Let op. Deze wet is vervallen op 1 januari 2008. U leest nu de tekst die gold op -.

Destructiebesluit

Uitgebreide informatie
Besluit van 29 juni 2005, houdende regels inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten (Destructiebesluit)
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit 21 maart 2005, nr. TRCJZ/2005/868, directie Juridische Zaken, gedaan in overeenstemming met Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport;
Gelet op verordening (EG) nr. 999/2001/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 22 mei 2001 (PbEG L 147) houdende vaststelling van voorschriften inzake preventie, bestrijding en uitroeiing van bepaalde overdraagbare spongiforme encefalopathieën, verordening (EG) nr. 1774/2002/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 3 oktober 2002 (PbEG L 273) tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten, verordening (EG) nr. 809/2003 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 12 mei 2003 (PbEU L 117) inzake overgangsmaatregelen krachtens verordening (EG) nr. 1774/2002 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie wat betreft de verwerkingsnormen voor categorie 3-materiaal en mest, gebruikt in composteerinstallaties, verordening (EG) nr. 810/2003 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 12 mei 2003 (PbEU L 117) inzake overgangsmaatregelen krachtens verordening (EG) nr. 1774/2002 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie wat betreft de verwerkingsnormen voor categorie 3-materiaal en mest, gebruikt in biogasinstallaties, verordening (EG) nr. 811/2003 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 12 mei 2003 (PbEU L 117) ter uitvoering van verordening (EG) nr. 1774/2002 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft het verbod op hergebruik binnen dezelfde soort voor vis, de begraving en verbranding van dierlijke bijproducten en bepaalde overgangsmaatregelen, verordening (EG) nr. 812/2003 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 12 mei 2003 (PbEU L 117) inzake overgangsmaatregelen krachtens verordening (EG) nr. 1774/2002 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de invoer en doorvoer van bepaalde producten uit derde landen, verordening (EG) nr. 668/2004 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 10 maart 2004 (PbEU L 112) tot wijziging van een aantal bijlagen bij verordening (EG) nr. 1774/2002 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de invoer van dierlijke bijproducten uit derde landen, verordening (EG) nr. 12/2005 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 6 januari 2005 (PbEU L5) tot wijziging van de verordeningen (EG) nr. 809/2003 en (EG) nr. 810/2003 wat betreft de verlenging van de geldigheidsduur van de overgangsmaatregelen voor composteer- en biogasinstallaties krachtens verordening (EG) nr. 1774/2002 van het Europees Parlement en de Raad, beschikking nr. 2003/326 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 12 mei 2003 inzake overgangsmaatregelen krachtens verordening (EG) nr. 1774/2002 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de scheiding van categorie 2- en categorie 3-oleochemische bedrijven (PbEU L 117), beschikking nr. 2003/329 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 12 mei 2003 inzake overgangsmaatregelen krachtens verordening (EG) nr. 1774/2002 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de warmtebehandeling van mest (PbEU L 117), beschikking nr. 2004/407 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 26 april 2004 inzake overgangsbepalingen op het gebied van hygiëne en certificatie krachtens verordening (EG) nr. 1774/2002 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de invoer van fotografische gelatine uit bepaalde derde landen (PbEU L 208), beschikking nr. 2005/14 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 6 januari 2005 tot wijziging van beschikking 2003/329/EG wat betreft de verlenging van de geldigheidsduur van de overgangsmaatregelen voor de warmtebehandeling van mest krachtens verordening (EG) nr. 1774/2002 van het Europees Parlement en de Raad (PbEU L7), en de artikelen 2, 10, 12, 14 en 23 van de Destructiewet;
De Raad van State gehoord (advies van 11 mei 2005, nr. W11.05.0096/V);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 23 juni 2005, no. TRCJZ/2005/1832, Directie Juridische Zaken;
Hebben goedgevonden en verstaan:
1.
In dit besluit wordt verstaan onder:
a. verordening nr. 1774/2002: verordening nr. 1774/2002/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 3 oktober 2002 tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten (PbEG L 273);
b. verordening nr. 809/2003: verordening (EG) nr. 809/2003 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 12 mei 2003 inzake overgangsmaatregelen krachtens Verordening (EG) nr. 1774/2002 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie wat betreft de verwerkingsnormen voor categorie 3-materiaal en mest, gebruikt in composteerinstallaties (PbEU L 117);
c. verordening nr. 810/2003: verordening (EG) nr. 810/2003 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 12 mei 2003 inzake overgangsmaatregelen krachtens Verordening (EG) nr. 1774/2002 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie wat betreft de verwerkingsnormen voor categorie 3-materiaal en mest gebruikt in biogasinstallaties (PbEU L 117);
d. verordening nr. 811/2003: verordening (EG) nr. 811/2003 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 12 mei 2003 ter uitvoering van verordening (EG) nr. 1774/2002 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft het verbod op hergebruik binnen dezelfde soort voor vis, de begraving en verbranding van dierlijke bijproducten en bepaalde overgangsmaatregelen (PbEU L 117);
e. verordening nr. 999/2001: verordening (EG) nr. 999/2001/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 22 mei 2001, houdende vaststelling van voorschriften inzake preventie, bestrijding en uitroeiing van bepaalde overdraagbare spongiforme encefalopathieën (PbEG L 147);
f. richtlijn nr. 2000/76/EG: richtlijn nr. 2000/76/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 4 december 2000 betreffende de verbranding van afval (PbEG L 332);
g. beschikking nr. 2003/326: beschikking nr. 2003/326/EG van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 12 mei 2003 inzake overgangsmaatregelen krachtens Verordening (EG) nr. 1774/2002 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie wat betreft de scheiding van categorie 2- en categorie 3-oleochemische bedrijven (PbEU L 117);
h. beschikking nr. 2004/407: beschikking nr. 2004/407 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 26 april 2004 inzake overgangsbepalingen op het gebied van hygiëne en certificatie krachtens Verordening nr. 1774/2002 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de invoer van fotografische gelatine uit bepaalde derde landen (PbEU L 208);
i. Onze Minister: Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit;
j. wet: Destructiewet ;
k. uitvoeringsregeling: Uitvoeringsregeling E.G.-verordening gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten .
2.
Voor de toepassing van dit besluit gelden de definities, bedoeld in artikel 2 van verordening nr. 1774/2002, met dien verstande dat onder gespecificeerd risicomateriaal wordt verstaan: gespecificeerd risicomateriaal genoemd in bijlage XI, hoofdstuk A, punt 1, onder a, punt i en ii, van verordening nr. 999/2001.
Artikel 2
Onze Minister is de bevoegde autoriteit, bedoeld in:
a. de artikelen 4, tweede lid, onderdeel b, 5, tweede lid, onderdelen b en e, 10, eerste lid, 11, eerste lid, 12, tweede en derde lid, 13, eerste lid, 14, eerste lid, 15, eerste lid, 17, eerste lid, en 18, eerste lid, van verordening nr. 1774/2002;
b. bijlage II, hoofdstuk III en hoofdstuk VIII, eerste zin, bijlage V, hoofdstuk III, bijlage VI, hoofdstuk I, punt 2, en hoofdstuk II, bijlage VII, hoofdstuk I en hoofdstuk II, punt 13, en bijlage VIII, hoofdstuk III, van verordening nr. 1774/2002.
Artikel 3
De door Onze Minister aangewezen ambtenaren zijn de bevoegde autoriteit, bedoeld in:
a. de artikelen 8, vierde en vijfde lid, 10, tweede lid, onderdeel d, 10, derde lid, onderdeel d, 11, tweede lid, onderdeel b, 13, tweede lid, onderdeel, c, 13, tweede lid, onderdeel e, 14, tweede lid, onderdeel c, 14, tweede lid, onderdeel d, 15, tweede lid, onderdeel c, 17, tweede lid, onderdeel c, 17, tweede lid, onderdeel e, 18, tweede lid, 25 en 26 van verordening nr. 1774/2002;
b. bijlage II, hoofdstuk II, bijlage II, hoofdstuk V, bijlage II, hoofdstuk VIII, tweede zin, bijlage IV, hoofdstuk VII, bijlage V, hoofdstuk IV, bijlage V, hoofdstuk V, en bijlage VII, hoofdstuk II, punten 10, 11 en 12, van verordening nr. 1774/2002.
1.
Het is verboden in strijd te handelen met artikel 4, tweede en derde lid, van verordening nr. 1774/2002.
2.
Het is uitsluitend toegestaan categorie 1-materiaal overeenkomstig artikel 4, tweede lid, onderdelen c en e, van verordening nr. 1774/2002 te verwerken of te verwijderen indien daarvoor toestemming is verleend door Onze Minister.
1.
Het is verboden in strijd te handelen met artikel 5, tweede en derde lid, van verordening nr. 1774/2002.
2.
Het is uitsluitend toegestaan categorie 2-materiaal overeenkomstig artikel 5, tweede lid, onderdelen c, subonderdeel iii, d en g, van verordening nr. 1774/2002, of, voor zover van toepassing, overeenkomstig artikel 8 van verordening nr. 811/2003, te verwerken of te verwijderen indien daarvoor toestemming is verleend door Onze Minister.
Artikel 6
Het merken, bedoeld in de artikelen 4, tweede lid, onderdelen b en c, en 5, tweede lid, onderdelen b en c, bijlage VI, hoofdstuk I, onder C, van verordening nr. 1774/2002 en in bijlage XI, hoofdstuk A, punt 11, bij verordening nr. 999/2001 geschiedt door middel van kleuring met de kleurstoffen methyleen blauw, patent-blauw E 131, brillant-blauw E133, pistache-groen E102 of pistache-groen E131 of door middel van een andere door Onze Minister aangewezen ambtenaren goedgekeurde methode.
Artikel 7
Het is verboden in strijd te handelen met:
a. artikel 6, tweede lid, van verordening nr. 1774/2002;
b. artikel 6, derde lid, van verordening nr. 1774/2002;
c. de artikelen 3 en 4 van verordening nr. 811/2003.
1.
Het is verboden in strijd te handelen met:
a. artikel 7, eerste lid, van verordening nr. 1774/2002;
b. artikel 7, tweede lid, van verordening nr. 1774/2002;
c. artikel 7, vijfde lid, van verordening nr. 1774/2002.
2.
Het verbod, bedoeld in het eerste lid, geldt niet ter zake van het verzamelen en vervoeren van onverwerkte mest:
a. die rechtstreeks wordt vervoerd tussen twee punten op dezelfde boerderij, voor zover deze zich in Nederland bevinden;
b. die overeenkomstig de bij of krachtens het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet gestelde regels wordt vervoerd tussen boerderijen en gebruikers, voor zover deze zich in Nederland bevinden.
1.
Het is verboden dierlijke bijproducten en verwerkte producten in strijd met artikel 8, eerste tot en met derde lid, van verordening nr. 1774/2002:
a. naar andere lidstaten te zenden;
b. uit lidstaten in Nederland te brengen.
2.
Voorafgaand aan de zending, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a:
a. bevestigt de afzender aan de door Onze Minister aangewezen dienst dat de in artikel 8, tweede lid, eerste zin, van verordening nr. 1774/2002 bedoelde toestemming door de lidstaat van bestemming is verleend, en
b. zendt de afzender aan de door Onze Minister aangewezen dienst een kopie van het handelsdocument.
3.
De in het artikel 8, tweede lid, eerste zin, van verordening nr. 1774/2002 bedoelde toestemming, voor zover het betreft het brengen in Nederland van dierlijke bijproducten en verwerkte producten, wordt door Onze Minister verleend, met dien verstande dat deze toestemming niet is vereist voor het brengen in Nederland van:
a. verwerkte dierlijke eiwitten;
b. verwerkte mest en overige verwerkte producten die afgeleid zijn van categorie 2-materiaal die verwerkingsmethode 1 hebben ondergaan.
4.
Het eerste en derde lid zijn niet van toepassing op onverwerkte mest, mits is voldaan aan, voor zover van toepassing, artikel 2.2a of artikel 2.8b van de Regeling keuring en handel dierlijke producten.
5.
Het is verboden categorie 1- of categorie 2-materiaal alsmede daarvan afgeleide producten, niet zijnde in bijlage VII of VIII van verordening nr. 1774/2002 genoemde producten, uit Nederland naar een derde land uit te voeren, via Nederland vanuit een derde land in de Gemeenschap in te voeren of via Nederland door te voeren.
6.
Het is verboden categorie 3-materiaal via Nederland vanuit een derde land in de Gemeenschap in te voeren, tenzij voldaan is aan bijlage XI, hoofdstuk A, punt 15, van verordening nr. 999/2001.
1.
Het verbod, bedoeld in artikel 9, vijfde lid, geldt niet ten aanzien van de invoer van de in artikel 1 van beschikking nr. 2004/407 genoemde fotografische gelatine vanuit de in bijlage I bij deze beschikking genoemde derde landen, mits:
a. de fotografische gelatine vergezeld gaat van het in bijlage III, van beschikking nr. 2004/407 bedoelde gezondheidscertificaat;
b. de fotografische gelatine afkomstig is van de in bijlage I, van beschikking nr. 2004/407 genoemde bedrijven van oorsprong;
c. de fotografische gelatine via de in bijlage I, van beschikking nr. 2004/407 genoemde grensinspectieposten wordt ingevoerd;
d. de fotografische gelatine bestemd is voor de in bijlage I, van beschikking nr. 2004/407 genoemde en door Onze Minister erkende fotografische fabrieken.
2.
In afwijking van het eerste lid, onderdeel c, kan in door Onze Minister te bepalen bijzondere gevallen de fotografische gelatine via een andere grensinspectiepost worden ingevoerd.
3.
Het is uitsluitend toegestaan fotografische gelatine te gebruiken voor de vervaardiging van fotografische producten, in fotografische fabrieken als bedoeld in het eerste lid, onderdeel d.
4.
De exploitant van een fotografische fabriek als bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, voldoet aan artikel 3, eerste lid, van beschikking nr. 2004/407.
5.
Een fotografische fabriek als bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, wordt door Onze Minister erkend indien deze een administratie bijhoudt als bedoeld in artikel 3, tweede lid, van beschikking nr. 2004/407 en deze gedurende twee jaar bewaart.
6.
De erkenning, bedoeld in het vijfde lid, wordt door Onze Minister ingetrokken, indien naar het oordeel van Onze Minister blijkt dat een fotografische fabriek als bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, niet voldoet aan het vierde en het vijfde lid.
7.
Fotografische gelatine wordt in voertuigen, waarin niet tegelijkertijd voor levensmiddelen of diervoeders bestemde producten worden vervoerd, met inbegrip van gelatine bestemd voor andere doeleinden dan gebruik in de fotografische industrie, rechtstreeks van de grensinspectieposten, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, vervoerd naar de fotografische fabrieken, bedoeld in het eerste lid, onderdeel d.
8.
Tijdens het vervoer, bedoeld in het zevende lid, gaat de fotografische gelatine vergezeld van het in bijlage III, van beschikking nr. 2004/407 bedoelde gezondheidscertificaat.
Artikel 11
Het is verboden in strijd te handelen met artikel 9, eerste lid, van verordening nr. 1774/2002.
1.
Het is verboden in strijd te handelen met artikel 22, eerste lid, van verordening nr. 1774/2002.
2.
Het verbod, bedoeld in het eerste lid, geldt niet voor het voederen van vismeel aan vissen.
3.
Het is de eigenaar of de houder van ander vee dan pelsdieren verboden keukenafval en etensresten of voedermiddelen die keukenafval en etensresten bevatten of daarvan afkomstig zijn, voorhanden te hebben.
4.
Het verbod, bedoeld in het derde lid, geldt niet voor het voorhanden hebben van keukenafval en etensresten die zijn ontstaan in de eigen huishouding van de eigenaar of houder van ander vee dan pelsdieren, indien deze uitsluitend verpakt voorhanden worden gehouden in afwachting van afvoer, op zodanige wijze dat zij onbereikbaar zijn voor het vee.
5.
Het is verboden keukenafval en etensresten of voedermiddelen die keukenafval en etensresten bevatten of daarvan afkomstig zijn te vervoeren naar plaatsen waar ander vee dan pelsdieren wordt gehouden of af te leveren aan eigenaren of houders van ander vee dan pelsdieren.
6.
Het is verboden dieren, die behoren tot de orde Artiodactyla, onderordes Ruminantia, Suina en Tylopoda, ongeacht het gebruiksdoel of de leefomgeving van deze dieren te voederen met keukenafval en etensresten of voedermiddelen die keukenafval en etensresten bevatten of daarvan afkomstig te zijn.
1.
Het is verboden de in artikel 23, eerste lid, van verordening nr. 1774/2002 genoemde activiteiten te verrichten, tenzij daarvoor toestemming is verleend door Onze Minister.
2.
Het is verboden de in artikel 23, tweede lid, van verordening nr. 1774/2002 genoemde activiteiten te verrichten, tenzij daarvoor toestemming is verleend door Onze Minister.
3.
De in het eerste en tweede lid bedoelde toestemming, alsmede de toestemming, bedoeld in de artikelen 4, tweede lid, 5, tweede lid, 9, derde lid, en 14, eerste lid, wordt aangevraagd bij de door Onze Minister aangewezen dienst.
1.
De verwijdering van dierlijke bijproducten, bedoeld in artikel 24 van verordening nr. 1774/2002, geschiedt niet zonder toestemming van Onze Minister en geschiedt, voor zover van toepassing, met inachtneming van de artikelen 6, 7 en 9 van verordening nr. 811/2003.
2.
De in het eerste lid bedoelde toestemming is niet vereist voor het begraven van kadavers van gezelschapsdieren, mits de kadavers rechtstreeks als afval worden verwijderd door begraving op een terrein dat ter beschikking staat van de eigenaar of houder van desbetreffende dode dieren, dan wel op een plaats die ingevolge een besluit van het college van burgemeester en wethouders daarvoor is toegelaten.
Artikel 15
Het is verboden in strijd te handelen met artikel 25 van verordening nr. 1774/2002.
Artikel 16
Het is verboden in strijd te handelen met bijlage XI, hoofdstuk A, punt 5, bij verordening nr. 999/2001.
1.
Het is verboden zonder erkenning:
a. als bedoeld in artikel 10, eerste lid, van verordening nr. 1774/2002, een intermediair categorie 1-bedrijf, een intermediair categorie 2-bedrijf of een intermediair categorie 3-bedrijf in werking te hebben, uit te breiden of te wijzigen;
b. als bedoeld in artikel 11, eerste lid, van verordening nr. 1774/2002, een opslagbedrijf in werking te hebben, uit te breiden of te wijzigen;
c. als bedoeld in artikel 12, eerste lid, van verordening nr. 1774/2002, een verbrandingsinstallatie als bedoeld in artikel 12, tweede of derde lid, van verordening nr. 1774/2002 in werking te hebben, uit te breiden of te wijzigen;
d. als bedoeld in artikel 13, eerste lid, van verordening nr. 1774/2002, een categorie 1-verwerkingsbedrijf of een categorie 2-verwerkingsbedrijf in werking te hebben, uit te breiden of te wijzigen;
e. als bedoeld in artikel 14, eerste lid, van verordening nr. 1774/2002, een categorie 2-oleochemisch bedrijf of een categorie 3-oleochemisch bedrijf in werking te hebben, uit te breiden of te wijzigen;
f. als bedoeld in artikel 15, eerste lid, van verordening nr. 1774/2002, een biogasinstallatie of een composteerinstallatie in werking te hebben, uit te breiden of te wijzigen;
g. als bedoeld in artikel 17, eerste lid, van verordening nr. 1774/2002, een categorie 3-verwerkingsbedrijf in werking te hebben, uit te breiden of te wijzigen;
h. als bedoeld in artikel 18, eerste lid, van verordening nr. 1774/2002, een bedrijf voor de productie van voeder voor gezelschapsdieren in werking te hebben, uit te breiden of te wijzigen;
i. als bedoeld in artikel 18, eerste lid, van verordening nr. 1774/2002, een technisch bedrijf in werking te hebben, uit te breiden of te wijzigen.
2.
De in het eerste lid, aanhef en onderdeel i, bedoelde erkenning wordt verleend voor behandeling of productie van technische producten.
3.
De in het eerste lid bedoelde erkenning wordt aangevraagd bij de door Onze Minister aangewezen dienst.
Artikel 18
Het is, voor zover van toepassing, verboden een overeenkomstig artikel 17:
a. erkend intermediair categorie 1-bedrijf of intermediair categorie 2-bedrijf in werking te hebben in strijd met de eisen van bijlage III, hoofdstuk I en hoofdstuk II, onderdeel B, van verordening nr. 1774/2002;
b. erkend intermediair categorie 3-bedrijf in werking te hebben in strijd met de eisen van bijlage III, hoofdstuk I en hoofdstuk II, onderdeel A, van verordening nr. 1774/2002;
c. erkend opslagbedrijf in werking te hebben in strijd met de eisen van bijlage III, hoofdstuk III, van verordening nr. 1774/2002;
d. erkende verbrandingsinstallatie of een erkende meeverbrandingsinstallatie waarop richtlijn nr. 2000/76/EG niet van toepassing is in werking te hebben in strijd met artikel 12, derde lid, onderdelen a en b, en met de eisen van bijlage IV van verordening nr. 1774/2002;
e. erkend categorie 1-verwerkingsbedrijf of categorie 2-verwerkingsbedrijf in werking te hebben in strijd met de eisen van bijlage V, hoofdstukken I en II, en bijlage VI, hoofdstuk I van verordening nr. 1774/2002;
f. erkend categorie 2-oleochemisch bedrijf of categorie 3-oleochemisch bedrijf in werking te hebben in strijd met artikel 14, tweede lid, onderdelen c en d, van verordening nr. 1774/2002 en met de eisen van bijlage VI, hoofdstuk III, van verordening nr. 1774/2002;
g. erkende biogasinstallatie of composteerinstallatie in werking te hebben in strijd met artikel 15, tweede lid, onderdelen d en e, en met de eisen van bijlage VI, hoofdstuk II, van verordening nr. 1774/2002;
h. erkend categorie 3-verwerkingsbedrijf in werking te hebben in strijd met de eisen van bijlage V, hoofdstukken I en II, bijlage VII en, indien het een verzamelcentrum is, bijlage IX, van verordening nr. 1774/2002, of, voor zover van toepassing, in strijd met de artikelen 3 en 4 van verordening nr. 811/2003;
i. erkend bedrijf voor de vervaardiging van voeder voor gezelschapsdieren in werking te hebben in strijd met artikel 18, tweede lid, en met de eisen van bijlage VIII, van verordening nr. 1774/2002;
j. erkend technisch bedrijf in werking te hebben in strijd met artikel 18, tweede lid, en met de eisen van bijlage VIII, van verordening nr. 1774/2002.
Artikel 19
Ter uitvoering van verordening nr. 1774/2002 wordt afgeweken van:
b. artikel 12, eerste lid, van de wet, voor zover het de aan de eigenaar of houder van hoog- of gespecificeerd hoog-risico-materiaal opgelegde verplichting betreft het materiaal overeenkomstig door Onze Minister te stellen regelen te administreren;
c. artikel 12, tweede lid, van de wet, voor zover het de aan de ondernemer opgelegde verplichting betreft hoog- of gespecificeerd hoog-risico-materiaal overeenkomstig de bij of krachtens de wet gegeven regelen te vervoeren;
d. artikel 12, derde lid, van de wet, voor zover het de aan de eigenaar of houder van laag-risico-materiaal opgelegde verplichting betreft zorg te dragen dat het materiaal overeenkomstig Onze Minister te stellen regelen wordt verpakt en geëtiketteerd;
e. artikel 17, eerste lid, onderdeel b, van de wet , voor zover het de bevoegdheid betreft bij plaatselijke verordening regelen te stellen ter zake van het vervoer van hoog-risico-materiaal.
Artikel 20
In afwijking van artikel 1 van de wet wordt, ter uitvoering van verordening nr. 1774/2002, voor de toepassing van artikel 4, eerste lid, van die wet verstaan onder:
a. destructiemateriaal: categorie 1-materiaal, categorie 2-materiaal of categorie 3-materiaal;
b. verwerking: het onschadelijk maken van categorie 1-materiaal, categorie 2-materiaal of categorie 3-materiaal door het overeenkomstig verordening nr. 1774/2002 te verwerken of te verwijderen.
Artikel 21
Voor de toepassing van artikel 6a van de wet wordt, ter uitvoering van verordening nr. 1774/2002, voor «vergunningen krachtens de artikelen 5, 5a en 6» gelezen: erkenningen krachtens artikel 23 van de wet.
Artikel 22
In afwijking van artikel 1 van de wet wordt, ter uitvoering van verordening nr. 1774/2002, voor de toepassing van artikel 7 van die wet verstaan onder:
a. destructiemateriaal: categorie 1- of categorie 2-materiaal;
b. ondernemer: natuurlijke of rechtspersoon, aan wie of aan welke door Onze Minister een erkenning als bedoeld in artikel 13, eerste lid, van verordening nr. 1774/2002 is verleend.
Artikel 23
In afwijking van artikel 1 van de wet wordt, ter uitvoering van verordening nr. 1774/2002, voor de toepassing van artikel 10 van die wet verstaan onder:
a. ondernemer: natuurlijke of rechtspersoon, aan wie of aan welke door Onze Minister een erkenning als bedoeld in artikel 13, eerste lid, van verordening nr. 1774/2002 is verleend;
b. verwerking: het onschadelijk maken van categorie 1- of categorie 2-materiaal door het overeenkomstig artikel 4, tweede lid, onderdeel b, en artikel 5, tweede lid, onderdelen b en c, van verordening nr. 1774/2002 te verwerken of te verwijderen, door of onder verantwoordelijkheid van een op grond van artikel 13 van verordening nr. 1774/2002 erkend verwerkingsbedrijf;
c. hoog- of gespecificeerd hoog-risico-materiaal: categorie 1- of categorie 2-materiaal;
d. verwerkingsbedrijf: op grond van artikel 13 van verordening nr. 1774/2002 erkend verwerkingsbedrijf.
Artikel 24
In afwijking van artikel 1 van de wet wordt, ter uitvoering van verordening nr. 1774/2002, voor de toepassing van artikel 12 van die wet verstaan onder:
a. hoog- of gespecificeerd-hoog-risico-materiaal: categorie 1-materiaal en categorie 2-materiaal, met uitzondering van:
1°. keukenafval en etensresten als bedoeld in artikel 4, eerste lid, punt e, van verordening nr. 1774/2002;
2°. kadavers van gezelschapsdieren, mits de kadavers rechtstreeks als afval worden verwijderd door begraving op een terrein dat ter beschikking staat van de eigenaar of houder van desbetreffende dode dieren, dan wel op een plaats die ingevolge een besluit van het college van burgemeester en wethouders voor dat doel is toegelaten of overeenkomstig artikel 4, tweede lid, onderdeel a, van verordening nr. 1774/2002 worden verbrand in een op grond van artikel 12, tweede of derde lid, van die verordening erkende verbrandingsinstallatie;
3°. kadavers van paarden, mits de kadavers overeenkomstig artikel 5, tweede lid, onderdeel a, van verordening nr. 1774/2002 worden verwerkt in een op grond van artikel 12, tweede lid, van die verordening erkende verbrandingsinstallatie;
4°. mest en de van het maagdarmkanaal gescheiden inhoud van het maagdarmkanaal;
5°. kadavers van pelsdieren, mits het kadavers betreft die overeenkomstig artikel 5, derde lid, van verordening nr. 1774/2002, worden onthuid in een op grond van artikel 10, eerste lid, van die verordening erkend intermediair categorie 2-bedrijf;
6°. dierlijke bijproducten als bedoeld in artikel 23, eerste en tweede lid, van verordening nr. 1774/2002, mits ten aanzien van deze dierlijke bijproducten toestemming is verleend voor de in voornoemde artikelleden genoemde activiteiten overeenkomstig artikel 13, eerste en tweede lid, van dit besluit.
b. laag-risico-materiaal: categorie 3-materiaal;
c. ondernemer: natuurlijke persoon of rechtspersoon, aan wie of aan welke door Onze Minister een erkenning als bedoeld in artikel 13, eerste lid, van verordening nr. 1774/2002 is verleend.
Artikel 25
In afwijking van artikel 1 van de wet wordt, ter uitvoering van verordening nr. 1774/2002, voor de toepassing van artikel 13 van die wet verstaan onder hoog- of gespecificeerd hoog-risico-materiaal: categorie 1- of categorie 2-materiaal.
Artikel 26
In afwijking van artikel 1 van de wet wordt, ter uitvoering van verordening nr. 1774/2002, voor de toepassing van artikel 14 van die wet verstaan onder:
a. destructiemateriaal: categorie 1- of categorie 2-materiaal;
b. ondernemer: natuurlijke of rechtspersoon, aan wie of aan welke door Onze Minister een erkenning als bedoeld in artikel 13, eerste lid, van verordening nr. 1774/2002 is verleend.
Artikel 27
In afwijking van artikel 1 van de wet wordt, ter uitvoering van verordening nr. 1774/2002, voor de toepassing van artikel 17 van die wet verstaan onder:
a. hoog-risico-materiaal als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder g: gezelschapsdieren;
b. ondernemer: natuurlijke of rechtspersoon, aan wie of aan welke door Onze Minister een erkenning als bedoeld in artikel 13, eerste lid, van verordening nr. 1774/2002 is verleend.
Artikel 28
In afwijking van artikel 1 van de wet wordt, ter uitvoering van verordening nr. 1774/2002, voor de toepassing van artikel 20 van die wet verstaan onder:
a. hoog- of gespecificeerd hoog-risico-materiaal: categorie 1- of categorie 2-materiaal;
b. ondernemer: natuurlijke of rechtspersoon, aan wie of aan welke door Onze Minister een erkenning als bedoeld in artikel 13, eerste lid, van verordening nr. 1774/2002 is verleend.
Artikel 29
In afwijking van artikel 1 van de wet wordt, ter uitvoering van verordening nr. 1774/2002, voor de toepassing van artikel 21 van die wet verstaan onder:
a. ondernemer: natuurlijke of rechtspersoon, aan wie of aan welke door Onze Minister een erkenning als bedoeld in artikel 13, eerste lid, van verordening nr. 1774/2002 is verleend;
b. gespecificeerd hoog-risico-materiaal als bedoeld in artikel 2, zevende, achtste of negende lid: categorie 1-materiaal of categorie 2-materiaal als bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdelen b tot en met f, van verordening nr. 1774/2002.
1.
Categorie 1- of categorie 2-materiaal wordt door de natuurlijke of rechtspersoon, aan wie of aan welke door Onze Minister een erkenning als bedoeld in artikel 13, eerste lid, van verordening nr. 1774/2002 is verleend, opgehaald uiterlijk op de eerste werkdag volgend op die waarop het door de eigenaar of houder daarvan, overeenkomstig artikel 12 van de wet, is aangemeld, tenzij het categorie 1- of categorie 2-materiaal betreft dat overeenkomstig door Onze Minister gestelde regels op gezette tijden door deze natuurlijke of rechtspersoon wordt opgehaald.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing op dode gezelschapsdieren.
1.
De natuurlijke of rechtspersoon die een categorie 1-, 2-, of 3-verwerkingsbedrijf in stand houdt, richt een register in waarin de identificatiecode wordt aangetekend die is voorgeschreven voor runderen bij of krachtens het Besluit identificatie en registratie van dieren .
2.
De natuurlijke of rechtspersoon, bedoeld in het eerste lid, is verplicht binnen drie werkdagen de identificatiecode, bedoeld in het eerste lid, te melden aan Onze Minister.
3.
De aantekeningen in het register worden ten minste twee jaren bewaard.
1.
De schadeloosstelling, bedoeld in artikel 10, derde lid, onder a, van de wet, wordt vastgesteld op het door Onze Minister te bepalen bedrag van het werkelijke nadeel dat de natuurlijke of rechtspersoon, aan wie of aan welke door Onze Minister een erkenning als bedoeld in artikel 13, eerste lid, van verordening nr. 1774/2002 is verleend als gevolg van de wijziging van het gebied dan wel van de te verwerken categorieën categorie 1- of categorie 2-materiaal lijdt.
2.
Het te betalen bedrag, bedoeld in artikel 10, derde lid, onder b, van de wet wordt vastgesteld op het door Onze Minister te bepalen bedrag van het werkelijke voordeel dat de natuurlijke of rechtspersoon, aan wie of aan welke door Onze Minister een erkenning als bedoeld in artikel 13, eerste lid, van verordening nr. 1774/2002 is verleend als gevolg van de wijziging van het gebied dan wel van de te verwerken categorieën categorie 1- of categorie 2-materiaal heeft.
3.
De betaling van de schadeloosstelling of van het bedrag geschiedt binnen zes maanden na de gebiedswijziging dan wel na de wijziging van de te verwerken categorieën categorie 1- of categorie 2-materiaal.
1.
De schadeloosstelling, bedoeld in artikel 10, vijfde lid, van de wet, wordt vastgesteld op het door Onze Minister te bepalen gedeelte van de werkelijke lasten die het gevolg zijn van de overdracht, verminderd met het door hem te bepalen gedeelte van de uit de overdracht voortvloeiende kosten.
2.
Het te betalen bedrag, bedoeld in artikel 10, vijfde lid, van de wet, wordt door Onze Minister vastgesteld op het door hem te bepalen bedrag van de werkelijke baten die het gevolg zijn van de overdracht, verminderd met de uit de overdracht voortvloeiende lasten.
3.
De betaling van de schadeloosstelling of van het bedrag geschiedt binnen zes maanden nadat de werkzaamheden zijn overgedragen.
1.
Ten behoeve van de vaststelling van de schadeloosstellingen en de bedragen, bedoeld in de artikelen 32 en 33, verstrekt de ondernemer aan Onze Minister alle door deze verlangde gegevens.
2.
De ondernemer staat inzage van boeken en bescheiden door of vanwege Onze Minister toe.
1.
De vergoeding, bedoeld in artikel 14 van de wet , bedraagt negentig percent van de netto-opbrengst van de huid, na aftrek van de omzetbelasting.
2.
Vergoeding vindt niet plaats:
a. indien ingevolge een wettelijk voorschrift de huid moet worden gedestrueerd;
b. voor de huiden van kleine dieren.
1.
De toestemming, bedoeld in artikel 4, tweede lid, van de uitvoeringsregeling geldt als de toestemming, bedoeld in artikel 4, tweede lid, van dit besluit.
2.
De toestemming, bedoeld in artikel 5, tweede lid, van de uitvoeringsregeling geldt als de toestemming, bedoeld in artikel 5, tweede lid, van dit besluit.
3.
De toestemming, bedoeld in artikel 8, derde lid, van de uitvoeringsregeling geldt als de toestemming, bedoeld in artikel 9, derde lid, van dit besluit.
4.
Een erkenning als bedoeld in artikel 8a, vijfde lid, van de uitvoeringsregeling geldt als een erkenning als bedoeld in artikel 10, vijfde lid, van dit besluit.
5.
De toestemming, bedoeld in artikel 11, eerste en tweede lid, van de uitvoeringsregeling geldt als de toestemming, bedoeld in artikel 13, eerste en tweede lid, van dit besluit.
6.
De toestemming, bedoeld in artikel 12, eerste lid, van de uitvoeringsregeling geldt als de toestemming, bedoeld in artikel 14, eerste lid, van dit besluit.
7.
Erkenningen als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de uitvoeringsregeling worden geacht te zijn verleend conform artikel 17, eerste lid, van dit besluit.
1.
Artikel 17 is niet van toepassing op:
a. een biogasinstallatie of composteerinstallatie waarin uitsluitend mest of categorie 3-materiaal als grondstof wordt verwerkt;
b. een oleochemisch bedrijf dat zowel van categorie 2-materiaal als van categorie 3-materiaal verkregen vet verwerkt;
c. een technisch bedrijf voor vervaardiging van verwerkte mest,
mits de installatie of het bedrijf door Onze Minister overeenkomstig artikel 18, eerste lid, van de uitvoeringsregeling is erkend en de installatie of het bedrijf sinds 1 november 2002 overeenkomstig de in het tweede lid genoemde voorwaarden in gebruik is.
2.
Indien:
a. het een biogasinstallatie betreft, is voldaan aan bijlage VI, hoofdstuk II, onder B, van verordening nr. 1774/2002, is de installatie uitgerust overeenkomstig artikel 1, tweede lid, van verordening nr. 810/2003 en is voldaan aan artikel 1, derde lid, van die verordening;
b. het een composteerinstallatie betreft, is voldaan aan bijlage VI, hoofdstuk II, onder B, van verordening nr. 1774/2002, is de installatie uitgerust overeenkomstig artikel 1, tweede lid, van verordening nr. 809/2003 en is voldaan aan artikel 1, derde lid, van die verordening;
c. het een oleochemisch bedrijf betreft, wordt in het bedrijf een methode toegepast voor monitoring en controle op kritische controlepunten op basis van het gebruikte procédé en wordt overeenkomstig artikel 1, tweede lid, van beschikking nr. 2003/326 gehandeld;
d. het een technisch bedrijf betreft, is het bedrijf sinds 1 november 2002 tot de inwerkingtreding van de uitvoeringsregeling op grond van artikel 11.6 van de Regeling keuring en handel dierlijke producten geregistreerd en is voldaan aan bijlage VIII, hoofdstuk III, punt 5, van verordening nr. 1774/2002 met dien verstande dat onderdeel b van punt 5 niet van toepassing is.
3.
De in het eerste lid bedoelde erkenning vervalt indien de installatie of het bedrijf wordt uitgebreid of de werkzaamheden worden gewijzigd.
4.
Het eerste lid is van toepassing tot:
a. 1 januari 2006, voor zover het een biogas- of composteerinstallatie of een technisch bedrijf betreft;
b. 1 november 2005, voor zover het een oleochemisch bedrijf betreft.
5.
Met de erkenning, bedoeld in het eerste lid, wordt gelijkgesteld, indien het een technisch bedrijf betreft, een vóór de inwerkingtreding van de uitvoeringsregeling op grond van artikel 11.6 van de Regeling keuring en handel dierlijke producten verrichte registratie voor desbetreffend technisch product, mits de registratie op het tijdstip van inwerkingtreding van de uitvoeringsregeling niet is doorgehaald.
6.
Het is verboden een overeenkomstig artikel 18, eerste lid, van de uitvoeringsregeling erkende biogasinstallatie, composteerinstallatie, oleochemisch of technisch bedrijf in werking te hebben in strijd met het tweede lid.
Artikel 38
Het Destructiebesluit 1996 wordt ingetrokken.
Artikel 39
Dit besluit treedt in werking met ingang van 7 september 2005.
Artikel 40
Dit besluit wordt aangehaald als: Destructiebesluit.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst
’s-Gravenhage, 29 juni 2005
De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit ,
Uitgegeven de achttiende augustus 2005
De Minister van Justitie ,
Inhoudsopgave
+ § 1. Algemene bepalingen
+ § 2. Regels inzake het verwerken en onschadelijk maken van dierlijke bijproducten
+ § 3. Erkenningen
+ § 4. Destructiewet
+ § 5. Ophaalplicht
+ § 6. Administratie
+ § 7. Schadeloosstelling
+ § 8. Overgangs- en slotbepalingen
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht