Overeenkomst tussen de Benelux-Staten (het Koninkrijk België, het Groothertogdom Luxemburg, het Koninkrijk der Nederlanden) en Bosnië-Herzegovina betreffende de terug- en overname van onregelmatig binnengekomen en/of verblijvende personen
(authentiek: nl)
Het Koninkrijk België, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden, die krachtens de bepalingen van de op 11 april 1960 gesloten Benelux-Overeenkomst gemeenschappelijk optreden (de Benelux-Staten),
en
Bosnië-Herzegovina
hierna genoemd „de Partijen’’,
Ernaar strevend de samenwerking tussen de Partijen te bevorderen en de onderlinge communicatie te verbeteren teneinde beter uitvoering te geven aan de wetgeving en regelgeving inzake het personenverkeer,
Ernaar strevend hun gezamenlijke wens strekkende tot het efficiënt bestrijden van de illegale immigratie van hun respectieve onderdanen alsmede van de onderdanen van een derde Staat te herbevestigen,
Ernaar strevend de internationaalrechtelijke verplichting tot terugname van eigen onderdanen ten uitvoer te brengen, en met name artikel 12, lid 4, van het internationale Verdrag van 19 december 1966 inzake burgerrechten en politieke rechten,
Ernaar strevend een verplichting tot overname van de onderdanen van een derde Staat tussen de Partijen tot stand te brengen, onder de voorwaarden in deze Overeenkomst genoemd,
Ernaar strevend, op basis van wederkerigheid, de terug- en overname van personen die onregelmatig op het grondgebied van een andere Partij zijn binnengekomen en/of verblijven, en de doorgeleiding van te verwijderen personen te vergemakkelijken,
Bezorgd dat deze terug- en overname snel en veilig moet plaatsvinden, volgens procedures die de menselijke waardigheid waarborgen;
Zijn het volgende overeengekomen:
Artikel 1. Definities en werkingssfeer
Voor de toepassing van deze Overeenkomst wordt verstaan onder:
1. „grondgebied’’:
- ?voor de Benelux-Staten: het gezamenlijke grondgebied in Europa van het Koninkrijk België, van het Groothertogdom Luxemburg en van het Koninkrijk der Nederlanden;
- voor Bosnië-Herzegovina: het grondgebied van Bosnië-Herzegovina;
2. „onregelmatig binnengekomen en/of verblijvende persoon’’: eenieder die niet of niet meer voldoet aan de geldende voorwaarden voor binnenkomst of verblijf;
3. „terugname’’: terugname van een persoon van wie kan worden aangetoond of aannemelijk gemaakt dat hij de nationaliteit van één der Partijen heeft en die niet of niet meer voldoet aan de voorwaarden voor binnenkomst of verblijf op het grondgebied van één van de andere Partijen;
4. „overname’’: overname op het grondgebied van één van de Partijen van een persoon die onderdaan van een derde Staat of een staatloze is en niet of niet meer voldoet aan de voorwaarden voor binnenkomst of verblijf op het grondgebied van één van de andere Partijen, onder de voorwaarden in deze Overeenkomst genoemd;
5. „eigen onderdaan’’: eenieder die de nationaliteit heeft van één der Benelux-Staten of van Bosnië-Herzegovina;
6. „derde Staat’’: elke Staat die geen Benelux-Staat en niet Bosnië-Herzegovina is;
7. „onderdaan van een derde Staat’’: eenieder die niet de nationaliteit heeft van één van de Benelux-Staten of van Bosnië-Herzegovina, waaronder wordt begrepen een staatloze;
8. „staatloze’’: de persoon waarvan de status door het Verdrag betreffende de status van staatlozen van 28 september 1954 wordt bepaald;
9. „verzoekende Partij’’: de Partij op wiens grondgebied zich een onregelmatig binnengekomen en/of verblijvende persoon bevindt en die om de terug- of overname van deze persoon dan wel zijn doorgeleiding verzoekt, onder de voorwaarden in deze Overeenkomst genoemd;
10. „aangezochte Partij’’: de Partij die wordt verzocht een onregelmatig binnengekomen en/of verblijvende persoon op haar grondgebiedterug of over te nemen dan wel zijn doorgeleiding over haar grondgebied toe te staan, onder de voorwaarden in deze Overeenkomst genoemd;
11. „verblijfstitel’’: een door de Partijen afgegeven vergunning, ongeacht van welke aard, die een persoon recht geeft om op haar grondgebied te verblijven. Hieronder valt niet de tijdelijke toelating tot verblijf met het oog op de behandeling van een asielverzoek of van een verzoek om een verblijfstitel.
1.
Iedere Partij neemt op verzoek van de andere Partij, zonder andere formaliteiten dan die welke in deze Overeenkomst zijn genoemd, de persoon op haar grondgebied terug die niet of niet meer voldoet aan de voorwaarden voor binnenkomst of verblijf op het grondgebied van de verzoekende Partij, wanneer kan worden aangetoond of op basis van een begin van bewijs aannemelijk kan worden gemaakt dat hij de nationaliteit van de aangezochte Partij heeft.
2.
De terugnameplicht uit lid 1 geldt ook voor de persoon die na binnenkomst op het grondgebied van de verzoekende Partij de nationaliteit van de aangezochte Partij heeft verloren, tenzij die persoon tenminste een naturalisatietoezegging van de verzoekende Partij heeft ontvangen.
3.
Op verzoek van de verzoekende Partij, en conform de bepalingen van artikel 7, lid 5, verstrekt de aangezochte Partij binnen een termijn van drie werkdagen na de datum van ontvangst van het verzoek de met het oog op de teruggeleiding van de terug te nemen personen vereiste reisdocumenten.
4.
De verzoekende Partij neemt deze persoon onder dezelfde voorwaarden terug, indien uit een later onderzoek blijkt dat hij op het moment van het verlaten van het grondgebied van de verzoekende Partij niet de nationaliteit van de aangezochte Partij had, tenzij de terugnameplicht volgt uit lid 2.
1.
Iedere Partij poogt de onderdanen van een derde Staat naar het land van herkomst terug te geleiden. Iedere Partij neemt echter op verzoek van de andere Partij en zonder andere formaliteiten dan die welke in deze Overeenkomst zijn genoemd, elke onderdaan van een derde Staat over op haar grondgebied die niet of niet meer voldoet aan de voorwaarden voor binnenkomst of verblijf op het grondgebied van de verzoekende Partij, wanneer kan worden aangetoond of op basis van een begin van bewijs aannemelijk kan worden gemaakt dat die onderdaan
1. in het bezit is van een geldige verblijfstitel afgegeven door de aangezochte Partij, of
2. in het bezit is van een geldig visum, anders dan een transitvisum, afgegeven door de aangezochte Partij, of
3. bij binnenkomst op het grondgebied van de verzoekende Partij in het bezit was van een geldige verblijfstitel of een geldig visum, anders dan een transitvisum, afgegeven door de aangezochte Partij, of
4. het grondgebied van de verzoekende Partij rechtstreeks is binnengekomen vanuit het grondgebied van de aangezochte Partij of nadat hij aldaar heeft verbleven.
2.
De in lid 1 bedoelde overnameplicht is niet van toepassing wanneer de verzoekende Partij aan de onderdaan van een derde Staat, vóór of na binnenkomst op het grondgebied van de verzoekende Partij, een visum, anders dan een transitvisum, of verblijfstitel heeft afgegeven met een langere geldigheidsduur dan die van het visum of de verblijfstitel die door de aangezochte Partij is afgegeven.
3.
De aangezochte Partij verplicht zich tegenover de over te nemen onderdaan van een derde Staat de bepalingen van artikel 33 van het Verdrag van 28 juli 1951 betreffende de status van vluchtelingen, als gewijzigd bij het Protocol van 31 januari 1967 betreffende de status van vluchtelingen, alsmede de bepalingen van artikel 3 van het Verdrag van 4 november 1950 tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, dan wel de bepalingen van artikel 7 van het Internationale Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten van 19 december 1966, als ook de bepalingen van artikel 3 van het Verdrag van 10 december 1984 tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing, na te leven, ook indien zij geen partij is bij deze Verdragen.
1.
Een verzoek om terug- of overname op grond van artikel 2 of 3 wordt schriftelijk ingediend bij de bevoegde autoriteit van de aangezochte Partij.
2.
Elk verzoek om terug- of overname bevat de in artikel 2, lid 3 en lid 4, van het Uitvoeringsprotocol vastgelegde inlichtingen.
1.
Het bewijs van de nationaliteit overeenkomstig artikel 2 kan worden geleverd door middel van de documenten die in bijlage 7 A en 7 B van het Uitvoeringsprotocol zijn genoemd.
Wanneer dergelijke documenten worden voorgelegd, erkennen de Partijen de nationaliteit zonder verdere formaliteiten.
2.
Het begin van bewijs van de nationaliteit overeenkomstig artikel 2 kan worden geleverd door middel van de navolgende documenten of elementen:
1. een kopie van één van de in bijlage 7 A en 7 B van het Uitvoeringsprotocol genoemde documenten;
2. andere documenten die kunnen bijdragen tot het vaststellen van de nationaliteit van de betrokkene (rijbewijs, e.a.);
3. een document waaruit een consulaire inschrijving blijkt, een nationaliteitsbewijs of een bewijs van de burgerlijke stand;
4. een bedrijfspas;
5. afschriften/kopieën van de onder 2 tot en met 4 genoemde documenten;
6. een betrouwbare getuigenverklaring;
7. de verklaring van de betrokkene zelf.
Wanneer dergelijke documenten of elementen worden voorgelegd, nemen de Partijen de nationaliteit als vaststaand aan, tenzij de aangezochte Partij het tegendeel kan bewijzen.
3.
Indien geen van de in lid 1 of 2 genoemde documenten of elementen kan worden voorgelegd, doch er naar de mening van de verzoekende Partij een vermoeden bestaat met betrekking tot de nationaliteit van de terug te nemen persoon, dan treffen de bevoegde autoriteiten van de aangezochte Partij de vereiste maatregelen om de nationaliteit van de betrokkene vast te stellen. Hiertoe zal de bij de verzoekende Partij geaccrediteerde diplomatieke of consulaire Vertegenwoordiging van de aangezochte Partij tot het horen van de betrokkene overgaan teneinde onder meer op basis van de taal waarin de persoon zich uitdrukt vast te stellen of het een eigen onderdaan betreft.
1.
Het bewijs dat is voldaan aan de in artikel 3 vermelde voorwaarden voor overname van onderdanen van een derde Staat of staatlozen kan worden geleverd door middel van de navolgende bewijsmiddelen:
1. geldige visa of verblijfstitels afgegeven door de aangezochte Partij;
2. visa of verblijfstitels afgegeven door de aangezochte Partij, waarvan de geldigheidsduur niet langer dan één jaar is verstreken;
3. inreis-/uitreisstempels of soortgelijke aantekeningen in het reisdocument van de betrokkene waaruit diens binnenkomst of het verblijf op het grondgebied van de aangezochte Partij blijkt of waarmee zijn binnenkomst op het grondgebied van de verzoekende Partij vanuit het grondgebied van de aangezochte Partij kan worden aangetoond (reisroute);
4. door de aangezochte Partij op naam afgegeven documenten (bijvoorbeeld : rijbewijs, legitimatiebewijs);
5. documenten van de burgerlijke stand of een inschrijving op het grondgebied van de aangezochte Partij;
6. kopieën van de onder 1 tot en met 5 genoemde documenten.
Bovengenoemde bewijsmiddelen worden tussen de Partijen zonder verdere formaliteiten erkend.
2.
Een begin van bewijs dat is voldaan aan de in artikel 3 genoemde voorwaarden voor overname van onderdanen van een derde Staat kan worden geleverd door middel van welke officiële of onofficiële inlichting ook, aan de hand waarvan het verblijf of de binnenkomst op het grondgebied van de aangezochte Partij aannemelijk kan worden gemaakt, zoals
1. op naam gestelde reisbiljetten, bescheiden of facturen indien daaruit de binnenkomst of het verblijf van de betrokkene op het grondgebied van de aangezochte Partij blijkt, of waarmee zijn binnenkomst op het grondgebied van de verzoekende Partij vanuit het grondgebied van de aangezochte Partij kan worden aangetoond (bijvoorbeeld: hotelrekeningen, afspraakkaarten voor bezoek aan arts/tandarts, toegangsbewijzen voor openbare/particuliere instellingen, passagierslijsten voor vlieg- of bootreizen);
2. inlichtingen waaruit blijkt dat de betrokkene gebruik heeft gemaakt van de diensten van een reisbegeleider of reisbureau;
3. officiële verklaringen van met name met de controle aan de grens van de aangezochte Partij belaste ambtenaren en andere functionarissen die kunnen getuigen dat betrokkene de grens van de aangezochte Partij heeft overschreden;
4. officiële verklaringen van ambtenaren over de aanwezigheid van de betrokkene op het grondgebied van de aangezochte Partij;
5. sedert meer dan twee jaren verlopen verblijfstitel, afgegeven door de aangezochte Partij;
6. op schrift gestelde verklaring waarin de plaats en omstandigheden worden beschreven waaronder de betrokkene na binnenkomst op het grondgebied van de verzoekende Partij is onderschept;
7. inlichtingen die door een internationale organisatie zijn verstrekt met betrekking tot de identiteit en het verblijf van de betrokkene op het grondgebied van de aangezochte Partij of van diens reisroute van het grondgebied van de aangezochte Partij naar dat van de verzoekende Partij;
8. door een reisgenoot afgelegde getuigenverklaring;
9. verklaringen van de betrokkene zelf;
10. andere bescheiden (bijvoorbeeld niet op naam gestelde toegangskaartjes) of betrouwbare informatie aan de hand waarvan het verblijf op of de doorreis over het grondgebied van de aangezochte Partij aannemelijk gemaakt kan worden.
Wanneer dit begin van bewijs is geleverd, nemen de Partijen aan dat aan de voorwaarden is voldaan, tenzij de aangezochte Partij het tegendeel kan bewijzen.
1.
Het verzoek om terugname van een eigen onderdaan kan op ieder ogenblik door de bevoegde autoriteit van de verzoekende Partij worden ingediend, wanneer is vastgesteld dat de betrokkene niet of niet meer voldoet aan de voorwaarden voor binnenkomst of verblijf op het grondgebied van de verzoekende Partij.
2.
Het verzoek om overname van een onderdaan van een derde Staat moet door de bevoegde autoriteit van de verzoekende Partij worden ingediend binnen een termijn van ten hoogste één jaar nadat de verzoekende Partij kennis heeft gekregen van het feit dat deze persoon niet of niet meer voldoet aan de voorwaarden voor binnenkomst of verblijf op het grondgebied van de verzoekende Partij. Indien er juridische of feitelijke belemmeringen zijn waardoor het verzoek niet tijdig kan worden ingediend, wordt de termijn, op verzoek, verlengd doch uiterlijk totdat de belemmeringen zijn opgeheven.
3.
Een verzoek om terug- of overname moet onverwijld en in elk geval uiterlijk binnen een termijn van één maand worden beantwoord en de afwijzing van een verzoek om terug- of overname moet worden gemotiveerd. Deze termijn begint te lopen vanaf de datum van ontvangst van het verzoek om terug- of overname. Wanneer niet binnen deze termijn wordt geantwoord, wordt aangenomen dat met de overdracht wordt ingestemd.
4.
Nadat de instemming is gegeven of, in voorkomend geval, nadat de termijn van één maand is verstreken, neemt de aangezochte Partij de persoon met wiens overdracht werd ingestemd onverwijld en in elk geval uiterlijk binnen een termijn van één maand terug of over. Deze termijn kan op verzoek worden verlengd met de tijd die nodig is om de juridische of praktische belemmeringen op te heffen.
5.
Op verzoek van de verzoekende Partij verstrekt de aangezochte Partij op naam van de over te dragen persoon onverwijld, doch uiterlijk binnen drie werkdagen, de voor zijn terugkeer noodzakelijke reisdocumenten met een geldigheidsduur van tenminste één maand. Kan de aangezochte Partij het gevraagde reisdocument niet binnen drie werkdagen na de datum van ontvangst van het verzoek verstrekken bijvoorbeeld in het geval dat de aangezochte Partij over geen diplomatieke vertegenwoordiging op het grondgebied van de verzoekende Partij beschikt, dan wordt aangenomen dat de aangezochte Partij instemt met het gebruik van een door de verzoekende Partij verstrekt reisdocument. Indien de betrokkene om juridische of feiteijke redenen niet binnen de geldigheidstermijn van het oorspronkelijk afgegeven reisdocument kan worden overgedragen dan verstrekt de aangezochte Partij binnen drie werkdagen een nieuw reisdocument met dezelfde geldigheidsduur.
1.
Voordat een persoon wordt overgedragen stellen de bevoegde autoriteiten van de verzoekende Partij schriftelijk de diplomatieke vertegenwoordiging van de aangezochte Partij drie werkdagen vóór de eerste poging tot overdracht in kennis van de datum en de modaliteiten van de overdracht alsmede van het eventuele gebruik van begeleiders.
2.
De overdracht geschiedt in de regel door de lucht. De overdracht per vliegtuig kan plaatsvinden met gebruikmaking van lijn- of chartervluchten.
1.
De Partijen staan de doorgeleiding van onderdanen van een derde Staat over hun grondgebied toe indien een andere Partij daarom verzoekt, wanneer de verdere reis in eventuele andere Staten van doorreis en de overname door de Staat van bestemming verzekerd zijn.
2.
De Partijen doen het nodige om doorgeleiding van onderdanen van een derde Staat te beperken tot gevallen waarin die personen niet rechtstreeks aan de Staat van bestemming kunnen worden overgedragen.
3.
Doorgeleiding kan door de Partijen worden geweigerd:
1. indien de onderdaan van een derde Staat in de Staat van bestemming of een andere Staat van doorreis een reëel risico loopt te worden onderworpen aan foltering, onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing, de doodstraf of te worden vervolgd op grond van zijn ras, godsdienst, nationaliteit, het behoren tot een bepaalde sociale groep of zijn politieke overtuiging;
2. indien de onderdaan van een derde Staat op het grondgebied van de aangezochte Partij, strafrechtelijk vervolgd zal worden of de tenuitvoerlegging van een strafvonnis zal ondergaan.
4.
De Partijen kunnen elke verleende toestemming intrekken indien zich later omstandigheden als bedoeld in lid 3 voordoen die de doorgeleiding belemmeren of indien de verdere reis in eventuele Staten van doorreis of de overname door de Staat van bestemming niet meer verzekerd is. In die gevallen neemt de verzoekende Partij de betrokkene onverwijld op haar grondgebied terug.
1.
Een doorgeleidingsverzoek moet schriftelijk worden ingediend bij de bevoegde autoriteiten en moet de volgende inlichtingen bevatten:
1. wijze van vervoer, de eventuele andere Staten van doorreis en de Staat van de beoogde eindbestemming;
2. personalia van de betrokkene (naam, voornamen, geboortedatum en, in voorkomend geval, geboorteplaats, nationaliteit, aard en nummer van het reisdocument);
3. voorgenomen plaats van grensoverschrijding, tijdstip van overdracht en eventueel gebruik van begeleiders;
4. een verklaring waarin wordt gesteld dat volgens de verzoekende Partij is voldaan aan de voorwaarden vermeld in artikel 9, lid 1 en 2, en dat er geen redenen bekend zijn voor een weigering op grond van artikel 9, lid 3.
2.
De bevoegde autoriteit van de aangezochte Partij brengt de bevoegde autoriteit van de verzoekende Partij onverwijld schriftelijk op de hoogte van de toestemming voor de doorgeleiding, met bevestiging van de plaats waar de grens wordt overschreden en het geplande tijdstip van de doorgeleiding, of van de weigering van de doorgeleiding en de redenen daarvoor.
3.
Aan de door te geleiden persoon en eventuele begeleiders worden de noodzakelijke faciliteiten met het oog op toegang tot de nationale of internationale zone van de luchthaven van de aangezochte Partij verleend.
4.
De bevoegde autoriteiten van de aangezochte Partij steunen, mits in onderling overleg, de doorgeleiding, met name door toezicht op de betrokkenen en stellen daartoe geschikte voorzieningen beschikbaar.
Artikel 11. Kosten
Onverminderd het recht van de bevoegde autoriteiten om de aan de terug- of overname verbonden kosten van de terug of over te nemen persoon of derden terug te vorderen, komen alle kosten in verband met terug- of overname en doorgeleiding uit hoofde van deze Overeenkomst tot aan de grens van de Staat van eindbestemming ten laste van de verzoekende Partij.
Artikel 12. Gegevensbescherming
Persoonsgegevens worden alleen verstrekt wanneer dit nodig is voor de tenuitvoerlegging van deze Overeenkomst door de bevoegde autoriteiten van de Partijen. De verwerking en behandeling van persoonsgegevens in een bepaald geval zijn onderworpen aan de wetgeving van Bosnië-Herzegovina en, wanneer de behandeling door een bevoegde autoriteit van een Benelux-Staat wordt uitgevoerd, aan de bepalingen van Richtlijn 95/46/EG van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens, en de uit hoofde van deze Richtlijn vastgestelde nationale wetgeving. Daarnaast zijn de volgende beginselen van toepassing:
1. persoonsgegevens moeten redelijk en rechtmatig worden verwerkt;
2. persoonsgegevens moeten voor het welbepaalde, uitdrukkelijk omschreven en gerechtvaardigd doel van de tenuitvoerlegging van deze Overeenkomst worden verkregen en mogen door de mededelende of ontvangende autoriteit niet verder worden verwerkt op een wijze die onverenigbaar is met dat doel;
3. persoonsgegevens moeten passend, relevant en niet bovenmatig zijn, uitgaande van de doeleinden waarvoor zij worden verzameld en/of vervolgens worden verwerkt; de verstrekte persoonsgegevens mogen met name uitsluitend betrekking hebben op:
–?de personalia van de over te dragen persoon (naam, voornaam, eventuele vroegere namen, bijnamen of pseudoniemen, geboortedatum en -plaats, geslacht, huidige en vorige nationaliteit),
–?identiteitsbewijs of paspoort (serienummer, geldigheidsduur, datum van afgifte, afgevende autoriteit, plaats van afgifte),
–?verblijfplaatsen en reisroutes,
–?andere voor identificatie van de over te dragen persoon of voor het onderzoek van de terug- of overnamevereisten uit hoofde van deze Overeenkomst dienstige gegevens;
4. persoonsgegevens moeten nauwkeurig zijn en moeten zonodig worden bijgewerkt;
5. persoonsgegevens mogen in een vorm die het mogelijk maakt de betrokkenen te identificeren, niet langer worden bewaard dan voor de verwezenlijking van de doeleinden waarvoor zij worden verzameld of vervolgens worden verwerkt, noodzakelijk is;
6. de mededelende en de ontvangende autoriteit treffen alle passende maatregelen om waar nodig te zorgen voor rectificatie, uitwissing of afscherming van persoonsgegevens wanneer de verwerking niet in overeenstemming is met de bepalingen van dit artikel, met name omdat de gegevens niet passend, relevant, nauwkeurig of bovenmatig zijn in verhouding tot het doel van de verwerking. Dit behelst tevens de kennisgeving van elke rectificatie, uitwissing of afscherming aan de andere Partij;
7. op verzoek stelt de ontvangende autoriteit de mededelende autoriteit in kennis van het gebruik dat van de verstrekte gegevens is gemaakt en van de daardoor verkregen resultaten;
8. persoonsgegevens mogen uitsluitend aan de bevoegde autoriteiten worden verstrekt. Voor de verdere verstrekking aan andere instanties is de voorafgaande goedkeuring van de mededelende autoriteit vereist;
9. de mededelende en ontvangende autoriteiten zijn verplicht de verstrekking en ontvangst van persoonsgegevens schriftelijk te registreren.
Artikel 13. Onverminderde toepasselijkheid
Deze Overeenkomst doet geen afbreuk aan de verplichtingen die voortvloeien uit :
1. het Verdrag van 28 juli 1951 betreffende de status van vluchtelingen, als gewijzigd bij het Protocol van 31 januari 1967 betreffende de status van vluchtelingen en het Verdrag van 28 september 1954 betreffende de status van staatlozen;
2. verdragen inzake uitlevering en doorgeleiding;
3. het Verdrag van 4 november 1950 tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden;
4. het Internationale Verdrag van 19 december 1966 inzake burgerrechten en politieke rechten;
5. het Verdrag van 10 december 1984 tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing;
6. het Europese Verdrag van 26 november 1987 ter voorkoming van foltering en onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing;
7. het Europese gemeenschapsrecht waaronder het op 14 juni 1985 te Schengen gesloten Akkoord betreffende de geleidelijke afschaffing van de controles aan de gemeenschappelijke grenzen en de op 19 juni 1990 gesloten Overeenkomst ter uitvoering van genoemd Akkoord van Schengen;
8. internationale asielovereenkomsten, met name de Verordening (EG) Nr 343/2003 van de Raad van 18 februari 2003 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke Lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat door een onderdaan van een derde land bij één van de Lidstaten wordt ingediend;
9. internationale conventies en overeenkomsten betreffende de overname van vreemde onderdanen. In het bijzonder geldt dit voor de Annex 9 bij het Verdrag van Chicago van 7 december 1944
1.
De Partijen verlenen elkaar onderling hulp bij de toepassing en uitlegging van deze Overeenkomst. Daartoe stellen zij een Comité van deskundigen in dat met name:
1. de toepassing van deze Overeenkomst volgt;
2. voorstellen doet om vraagstukken in verband met de toepassing van deze Overeenkomst op te lossen;
3. wijzigingen van en aanvullingen op deze Overeenkomst voorstelt;
4. passende maatregelen ter bestrijding van illegale immigratie uitwerkt en aanbeveelt.
2.
De Partijen behouden zich het recht voor om de door het Comité van deskundigen voorgestelde maatregelen al dan niet goed te keuren.
3.
Het Comité bestaat uit één vertegenwoordiger voor België, één vertegenwoordiger voor Luxemburg, één vertegenwoordiger voor Nederland en één vertegenwoordiger voor Bosnië-Herzegovina. De Partijen wijzen daarin de voorzitter en zijn plaatsvervangers aan. Plaatsvervangende leden worden benoemd. Indien nodig kunnen andere deskundigen bij de werkzaamheden van het Comité worden betrokken.
4.
Het Comité komt indien nodig bijeen op verzoek van één van de Partijen.
Artikel 15. Uitvoeringsprotocol
Alle nodige praktische bepalingen voor de uitvoering van deze Overeenkomst worden in het Uitvoeringsprotocol vastgelegd. In het Uitvoeringsprotocol wordt onder andere geregeld:
1. de aanwijzing van de bevoegde autoriteiten van de Partijen;
2. de aanwijziging van de plaatsen voor het overschrijden van de grenzen;
3. de voorwaarden waaronder en de wijze waarop begeleiding plaatsvindt van terug of over te nemen of door te geleiden personen.
Artikel 16. Territoriale toepassing
Wat het Koninkrijk der Nederlanden betreft, kan de toepassing van deze Overeenkomst tot de Nederlandse Antillen en Aruba worden uitgebreid door een kennisgeving aan de Regering van het Koninkrijk België, depositaris van deze Overeenkomst, die de overige Partijen hiervan in kennis stelt.
1.
Deze Overeenkomst treedt in werking op de eerste dag van de tweede maand die volgt op de datum van ontvangst door de Regering van het Koninkrijk België van de notificaties van twee Ondertekenende Staten, waarvan de ene Bosnië-Herzegovina is, waarbij ervan kennis wordt gegeven de voor de inwerkingtreding vereiste interne formaliteiten te hebben nageleefd.
2.
Ten aanzien van iedere andere Ondertekenende Staat treedt deze Overeenkomst in werking op de eerste dag van de tweede maand die volgt op de datum van ontvangst door de Regering van het Koninkrijk België van de notificatie waarbij ervan kennis wordt gegeven de voor de inwerkingtreding vereiste interne formaliteiten te hebben nageleefd.
3.
De Regering van het Koninkrijk België stelt ieder der Ondertekenende Staten in kennis van de in lid 1 en 2 bedoelde notificaties en van de data van de inwerkingtreding van deze Overeenkomst ten aanzien van de Partijen.
1.
Deze Overeenkomst wordt voor onbepaalde tijd gesloten.
2.
Het Koninkrijk België, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden gezamenlijk en Bosnië-Herzegovina kunnen deze Overeenkomst, na kennisgeving aan de Regering van het Koninkrijk België, die de overige Partijen hiervan in kennis stelt, om ernstige redenen, met name in verband met de bescherming van de staatsveiligheid, de openbare orde of de volksgezondheid, schorsen. Wat betreft de intrekking van een dergelijke maatregel, brengen de Partijen elkaar onverwijld via diplomatieke weg op de hoogte.
3.
De schorsing van deze Overeenkomst wordt van kracht op de eerste dag van de eerste maand volgende op de maand waarin de kennisgeving bedoeld in lid 2 door de Regering van het Koninkrijk België is ontvangen.
4.
Het Koninkrijk België, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden gezamenlijk en Bosnië-Herzegovina kunnen deze Overeenkomst, na mededeling aan de Regering van het Koninkrijk België, die de overige Partijen hiervan in kennis stelt, om ernstige redenen opzeggen.
5.
De opzegging van deze Overeenkomst wordt van kracht op de eerste dag van de tweede maand volgende op de maand waarin de kennisgeving bedoeld in lid 4 door de Regering van het Koninkrijk België is ontvangen.
Artikel 19. Depositaris
De Regering van het Koninkrijk België is depositaris van deze Overeenkomst.
Het origineel voor de Beneluxlanden zal worden nedergelegd bij de Regering van het Koninkrijk België, depositaris van deze Overeenkomst, die een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift daarvan aan alle Partijen toezendt.
TEN BLIJKE WAARVAN de vertegenwoordigers van de Partijen, daartoe naar behoren gemachtigd, deze Overeenkomst hebben ondertekend.
GEDAAN te Sarajevo, op 19 juli 2006, in twee originele versies, in de officiële talen van Bosnië-Herzegovina (in de Bosnische, Kroatische en Servische taal) en in de Franse, Nederlandse en Engelse taal, zijnde de teksten in elk van de talen gelijkelijk authentiek. In geval van verschillen in interpretatie is de Engelse tekst (werktaal) doorslaggevend.
Voor het Koninkrijk België,
PATRICK DEWAEL
Voor het Groothertogdom Luxemburg,
JAN DE BOER
Voor het Koninkrijk der Nederlanden,
JAN DE BOER
Voor Bosnië-Herzegovina,
BARISA COLAK
Inhoudsopgave
Overeenkomst tussen de Benelux-Staten (het Koninkrijk België, het Groothertogdom Luxemburg, het Koninkrijk der Nederlanden) en Bosnie-Herzegovina betreffende de terug- en overname van onregelmatig binnengekomen en/of verblijvende personen (Terug- en Overnameovereenkomst)
Artikel 1. Definities en werkingssfeer
Artikel 2. Terugname van eigen onderdanen
Artikel 3. Overname van onderdanen van een derde Staat en staatlozen
Artikel 4. Indiening van het verzoek om terug- of overname
Artikel 5. Bewijsmiddelen met betrekking tot eigen onderdanen
Artikel 6. Bewijsmiddelen met betrekking tot onderdanen van een derde Staat en staatlozen
Artikel 7. Termijnen
Artikel 8. Overdrachtmodaliteiten en wijze van vervoer
Artikel 9. Doorgeleiding
Artikel 10. Doorgeleidingsprocedure
Artikel 11. Kosten
Artikel 12. Gegevensbescherming
Artikel 13. Onverminderde toepasselijkheid
Artikel 14. Comité van deskundigen
Artikel 15. Uitvoeringsprotocol
Artikel 16. Territoriale toepassing
Artikel 17. Inwerkingtreding
Artikel 18. Schorsing, opzegging
Artikel 19. Depositaris
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht