelige gegevens
[Wijzigt het Besluit gevoelige gegevens.]
1.
In het schooljaar 1998–1999 en volgende schooljaren is op een afdeling voor speciaal onderwijs aan zeer moeilijk lerende kinderen het Formatiebesluit WEC en op een afdeling voor voortgezet speciaal onderwijs aan kinderen met leer- en opvoedingsmoeilijkheden of moeilijk lerende kinderen van een speciale school voor basisonderwijs deel II van het Formatiebesluit W.V.O. van toepassing. De formatie van een afdeling als bedoeld in de eerste volzin wordt met inachtneming van de volgende leden berekend.
2.
De formatie voor het onderwijzend personeel met uitzondering van de schoolleiding, voor het onderwijsondersteunend personeel en voor ambulante begeleiding wordt behoudens artikel XLIV, zesde lid, berekend op dezelfde wijze als bij een school.
3.
De formatie voor de schoolleiding wordt behoudens artikel XLIV en in afwijking van artikel 7 juncto artikel 16, tweede lid, van het Formatiebesluit WEC onderscheidenlijk artikel 17 juncto artikel 25, tweede lid, van het Formatiebesluit W.V.O. berekend door het aantal formatieplaatsen voor onderwijzend personeel met uitzondering van de schoolleiding, voor onderwijsondersteunend personeel en voor ambulante begeleiding te vermenigvuldigen met 100 minuten. Het aantal formatieplaatsen, bedoeld in de eerste volzin, wordt bepaald door de som van de minuten voor onderwijzend personeel met uitzondering van de schoolleiding, voor onderwijsondersteunend personeel, voor ambulante begeleiding en voor onderwijsachterstandenbestrijding, berekend op grond van de artikelen 7, 11 en 13 van het Formatiebesluit WEC onderscheidenlijk 17 , 21 en 23 van het Formatiebesluit W.V.O. en het vijfde lid te delen door 2400 en de uitkomst naar boven af te ronden op een geheel getal.
4.
In afwijking van artikel 20 van het Formatiebesluit WEC onderscheidenlijk artikel 28 van het Formatiebesluit W.V.O. wordt geen opslag in verband met formatieve fricties toegekend.
5.
De formatie voor onderwijsachterstandenbestrijding wordt in afwijking van artikel 22b van het Formatiebesluit WEC onderscheidenlijk artikel 34 van het Formatiebesluit W.V.O. berekend door het aantal leerlingen met een niet-Nederlandse culturele achtergrond van de afdeling te vermenigvuldigen met 84 minuten.
1.
De formatie van een speciale school voor basisonderwijs voor het schooljaar 1998–1999 wordt behoudens artikel XLIV berekend met toepassing van het Formatiebesluit ISOVSO 1992 , zoals dat besluit luidde op 31 juli 1998, met dien verstande dat de formatie ten minste wordt bepaald op de formatie die de school op 31 juli 1998 van het Rijk ontving.
2.
Bij het berekenen van de formatie van de speciale school voor basisonderwijs voor het schooljaar 1998–1999 met toepassing van het Formatiebesluit ISOVSO 1992 , zoals dat besluit luidde op 31 juli 1998
a. wordt bij een school die niet is ontstaan uit een scholengemeenschap en waaraan een of meer afdelingen zijn verbonden eerst de formatie bepaald voor het geheel en wordt vervolgens de formatie voor de afdeling of afdelingen, berekend met toepassing van artikel XLII met dien verstande dat bij de berekening van de formatie van de afdeling of afdelingen de groeiregeling per 1 januari 1999 buiten toepassing blijft, op eerstgenoemde formatie in mindering gebracht,
b. wordt bij een school die is ontstaan uit een scholengemeenschap en waaraan een of meer afdelingen zijn verbonden eerst de formatie bepaald voor de afzonderlijke delen van de scholengemeenschap en wordt vervolgens de formatie voor de afdeling of afdelingen, berekend met toepassing van artikel XLII met dien verstande dat bij de berekening van de formatie van de afdeling of afdelingen de groeiregeling per 1 januari 1999 buiten toepassing blijft, in mindering gebracht op de formatie zoals berekend voor het deel waaraan de desbetreffende afdeling was verbonden,
c. worden in plaats van de opslagen, bedoeld in artikel 20a en 20b van het Formatiebesluit ISOVSO 1992, de opslagen vanwege herbezetting in verband met arbeidsduurverkorting toegepast zoals die per 1 augustus 1998 zullen gelden op grond van het Formatiebesluit WEC ,
d. blijven buiten beschouwing:
1°. de formatierekeneenheden voor de schoolleiding, bedoeld in artikel 16, derde tot en met vijfde lid, van het Formatiebesluit ISOVSO 1992,
2°. de eventuele opslag vanwege herbezetting in verband met toepassing van de regeling bevordering arbeidsparticipatie ouderen als bedoeld in artikel 20c van het Formatiebesluit ISOVSO 1992 met inbegrip van een eventueel quotum,
3°. de eventuele formatie voor onderwijs in eigen taal en cultuur, bedoeld in artikel 22 van het Formatiebesluit ISOVSO 1992,
e. vindt na 1 augustus 1998 geen verhoging van de formatie plaats op grond van artikel 8 van het Formatiebesluit ISOVSO 1992, en
3.
Bij het berekenen van de formatie die de speciale school voor basisonderwijs op 31 juli 1998 van het Rijk ontving
a. wordt bij een school die niet is ontstaan uit een scholengemeenschap en waaraan een of meer afdelingen zijn verbonden de formatie eerst bepaald voor het geheel en wordt vervolgens de formatie voor de afdeling of afdelingen, berekend met toepassing van het Formatiebesluit ISOVSO 1992 en overeenkomstige toepassing van artikel XLII, tweede tot en met vijfde lid, op eerstgenoemde formatie in mindering gebracht,
b. wordt bij een school die is ontstaan uit een scholengemeenschap en waaraan een of meer afdelingen zijn verbonden, eerst de formatie bepaald voor de afzonderlijke delen van de scholengemeenschap en wordt vervolgens de formatie voor
de afdeling of afdelingen, berekend met toepassing van het Formatiebesluit ISOVSO 1992 en overeenkomstige toepassing van artikel XLII, tweede tot en met vijfde lid, in mindering gebracht op de formatie zoals berekend voor het deel waaraan de desbetreffende afdeling was verbonden, en
c. wordt het tweede lid, onderdelen c en d, toegepast.
4.
De formatie die de speciale school voor basisonderwijs op 31 juli 1998 van het Rijk ontving, omvat behalve de formatie die de school ontving op grond van het Formatiebesluit ISOVSO 1992 tevens de formatie die de school ontving op grond van de volgende, in Uitleg OCenW-regelingen 1996, nr. 31a, van 18 december 1996 gepubliceerde beleidsregels:
a. Formatiegarantie Weer Samen Naar School (WSNS) 1997–1998;
b. Middelen so-expertise 1997–1998;
c. Aanvullende formatie scholen voor (v)so op grond van bijzondere omstandigheden voor het schooljaar 1997–1998;
d. Faciliteiten samenwerkingsverbanden WSNS 1997–1998.
5.
De formatie op grond van de in het vierde lid, onder a tot en met c, genoemde beleidsregels wordt verhoogd met een opslag van 2,10% voor herbezetting in verband met arbeidsduurverkorting. De geldelijke faciliteiten ad f 5000,- per school op grond van de onder d genoemde beleidsregel wordt omgezet in 12 formatierekeneenheden.
6.
Bij ministeriële regeling kunnen, zonodig in afwijking van dit artikel, nadere regels worden gesteld voor de berekening van de formatieve aanspraken ingevolge dit artikel.
1.
Het aantal formatierekeneenheden voor de schoolleiding van een speciale school voor basisonderwijs met één of meer afdelingen wordt in het schooljaar 1998–1999 bepaald met toepassing van artikel 16, derde tot en met vijfde lid, van het Formatiebesluit ISOVSO 1992 zoals dit besluit luidde op 31 juli 1998.
2.
Indien op grond van het eerste lid in het schooljaar 1998–1999 voor een speciale school voor basisonderwijs met een of meer afdelingen een of meer normatieve functies voor adjunct-directeur beschikbaar zijn, wordt van de formatierekeneenheden, bedoeld in het eerste lid, behoudens het vijfde lid in het schooljaar 1998–1999 en de volgende schooljaren aan de afdeling of afdelingen het aantal formatierekeneenheden beschikbaar gesteld dat behoort bij de maximum-schaal die beschikbaar is voor die functie onderscheidenlijk de maximum-schalen die beschikbaar zijn voor die functies. Artikel XLIII, tweede lid onder b, is van overeenkomstige toepassing.
3.
Het aantal formatierekeneenheden, bedoeld in het tweede lid, wordt toegekend aan de afdeling onderscheidenlijk de afdelingen met de meeste leerlingen. Aan een afdeling kan ten hoogste het aantal formatierekeneenheden worden toegekend dat behoort bij de maximumschaal die beschikbaar is voor de functie van één adjunct-directeur.
4.
Indien in het schooljaar 1998–1999 geen normatieve functie van adjunct-directeur beschikbaar is, worden in dat schooljaar en volgende schooljaren aan de afdelingen geen formatierekeneenheden voor de schoolleiding toegekend.
5.
De formatierekeneenheden, bedoeld in het derde lid, worden beschikbaar gesteld zolang de afdeling aan de school verbonden is.
6.
De opslag voor herbezetting in verband met de regeling bevordering arbeidsparticipatie ouderen van een speciale school voor basisonderwijs met één of meer afdelingen wordt in het schooljaar 1998–1999 bepaald met toepassing van artikel 20c van het Formatiebesluit ISOVSO 1992 zoals dit besluit luidde op 31 juli 1998, met dien verstande dat de opslag niet wordt verminderd met een quotum.
a. de formatie op 31 juli 1998 zoals die voor de speciale school of scholen voor basisonderwijs in het samenwerkingsverband is berekend op grond van artikel XLIII, derde, vierde en vijfde lid, vermeerderd met de in formatierekeneenheden uitgedrukte wsns-faciliteiten voor de basisscholen in het samenwerkingsverband in het schooljaar 1998–1999 ad 0,0656 formatierekeneenheid per leerling en
b. de formatie waarop bij invoering van de nieuwe bekostigingssystematiek in het schooljaar 1998–1999 aanspraak zou zijn gemaakt, dan wel bij toepassing van artikel XLV, derde lid, van eerstgenoemde wet in het desbetreffende schooljaar aanspraak wordt gemaakt door de speciale school of scholen voor basisonderwijs in het samenwerkingsverband voor zover toe te rekenen aan het samenwerkingsverband, verminderd met de formatierekeneenheden voor de schoolleiding als bedoeld in artikel XLIV en een eventuele opslag voor herbezetting in verband met toepassing van de regeling bevordering arbeidsparticipatie ouderen en vermeerderd met de formatie als bedoeld in artikel 132 van de Wet op het primair onderwijs waarop bij invoering van de nieuwe bekostigingssystematiek in het schooljaar 1998–1999 aanspraak zou zijn gemaakt, dan wel bij toepassing van artikel XLV, derde lid, van eerstgenoemde wet in het desbetreffende schooljaar aanspraak wordt gemaakt door de basisscholen in het samenwerkingsverband.
2.
Indien de formatie op grond van het eerste lid, onderdeel a, groter is dan de formatie op grond van het eerste lid, onderdeel b, zijn op het verschil de percentages, vermeld in artikel XLV, tweede lid, van de in het eerste lid genoemde wet van toepassing.
3.
Bij ministeriële regeling kunnen, zonodig in afwijking van dit artikel, nadere regels worden gesteld voor de berekening van de formatieve aanspraken ingevolge dit artikel.
1.
In het schooljaar 1998–1999 en volgende schooljaren wordt de formatie van een school voor speciaal of voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs aan zeer moeilijk opvoedbare kinderen waaraan een afdeling voor in hun ontwikkeling bedreigde kleuters is verbonden, met toepassing van het Formatiebesluit WEC vastgesteld, met dien verstande dat voor de leerlingen die zijn ingeschreven op de afdeling behoudens het tweede lid de minuten van toepassing zijn zoals die voor die leerlingen waren opgenomen in de tabellen van de artikelen 14 en 18 van het Formatiebesluit ISOVSO 1992 zoals dat luidde op 31 juli 1998.
2.
Voor de toepassing van het eerste lid wordt in artikel 18 van het Formatiebesluit ISOVSO 1992 in de regel voor in hun ontwikkeling bedreigde kleuters
1°. in kolom a «5» vervangen door «10»,
2°. in kolom h «1» vervangen door «3»,
3°. in kolom i en j «6,5» vervangen door «9,75» en
4°. in kolom k «1» vervangen door «3,25».
1.
De artikelen 20 tot en met 28 van het Bekostigingsbesluit WEC zijn van overeenkomstige toepassing op de vergoeding voor en buitengebruikstelling van oude eigendoms- en huurscholen die in gebruik zijn bij een speciale school voor basisonderwijs of een daaraan verbonden afdeling.
2.
Het eerste lid vindt voor wat betreft de artikelen 25, 26 en 28 van het Bekostigingsbesluit WEC geen toepassing op een school zolang een niet voor eigendomsoverdracht vatbaar gedeelte van het gebouw in gebruik is bij een afdeling die aan die school verbonden is.
3.
Het eerste lid vindt voor wat betreft de artikelen 25, 26 en 28 van het Bekostigingsbesluit WEC geen toepassing op een afdeling zolang een niet voor eigendomsoverdracht vatbaar gedeelte van het gebouw in gebruik is bij de school waaraan die afdeling verbonden is.
4.
De artikelen 25, 26 en 28 van het Bekostigingsbesluit WEC vinden geen toepassing op een school voor speciaal onderwijs of voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs aan zeer moeilijk opvoedbare kinderen met een afdeling voor in hun ontwikkeling bedreigde kleuters zolang een niet voor eigendomsoverdracht vatbaar gedeelte van het gebouw in gebruik is bij die afdeling.
5.
De artikelen 25, 26 en 28 van het Bekostigingsbesluit WEC vinden geen toepassing op een afdeling voor in hun ontwikkeling bedreigde kleuters die is verbonden aan een school als bedoeld in het vierde lid, zolang een niet voor eigendomsoverdracht vatbaar gedeelte van het gebouw in gebruik is bij die school.
Artikel XLVIII. Plaatsing in Staatsblad van het Bekostigingsbesluit W.V.O., de Formatiebesluiten W.V.O., WPO en WEC en het Inrichtingsbesluit WVO
De tekst van het Bekostigingsbesluit W.V.O. , het Formatiebesluit W.V.O. , het Formatiebesluit WPO , het Formatiebesluit WEC en het Inrichtingsbesluit WVO wordt in het Staatsblad geplaatst. Voor de plaatsing in het Staatsblad stelt Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen de nummering van de hoofdstukken, titels, afdelingen en artikelen van deel II van het Bekostigingsbesluit W.V.O., het Formatiebesluit W.V.O. en het Inrichtingsbesluit WVO opnieuw vast en brengt hij de in die besluiten en de in dit besluit voorkomende aanhalingen en verwijzingen met de nieuwe nummering op grond van dit artikel en de artikelen VII, VIII en IX van de wet van 2 april 1998, Stb. 228, in overeenstemming.
1.
Artikel I, onderdeel X (artikelen 34a en 34b) treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin dit besluit wordt geplaatst.
2.
De artikelen II, voor wat betreft de onderdelen A tot en met T en V tot en met II, VI, VII, IX, XII en XIV tot en met XLVIII treden in werking met ingang van 1 augustus 1998. Indien het Staatsblad waarin dit besluit wordt geplaatst wordt uitgegeven na 31 juli 1998, treden deze artikelen in werking op de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het besluit wordt geplaatst en werken zij terug tot en met 1 augustus 1998.
3.
De artikelen I, voor wat betreft de onderdelen A tot en met W, Y en Z, II, voor wat betreft onderdeel U, III, IV, V, VIII, X, XI, XIIIen IL treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Dit besluit wordt niet genomen voordat vier weken zijn verstreken nadat het onderhavige besluit is voorgelegd aan de beide kamers der Staten-Generaal, en evenmin indien binnen die termijn door of namens een der kamers de wens te kennen wordt gegeven dat het in het onderhavige besluit geregelde onderwerp bij wet wordt geregeld.
4.
Indien het Staatsblad waarin het koninklijk besluit, bedoeld in het derde lid, eerste volzin, wordt geplaatst, wordt uitgegeven na 31 juli 1998, voorziet het koninklijk besluit in terugwerkende kracht tot en met 1 augustus 1998.
5.
Artikel XIX, onderdeel V, voor wat betreft artikel I-Q204, eerste lid, onderdeel b, en onderdeel X, voor wat betreft artikel I-Q206, onderdeel b, treedt in werking met ingang van 1 augustus 1999.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
's-Gravenhage, 2 juni 1998
De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen,
De Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij,
Uitgegeven de zestiende juli 1998
De Minister van Justitie,
Inhoudsopgave
+ 1. WIJZIGING VAN DIVERSE BESLUITEN; INTREKKING VAN EEN BESLUIT
+ 2. OVERGANGSBEPALINGEN
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht