Let op. Deze wet is vervallen op 1 augustus 2008. U leest nu de tekst die gold op 31 juli 2008.

Douanebesluit

Uitgebreide informatie
Besluit van 4 maart 1996, verband houdende met de herziening van de douanewetgeving
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van de Staatssecretaris van Financiën van 13 december 1993, nr. WD.93/697, Directoraat-Generaal voor Fiscale Zaken, directie Wetgeving Douane;
Gelet op artikel 22 f van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, de artikelen 3, 23, vijfde lid, 28, 35, 53, vijfde lid, 56 en 57 van de Douanewet en artikel 25 van de Invorderingswet 1990;
De Raad van State gehoord (advies van 26 april 1994, nr. W06.93.0837);
Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Financiën van 26 februari 1996, nr. WD.94/349, Directoraat-Generaal voor Fiscale Zaken, directie Wetgeving Douane;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Artikel 1
Dit besluit en de daarop berustende bepalingen verstaan onder:
a. binnenkomend luchtvaartuig: een luchtvaartuig dat in Nederland landt, terzake van welke landing de in artikelen 40 en 43 van het Communautair douanewetboek bedoelde formaliteiten moeten worden vervuld;
b. binnenkomend schip: een schip dat in Nederland vanuit zee binnenkomt, terzake van welke binnenkomst de in artikelen 40 en 43 van het Communautair douanewetboek bedoelde formaliteiten moeten worden vervuld;
c. douanekantoor van uitgang: onverminderd het bepaalde in artikel 793, tweede lid, van de toepassingsverordening Communautair douanewetboek, de haven of luchthaven van waaruit de goederen, over zee dan wel door de lucht het douanegebied van de Gemeenschap verlaten;
d. de Post: de Koninklijke TPG Post BV;
e. brieven en postzendingen: brieven en postzendingen als bedoeld in artikel 1, onderdelen b en c, van de Postwet, voorzover zij onder de verplichting, bedoeld in artikel 2, eerste lid, van die wet, vallen;
f. beheerder vrije zone controletype II: de persoon aan wie vergunning is verleend de vrije zone controletype II te beheren;
g. operateur: de belanghebbende, bedoeld in artikel 799 van de toepassingsverordening Communautair douanewetboek.
Artikel 3
Indien op grond van wettelijke bepalingen een vergunning dan wel goedkeuring van de inspecteur is vereist, dient ter verkrijging van deze vergunning, onderscheidenlijk goedkeuring, een verzoek te worden gericht aan de inspecteur.
1.
Binnenkomende schepen en de daarin of daarop aanwezige goederen worden langs bij ministeriële regeling aangewezen vaarwaters overgebracht naar een haven ressorterende onder een bij ministeriële regeling aangewezen douanekantoor, alwaar de in artikel 40 van het Communautair douanewetboek bedoelde formaliteit van aanbrengen wordt vervuld.
2.
Bij ministeriële regeling kunnen eveneens plaatsen als bedoeld in artikel 38, eerste lid, onderdeel a, van het Communautair douanewetboek worden aangewezen, alwaar voor schepen en de daarin of daarop aanwezige goederen onder bij ministeriële regeling gestelde voorwaarden de in artikel 40 van het Communautair douanewetboek bedoelde formaliteit van het aanbrengen wordt vervuld.
1.
De summiere aangifte, bedoeld in artikel 43 van het Communautair douanewetboek, houdt aangifte in van alle bij het douanekantoor, bedoeld in artikel 4, te lossen goederen. Voor de in het schip aanwezige provisie wordt een afzonderlijke summiere aangifte gedaan.
2.
Aan het douanekantoor, bedoeld in artikel 4, wordt in voorkomend geval tevens een summiere aangifte gedaan voor de goederen die zullen worden gelost bij een ander in Nederland gelegen douanekantoor als bedoeld in artikel 4 voor zover het schip zich anders dan over zee naar dat douanekantoor zal begeven.
3.
Op verzoek van belanghebbende kan aan het douanekantoor, bedoeld in artikel 4, een summiere aangifte worden gedaan voor de goederen welke zullen worden gelost bij een ander in Nederland gelegen douanekantoor als bedoeld in artikel 4, indien het schip zich over zee naar dat laatst genoemde douanekantoor zal begeven.
4.
Een binnengekomen schip mag van het douanekantoor, bedoeld in artikel 4, niet vertrekken zonder toestemming van de inspecteur.
1.
Communautaire goederen mogen nadat zij zijn gelost eerst worden weggevoerd nadat ten genoegen van de inspecteur is aangetoond dat deze goederen de communautaire status hebben.
2.
Indien binnen het douanegebied van de Gemeenschap voor goederen een bewijs van de communautaire status is afgegeven, dient dit bewijs aan de inspecteur te worden overgelegd alvorens de goederen waarop dit bewijs betrekking heeft kunnen worden weggevoerd.
1.
De artikelen 4 en 5 zijn niet van toepassing op de volgende schepen, mits zij in de Gemeenschap thuishoren, overeenkomstig hun bestemming worden gebezigd en geen goederen meevoeren waarvoor bij het in het vrije verkeer brengen rechten bij invoer zijn verschuldigd:
a. oorlogsschepen;
b. pleziervaartuigen welke op hun reis niet een buitenlandse haven hebben aangedaan;
c. vissersschepen welke van de visvangst komen en zijn voorzien van een aanduiding omtrent de haven waar zij thuishoren;
d. sleepboten welke op hun reis niet een buitenlandse haven hebben aangedaan;
e. reddingsboten;
f. bij ministeriële regeling aangewezen vaartuigen van openbare diensten.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing indien voor het verkrijgen van vrijstelling van rechten bij invoer of voor het plaatsen onder de betreffende douaneregeling voor het schip of voor de meegevoerde goederen ingevolge wettelijke bepalingen de vervulling van bepaalde formaliteiten is vereist.
1.
Degene die aan de kust goederen heeft opgevist of gered, dan wel aldaar aangespoelde of gestrande goederen heeft geborgen, geeft daarvan onverwijld kennis aan de inspecteur. Onder kust worden te dezen mede verstaan de wateren, stranden en oevers welke ingevolge artikel 21 van de Wet op de strandvonderij worden beschouwd te behoren tot de zee en het zeestrand.
2.
De goederen mogen zonder toestemming van de inspecteur niet verder landinwaarts worden gebracht dan tot de eerste plaats waar zij tegen beschadiging door het zeewater zijn beveiligd.
3.
Na de kennisgeving worden de goederen aangemerkt als binnengebrachte goederen in de zin van artikel 37, eerste lid, van het Communautair douanewetboek.
Artikel 10
Binnenkomende luchtvaartuigen worden zonder tussenlanding overgebracht naar een bij ministeriële regeling aangewezen internationale luchthaven ressorterende onder een bij ministeriële regeling aangewezen douanekantoor alwaar de formaliteit van aanbrengen, bedoeld in artikel 40 van het Communautair douanewetboek, wordt vervuld.
Artikel 11
De summiere aangifte, bedoeld in artikel 43 van het Communautair douanewetboek, houdt aangifte in van alle te lossen goederen bij het douanekantoor, bedoeld in artikel 10.
1.
Artikel 10 is niet van toepassing op militaire, politie- en douaneluchtvaartuigen van Nederlandse of vreemde nationaliteit of op andere bij ministeriële regeling aangewezen luchtvaartuigen, mits zij overeenkomstig hun bestemming worden gebezigd en geen goederen meevoeren welke vreemd zijn aan de normale behoeften aan boord.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing, indien voor het verkrijgen van vrijstelling van rechten bij invoer of voor het plaatsen onder de betreffende douaneregeling voor het luchtvaartuig of voor de aan boord aanwezige goederen ingevolge wettelijke bepalingen de vervulling van bepaalde formaliteiten is vereist.
1.
De goedkeuring, bedoeld in artikel 185, eerste lid, van de toepassingsverordening Communautair douanewetboek, van een ruimte voor tijdelijke opslag is gebonden aan een vergunning.
2.
Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met betrekking tot de goedkeuring, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 14
Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met betrekking tot de in- en uitslag van goederen in en uit de ruimte voor tijdelijke opslag. Deze regels hebben in het bijzonder betrekking op de te gebruiken aangiften.
1.
Aangiften tot plaatsing van goederen onder een douaneregeling worden gedaan in de Nederlandse taal.
2.
In afwijking in zoverre van het eerste lid kunnen aangiften tot plaatsing onder de douaneregeling douanevervoer, aangiften tot plaatsing onder een douaneregeling met gebruikmaking van een handels- of administratief bescheid en andere aangiften dan die bedoeld in het eerste lid, behalve in het Nederlands worden gedaan in het Frans, Duits of Engels.
3.
Ingeval in het buitenland aanvaarde douaneaangiften zijn gesteld in een andere taal dan het Nederlands, Frans, Duits of Engels, kan de inspecteur een vertaling vragen welke mag zijn gesteld in het Nederlands, Frans, Duits of Engels.
1.
In de gevallen waarin op grond van wettelijke bepalingen in een aangifte de goederencode van de desbetreffende goederen moet worden vermeld, is dat de code die voor die goederen is vastgesteld in het gebruikstarief. Het gebruikstarief is de lijst van goederenomschrijvingen met bijbehorende codes en aanduiding van de voor de desbetreffende goederen van toepassing zijnde maatregelen bij in- of uitvoer, zoals die geldt ingevolge verordeningen van de Raad van de Europese Unie of de Commissie van de Europese Gemeenschappen, en waarin nadere onderverdelingen met bijbehorende codes zijn aangebracht in verband met de nationale statistiek en bijzondere maatregelen die voor de desbetreffende goederen gelden.
2.
Bij ministeriële regeling worden regels gesteld voor de vaststelling, de uitgifte en de beschikbaarstelling van het gebruikstarief.
3.
Een wijziging in de vaststelling van de goederencodes treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van het wijzigingsblad van het gebruikstarief waarin de wijziging is vermeld. Indien een wijziging in de vaststelling van goederencodes in afwachting van de uitgifte van een wijzigingsblad in de Staatscourant wordt bekend gemaakt, treedt deze in werking met ingang van de daarbij vermelde dag.
1.
Ten aanzien van de bij ministeriële regeling aangewezen goederen en in de daarbij aangewezen gevallen kan, indien gehalte, samenstelling of hoeveelheid van goederen waarvoor een aangifte tot plaatsing onder een douaneregeling, met uitzondering van de regeling douanevervoer, moet worden gedaan aan de aangever niet bekend is, de vermelding van dat gegeven achterwege blijven indien de aangever verzoekt dat gegeven op zijn kosten van rijkswege te doen bepalen.
2.
Indien in de gevallen, bedoeld in het eerste lid, de goederen met toepassing van artikel 73 van het Communautair douanewetboek ter beschikking van de aangever worden gesteld om hun bestemming te volgen, worden de gegevens aan de hand waarvan de berekening van de rechten bij invoer moet plaatsvinden zo nodig bij wijze van schatting vastgesteld.
3.
Bij ministeriële regeling kunnen nadere voorwaarden en bepalingen worden vastgesteld voor de toepassing van dit artikel.
Artikel 18
De in artikel 212 van de toepassingsverordening Communautair douanewetboek bedoelde toelichting kan worden aangevuld door de toelichting met daarin opgenomen de aanvullingen, bij ministeriële regeling vast te stellen. Wijzigingen van de aanvullingen en nadere aanvullingen kunnen plaatsvinden door de overeenkomstig het vorenstaande vastgestelde toelichting bij ministeriële regeling te wijzigen.
1.
De aangifte ten uitvoer wordt gedaan:
a. ten aanzien van goederen welke worden uitgevoerd ter voldoening aan de verplichting welke voortvloeit uit de douaneregeling waaronder zij waren geplaatst, op de voor het doen van de aangifte ten uitvoer aangewezen plaats, indien deze plaats in de wettelijke bepalingen of in de op de betreffende douaneregeling betrekking hebbende vergunning is aangewezen;
b. in andere gevallen bij de inspecteur onder wie de exporteur ressorteert of onder wie de plaats ressorteert waar de goederen zijn verpakt of met het oog op de uitvoer in of op het vervoermiddel zijn geladen.
2.
De inspecteur kan bepalen dat in de gevallen, andere dan die bedoeld in het eerste lid, onderdeel a , waarin het wenselijk wordt geacht om de controle van de aangifte ten uitvoer te laten plaatsvinden op een douanekantoor zo dicht mogelijk gelegen bij de plaats waar de exporteur is gevestigd of waar de goederen zijn verpakt of met het oog op de uitvoer in of op het vervoermiddel zijn geladen, de aangifte ten uitvoer wordt gedaan op een door hem aan te wijzen douanekantoor.
3.
In afwijking van het eerste lid, onderdeel b , kan de aangifte ten uitvoer eveneens worden gedaan op bij ministeriële regeling aangewezen douanekantoren voor zover deze goederen via deze kantoren Nederland zullen verlaten en voor zover de aangifte wordt gedaan door of ten behoeve van in Nederland gevestigde exporteurs.
4.
De voorgaande leden zijn van overeenkomstige toepassing indien ter zake van de wederuitvoer ingevolge wettelijke bepalingen een aangifte is vereist.
Artikel 20
De weigering van een vergunning tot het doen van aangifte volgens een vereenvoudigde procedure op grond van het overtreden van douanevoorschriften geschiedt slechts indien:
a. de aanvrager in de laatste vijf jaren voorafgaande aan de aanvraag een bij wettelijke bepalingen strafbaar gesteld misdrijf heeft gepleegd;
b. de aanvrager herhaaldelijk een bij wettelijke bepalingen strafbaar gestelde overtreding heeft begaan, waarvoor hij onherroepelijk is veroordeeld of waarvoor het recht tot strafvordering is vervallen ingevolge artikel 76 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, of
c. aan de aanvrager in de laatste vijf jaren voorafgaand aan de aanvraag herhaalde malen ingevolge wettelijke bepalingen een bestuurlijke boete is opgelegd.
Artikel 21
Een vergunning tot toepassing van de domiciliëringsprocedure wordt slechts verleend indien de aanvrager van de desbetreffende vergunning een bedrijf uitoefent waarvan de administratieve organisatie zodanig is, dat zij voldoende waarborgen inhoudt voor een juiste vastlegging van de bedrijfshandelingen en de administratie zodanig is ingericht, dat daarin op overzichtelijke wijze zijn opgenomen de door de inspecteur nodig geoordeelde gegevens omtrent de goederen welke met toepassing van de verlangde vereenvoudigde procedure onder een douaneregeling zijn geplaatst.
1.
Indien de vergunninghouder van een domiciliëringsprocedure op grond van wettelijke bepalingen een aanvullende aangifte moet indienen, moet deze aangifte vóór de derde werkdag van het tijdvak dat in de vergunning is opgenomen zijn ingediend. De aanvullende aangifte ziet op alle goederen welke in de loop van het voorafgaande tijdvak met toepassing van deze procedure een douanebestemming hebben gekregen.
2.
In gevallen waarin het doen van aangifte binnen de in het eerste lid bedoelde termijn bijzondere bezwaren ontmoet, kan de inspecteur toestaan dat de aangifte wordt gedaan uiterlijk de tiende dag van het tijdvak volgend op die waarin de goederen een douanebestemming hebben gekregen.
3.
In de aangifte wordt, onverminderd hetgeen ingevolge andere wettelijke bepalingen is vereist, als waarde vermeld de waarde op de dag waarop de goederen de douanebestemming hebben gekregen. Die dag wordt in de aangifte vermeld.
4.
Indien de vergunninghouder van een vereenvoudigde aangifteprocedure op grond van wettelijke bepalingen een aanvullende aangifte moet indienen, moet deze aangifte vóór de derde werkdag na de dag waarop de vereenvoudigde aangifte is gedaan zijn ingediend bij de inspecteur bij wie de vereenvoudigde aangifte is gedaan.
5.
Bij ministeriële regeling kunnen gevallen of groepen van gevallen worden aangewezen waarin voor het doen van de aanvullende aangifte, bedoeld in het vierde lid, een termijn geldt die afwijkt van de in dat lid gestelde termijn of waarin deze aangifte periodiek wordt gedaan. Indien is bepaald dat de aanvullende aangifte periodiek wordt gedaan wordt steeds binnen een te bepalen termijn na het einde van het daartoe vastgestelde tijdvak, een aanvullende aangifte gedaan van alle goederen welke in de loop van dat tijdvak met toepassing van de vergunning hun douanebestemming hebben gekregen.
1.
Indien de overeenkomstig artikel 22, eerste of tweede lid, vereiste aangifte niet of niet tijdig wordt gedaan, geschiedt in voorkomend geval de berekening van de verschuldigde rechten bij invoer overeenkomstig de door de inspecteur aan de hand van de administratie van de vergunninghouder of aan de hand van op andere wijze, zo nodig bij wijze van schatting, vastgestelde gegevens.
2.
Indien de overeenkomstig artikel 22, vierde of vijfde lid, vereiste aangifte niet of niet tijdig wordt gedaan, is de vergunninghouder de rechten bij invoer verschuldigd berekend op basis van de vereenvoudigde aangifte, waarbij in aanmerking wordt genomen hetgeen bij een eventueel onderzoek van de goederen is bevonden, of overeenkomstig andere gegevens die zo nodig bij wijze van schatting worden vastgesteld.
Artikel 24
Bij ministeriële regeling kan, indien bij het vervoer van goederen de identificatie plaatsvindt door middel van verzegeling van de laadruimte van een vervoermiddel of een container, worden bepaald dat het vervoermiddel of de container, ten behoeve van de beoordeling van het gestelde in artikel 357, derde lid, van de toepassingsverordening Communautair douanewetboek, op een bij die regeling aangewezen plaats, voor een onderzoek van de bouw en de inrichting van de laadruimte moet worden aangeboden aan de inspecteur.
1.
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot:
a. de gevallen waarin het vervoer van goederen in afwijking van artikel 357, vierde lid, van de toepassingsverordening Communautair douanewetboek, zonder verzegeling kan plaatsvinden;
b. de overbrenging, al dan niet in gedeelten, binnen het ambtsgebied van het kantoor van bestemming, onder geleide van het document dat ten geleide van de goederen is afgegeven voor het vervoer naar dat kantoor van bestemming;
c. de overbrenging, al dan niet in gedeelten, binnen het ambtsgebied van het kantoor van vertrek, onder geleide van het document dat ten geleide van de goederen is afgegeven voor het vervoer vanaf dat kantoor van vertrek.
Artikel 26
Een vergunning voor een douane-entrepot van het type E wordt slechts verleend indien de aanvrager van de desbetreffende vergunning een bedrijf uitoefent waarvan de administratieve organisatie zodanig is, dat zij voldoende waarborgen inhoudt voor een juiste vastlegging van de bedrijfshandelingen en de administratie zodanig is ingericht, dat daarin op overzichtelijke wijze zijn opgenomen de door de inspecteur nodig geoordeelde gegevens omtrent de goederen welke onder het stelsel van douane-entrepots zijn geplaatst.
Artikel 27
Aan accijns onderworpen goederen kunnen slechts onder het stelsel van douane-entrepots worden geplaatst voorzover de Wet op de accijns in deze plaatsing voorziet en onder de daarbij gestelde voorwaarden en beperkingen.
Artikel 28
Indien in een douane-entrepot een overmaat wordt vastgesteld, worden de te veel bevonden goederen geacht onder het stelsel van douane-entrepots te zijn geplaatst.
Artikel 29
De entreposeur die zodanige wijziging wenst te brengen in de door hem gevoerde administratie dat daardoor de wijze waarop toezicht op het douane-entrepot wordt uitgeoefend, wordt beïnvloed, onderwerpt de voorgenomen wijziging aan goedkeuring van de inspecteur. De wijziging wordt niet aangebracht dan na verkregen goedkeuring.
Artikel 30
Onverminderd artikel 41, dienen goederen welke voor uitvoer zijn vrijgegeven, te blijven in de staat waarin zij verkeerden ten tijde van de aanvaarding van de aangifte ten uitvoer.
Artikel 32
Ter uitvoering van artikel 183 van het Communautair douanewetboek wordt van een schip of een luchtvaartuig dat het douanegebied van de Gemeenschap via zee of door de lucht zal verlaten aangifte ten uitklaring gedaan van het schip of het luchtvaartuig en alle bij het douanekantoor van uitgang aangebrachte goederen overeenkomstig de bij ministeriële regeling vast te stellen bepalingen.
1.
Een schip of luchtvaartuig dat het douanegebied van de Gemeenschap ter zee of door de lucht zal verlaten mag niet vertrekken uit de haven of van de luchthaven van binnenkomst zonder dat de inspecteur daarvoor toestemming heeft verleend.
2.
Bij het douanekantoor van uitgang aangebrachte goederen die ter zee of door de lucht het douanegebied van de Gemeenschap zullen verlaten, mogen niet worden weggevoerd zonder toestemming van de inspecteur.
1.
Ter uitvoering van artikel 183, eerste lid, van het Communautair douanewetboek worden goederen die ter zee het douanegebied van de Gemeenschap verlaten vanuit de haven, of in voorkomende gevallen van de bij ministeriële regeling aangewezen plaatsen als genoemd in artikel 4, tweede lid, rechtstreeks langs de daartoe bij ministeriële regeling aangewezen vaarwaters buiten het douanegebied van de Gemeenschap gebracht.
2.
In afwijking van het eerste lid kan onder bij ministeriële regeling vast te stellen voorwaarden worden toegestaan dat goederen die ter zee het douanegebied van de Gemeenschap zullen verlaten, worden overgeladen in een uitgaand schip op de daartoe bij ministeriële regeling aangewezen plaatsen als genoemd in artikel 4, tweede lid.
3.
Ter uitvoering van artikel 183 van het Communautair douanewetboek worden goederen die het douanegebied van de Gemeenschap door de lucht zullen verlaten van de luchthaven buiten het douanegebied van de Gemeenschap gebracht zonder tussenlanding elders dan op een internationale luchthaven.
1.
Schepen welke ingevolge artikel 8, eerste lid, bij binnenkomst uit zee zijn vrijgesteld van het bepaalde in de artikelen 4 en 5, behoeven bij het uitgaan ter zee niet te worden aangebracht bij een douanekantoor van uitgang.
2.
Evenmin behoeven aan een douanekantoor van uitgang worden aangebracht schepen welke over zee van de ene in Nederland gelegen haven naar de andere gaan.
3.
Luchtvaartuigen welke ingevolge artikel 12 bij binnenkomst zijn vrijgesteld van het bepaalde in artikel 10, behoeven bij het uitgaan niet te worden aangebracht bij een douanekantoor van uitgang.
4.
De voorgaande leden zijn niet van toepassing indien ter zake van de uitvoer, wederuitvoer, dan wel met het oog op de verkrijging van kwijtschelding of terugbetaling van rechten bij invoer aan het douanekantoor van uitgang formaliteiten moeten worden vervuld.
1.
Goederen welke voor uitvoer zijn vrijgegeven kunnen, in afwachting van het verlaten van de Gemeenschap, op de voet van deze paragraaf worden opgeslagen in een opslaginrichting die in gebruik is als ruimte voor tijdelijke opslag als genoemd in artikel 185 van de toepassingsverordening Communautair douanewetboek. Zodanige opslag kan ook plaatsvinden in een douane-entrepot van het type B of C, zonder dat de goederen onder het stelsel van douane-entrepots worden geplaatst.
2.
Het eerste lid is eveneens van toepassing op goederen welke worden vervoerd onder een regeling voor douanevervoer en waarvan, overeenkomstig de aanduidingen op de ten behoeve van dat vervoer aanvaarde aangifte, het kantoor van bestemming buiten Nederland is gelegen.
Artikel 38
De in artikel 37 bedoelde goederen mogen, nadat van het voornemen tot opslag kennis is gegeven aan de inspecteur, onder overlegging van de aangifte waarmee de goederen zijn aangebracht, zonder verdere formaliteiten in één van de in het eerste lid van dat artikel genoemde opslaginrichtingen worden opgeslagen.
1.
Opslag van goederen op de voet van deze paragraaf in dezelfde ruimten waar andere goederen zijn opgeslagen, mag slechts plaatsvinden indien de goederen naar het oordeel van de inspecteur voldoende van elkaar zijn te onderscheiden.
2.
Goederen welke in strijd met het eerste lid zijn opgeslagen, worden geacht niet op de voet van deze paragraaf te zijn opgeslagen.
Artikel 41
De opslag wordt beëindigd door uitslag van de goederen. Van het voornemen tot uitslag van goederen wordt, onder overlegging van de in artikel 38 bedoelde aangifte, kennis gegeven aan de inspecteur.
1.
De inspecteur kan onder daarbij te stellen voorwaarden toestaan dat ten aanzien van goederen welke op de voet van hoofdstuk 4, paragraaf 2, zijn opgeslagen:
a. de verpakkingsmiddelen worden vervangen;
b. de colli worden gesplitst;
c. de merken en nummers van de colli worden gewijzigd;
d. losse of gestorte goederen worden verpakt;
e. verpakte goederen welke gestort plegen te worden aangeboden, worden ontpakt;
f. de goederen aan bepaalde onderzoekingen worden onderworpen en worden bemonsterd.
2.
Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op uitgaande goederen waarvoor het bezwaarlijk is deze met het oog op de in dat lid bedoelde behandelingen in een ruimte voor tijdelijke opslag of in een entrepot van het type B of C op te slaan.
3.
Indien het ten gevolge van dringende noodzakelijkheid niet mogelijk is om toestemming te vragen alvorens uitgaande goederen een behandeling als bedoeld in het eerste lid te laten ondergaan, wordt daarvan onverwijld kennis gegeven aan de inspecteur.
4.
De inspecteur geeft desgevraagd een verklaring af omtrent de staat waarin de goederen na de behandeling verkeren.
Artikel 43
Aan accijns onderworpen goederen kunnen slechts in een vrij entrepot worden opgeslagen voor zover de Wet op de accijns in deze opslag voorziet en onder de daarbij gestelde voorwaarden en beperkingen.
Artikel 44
Bij ministeriële regeling kunnen voor de in- en uitslag van goederen in en uit vrij entrepot per goederensoort minimumhoeveelheden worden vastgesteld.
Artikel 45
De in artikel 799 van de toepassingsverordening Communautair douanewetboek bedoelde belanghebbende die zodanige wijziging wenst te brengen in de door hem gevoerde administratie dat daardoor de wijze waarop toezicht op het vrij entrepot wordt uitgeoefend wordt beïnvloed, onderwerpt de voorgenomen wijziging aan de goedkeuring van de inspecteur. De wijziging wordt niet aangebracht dan na verkregen goedkeuring.
1.
Vrije entrepots worden, wanneer daar niet wordt gewerkt, ambtelijk gesloten.
2.
Buiten de kantooruren van de inspecteur mag alleen met toestemming van de inspecteur in de vrije entrepots worden gewerkt.
1.
Op aanvraag als bedoeld in artikel 800 van de Toepassingsverordening Communautair douanewetboek kunnen bij ministeriële regeling vrije zones controletype II als bedoeld in artikel 168 bis van het Communautair douanewetboek worden aangewezen.
2.
De aanvraag, bedoeld in het eerste lid, wordt ingediend bij de inspecteur en dient te geschieden door de beoogd beheerder van de vrije zone controletype II.
1.
De beheerder vrije zone controletype II dient ervoor te zorgen dat:
a. goederen tijdens hun verblijf in de vrije zone controletype II niet aan het douanetoezicht worden onttrokken;
b. de verplichtingen worden nagekomen welke voortvloeien uit de opslag, de veredeling, de behandeling, de aan- of verkoop van goederen in een vrije zone controletype II;
c. wordt voldaan aan de bijzondere voorwaarden die in de vergunning zijn vastgesteld.
2.
De operateur is altijd verantwoordelijk voor het nakomen van de verplichtingen die voortvloeien uit de plaatsing van de goederen in de vrije zone controletype II.
3.
In afwijking van het eerste lid kan in de vergunning worden bepaald dat de in dat lid onder a en b bedoelde verplichtingen uitsluitend bij de operateur berusten.
4.
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden vastgesteld ten aanzien de werking van de vrije zone controletype II.
Artikel 46c
De beheerder vrije zone controletype II of de operateur die zodanige wijziging wenst te brengen in of aan een in de vrije zone controletype II gelegen gebouw, dan wel in de door hem gevoerde administratie, dat daardoor de wijze waarop toezicht op de vrije zone controletype II wordt uitgeoefend wordt beïnvloed, onderwerpt de voorgenomen wijziging aan goedkeuring van de inspecteur. De wijziging wordt niet aangebracht dan na verkregen goedkeuring.
1.
Binnengebrachte postzendingen als bedoeld in artikel 237, eerste lid, onderdeel A, van de toepassingsverordening Communautair douanewetboek, welke niet rechtstreeks naar een plaats buiten Nederland zullen worden gevoerd, worden gebracht naar een sorteerplaats van de Post of naar een bergplaats van de Post.
2.
Vanaf de sorteerplaats kunnen postzendingen als bedoeld in artikel 237, derde lid, onderdeel a , van de toepassingsverordening Communautair douanewetboek zonder verdere formaliteiten ter beschikking worden gesteld aan de geadresseerde. Andere postzendingen worden zonder verdere formaliteiten hetzij buiten Nederland gevoerd, hetzij overgebracht naar een bergplaats van de Post.
Artikel 48
De plaatsen waar sorteerplaatsen en bergplaatsen voor binnengekomen postzendingen zijn gelegen, worden bij ministeriële regeling aangewezen in overeenstemming met Onze Minister van Verkeer en Waterstaat. Op de bergplaatsen is artikel 77 van overeenkomstige toepassing.
1.
In een bergplaats opgeslagen postzendingen kunnen zonder formaliteiten uit de bergplaats worden uitgeslagen mits zij als postzendingen hetzij in een andere bergplaats worden ingeslagen, hetzij buiten Nederland worden gevoerd dan wel, indien het betreft postzendingen als bedoeld in artikel 237, derde lid, onderdeel a , van de toepassingsverordening Communautair douanewetboek, ter beschikking worden gesteld aan de geadresseerde.
2.
In andere dan de in het eerste lid vermelde gevallen vindt de uitslag uit de bergplaats plaats nadat een aangifte is gedaan om de goederen een douanebestemming te geven in de zin van artikel 4, 15°, van het Communautair douanewetboek.
1.
Indien goederen als postzending het douanegebied van de Gemeenschap zullen verlaten:
a. bij uitvoer met kwijtschelding of terugbetaling van rechten bij invoer of ter voldoening aan de voorwaarden opgenomen in de vergunning voor de betreffende douaneregeling de aangifte ten uitvoer of tot wederuitvoer aan de Post overgelegd;
b. bij uitvoer in andere dan de in onderdeel avermelde gevallen de aangifte ten uitvoer bij de Post gedaan;
c. indien de goederen voor de regeling douanevervoer zijn aangegeven, de aanvaarde aangifte voor die regeling aan de Post overgelegd.
2.
De aftekening van de in het eerste lid bedoelde aangiften geschiedt door medewerkers van de Post. Deze aftekening kan slechts plaatsvinden op kantoren van de Post in plaatsen die bij ministeriële regeling in overeenstemming met Onze Minister van Verkeer en Waterstaat zijn aangewezen.
1.
Een exploitant van een pijpleiding als bedoeld in artikel 450 van de toepassingsverordening Communautair douanewetboek, neemt de leidingen en de van de leidinginstallatie deel uitmakende gebouwen en inrichtingen niet in gebruik dan nadat de ligging en de inrichting daarvan door de inspecteur zijn goedgekeurd.
2.
Bij het verzoek, bedoeld in artikel 3, wordt een opgave gedaan van de leidingen en van de gebouwen en inrichtingen, onder overlegging van duidelijke tekeningen op schaal.
Artikel 52
Langs leidingen binnenkomende goederen worden gevoerd naar een plaats waar de soort en de hoeveelheid van de goederen worden bepaald. Dienovereenkomstig worden de soort en de hoeveelheid van de goederen vermeld in de aangiften welke naar gelang van de bestemmingen die de goederen hebben gevolgd, worden gedaan.
Artikel 53
Bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat, indien aan de hand van de administratie een doeltreffende controle kan worden verricht, de vereiste douaneaangiften naar door bij die regeling te stellen regels maandelijks worden gedaan.
Artikel 54
Indien een douaneaangifte als bedoeld in artikel 201, derde lid, van het Communautair douanewetboek, is opgesteld op basis van gegevens die er toe leiden dat de verschuldigde rechten bij invoer gedeeltelijk niet worden geheven, is de persoon die de voor de opstelling van die aangifte benodigde gegevens heeft verstrekt terwijl hij wist of redelijkerwijs had moeten weten dat deze gegevens verkeerd waren, eveneens schuldenaar voor de verschuldigde rechten bij invoer.
1.
De bedragen van de verschuldigde rechten bij invoer, administratieve boeten, compenserende rente en kosten van ambtelijke werkzaamheden, zomede van de ter zake te verlenen terugbetalingen en kwijtscheldingen, worden rekenkundig afgerond op centen.
2.
Geschiedt de berekening van de rechten bij invoer, de terugbetaling of de kwijtschelding aan de hand van een aangifte, dan vindt de afronding plaats voor elk onderdeel van de aangifte.
1.
Voor de berekening van de verschuldigde rechten bij invoer worden gedeelten van een euro rekenkundig afgerond op hele euro's en worden gedeelten van een kilogram, van een liter of van een meter voor een geheel kilogram, een gehele liter of een gehele meter genomen.
2.
In afwijking in zoverre van het eerste lid, worden, indien de hoeveelheid waarover de rechten bij invoer moeten worden berekend, minder dan een kilogram, een liter of een meter bedraagt, gedeelten van 100 gram, van een deciliter of van een decimeter voor 100 gram, een gehele deciliter of een gehele decimeter genomen.
3.
De berekening van de rechten bij invoer op basis van het volumepercentage ethylalcohol geschiedt per tiende percent absolute ethylalcohol, met dien verstande dat gedeelten van een tiende percent worden verwaarloosd.
4.
Ingeval de hoeveelheid goederen waarover de rechten bij invoer moeten worden berekend groter of kleiner is dan de hoeveelheid waarin het tarief van het invoerrecht is uitgedrukt, worden de rechten bij invoer naar evenredigheid berekend.
1.
De boeking van rechten bij invoer bedoeld in artikel 1, tweede lid, van de Douanewet blijft achterwege indien het totaal verschuldigde bedrag niet meer bedraagt dan € 10.
2.
In geval een aanvullende aangifte als bedoeld in artikel 76, tweede lid, van het Communautair douanewetboek wordt gedaan, is het op grond van die aangifte getotaliseerde verschuldigde bedrag bepalend voor de toepassing van het eerste lid.
Artikel 58
De voor de toepassing van artikel 226, onderdeel b , van het Communautair douanewetboek in aanmerking te nemen periode is de kalendermaand.
Artikel 59
Deze paragraaf verstaat onder:
a. meerdere: de ambtenaar van de rijksbelastingdienst die uit hoofde van zijn functie of krachtens beschikking of aanwijzing met de leiding is belast of het bevel heeft over de taakuitvoering;
b. geweld: elke dwangmatige kracht van meer dan geringe betekenis uitgeoefend op personen of zaken;
c. aanwenden van geweld: het gebruiken van geweld en het dreigen met geweld, waaronder niet wordt begrepen het uit voorzorg ter hand nemen van een vuurwapen;
d. geweldmiddel: de wapens en de uitrusting, waarmee geweld kan worden uitgeoefend, die krachtens artikel 3a, derde lid, van de Wet wapens en munitie zijn toegestaan.
Artikel 60
Het gebruik van een geweldmiddel is uitsluitend toegestaan aan een ambtenaar van de rijksbelastingdienst die in het gebruik van dat geweldmiddel is geoefend.
1.
Indien de ambtenaar van de rijksbelastingdienst onder leiding van een ter plaatse aanwezige meerdere optreedt, gebruikt hij geen geweld dan na uitdrukkelijke last van deze meerdere. De meerdere geeft daarbij aan van welk geweldmiddel gebruik wordt gemaakt.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing in het geval de meerdere, bedoeld in het eerste lid, vooraf anders heeft bepaald.
1.
Het gebruik van een vuurwapen is slechts geoorloofd:
a. om een visitatie van vervoermiddelen te bewerkstelligen;
b. om een persoon aan te houden ten aanzien van wie redelijkerwijs mag worden aangenomen dat hij een voor onmiddellijk gebruik gereed zijnd vuurwapen bij zich heeft en dit tegen personen zal gebruiken;
c. om een persoon aan te houden die zich aan zijn aanhouding, voorgeleiding of andere rechtmatige vrijheidsbeneming tracht te onttrekken of heeft onttrokken en die wordt verdacht van of is veroordeeld wegens het plegen van een ernstig misdrijf, dat bovendien moet worden aangemerkt als een grove aantasting van de rechtsorde.
2.
Het gebruik in het eerste lid is slechts geoorloofd tegen personen en vervoermiddelen waarin of waarop zich personen bevinden, indien deze personen of vervoermiddelen aanwezig zijn in of op de in artikel 12 van de Douanewet bedoelde entrepots, ruimten voor tijdelijke opslag, plaatsen, spoorwegemplacementen, havens, haventerreinen, luchthavens, terreinen, gebouwen en erven.
3.
In de gevallen, bedoeld in het eerste lid, onderdelen b en c , wordt van het vuurwapen geen gebruik gemaakt, indien de identiteit van de aan te houden persoon bekend is en redelijkerwijs mag worden aangenomen dat het uitstel van de aanhouding geen onaanvaardbaar te achten gevaar voor de rechtsorde met zich brengt.
4.
Onder het plegen van een ernstig misdrijf, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c , worden mede begrepen de poging en de deelnemingsvormen, bedoeld in de artikelen 47 en 48 van het Wetboek van Strafrecht.
Artikel 63
De ambtenaar van de rijksbelastingdienst mag in verband met zijn eigen veiligheid of die van anderen slechts uit voorzorg een vuurwapen ter hand nemen indien redelijkerwijs mag worden aangenomen dat een situatie ontstaat waarin hij bevoegd is het vuurwapen te gebruiken. Zodra blijkt dat een dergelijke situatie zich niet voordoet, wordt het vuurwapen terstond opgeborgen.
Artikel 64
Het trekken van een vuurwapen is slechts geoorloofd in gevallen waarin het gebruik van een vuurwapen toegestaan is.
1.
De ambtenaar van de rijksbelastingdienst waarschuwt onmiddellijk voordat hij gericht met een vuurwapen zal schieten, met luide stem of op andere niet mis te verstane wijze dat geschoten zal worden, indien niet onverwijld het gegeven bevel wordt opgevolgd. Deze waarschuwing, die zonodig vervangen kan worden door een waarschuwingsschot, blijft slechts achterwege, wanneer de omstandigheden de waarschuwing niet toelaten.
2.
Een waarschuwingsschot moet op zodanige wijze worden gegeven dat gevaar voor personen of zaken zoveel mogelijk wordt vermeden.
1.
De ambtenaar van de rijksbelastingdienst die geweld heeft aangewend, meldt dit aanwenden van geweld, de redenen die daartoe hebben geleid en de daaruit voortvloeiende gevolgen onverwijld schriftelijk aan zijn meerdere.
2.
Indien de aanwending van het geweld lichamelijk letsel van meer dan geringe betekenis tot gevolg heeft gehad en in alle gevallen waarin van een vuurwapen gebruik is gemaakt, dient deze melding tevens ter kennis te worden gebracht van de officier van justitie van het arrondissement waarbinnen het geweld is aangewend.
3.
De melding, bedoeld in het eerste en tweede lid, geschiedt binnen 48 uur in de vorm van een rapport indien:
a. de gevolgen van het aangewende geweld daartoe, naar het oordeel van de in het eerste lid bedoelde meerdere, aanleiding geven, of
b. gebruik is gemaakt van enig geweldmiddel en lichamelijk letsel dan wel de dood veroorzaakt is.
Artikel 67
Indien de aanwending van het geweld met gebruikmaking van enig geweldmiddel op uitdrukkelijke last van een meerdere heeft plaatsgevonden, wordt het rapport, bedoeld in artikel 66, derde lid, door die meerdere opgemaakt.
Artikel 68
De meerdere licht de ambtenaar van de rijksbelastingdienst zo spoedig mogelijk in over de afhandeling van de melding. Desgevraagd worden aan de ambtenaar van de rijksbelastingdienst tussentijds inlichtingen verstrekt.
Artikel 69
Het onderzoek, bedoeld in artikel 27, derde lid, van de Douanewet, geschiedt door het oppervlakkig aftasten van de kleding en wordt zoveel mogelijk uitgevoerd door een ambtenaar van de rijksbelastingdienst van hetzelfde geslacht als degene die aan het onderzoek wordt onderworpen.
Artikel 70
De ambtenaar van de rijksbelastingdienst die een onderzoek als bedoeld in artikel 27, derde lid, van de Douanewet heeft uitgevoerd, meldt dit onverwijld schriftelijk aan de meerdere, onder vermelding van de redenen die tot dit onderzoek hebben geleid.
1.
De ambtenaar van de rijksbelastingdienst kan een persoon die rechtens van zijn vrijheid is beroofd, ten behoeve van het vervoer handboeien aanleggen.
2.
De maatregel, bedoeld in het eerste lid, kan slechts worden getroffen, indien de feiten of omstandigheden dit redelijkerwijs vereisen met het oog op gevaar voor ontvluchting, dan wel met het oog op gevaar voor de veiligheid of het leven van de persoon die rechtens van zijn vrijheid is beroofd, van de ambtenaar van de rijksbelastingdienst of van derden.
3.
De in het tweede lid bedoelde feiten of omstandigheden kunnen slechts gelegen zijn in:
a. de persoon die rechtens van zijn vrijheid is beroofd, of
b. de aard van het strafbare feit op grond waarvan de vrijheidsbeneming heeft plaatsgevonden, één en ander in samenhang met de wijze waarop en de situatie waarin het vervoer plaatsvindt.
Artikel 72
De ambtenaar van de rijksbelastingdienst die gebruik heeft gemaakt van handboeien als bedoeld in artikel 71, eerste lid, meldt dit onverwijld schriftelijk aan de meerdere, onder vermelding van de redenen die tot het gebruik van handboeien hebben geleid.
Artikel 73
De ambtenaar van de rijksbelastingdienst maakt bij de uitoefening van zijn dienst uitsluitend gebruik van het door of vanwege Onze Minister verstrekte geweldmiddel of de door of vanwege deze minister verstrekte handboeien.
1.
Ter zake van het verrichten van de volgende ambtelijke werkzaamheden zijn kosten verschuldigd:
a. het bewaken van goederen in de gevallen waarin niet is voldaan aan het vereiste in de wettelijke bepalingen dat de identificatie van de goederen moet zijn verzekerd;
b. het opnieuw opnemen van de inhoudsruimte van bergingsmiddelen en werktuigen, zomede het opnieuw verifiëren van peilinstrumenten en meetapparaten, ingeval zulks ingevolge wettelijke bepalingen op vordering van de belanghebbende geschiedt, en de uitkomst van de opneming of de verificatie niet van het vroeger bevondene verschilt;
c. het heronderzoek van goederen, ingeval tussen de uitkomst van het onderzoek en die van het heronderzoek geen verschil bestaat in het voordeel van de belanghebbende;
d. werkzaamheden verricht op verzoek van de belanghebbende:
1°. buiten de gewone diensttijd;
2°. elders dan aan douanekantoren, in ruimten voor tijdelijke opslag, entrepots en panden waar zich goederen bevinden waarvoor vrijstelling van rechten bij invoer wordt genoten dan wel waarbij de plaatsing onder de betreffende douaneregeling aan een vergunning is onderworpen;
e. het op verzoek van de belanghebbende instellen van een onderzoek naar de laadruimte van een vervoermiddel of een container, elders dan op een daarvoor krachtens artikel 24 aangewezen plaats;
f. werkzaamheden verricht ter opheffing van de gevolgen van het door de belanghebbende niet naleven van de wettelijke bepalingen of van een te zijnen aanzien getroffen regeling;
g. werkzaamheden welke voortvloeien uit het teloorgaan, vernietigen, bederven of op andere wijze onbruikbaar worden van goederen;
h. werkzaamheden niet voorzien in de wettelijke bepalingen, uitsluitend verricht op verzoek of ten behoeve van de belanghebbende.
2.
Het bepaalde in het eerste lid, onderdeel d , vindt geen toepassing ingeval ontheffing is verleend van de verplichting tot het aanbrengen aan een douanekantoor of douanekantoor van uitgang en de werkzaamheden in verband met de aard van de goederen, de wijze van transport of om andere redenen, naar het oordeel van de inspecteur kunnen worden verricht binnen het kader van de normale dienstuitoefening.
3.
Voor de behandeling van een verzoek om kwijtschelding of terugbetaling van rechten bij invoer zijn slechts kosten verschuldigd indien de rechten bij invoer ten onrechte zijn geheven als gevolg van een laakbare slordigheid of nalatigheid van de aangever of diens opdrachtgever.
1.
Als gewone diensttijd wordt aangemerkt de tijd op werkdagen gelegen tussen 07.00 en 19.00 uur.
2.
Voor douanekantoren als bedoeld in de artikelen 4 en 10 en voor laatste kantoren wordt met betrekking tot werkzaamheden welke verband houden met het nakomen van verplichtingen, bij wettelijke bepalingen opgelegd ter zake van het binnenbrengen van goederen in of het verlaten van goederen van het douanegebied van de Gemeenschap, als gewone diensttijd aangemerkt, de tijd gedurende welke het douanekantoor of laatste kantoor voor het aangeven van die goederen is opengesteld.
3.
Andere tijden dan de in het eerste lid genoemde tijd, gedurende welke op of aan douanekantoren het lossen, laden, verpakken en ontpakken van goederen gebruikelijk is, worden voor wat betreft de daar verband mee houdende ambtelijke werkzaamheden mede aangemerkt als gewone diensttijd. De inspecteur wijst de plaatsen aan waar, alsmede de tijden gedurende welke, het lossen, laden, verpakken en ontpakken als gebruikelijk moet worden beschouwd.
4.
Voor de toepassing van het eerste lid worden onder werkdagen niet begrepen de zaterdagen, de zondagen en de in artikel 3, eerste lid, van de Algemene termijnenwet , genoemde algemeen erkende feestdagen.
Artikel 76
Op de uit te keren opbrengst van in bewaring genomen goederen - in geval van uitoefening van het recht van verhaal op hetgeen is overgebleven - wordt na aftrek van de kosten een vergoeding in mindering gebracht welke bedraagt:
a. zes percent van de kosten, doch ten minste € 5 indien de goederen niet binnen zes maanden na de mededeling omtrent de inbewaringneming zijn verkocht;
b. drie percent van de kosten, doch ten minste € 2 in de overige gevallen.
1.
De inrichting van visitatieruimten op haven- en luchtvaartterreinen en van andere voor douanedoeleinden dienende gebouwen, gedeelten van gebouwen en terreinen van vervoersondernemingen in geregelde dienst, moet zodanig zijn dat de ambtelijke werkzaamheden op doelmatige wijze kunnen worden verricht.
2.
Een dergelijke ruimte of een dergelijk gebouw, gedeelte van een gebouw of terrein mag voor douanedoeleinden niet in gebruik worden genomen alvorens de inrichting ervan door de inspecteur is goedgekeurd.
3.
Een wijziging in de inrichting wordt niet aangebracht dan na verkregen goedkeuring van de inspecteur.
4.
Indien de doelmatigheid van de ambtelijke werkzaamheden zulks vordert kan de inspecteur eisen dat binnen een door hem, gezien de aard van de wijziging, te bepalen redelijke termijn, wijziging wordt gebracht in de inrichting. De belanghebbende wordt daarvan schriftelijk in kennis gesteld. Indien de wijziging niet binnen de gestelde termijn is aangebracht, kan de inspecteur bepalen dat het gebruik voor douanedoeleinden niet meer is toegestaan.
Artikel 78
Bij ministeriële regeling worden regels gesteld welke noodzakelijk zijn voor de goede werking van de wettelijke bepalingen:
a. inzake vrijstelling van rechten bij invoer, vastgesteld overeenkomstig artikel 184 van het Communautair douanewetboek;
b. inzake de preferentiële tariefmaatregelen als bedoeld in artikel 20, derde lid, onderdelen d , e , f en g , van het Communautair douanewetboek;
c. inzake de gunstige tariefbehandeling als bedoeld in artikel 21 van het Communautair douanewetboek;
d. inzake de forfaitaire heffing van rechten bij invoer als bedoeld in bijlage I, titel II, onderdeel C, 1°, van Verordening (EEG) nr. 2658/87 van 23 juli 1987 van de Raad met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief;
e. inzake de douanewaarde van goederen, in het bijzonder de bepalingen betreffende de toe te passen wisselkoers en die betreffende de eenheidswaarde van bepaalde goederen als bedoeld in artikel 173 van de toepassingsverordening Communautair douanewetboek.
1.
Goederen welke ten behoeve van de verrichting van ambtelijke werkzaamheden zijn gelost uit het vervoermiddel waarin of waarop zij zich bevonden, worden niet geladen dan met toestemming van de inspecteur.
2.
Voor zover niet anders is bepaald, worden binnengebrachte goederen en goederen, die het douanegebied van de Gemeenschap zullen verlaten, waarvoor een summiere aangifte dan wel een douaneaangifte is gedaan, niet weggevoerd van de plaats waar zij zich volgens de aangifte bevinden, dan met toestemming van de inspecteur.
1.
Indien de lossing, lading, inslag of uitslag van goederen krachtens wettelijke bepalingen slechts kan geschieden indien daartoe een aangifte is gedaan, wordt, voor zover bij ministeriële regeling niet anders is bepaald, niet aangevangen met de lossing, lading, inslag of uitslag dan met toestemming van de inspecteur.
2.
De in het eerste lid bedoelde toestemming wordt verleend na kennisgeving van de voorgenomen lossing, lading, inslag of uitslag van goederen.
Artikel 81
De entreposeur of een in artikel 799 van de toepassingsverordening Communautair douanewetboek bedoelde belanghebbende die handelt in strijd met het bepaalde in de hem verleende vergunning beloopt een bestuurlijke boete van € 90.
Artikel 82
Strafbare feiten zijn:
a. het zonder de ingevolge wettelijke bepalingen vereiste toestemming lossen, laden, inslaan of uitslaan van goederen;
b. het achterwege laten van een ingevolge wettelijke bepalingen verplichte kennisgeving of inkennisstelling;
c. het zonder de ingevolge wettelijke bepalingen vereiste toestemming wegvoeren van goederen of vertrekken met een vervoermiddel;
d. het in strijd met dit besluit met een binnenkomend luchtvaartuig landen elders dan op een internationale luchthaven of op een tijdstip waarop de internationale luchthaven daarvoor niet is opengesteld;
e. het nalaten te voldoen aan een krachtens artikel 25 gestelde voorwaarde;
f. het in strijd met wettelijke bepalingen verandering brengen in de staat waarin binnengebrachte goederen of goederen die het douanegebied van de Gemeenschap zullen verlaten zijn aangebracht;
g. het in strijd met wettelijke bepalingen wijziging brengen in de administratie van een entrepot;
h. het achterwege laten of niet tijdig doen van een aangifte bedoeld in artikel 22.
Artikel 83
Dit besluit treedt in werking op het tijdstip waarop de Douanewet in werking treedt.
Artikel 84
Dit besluit wordt aangehaald als: Douanebesluit.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
's-Gravenhage, 4 maart 1996
De Staatssecretaris van Financiën,
Uitgegeven de eenentwintigste maart 1996
De Minister van Justitie,
Inhoudsopgave
+ Hoofdstuk 1. Inleidende bepalingen
+ Hoofdstuk 2. Binnenbrengen van goederen
+ Hoofdstuk 3. Douanebestemmingen
+ Hoofdstuk 4. Verlaten van het douanegebied, vrije entrepots en vrije zones
+ Hoofdstuk 5. Bijzondere regelingen
+ Hoofdstuk 6. Douaneschuld
+ Hoofdstuk 7. Algemene bepalingen
+ Hoofdstuk 8. Douanetoezicht
+ Hoofdstuk 9. Bestuurlijke boete
+ Hoofdstuk 10. Strafrechtelijke bepalingen
+ Hoofdstuk 11. Slotbepalingen
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht