Let op. Deze wet is vervallen op 30 december 2010. U leest nu de tekst die gold op 29 december 2010.

Durfkapitaalfondsen

Uitgebreide informatie
Durfkapitaalfondsen De Directeur-Generaal Belastingdienst heeft namens de Staatssecretaris van Financiën het volgende besloten.
Dit besluit is opnieuw uitgebracht voor de toepassing van de Wet IB 2001. Hiermee zijn de besluiten van 24 februari 1997, nr. DB97/806M en nr. DB97/807M aangepast aan de Wet IB 2001.
1. Algemeen
Dit besluit geeft een nadere toelichting op de wettelijke regeling inzake de indirecte beleggingen in durfkapitaal (ook wel indirecte Agaathlening geheten) zoals bedoeld in artikel 5.18 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: de Wet IB 2001) alsmede een toelichting op de te stellen standaardvoorwaarden. Deze standaardvoorwaarden zijn opgenomen in onderdeel 10 bij dit besluit.
Verder is een uitwerking gegeven van de machtiging aan de inspecteur zoals deze is opgenomen in artikel 33 van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 (hierna: de URIB 2001). In dit besluit is aangegeven in welke gevallen en op welke wijze de inspecteur verzoeken om aanwijzing als zogenoemd Durfkapitaalfonds (ook wel Agaathfonds geheten) kan afdoen. Ingeval de inspecteur aan het verzoek tegemoet komt, worden standaardvoorwaarden gesteld.
1.1. Begripsomschrijvingen
In dit besluit en in de standaardvoorwaarden wordt verstaan onder:
de Wet IB 2001: de Wet inkomstenbelasting 2001;
de URIB 2001 : de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001;
de Wet VPB 1969: Wet op de vennootschapsbelasting 1969;
de Regeling aanwijzen van Durfkapitaalfondsen: de bepalingen in artikelen 33 van de URIB 2001;
een Durfkapitaalfonds: een participatiemaatschappij die door de inspecteur ingevolge artikel 5.18 van de Wet en artikel 33 van de URIB 2001 als zodanig is aangewezen;
een beginnende onderneming: een ondernemer/natuurlijke persoon als bedoeld in artikel 5.17, derde lid onderdeel a, van de Wet, juncto artikel 30, van de URIB 2001, of een ondernemer/rechtspersoon als bedoeld in artikel 5.17, derde lid, onderdeel b, van de Wet juncto artikel 31 van de URIB 2001;
de inspecteur: het Hoofd van de eenheid Belastingdienst/Grote ondernemingen Amsterdam, hierbij op grond van artikel 36 van de Uitvoeringsregeling Belastingdienst gemachtigd voor de uitvoering van de Regeling aanwijzen van Durfkapitaalfondsen.
2.1. Inleiding
Op grond van artikel 5.16, eerste lid, van de Wet IB 2001 worden beleggingen in durfkapitaal tot een bepaald maximum niet tot de bezittingen gerekend die de grondslag voor de vermogensrendementsheffing (box 3) vormen. In artikel 5.16, tweede lid, van de Wet IB 2001 worden de beleggingen in durfkapitaal genoemd: directe beleggingen in durfkapitaal, indirecte beleggingen in durfkapitaal en culturele beleggingen. In artikel 5.18 van de Wet IB 2001 is vermeld wat indirecte beleggingen in durfkapitaal zijn; dit zijn geldleningen aan, aandelen in of winstbewijzen van bij ministeriële regeling aangewezen participatiemaatschappijen. De ministeriële regeling is uitgewerkt in artikel 33 URIB 2001.
3.1. Verliezen op participaties
Bij Besluit van 16 september 1981, nr. 281-11 363, is meegedeeld, dat een door een particuliere participatiemaatschappij zoals in dat besluit is vermeld, gehouden aandelenbezit in een kleine of middelgrote in Nederland gevestigde vennootschap, dat minder dan 5% van het gestorte kapitaal van de vennootschap waarin wordt deelgenomen vertegenwoordigt, kan worden aangemerkt als een deelneming waarop de deelnemingsvrijstelling van toepassing is. Deze precisering is ingegeven door het belang dat wordt gehecht aan de bijdrage door particuliere participatiemaatschappijen aan het risicodragend vermogen van dergelijke vennootschappen. Dit besluit is ook van toepassing voor Durfkapitaalfondsen.
Ingevolge de deelnemingsvrijstelling worden (positieve en negatieve) opbrengsten van deelnemingen (waaronder boekwinsten en -verliezen) niet in aanmerkingen genomen bij de belastbare winst.
In artikel 13ca van de Wet VPB 1969 is voor door een Durfkapitaalfonds gehouden deelnemingen in rechtspersonen als bedoeld in artikel 5.18, tweede lid, onderdeel a, van de Wet IB 2001 juncto artikel 33 URIB 2001, geregeld onder welke voorwaarden de deelnemingsvrijstelling toepassing mist bij afwaarderingsverliezen. De deelnemingsvrijstelling mist vervolgens tevens toepassing op de positieve voordelen (waaronder boekwinsten), totdat het voormelde afwaarderingsverlies is goedgemaakt.
Het afwaarderingsverlies is gelijk aan de daling van de waarde van de deelneming beneden het opgeofferd bedrag, maar maximaal tot nihil. Tot het bedrag van de positieve voordelen uit de deelneming waarop de deelnemingsvrijstelling van toepassing was, kan geen afwaarderingsverlies worden genomen. Nadat een afwaarderingsverlies is genomen, vindt de deelnemingsvrijstelling geen toepassing op positieve voordelen tot het bedrag ter grootte van dat afwaarderingsverlies (goedmaking). De deelneming dient jaarlijks op de waarde in het economisch verkeer te worden gewaardeerd, maar niet lager dan op nihil.
Bij ontbinding van de deelneming wordt het deel van het afwaarderingsverlies dat nog niet is goedgemaakt ineens tot de winst gerekend.
De inspecteur moet door het Durfkapitaalfonds worden geïnformeerd over het gebruik van de regeling van het afwaarderingsverlies. Dit kan geschieden door overlegging van een bijlage bij het aangiftebiljet vennootschapsbelasting.
In de voormelde bijlage dient het Durfkapitaalfonds per deelneming in de eerste acht jaren na verwerving daarvan vast te leggen welke positieve voordelen zijn verkregen. Indien het fonds in die periode op een deelneming een afwaarderingsverlies ten laste van het fiscale resultaat wil brengen, moet immers inzichtelijk zijn tot welk bedrag reeds positieve voordelen uit die deelneming, waarop de deelnemingsvrijstelling van toepassing was, zijn genoten. Het fonds dient deze bijlage jaarlijks bij het aangiftebiljet te voegen.
Die bijlage bevat per deelneming waarop een afwaarderingsverlies is genomen, een staffel van het opgeofferde bedrag, de positieve voordelen waarop de deelnemingsvrijstelling van toepassing was, het afwaarderingsverlies/goedmaking van het boekjaar, het geaccumuleerde afwaarderingsverlies, alsmede de balanswaardering per begin en einde van het boekjaar.
Bij ontbinding van een deelneming dient een overzicht van het verloop van het afwaarderingsverlies en de goedmaking daarvan bij het aangiftebiljet te worden gevoegd.
Als het Durfkapitaalfonds een deelneming waarop een afwaarderingsverlies is geleden, aan een verbonden lichaam vervreemdt, zijn de bepalingen over de goedmaking van dat afwaarderingsverlies van overeenkomstige toepassing bij het verbonden lichaam. De op het fonds rustende verplichting een bijlage over te leggen ter zake van de deelnemingen waarop een afwaarderingsverlies is genomen, gaat over op het verbonden lichaam dat een zodanige deelneming van het fonds heeft verworven.
Indien het Durfkapitaalfonds meer dan € 226.890 verstrekt aan achtergestelde kredieten en kapitaal aan een Durfkapitaalvennootschap, vervalt ter zake van die deelneming de regeling van artikel 13ca van de Wet VPB 1969. Een dergelijke overschrijding van de in artikel 33, derde lid, URIB 2001 opgenomen limiet kan bijvoorbeeld worden bereikt door verstrekking van aanvullende kredieten of door bijschrijving van rente op de hoofdsom.
Vanaf het moment dat voormelde limiet wordt overschreden, vervalt de faciliteit van artikel 13ca van de Wet VPB 1969. Ten aanzien van die deelneming geldt vanaf dat moment het reguliere regime van de deelnemingsvrijstelling ten aanzien van die deelneming.
3.2. Sanctiebepaling
In artikel 23b van de Wet VPB 1969 is een sanctiebepaling opgenomen voor situaties waarin Durfkapitaalfondsen niet meer voldoen aan de regeling. Ingeval het Durfkapitaalfonds in enig jaar niet langer voldoet aan de voorwaarden gesteld voor de aanwijzing, wordt bij de participatiemaatschappij de op de voet van de artikelen 22 en 23a of krachtens artikel 28 van de Wet VPB 1969 verschuldigde vennootschapsbelasting over dat jaar vermeerderd met een bedrag ter grootte van een in de volgende volzin aangegeven percentage van de waarde in het economische verkeer van het vermogen van die instelling of maatschappij op het tijdstip dat niet meer aan de voorwaarden wordt voldaan. Het in het eerste volzin bedoelde percentage bedraagt voor elke maand vanaf het niet meer voldoen aan de voorwaarden tot de intrekking van de aanwijzing 0,2. Aldus worden niet de particuliere beleggers – die immers geen invloed hebben op het handelen van het Durfkapitaalfonds – getroffen met (navorderings)aanslagen inkomstenbelasting box 3 ter zake van het niet meer voldoen aan de voorwaarden. De te weinig geheven belasting tot het moment van intrekking van de aanwijzing wordt derhalve van het Durfkapitaalfonds geheven.
3.3. Verliesverrekening: carry-back van verliezen uit de aangewezen periode
Zoals hiervóór is aangegeven houdt de Durfkapitaalfaciliteit in dat slechts de tijdens de Durfkapitaalperiode behaalde resultaten onbelast kunnen worden uitgekeerd. Op grond hiervan is het niet mogelijk dat verliezen welke zijn geleden tijdens de Durfkapitaalperiode worden verrekend met winsten behaald in de pré-Durfkapitaalperiode. Door een dergelijke verrekening zouden immers op indirecte wijze toch voordelen – te weten bedragen aan terugontvangen vennootschapsbelasting – die niet zijn terug te voeren tot de resultaten op beginnende ondernemingen, aan de beleggers onbelast kunnen worden uitgekeerd. In dit kader kan worden gedacht aan verrekening van dergelijke Durfkapitaalverliezen met voorgaande jaren alsmede aan een verrekening binnen het eerste jaar dat de instelling is aangewezen.
In standaardvoorwaarde 3 is met het oog hierop bepaald dat achterwaartse verliesverrekening van tijdens de Durfkapitaalperiode geleden verliezen met in de pré-Durfkapitaalperiode gerealiseerde winsten niet mogelijk is.
Indien een Durfkapitaalfonds in de loop van een boekjaar wordt aangewezen als Durfkapitaalfonds, is de situatie denkbaar dat in de Durfkapitaalperiode van dat jaar negatieve resultaten zijn behaald en dat positieve resultaten zijn behaald in de pré-Durfkapitaalperiode van dat jaar. In de lijn van het voorgaande zou een saldering van deze resultaten moeten worden uitgesloten. Het niet toestaan van een dergelijke saldering stuit echter op zodanige uitvoeringstechnische bezwaren dat om praktische redenen is afgezien van een salderingsverbod. Op dezelfde gronden is toegestaan dat een carry-back van verliezen uit latere jaren mogelijk is naar dit eerste Durfkapitaalboekjaar, ondanks het feit dat de fiscale winst voor een deel bestaat uit niet-Durfkapitaalresultaten.
4. Eisen Durfkapitaalfondsen
Het Hoofd van de eenheid Belastingdienst/Grote ondernemingen Amsterdam stelt standaardvoorwaarden vast in de gevallen dat hij een participatiemaatschappij aanwijst als een Durfkapitaalfonds. Dit laat onverlet de mogelijkheid dat in daartoe aanleiding gevende gevallen aanvullende of afwijkende voorwaarden worden vastgesteld. Indien de inspecteur van mening is dat aanleiding bestaat van de standaardvoorwaarden afwijkende of aanvullende voorwaarden te stellen, zendt hij het verzoek door naar het Ministerie van Financiën. Daar wordt het verzoek beoordeeld en wordt een beslissing voorbereid. Vervolgens wordt de inspecteur, onder toezending van een concept-beschikking en een concept-aanbiedingsbrief, gemachtigd namens de staatssecretaris op het verzoek te beslissen.
De standaardvoorwaarden die aan het Durfkapitaalfonds worden opgelegd zijn enerzijds gericht op een afbakening van de periode vóór de aanwijzing én de periode van aanwijzing als Durfkapitaalfonds. Alleen indirecte beleggingen in durfkapitaal in de periode van aanwijzing vallen onder de vrijstelling van de durfkapitaalregeling. Anderzijds zijn deze voorwaarden gericht op de informatie die periodiek aan de inspecteur moet worden verstrekt om toezicht op de naleving van de wettelijke regeling en de gestelde voorwaarden mogelijk te maken.
Voor aanwijzing als Durfkapitaalfonds komen alleen participatiemaatschappijen in aanmerking die aan de volgende eisen voldoen:
a. De participatiemaatschappij is een in Nederland gevestigde rechtspersoon.
b. De participatiemaatschappij is een lichaam als bedoeld in artikel 2 van de Wet VPB 1969.
c. Doel en feitelijke werkzaamheden van de participatiemaatschappij bestaan uit het verstrekken van ten minste 70% (‘hoofdzakelijk’) van haar kapitaal en haar vreemd vermogen aan beginnende ondernemingen.
Ingevolge de tweede volzin van artikel 5.18, tweede lid, letter b, van de Wet IB 2001 kunnen naast de vorenbedoelde participatiemaatschappijen eveneens in Nederland gevestigde rechtspersonen worden aangewezen als Durfkapitaalfondsen indien het doel en de feitelijke werkzaamheden (nagenoeg) uitsluitend – dat wil zeggen voor 90% of meer – bestaan uit het verstrekken van geldleningen aan dan wel het deelnemen in Durfkapitaalfondsen. Voor de bepaling of aan dit getalsmatige vereiste wat betreft de feitelijke werkzaamheden wordt voldaan, kan op praktische gronden worden volstaan met een beoordeling van de balansgegevens.
d. De minimale omvang van de participatiemaatschappij aan kapitaal en vreemd vermogen bedraagt € 4.537.802 en de maximale vermogensverstrekking per beginnende onderneming gaat een bedrag van € 226.890 niet te boven.
Ik merk hierbij op dat de maximale vermogensverstrekking ad € 226.890 per beginnende ondernemer voor ieder Durfkapitaalfonds afzonderlijk geldt. Een beginnende ondernemer kan derhalve bij meerdere Durfkapitaalfondsen € 226.890 lenen.
e. De participatiemaatschappij verstrekt
achtergestelde geldleningen aan beginnende ondernemers/natuurlijke personen, en/of
achtergestelde geldleningen en/of risicodragend kapitaal aan beginnende ondernemers/rechtspersonen.
De voorwaarde van achterstelling zou een wezenlijke belemmering kunnen vormen voor het verstrekken van geldleningen door Durfkapitaalfondsen aan beginnende ondernemers in situaties waarin normaal gesproken een hypothecaire zekerheid wordt verstrekt aan de geldgever. Om die reden heb ik aanleiding gevonden goed te keuren dat een geldlening van een Durfkapitaalfonds aan een beginnende ondernemer waarbij hypothecaire zekerheid wordt verstrekt, ook in aanmerking komt voor de kwalificatie Durfkapitaallening, mits aan de overige Durfkapitaalvoorwaarden wordt voldaan. De voorwaarde van achterstelling geldt derhalve niet in dergelijke gevallen.
f. Ten tijde van de ingangsdatum als Durfkapitaalfonds is er geen zuivere winst aanwezig in het fonds, heeft het fonds geen schulden jegens natuurlijke personen, heeft het fonds geen geldleningen verstrekt aan beginnende ondernemers en houdt het fonds geen deelnemingen in beginnende ondernemers/rechtspersonen.
5.1. Indienen van een verzoek en de over te leggen gegevens en bescheiden
De onlangs opgerichte participatiemaatschappij of de al bestaande participatiemaatschappij die in aanmerking wenst te komen voor de aanwijzing als Durfkapitaalfonds dient een schriftelijk verzoek in bij de inspecteur. Op grond van artikel 36 van de Uitvoeringsregeling Belastingdienst verklaar ik hierbij het Hoofd van de eenheid Belastingdienst/Grote ondernemingen Amsterdam bevoegd voor de uitvoering van de Regeling aanwijzen van Durfkapitaalfondsen.
Is een verzoek bij een andere eenheid ingediend dan wordt het verzoek onverwijld naar deze doorgestuurd. Deze inspecteur beoordeelt of de participatiemaatschappij is aan te merken als een zogenoemd Durfkapitaalfonds. Hij geeft de beschikking, bedoeld in artikel 33 van de URIB 2001, af. Gedurende de periode dat de participatiemaatschappij opereert als Durfkapitaalfonds beoordeelt deze inspecteur ook of het fonds nog voldoet aan de wettelijke eisen en aan de gestelde voorwaarden. Het Durfkapitaalfonds richt haar periodieke informatieverstrekking dan ook tot deze inspecteur. Voor de reguliere heffing en invordering van rijksbelastingen van het Durfkapitaalfonds is in beginsel het Hoofd van de Belastingdienst/Grote ondernemingen Amsterdam niet competent, maar blijft – voor zover zich dergelijke situaties voordoen – de inspecteur bevoegd die is aangewezen in de Uitvoeringsregeling Belastingdienst.
Het verzoek van een onlangs opgerichte of een nog op te richten participatiemaatschappij bevat onder andere de (concept-)statuten van het Durfkapitaalfonds (in oprichting), de prospectussen van de aan te bieden beleggingsprodukten en kopieën van de beschikkingen ten behoeve van beginnende ondernemingen waarin vermogen wordt belegd dan wel ten behoeve waarvan kredieten worden verstrekt.
Het verzoek van een bestaande participatiemaatschappij bevat naast de gegevens die van een nieuw fonds worden gevraagd voorts de volledige jaarstukken van de participatiemaatschappij van het laatste afgesloten boekjaar alsmede een balans als bedoeld in standaardvoorwaarde 2.
De participatiemaatschappij geeft voorts een zo volledig mogelijk overzicht van de geplande uitzettingen. De participatiemaatschappij overlegt daartoe onder andere kopieën van beschikkingen als bedoeld in artikel 5.17, derde lid, onderdelen a en b, van de Wet IB 2001. Van de na de ingangsdatum verkregen nieuwe beschikkingen van beginnende ondernemingen worden kopieën aan de inspecteur verstrekt.
Een bestaande participatiemaatschappij moet bij de indiening van het verzoek bij de inspecteur aannemelijk maken dat ten tijde van de ingangsdatum geen zuivere winst aanwezig is die haar oorsprong vindt in de periode die vooraf gaat aan de aanwijzing als Durfkapitaalfonds (artikel 33 van de URIB 2001). Er dienen derhalve ten tijde van het indienen van het verzoek vastomlijnde plannen te bestaan omtrent de binnen kort tijdsbestek plaatsvindende omvorming van de bestaande participatiemaatschappij in een Durfkapitaalfonds en de daarmee gepaard gaande afrekening over de fiscale en stille reserves en de uitkering van alle zuivere winst. Het voornemen dat binnen een kort tijdsbestek zuivere winst zal worden uitgekeerd kan bijvoorbeeld aannemelijk worden gemaakt aan de hand van een verslag van de algemene vergadering van aandeelhouders.
Vervolgens dient de bestaande participatiemaatschappij – vooruitlopend op de formele aanwijzing – aan de wettelijke eisen en aan de standaardvoorwaarden te voldoen zodat de participatiemaatschappij in materiële zin reeds een Durfkapitaalfonds is. In verband hiermee is het noodzakelijk dat de volledige jaarstukken van het laatste boekjaar die zijn opgemaakt, ten tijde van het indienen van het verzoek worden overgelegd. Tevens overlegt de participatiemaatschappij de balans per ingangsdatum (zie standaardvoorwaarde 2). Aan de hand van deze balans beoordeelt de inspecteur of wordt voldaan aan het hoofdzakelijkheidsvereiste. Voor een nadere uitwerking van dit hoofdzakelijkheidsvereiste ten aanzien van bestaande participatiemaatschappijen gedurende de overgangsfase en de mogelijkheid gebruik te maken van een ingroeiregeling wordt verwezen naar onderdeel 10.1 van dit besluit.
Ten slotte dient de participatiemaatschappij de prospectussen te overleggen van de aan te bieden producten. Aan de hand van de prospectus kan dan – waar mogelijk op voorhand – worden beoordeeld of voordelen uit deze producten vallen onder de vrijstelling van artikel 5.16 van de Wet. Bij de aan te bieden producten kan worden gedacht aan deelname via aandelen, winstbewijzen, participaties, bewijzen van deelgerechtigdheid, geldleningen en spaarrekeningen.
Over het zogenoemde externe toezicht op de Durfkapitaalfondsen merk ik het volgende op. In de Durfkapitaalregeling is – in tegenstelling tot de regeling groen beleggen – niet het vereiste opgenomen dat het Durfkapitaalfonds in oprichting zich bij De Nederlandsche Bank dient te melden voor het verkrijgen van een vergunning als bedoeld in artikel 6 of 38 van de Wet toezicht kredietwezen 1992 (hierna de Wtk) onderscheidenlijk artikel 5 van de Wet toezicht beleggingsinstellingen (hierna: de Wtb). Dit heeft de volgende achtergrond. Het begrip participatiemaatschappij kent niet een eenduidige definitie; eerder kan worden gesproken van een ruime omschrijving van het begrip. De activiteiten van een participatiemaatschappij en van een beleggingsinstelling in de zin van de Wtb verschillen in vele gevallen nauwelijks van elkaar. Zelfs is het mogelijk dat een participatiemaatschappij is aan te merken als een kredietinstelling in de zin van de Wtk. Inrichting, doelstelling en werkzaamheden van de participatiemaatschappij zijn in deze beslissend. Rechtspersonen die in aanmerking wensen te komen voor aanwijzing als Durfkapitaalfonds kunnen zich voor het aantrekken van de middelen al dan niet wenden tot het publiek. Worden in niet-besloten kring (van het publiek) spaargelden ter collectieve belegging aangetrokken en verkregen dan geldt voor het Durfkapitaalfonds het vereiste – gelet op de bescherming van (potentiële) particuliere beleggers – dat De Nederlandsche Bank een vergunning als bedoeld in artikel 6 of 38 van de Wtk onderscheidenlijk artikel 5 van de Wtb afgeeft. De instelling overlegt op verzoek van de inspecteur een kopie van deze vergunning. Indien echter in besloten kring wordt belegd – dat wil zeggen het fonds kwalificeert niet als Wtk- of Wtb-instelling – is het vereiste dat De Nederlandsche Bank toezicht houdt op het Durfkapitaalfonds minder noodzakelijk. Beleggers die in dit soort besloten fondsen stappen aanvaarden bewust de risico's die inherent zijn aan beleggen in besloten kring waarbij extern toezicht ontbreekt. Of sprake is van het beleggen in besloten kring wordt getoetst door De Nederlandsche Bank.
5.2. Behandeling door de inspecteur
De inspecteur (zie onderdeel 5.1) beoordeelt of hij het verzoek aan de hand van de in de onderdeel 5.3 uitgewerkte aandachtspunten en met inachtneming van het voorgaande zelfstandig kan afdoen. In de gevallen waarin de inspecteur het verzoek zelf kan afdoen, neemt hij zijn beslissing in de vorm van een voor bezwaar vatbare beschikking waarbij hij het volgende in acht neemt.Aanbiedingsbrief
De beschikking wordt in alle gevallen verzonden met een aanbiedingsbrief ingericht overeenkomstig bijlage 1.
a. Het verzoek wordt afgewezen
Indien het verzoek met inachtneming van hetgeen is vermeld in onderdeel 5.3 wordt afgewezen, richt de inspecteur de beschikking in conform bijlage 2.
b. Het verzoek wordt ingewilligd
Indien het verzoek met inachtneming van hetgeen is vermeld in onderdeel 5.3 wordt ingewilligd, richt de inspecteur de beschikking in conform bijlage 3 (nieuwe participatiemaatschappij) of 4 (bestaande participatiemaatschappij), waarbij uitsluitend voorwaarden worden gesteld die overeenkomen met de standaardvoorwaarden.
Kan de inspecteur het verzoek niet zelfstandig afdoen dan zendt hij het verzoek – overeenkomstig het bepaalde in onderdeel 5.3 – door naar het Ministerie van Financiën. Daar wordt het verzoek beoordeeld en wordt een beslissing voorbereid. Vervolgens wordt de inspecteur, onder toezending van een concept-beschikking en een concept-aanbiedingsbrief, gemachtigd namens de staatssecretaris op het verzoek te beslissen. De inspecteur handelt verder overeenkomstig hetgeen hiervóór is vermeld.
5.3. Aandachtspunten bij de beoordeling van de verzoeken
De inspecteur beoordeelt het verzoek op de volgende aspecten.
1. Is er sprake van een participatiemaatschappij die hoofdzakelijk en op brede schaal eigen vermogen en vreemd vermogen verstrekt aan beginnende ondernemingen?
Zo nee, dan wijst de inspecteur het verzoek af.
2. Heeft de participatiemaatschappij alle vereiste bescheiden zoals vermeld in onderdeel 5.1 bijgevoegd?
Zo nee, dan stelt de inspecteur de verzoeker in de gelegenheid alsnog deze gegevens te verstrekken. Ingeval vervolgens die gegevens niet worden verstrekt, wijst de inspecteur het verzoek af.
3. Is de inspecteur van mening dat er aanleiding bestaat van de standaardvoorwaarden afwijkende voorwaarden te stellen?
Zo ja, dan zendt de inspecteur het verzoek met zijn ambtsbericht binnen drie weken door naar het Ministerie van Financiën. Tevens stelt de inspecteur de verzoeker hiervan in kennis.
5.4. Afdoeningstermijn
De participatiemaatschappijen hebben er – mede gelet op de informatieverstrekking naar de particuliere beleggers – belang bij dat op zo kort mogelijke termijn op het ingediende verzoek door de inspecteur een beslissing wordt genomen. De inspecteur streeft er daarom naar om de beschikking zo spoedig mogelijk te geven; hierbij wordt een periode van niet langer dan acht weken als richtsnoer gehanteerd.
6.1. Inleiding
Hiervóór is een uitwerking gegeven van de machtiging aan de inspecteur zoals deze is opgenomen in artikel 33 van de URIB 2001. Als de inspecteur aan het verzoek tegemoet komt, worden standaardvoorwaarden gesteld (bijlage 6).
Hieronder wordt een nadere toelichting gegeven op de regeling inzake de ingangs- en beëindigingsdatum van de Durfkapitaalstatus. De standaardvoorwaarden en een nadere toelichting daarop, zijn opgenomen bij onderdeel 10.
6.2. Ingangsdatum
Uitgangspunt van de wettelijke regeling is dat de bezittingen in een Durfkapitaalfonds alleen zijn vrijgesteld vanaf het tijdstip waarop de participatiemaatschappij als zodanig is aangewezen. Dit betekent dat de ingangsdatum van de periode waarin de Durfkapitaalregeling van toepassing is, dient te worden vastgesteld. De vaststelling van de ingangsdatum wordt uitdrukkelijk vermeld in de aanwijzingsbeschikking. De inspecteur geeft op grond van artikel 33, tiende lid, van de URIB 2001, een beschikking af; hij streeft er naar deze voor bezwaar vatbare beschikking binnen acht weken na ontvangst van het verzoek af te geven. In artikel 33, elfde lid, van de URIB 2001 is bepaald dat de mogelijkheid bestaat dat de ingangsdatum vóór de datum van dagtekening van de beschikking ligt. Voor alle duidelijkheid merk ik op dat vanaf de ingangsdatum aan alle wettelijke voorwaarden alsmede aan de door de inspecteur vastgestelde nadere voorwaarden moet zijn voldaan. De ingangsdatum kan echter niet vóór de datum van het indienen van het verzoek liggen. De participatiemaatschappij kan te allen tijde kiezen voor een latere ingangsdatum, bijvoorbeeld het begin van het volgende boekjaar. Met name voor bestaande participatiemaatschappijen zal het bijvoorbeeld in verband met de uitkering van zuivere winst veelal praktischer zijn om aan te sluiten bij het begin van een boekjaar.
6.3. Overgangsperiode
Voor bestaande participatiemaatschappijen is een overgangsperiode onontkoombaar. Op grond van artikel 33, zevende lid, letter a, van de URIB 2001, mag er in een bestaande participatiemaatschappij geen zuivere winst aanwezig zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van de aanwijzing. Dit betekent dat een bestaande participatiemaatschappij een balans dient op te stellen waarbij alle bezittingen en schulden worden opgenomen naar de waarde welke daaraan in het economische verkeer kan worden toegekend. Tevens dienen de fiscale reserves tot de winst te worden gerekend. Tussen het tijdstip waarop de zuivere winst wordt bepaald en het tijdstip waarop deze wordt uitgekeerd zal enige tijd verstrijken. In deze periode (de overgangsfase) kan op een tweetal punten niet aan alle voorwaarden zijn voldaan. In de eerste plaats betreft dit de voorwaarde dat de zuivere winst moet zijn uitgekeerd.
In de tweede plaats betreft dit het zogenoemde hoofdzakelijkheidsvereiste, omdat de zuivere winst die zal moeten worden uitgedeeld niet in projecten kan worden belegd. Voor dit soort gevallen wordt daarom het volgende goedgekeurd.
De participatiemaatschappij wordt pas met ingang van de datum dat alle zuivere winst is uitgekeerd aangemerkt als Durfkapitaalfonds; vanaf dat moment kan de waarde van de belegging in het fonds vallen onder de vrijstelling van de Wet IB 2001. De participatiemaatschappij dient dit ten genoegen van de inspecteur aan te tonen. De gedurende de overgangsfase behaalde resultaten behoeven niet te worden uitgedeeld vóór het aanwijzingstijdstip, maar kunnen vanaf de aanwijzing eveneens onder de noemer vallen van artikel 5.16 van de Wet IB 2001. De participatiemaatschappij dient gedurende de overgangsfase aan alle overige voorwaarden te voldoen en ten aanzien van het hoofdzakelijkheidsvereiste dient het vermogen dat niet onder de hiervóór bedoelde uitdelingsverplichting valt, hoofdzakelijk te worden aangewend ten behoeve van beginnende ondernemingen. Gelet op de ratio van het vrijstellen van (forfaitair) rendement behaald op beleggingen in durfkapitaal dient deze overgangsfase van beperkte duur te zijn, omdat anders gedurende een te lange periode niet-Durfkapitaalbezittingen vrijgesteld zouden kunnen worden. De hier bedoelde overgangsfase mag daarom niet langer duren dan drie maanden. In het geval een fonds voorziet dat de driemaandstermijn niet kan worden gehaald, kan onder voorwaarden worden gekozen voor een ingroeiperiode van twee jaren. Deze ingroeiperiode wordt beschreven in onderdeel 10.1.5 van dit besluit.
De inspecteur stelt de hoogte van de zuivere winst uit de vóór-Durfkapitaalperiode bij een voor bezwaar vatbare beschikking vast. Dit gebeurt in de aanwijzingsbeschikking. Tegen een uitspraak op een bezwaarschrift tegen een dergelijke beschikking staat beroep op de rechter open.
6.4. Beëindigingsdatum van de Durfkapitaalstatus
Op grond van artikel 33, negende lid, van de URIB 2001, trekt de inspecteur de aanwijzing in indien:
de participatiemaatschappij om intrekking van de aanwijzing verzoekt, of
de participatiemaatschappij niet meer voldoet aan de omschrijving als bedoeld in artikel 5.18 van de Wet IB 2001, of
de participatiemaatschappij niet meer voldoet aan de voorwaarden als bedoeld in artikel 33 URIB 2001, of
de participatiemaatschappij niet meer voldoet aan de door de inspecteur gestelde voorwaarden.
Indien de aangewezen participatiemaatschappij niet langer voldoet aan de hiervoor weergegeven omschrijving of aan de hiervoor gestelde voorwaarden, doet de participatiemaatschappij hiervan onverwijld schriftelijk mededeling aan de inspecteur.
De inspecteur trekt de aanwijzing in bij een voor bezwaar vatbare beschikking (artikel 33, tiende lid, van de URIB).
De intrekking heeft in beginsel terugwerkende kracht tot het tijdstip waarop de participatiemaatschappij niet langer voldoet aan de wettelijke bepalingen dan wel aan de voorwaarden.
Als reden voor beëindiging kan bijvoorbeeld aan het volgende worden gedacht:
a. De participatiemaatschappij is niet langer in Nederland gevestigd.
b. Het doel en/of de feitelijke werkzaamheden bestaan niet meer hoofdzakelijk in het verstrekken van vermogen aan beginnende ondernemers.
6.4.1. Uitzondering beëindiging Durfkapitaalstatus
Ingeval het Durfkapitaalfonds de inspecteur evenwel onverwijld schriftelijk in kennis stelt van het feit dat niet meer wordt voldaan aan de wettelijke bepalingen dan wel aan de (standaard)voorwaarden en het fonds voorts aannemelijk maakt dat dit slechts van tijdelijke aard is, een incidenteel karakter heeft en niet in strijd is met doel en strekking van de regeling (cumulatieve vereisten), laat de inspecteur de aanwijzing in beginsel in stand. De vraag of sprake is van een situatie van tijdelijke aard en of deze situatie een incidenteel karakter heeft, is ter beoordeling van de inspecteur. Hierbij zal als uitgangspunt gelden dat terughoudend wordt omgegaan met de intrekking van de aanwijzing indien er gerede vooruitzichten bestaan dat het fonds binnen afzienbare tijd wederom zal voldoen aan de wettelijke omschrijving en aan de voorwaarden. Hierover kan de inspecteur nadere afspraken met het fonds maken. Indien binnen die nader afgesproken periode het fonds niet aan de wettelijke omschrijving en aan de voorwaarden voldoet, zal de inspecteur de aanwijzing alsnog intrekken. In dit kader kan met name worden gedacht aan situaties waarin niet wordt voldaan aan het hoofdzakelijkheidsvereiste omdat bijvoorbeeld bepaalde beginnende ondernemingen plotseling hun status als beginnende onderneming verliezen, dan wel aan situaties waarin de waarde in het economische verkeer van de vermogensverstrekkingen aan beginnende ondernemingen onvoorzien daalt. Alhoewel uit de wetsgeschiedenis valt af te leiden dat de marge van 30% juist is bedoeld om dit soort situaties te ondervangen, acht ik het denkbaar dat in bepaalde gevallen voor een korte termijn deze marge onvoldoende zal zijn.
Gelet op de hiervóór geschetste achtergrond van deze 30%-marge zullen Durfkapitaalfondsen die jarenlang een strategie hanteren waarbij nauwkeurig aansluitend bij de wettelijke grenzen zoveel mogelijk vermogen juist niet in beginnende ondernemingen wordt geïnvesteerd, in beginsel er niet op kunnen rekenen dat de inspecteur de aanwijzing – onder nadere afspraken – in stand zal laten in de situatie dat men boven deze 30%-marge uitgaat. Het fonds aanvaardt in een dergelijk geval immers bewust het geenszins ondenkbare risico dat de 30%-marge wordt overschreden. De zekerheidsmarge van 30% wordt in een dergelijk geval niet gebruikt voor het doel waarvoor de wetgever haar in artikel 5.18, tweede lid, onderdeel a, van de Wet IB 2001 heeft opgenomen.
De inspecteur beslist zo spoedig mogelijk – in beginsel uiterlijk binnen acht weken – onder welke voorwaarden hij akkoord gaat met instandhouding van de aanwijzing. De intrekking van de aanwijzing geschiedt bij voor bezwaar vatbare beschikking waarin wordt vastgelegd met ingang van welk tijdstip de aanwijzing is ingetrokken. Zoals hiervóór is aangegeven heeft de intrekking in beginsel terugwerkende kracht tot het tijdstip waarop het fonds niet meer aan de wettelijke bepalingen of aan de hierboven vermelde voorwaarden voldoet. In de situatie zoals hiervóór is geschetst waarbij het fonds zich onverwijld heeft gemeld en de inspecteur niettemin heeft besloten de aanwijzing in te trekken, zal de datum van intrekking van de aanwijzing in beginsel gelijk zijn aan de datum van de beschikking tenzij de inspecteur van mening is dat er sprake is van oneigenlijk gebruik van de regeling.
Indien de Durfkapitaalstatus van de participatiemaatschappij is beëindigd, behoort de waarde van de participatie voor de belegger voor de heffing van inkomstenbelasting tot de grondslag voor de vermogensrendementsheffing.
7. De indirecte Durfkapitaallening; de voorwaarden voor indirecte vermogensverstrekkingen via Durfkapitaalfondsen aan beginnende ondernemers
Voor de directe Durfkapitaallening (artikel 5.17, vierde lid, van de Wet IB 2001 juncto artikel 32 van de URIB 2001) en de indirecte Durfkapitaallening (artikel 5.18, tweede en derde lid, van de Wet IB 2001 juncto artikel 33, derde tot en met vijfde lid, van de URIB 2001) gelden geen identieke voorwaarden. Met inachtneming van het in de Wet en de URIB 2001 bepaalde gelden de volgende voorwaarden met betrekking tot de indirecte vermogensverstrekkingen via Durfkapitaalfondsen aan beginnende ondernemingen.
a. Per fonds geldt een maximale vermogensverstrekking (achtergestelde lening en deelneming te zamen) van € 226.890 per beginnende onderneming; rente die bij de hoofdsom wordt geschreven dient bij het hiervoor genoemde bedrag te worden meegenomen.
b. De geldlening wordt voor de duur van acht jaren, te rekenen vanaf het eerste tijdstip van verstrekking van de lening, aangemerkt als Durfkapitaallening als bedoeld in de wet. Ingeval de geldlening een kortere looptijd heeft dan acht jaren, ontmoet het bij mij geen bezwaar dat een nieuwe geldlening aan dezelfde beginnende ondernemer of rechtspersoon kwalificeert als Durfkapitaallening, mits de geldlener op het moment van de latere geldverstrekking nog aan de voorwaarden van beginnende ondernemer of rechtspersoon voldoet. De faciliteit voor deze latere geldlening geldt dan voor een tijdsduur van acht jaren verminderd met de tijdsduur van de voorafgaande lening(en). De looptijd behoeft dus geen aaneengesloten periode van acht jaren te zijn. Bij voorbeeld een geldlening ad € 226.890 met een looptijd van drie jaren welke is verstrekt in het eerste startersjaar en een nieuwe geldlening ad € 226.890 met een looptijd van vijf jaren in het laatste startersjaar voldoet aan de voorwaarden van de Durfkapitaalfaciliteit. Daarnaast is het mogelijk dat verschillende Durfkapitaalfondsen aan dezelfde beginnende ondernemer of rechtspersoon geldleningen verstrekken. Voor ieder fonds afzonderlijk geldt dan het maximum van € 226.890 en de daarbij behorende periode van acht jaren.
c. Met betrekking tot de mate van achterstelling acht ik contractuele vrijheid mogelijk ten opzichte van andere geldleningen die in het kader van de Durfkapitaalregeling worden verstrekt; de rente behoeft geen lagere rang in te nemen dan is bepaald in artikel 277, eerste lid, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek; rente die bij de hoofdsom wordt geschreven volgt daarentegen wel het regime van achterstelling van de hoofdsom.
d. De voorwaarde van achterstelling geldt niet in het geval van een geldlening van een Durfkapitaalfonds aan een beginnende ondernemer waarbij de geldnemer hypothecaire zekerheid heeft verleend.
e. De hoogte van de te bedingen rente op de indirecte Durfkapitaallening kent geen plafond.
f. Leningen aan beginnende ondernemers welke voldoen aan de gestelde voorwaarden en die na 1 januari 1996 zijn verstrekt maar geen vervanging zijn van voordien verstrekte leningen kunnen in een Durfkapitaalfonds worden ingebracht. Dit geldt ook voor leningen die aanvankelijk niet waren achtergesteld, doch alsnog worden achtergesteld. Rente op deze leningen die betrekking hebben op de periode vóór de Durfkapitaalstatus vallen buiten de Durfkapitaalregeling. Deze rente wordt op het moment van inbreng in het fonds geactiveerd. Bij de daadwerkelijke rentebetaling neemt het fonds deze bijboeking als een verlies.
g. De indirecte Durfkapitaallening moet dienen ter financiering van bestanddelen die bij de beginnende ondernemer behoren tot het verplichte ondernemingsvermogen van de onderneming (artikel 33, vierde lid, van de URIB 2001); het gaat hierbij derhalve om de financiering van alle kosten die voor het drijven van de onderneming moeten worden gemaakt. Te denken valt aan de financiering van duurzame activa, van te activeren kosten en van alle noodzakelijke lopende kosten.
h. De lening dient gedurende de gehele looptijd te voldoen aan de voorwaarden.
i. Voor de particulier die gelden verstrekt aan het Durfkapitaalfonds geldt geen minimale en maximale omvang met betrekking tot de deelname in het fonds. De gezamenlijke beleggingen in durfkapitaal zijn echter vrijgesteld tot een bepaald maximum per belastingplichtige.
j. Leningen tussen Durfkapitaalfondsen onderling zijn niet aan eisen gebonden. Wel moet worden voldaan aan het hoofdzakelijkheidscriterium.
8. Herfinancieringsverbod
In Hoofdstuk 2, Onderdeel AQ van de Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001 en artikel 33, vijfde lid, van de URIB 2001 is het zogenoemde herfinancieringsverbod neergelegd. De ratio van deze bepaling is dat de fiscale stimulans die de Durfkapitaalregeling beoogt te bieden in beginsel niet ziet op vóór 1 januari 1996 bestaande geldleningen en bestaande participaties; deze vermogensverstrekkingen werden immers ook zonder fiscale impuls al verschaft. Voor het Durfkapitaalfonds worden als niet onder de regeling kwalificerende vermogensverstrekkingen aangemerkt:
a. geldleningen die vóór 1 januari 1996 zijn verstrekt;
b. geldleningen die na 31 december 1995 zijn verstrekt aan beginnende ondernemers/natuurlijke personen die reeds vóór 1 januari 1996 voor eigen rekening en risico een onderneming dreven;
c. participaties via aandelen en/of winstbewijzen die vóór 1 januari 1996 zijn uitgegeven.
De wetgever heeft ten aanzien van de geldlening vermeld onder b de mogelijkheid van tegenbewijs geboden. De beginnende ondernemer/natuurlijke persoon en de rechtpersoon kunnen doen blijken dat de geldlening niet is te beschouwen als een vervanging van een geldlening die vóór 1 januari 1996 is verstrekt.
In aanvulling hierop geldt nog het volgende.
Geldleningen die financiële instellingen en kredietinstellingen hebben verstrekt met ingang van 1 januari 1996 en die overigens voldoen aan alle eisen van de Durfkapitaalregeling – hierbij rekening houdend met hetgeen hiervóór onder b is vermeld – maar die nog niet konden worden ondergebracht in een Durfkapitaalfonds, kunnen alsnog als voor de Durfkapitaalregeling kwalificerende leningen worden ingebracht in een Durfkapitaalfonds. Vorenstaande geldt evenzeer voor met ingang van 1 januari 1996 verkregen deelnemingen in rechtspersonen als bedoeld in artikel 5.18, tweede lid, onderdeel a, van de Wet IB 2001 juncto artikel 31, van de URIB, die materieel voldoen aan alle eisen van de Durfkapitaalregeling.
9. Garantiestellingen
De Durfkapitaalregeling biedt de mogelijkheid dat derden zich enerzijds garant stellen voor de aan beginnende ondernemingen verstrekte geldleningen en dat derden – bijvoorbeeld de moederkredietinstelling van het Durfkapitaalfonds – zich anderzijds voor de inleg en/of het rendement daarop van de particuliere beleggers garant stellen. Een dergelijke garantie is niet in strijd met de doelstelling van de regeling. Gegeven blijft immers dat via het Durfkapitaalfonds risicodragend kapitaal wordt verstrekt aan beginnende ondernemers. Wel acht ik het noodzakelijk dat het Durfkapitaalfonds een op zakelijke wijze bepaalde vergoeding voldoet aan een derde die zich garant stelt ten behoeve van de particuliere beleggers. Die vergoeding vermindert uiteraard het potentiële rendement voor de particuliere belegger enigszins. In het geval een garantiestelling daadwerkelijk in werking treedt en de op grond daarvan aan het Durfkapitaalfonds verstrekte gelden betrekking hebben op de rente die door een beginnende onderneming was verschuldigd, is op dergelijke rendementen de Durfkapitaalregeling van toepassing.
10. Standaardvoorwaarden
Standaardvoorwaarden voor aangewezen participatiemaatschappijen als bedoeld in artikel 5.18 van de Wet IB 2001, juncto artikel 33, van de URIB 2001. Voor de begripsbepalingen zij verwezen naar onderdeel 1.1. van dit besluit.
1. Het Durfkapitaalfonds dient haar vermogen hoofdzakelijk (voor ten minste 70%) aan te wenden in de vorm van het verstrekken van achtergestelde geldleningen aan dan wel het deelnemen in beginnende ondernemingen.
2. Ingeval er sprake is van een bestaande participatiemaatschappij, worden op de eindbalans die voorafgaat aan de ingangsdatum als Durfkapitaalfonds de bezittingen en schulden te boek gesteld voor de waarde welke daaraan in het economische verkeer kan worden toegekend, en worden de reserves als bedoeld in de artikel 3.53, eerste lid, onderdelen a en b, van de Wet IB 2001 opgenomen in de winst.
3. Verliezen geleden na de ingangsdatum als Durfkapitaalfonds kunnen niet op grond van artikel 20, tweede lid, van de Wet VPB 1969 worden verrekend met boekjaren welke liggen vóór die datum.
4. Binnen vier maanden na afloop van ieder boekjaar overlegt het Durfkapitaalfonds zowel aan de inspecteur als aan de inspecteur die bevoegd is voor de heffing en invordering van rijksbelastingen van het Durfkapitaalfonds de definitieve fiscale en commerciële jaarstukken. Hierin is begrepen een overzicht van de verstrekte kredieten ten behoeve van dan wel de deelnemingen in beginnende ondernemingen, opgenomen naar de waarde welke daaraan in het economische verkeer kan worden toegekend. De betreffende jaarstukken zijn voorzien van een accountantsverklaring. Voor zover van toepassing informeert het Durfkapitaalfonds in een bijlage in hoeverre van de regeling van het afwaarderingsverlies op deelnemingen van artikel 13ca van de Wet VPB 1969 gebruik is gemaakt.
Het Durfkapitaalfonds dient tevens binnen twee maanden na afloop van elk van de eerste drie kwartalen van het boekjaar bij de inspecteur een kwartaalbalans in. Hierbij overlegt het Durfkapitaalfonds eveneens een apart overzicht van de verstrekte kredieten ten behoeve van en de deelnemingen in beginnende ondernemingen zoals hiervóór omschreven.
5. Indien het Durfkapitaalfonds in andere beginnende ondernemingen belegt dan in het verzoek tot aanwijzing als Durfkapitaalfonds is vermeld, verstrekt het fonds onverwijld een kopie van de beschikking als bedoeld in artikel 5.17, derde lid, onderdelen a en b, van de Wet IB 2001.
10.1.1. Beleggingen
Het Durfkapitaalfonds dient haar vermogen hoofdzakelijk aan te wenden in de vorm van het direct of indirect investeren in beginnende ondernemingen. De begrippen ‘hoofdzakelijk’, ‘direct of indirect’ dienen te worden opgevat overeenkomstig de betekenis die deze in de fiscale wetgeving hebben. Zo wordt onder het begrip ‘hoofdzakelijk’ verstaan: ten minste 70%. De term ‘indirect’ ziet op de volgende situatie. Een Durfkapitaalfonds belegt voor 70% in een andere Durfkapitaalfonds dat op haar beurt 70% van haar vermogen verstrekt aan beginnende ondernemingen. Aan het hoofdzakelijkheidsvereiste is niet voldaan; immers in dit geval wordt in wezen slechts 49% van het vermogen verstrekt aan beginnende ondernemingen.
10.1.2. Vermogen
Onder het begrip ‘vermogen’ wordt hier verstaan het totale vermogen van het fonds. Dit betekent dat het 70%-criterium respectievelijk 90%-criterium wordt gerelateerd aan de actiefzijde van de balans van het fonds. De fiscale boekwaarden zijn daarbij niet relevant; bepalend is de waarde in het economische verkeer.
10.1.3. Vrije marge
In artikel 5.18, tweede lid, letter a, van de Wet IB 2001 is als eis aan de participatiemaatschappij gesteld dat eigen vermogen en vreemd vermogen hoofdzakelijk (ten minste 70%) aan beginnende ondernemingen is verstrekt. Dit 70%-criterium biedt de ruimte om een substantieel deel van het eigen vermogen en het vreemd vermogen al dan niet tijdelijk rentedragend uit te zetten ter overbrugging van soms onvermijdelijke perioden tussen de verwerving van middelen door de participatiemaatschappij en de investering ervan in beginnende ondernemingen. Voorts is de marge van 30% als speelruimte bedoeld om onverwachte ontwikkelingen op te vangen. Hierbij kan worden gedacht aan waardemutaties van de verschillende soorten investeringen, of aan de beëindiging van de status van beginnende onderneming terwijl niet aanstonds nieuwe beginnende ondernemingen waarin kan worden geïnvesteerd voorhanden zijn. Tot slot bestaat er door de 30%-grens ruimte om te investeren in vermogensbestanddelen van een beginnende onderneming die niet behoren tot de bestanddelen van het verplichte ondernemingsvermogen. Aangezien een lening wordt uitgesloten van de faciliteit in het geval de lening niet geheel dient ter financiering van bestanddelen die behoren tot het verplichte ondernemingsvermogen, verdient het in die situatie aanbeveling de lening van aanvang af te splitsen in twee leningen waarvan er één wel voldoet aan de voorwaarden. Een lening aan een beginnende ondernemer van meer dan € 226.890 voldoet niet aan de kwalificatie Durfkapitaallening. Indien aan één beginnende ondernemer een hoger bedrag dan € 226.890 wordt verstrekt, kan dit door middel van twee leningen, waarvan de een meetelt voor het 70%-criterium en de ander voor de 30% ter vrije besteding.
10.1.4. Driemaandstermijn
Op te richten Durfkapitaalfondsen kunnen in de aanvangsfase problemen ondervinden met het voldoen aan de vereisten. Er dient echter zowel voor de fondsen als voor de particulieren die geld willen storten in de fondsen zekerheid te bestaan over de status van een fonds. Op het moment dat de gelden worden aangetrokken zal nog een begin moeten worden gemaakt met het verstrekken van kredieten. De inspecteur neemt in de startfase van deze fondsen (een periode van drie maanden) een soepele opstelling in met betrekking tot de vereisten.
10.1.5. Ingroeiregeling
Fondsen die behoefte hebben aan een langere aanloopperiode dan drie maanden kunnen kiezen voor een ingroeiregeling. Die regeling houdt het volgende in.
Een fonds kan kiezen voor een ingroeiregeling omdat voorzien wordt dat een periode van drie maanden te kort is om te voldoen aan het 70%-vereiste.
Hiertoe moet een fonds een ‘ingroeiplan’ overleggen. Dit ingroeiplan – dat in ieder afzonderlijk geval vóór de oprichting van het Durfkapitaalfonds moet zijn goedgekeurd – komt er ruwweg op neer dat een fonds als Durfkapitaalfonds kan worden aangemerkt onder de volgende voorwaarden:
Binnen drie maanden na de ingangsdatum van het Durfkapitaalfonds dient een substantieel deel van het eigen vermogen en het vreemd vermogen te zijn verstrekt aan beginnende ondernemingen.
Binnen een tijdsbestek van 2 jaren gerekend vanaf de ingangsdatum dient ten minste 70% van het vermogen te zijn aangewend ten behoeve van beginnende ondernemingen.
Het Durfkapitaalfonds draagt aan de fiscus via een lumpsum het belastingbedrag af ten aanzien van de ‘niet-Durfkapitaal’-investeringen in de periode van maximaal 2 jaren vanaf de ingangsdatum; een uitzondering geldt hier voor de aan de Durfkapitaal-investeringen gerelateerde 30% niet-Durfkapitaal investeringen.
Blijkt na ommekomst van 2 jaren dat niet wordt voldaan aan de 70%-grens dan dient alsnog, dat wil zeggen ook ten aanzien van de eerder onder het indirect beleggen in durfkapitaal vrijgestelde bezittingen, de volledig verschuldigde heffing door het fonds te worden voldaan.
Instellingen die van de ingroeiregeling gebruik willen maken, dienen zich te wenden tot het Ministerie van Financiën.
10.1.6. Lumpsum
Als een fonds kiest voor een ingroeiregeling dan draagt het fonds aan de fiscus via een lumpsum het belastingbedrag af voor de niet-Durfkapitaallening en deelnemingwinsten uit de aanloopperiode. Bij de berekening van de lumpsum hanteer ik de volgende uitgangspunten die tot doel hebben de ingroeiperiode, in overeenstemming met de ratio van het beleggen in durfkapitaal, zo kort mogelijk te houden.
1. Ingangsdatum lumpsum
De periode waarover de lumpsum wordt berekend vangt voor het fonds aan op de datum waarop ingevolge de statuten of de prospectus de spaargelden van de particuliere beleggers moeten worden gestort bij het fonds. Dit brengt met zich mee dat de niet-Durfkapitaallening en -deelneming winsten die behaald zijn in de zogenoemde drie-maandsperiode ook in de lumpsumberekening worden meegenomen.
2. De grondslag voor de berekening van de lumpsum
Als grondslag voor de bepaling van de hoogte van de lumpsum geldt het zogenoemde niet-Durfkapitaal vermogen. Dit vermogen bestaat uit het verschil tussen de aangetrokken middelen en de Durfkapitaal-investeringen (inclusief de 30%-marge).
3. Tijdstip van investeren in indirect durfkapitaal
Het spaargeld van de particuliere beleggers is als indirect durfkapitaal belegd op het moment dat het fonds het geld daadwerkelijk heeft overgemaakt aan de beginnende ondernemer; tot dat moment wordt de lumpsum berekend. Dit moment kan overigens niet liggen vóór de datum van de aanwijzing als Durfkapitaalfonds.
4. Hoogte tarief
Voor het tarief dat wordt gehanteerd bij de lumpsumberekening wordt aangesloten bij het tarief dat is opgenomen in artikel 23b van de Wet VPB 1969. Het tarief bedraagt dus 0,2% van de niet-Durfkapitaalbezittingen van het fonds.
5. Wijze van renteberekening
De lumpsum wordt van maand tot maand berekend. Per maand wordt als niet-Durfkapitaal investering aangemerkt het gemiddelde van de niet-Durfkapitaal investeringen aan het begin van de maand en aan het einde van de maand. De afdracht van de lumpsum dient binnen 1 maand na afloop van ieder kwartaal van het fonds te geschieden.
De vaststelling van de hoogte van de lumpsum is gemandateerd aan het Hoofd van de eenheid Belastingdienst/Grote Ondernemingen Amsterdam.
10.1.7. Voorlopige Durfkapitaalspaarrekening
Als alternatieve ingroeiregeling in de Durfkapitaalregeling geldt het systeem met een zogenoemde voorlopige Durfkapitaalspaarrekening. Dit alternatief komt er in hoofdlijnen op neer dat de aangetrokken middelen eerst worden gestald op een spaarrekening, waarvan de gelden uitsluitend kunnen worden aangewend voor een Durfkapitaalfonds bij de moederkredietinstelling van het Durfkapitaalfonds; de gelden op deze gelabelde rekening tellen dan gedurende maximaal twee jaren mee voor de minimale kapitaalomvang van € 4.537.802 die voor het Durfkapitaalfonds geldt.
De gelden op deze gelabelde rekening vallen voor de belegger niet onder de vrijgestelde bezittingen van de durfkapitaalregeling maar zijn onderworpen aan de heffing van box 3. Op ieder moment dat het Durfkapitaalfonds investeert in een beginnende onderneming vindt een overboeking plaats van de gelabelde spaarrekening naar het Durfkapitaalfonds. De vrijstelling van de durfkapitaalregeling is in zoverre vanaf dat moment voor de particuliere belegger van toepassing. De inspecteur zal voorafgaand aan de aanwijzing van de participatiemaatschappij ook deze ingroeiregeling dienen goed te keuren. Om in aanmerking te komen als voorlopige Durfkapitaalspaarrekening mogen de op deze rekening uitstaande gelden slechts worden aangewend ten behoeve van het Durfkapitaalfonds waarvoor de spaarrekening meetelt voor de kapitaalomvang. Terugboekingen vanuit het Durfkapitaalfonds naar de voorlopige Durfkapitaalspaarrekening zijn niet toegestaan.
Het Hoofd van de eenheid Belastingdienst/Grote ondernemingen Amsterdam is bevoegd goedkeuring te verlenen aan de alternatieve ingroeiregeling door middel van het creëren van een voorlopige Durfkapitaalrekening.
10.1.8. Informatieverstrekking
Bij de informatieverstrekking aan de inspecteur geeft het Durfkapitaalfonds per kwartaal een overzicht van de participaties in beginnende ondernemingen en alle verstrekte kredieten. Dit overzicht bevat enerzijds de gegevens van het fonds zelf en anderzijds gegevens waaruit blijkt wie de geldnemers zijn, dat deze beginnende ondernemers zijn en tot welke bedragen en met welke looptijd de geldleningen aan hen zijn verstrekt.
De periodieke rapportage vindt één maal per drie maanden plaats (waaronder de jaarcijfers en de half-jaarcijfers). Deze rapportage dient – met uitzondering van de jaarcijfers – binnen twee maanden na afloop van het desbetreffende kwartaal te worden ingediend.
Binnen vier maanden na afloop van ieder boekjaar dient het Durfkapitaalfonds bij zowel de inspecteur als bij de inspecteur die bevoegd is voor de heffing en invordering van rijksbelastingen van de participatiemaatschappij de definitieve fiscale en commerciële jaarstukken in. Tevens geeft het fonds daarbij een overzicht van de achtergestelde kredieten ten behoeve van dan wel de deelnemingen in de onderscheidenlijke beginnende ondernemingen. Gelet op het belang van een snelle toetsing door de inspecteur heb ik gekozen voor de voormelde termijn welke in overeenstemming is met de termijn zoals die geldt in de regeling groen beleggen.
11. Ingangsdatum besluit
Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2001.
Inhoudsopgave
1. Algemeen
1.1. Begripsomschrijvingen
2. Inkomstenbelastingaspecten
2.1. Inleiding
3. Vennootschapsbelastingaspecten
3.1. Verliezen op participaties
3.2. Sanctiebepaling
3.3. Verliesverrekening: carry-back van verliezen uit de aangewezen periode
4. Eisen Durfkapitaalfondsen
5. Afhandeling van verzoeken
5.1. Indienen van een verzoek en de over te leggen gegevens en bescheiden
5.2. Behandeling door de inspecteur
5.3. Aandachtspunten bij de beoordeling van de verzoeken
5.4. Afdoeningstermijn
6. Aanwijzing van het Durfkapitaalfonds, ingangs- en beëindigingsdatum
6.1. Inleiding
6.2. Ingangsdatum
6.3. Overgangsperiode
6.4. Beëindigingsdatum van de Durfkapitaalstatus
6.4.1. Uitzondering beëindiging Durfkapitaalstatus
7. De indirecte Durfkapitaallening; de voorwaarden voor indirecte vermogensverstrekkingen via Durfkapitaalfondsen aan beginnende ondernemers
8. Herfinancieringsverbod
9. Garantiestellingen
10. Standaardvoorwaarden
10.1. Hoofdzakelijkheidseis en ingroeiregeling
10.1.1. Beleggingen
10.1.2. Vermogen
10.1.3. Vrije marge
10.1.4. Driemaandstermijn
10.1.5. Ingroeiregeling
10.1.6. Lumpsum
10.1.7. Voorlopige Durfkapitaalspaarrekening
10.1.8. Informatieverstrekking
11. Ingangsdatum besluit
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht