Let op. Deze wet is vervallen op 1 januari 2014. U leest nu de tekst die gold op -.

Examenreglement zeevisvaart

Uitgebreide informatie
Besluit van 4 juli 1986, houdende vaststelling van een examenreglement als bedoeld in de Wet op de Zeevischvaartdiploma's 1935, Stb. 455
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat, mede namens Onze Minister van Onderwijs en Wetenschappen, van 10 januari 1983, nr. PJ/S 20132, Directoraat-Generaal Scheepvaart en Maritieme Zaken;
Gelet op artikel 3, tweede lid, onder a , van de Wet op de Zeevischvaartdiploma’s 1935 ( Stb. 455);
De Raad van State gehoord (advies van 6 april 1983, nr. W09.83.0034a/25.3.13);
Gezien het nader rapport van Onze voornoemde Minister, mede namens Onze Minister van Onderwijs en Wetenschappen van 15 mei 1986, nr. PJ/S 30928, Directoraat-Generaal Scheepvaart en Maritieme Zaken;
Hebben goedgevonden en verstaan:
1.
De begripsbepalingen genoemd in artikel 1, eerste lid, van de Wet op de Zeevischvaartdiploma's 1935, Stb. 455 zijn van toepassing.
2.
In dit besluit wordt verstaan onder:
"Commissie": de Commissie, genoemd in artikel 2;
"voorzitter": de voorzitter, genoemd in artikel 3, eerste lid;
"wet": de Wet op de Zeevischvaartdiploma's 1935, Stb. 455;
"examenprogramma": het examenprogramma zeevisvaart, opgenomen in de bij dit besluit behorende bijlage.
Artikel 2
Er is een Commissie voor de zeevisvaartexamens, die, met het oog op de afgifte van de diploma's en het bewijs, genoemd in artikel 2, eerste lid, van de wet, examens afneemt ter verkrijging van:
a. de verklaring van bekendheid met de bepalingen ter voorkoming van aanvaringen op zee S VII;
b. de verklaring voor de zeevisvaart SW VI;
c. de verklaring voor de zeevisvaart SW V;
d. de verklaring voor de zeevisvaart S IV-v;
e. de verklaring voor de zeevisvaart W IV-v;
1.
De Commissie bestaat uit een voorzitter, leden en plaatsvervangende leden. De voorzitter is een door Onze Minister aan te wijzen ambtenaar van zijn ministerie. De leden en plaatsvervangende leden treden op als examinator. Zij worden voor de tijd van ten hoogste twee jaren benoemd door Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Onderwijs en Wetenschappen en zijn terstond herbenoembaar. Bij de benoeming worden tevens uit de leden een of meer plaatsvervangende voorzitters aangewezen. Van iedere benoeming wordt schriftelijk kennis gegeven aan Onze Minister van Onderwijs en Wetenschappen.
2.
De leden en plaatsvervangende leden van de Commissie ontvangen uit 's Rijks kas een vergoeding van reis- en verblijfkosten overeenkomstig de regelen welke gelden ter zake van reizen in Nederland ten behoeve van het Rijk, alsmede, voor zover hun benoeming haar oorzaak niet vindt in het ambt dat zij bekleden, vacatiegelden.
1.
Onze Minister voorziet in het secretariaat van de Commissie en wijst een ambtenaar van zijn ministerie aan als secretaris.
2.
De voorzitter wijst een of meer leden aan als plaatsvervangend secretaris van de Commissie.
Artikel 5
De Commissie brengt zo spoedig mogelijk na afloop van een tijdvak als bedoeld in artikel 7, aan Onze Minister verslag uit betreffende de gehouden examens en zendt een afschrift van dat verslag aan Onze Minister van Onderwijs en Wetenschappen.
Artikel 6
De voorzitter kan nadere aanwijzingen geven voor het functioneren van de Commissie.
Artikel 7
Onze Minister bepaalt, na overleg met Onze Minister van Onderwijs en Wetenschappen, voor een tijdvak van ten hoogste een jaar de perioden waarin en de plaats waar de Commissie zitting houdt, alsmede de inschrijfperioden voor de examens.
Artikel 8
De voorzitter stelt de roosters voor de te houden examens vast.
1.
De voorzitter roept de leden en de plaatsvervangende leden van de Commissie op naarmate de aard en de omvang der werkzaamheden hun tegenwoordigheid vereisen.
2.
In het belang van het goed functioneren van de Commissie kan de voorzitter leden en plaatsvervangende leden eveneens oproepen met het doel hen in staat te stellen kennis te nemen van nieuwe ontwikkelingen op het gebied van navigatie en scheepswerktuigkunde.
Artikel 10
De examens, met uitzondering van het examen ter verkrijging van de verklaring van bekendheid met de bepalingen ter voorkoming van aanvaringen op zee S VII, zullen naar verkiezing van de kandidaat worden afgenomen hetzij in hun geheel, hetzij in twee delen als aangegeven in het examenprogramma.
1.
Degene die een in artikel 2 genoemd examen of een in artikel 10 bedoeld deel daarvan wenst af te leggen, dient daartoe bij de voorzitter een aanvraag in binnen de in artikel 7 bedoelde inschrijfperiode.
2.
Voor toelating tot een examen als bedoeld in artikel 2, onder c, d of e, dan wel een deel daarvan, dient de kandidaat in het bezit te zijn van het bewijs dat hij het eindexamen of examen, bedoeld in artikel 3, tweede lid, onder a, van de wet, bestemd voor het naast lagere diploma, met goed gevolg heeft afgelegd. Indien de kandidaat een examen in twee delen aflegt, dient hij voor de toelating tot deel II van het examen tevens in het bezit te zijn van het bewijs dat hij deel I met goed gevolg heeft afgelegd.
3.
Terzake van de behandeling van een aanvraag als bedoeld in het eerste lid, is een vergoeding verschuldigd volgens een door Onze Minister vast te stellen tarief.
4.
Bij een aanvraag dient de kandidaat over te leggen:
a. het bewijs, bedoeld in het tweede lid;
b. een uittreksel uit het geboorteregister of, ten genoegen van de voorzitter, een identiteitsbewijs;
c. een bewijs van betaling van de in het derde lid bedoelde vergoeding en
d. het bewijs dat hij aan een school als bedoeld in artikel 14, eerste lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs ( Stb. 1967, 387) het onderwijs in het vak visserijkunde met goed gevolg heeft doorlopen.
5.
De kandidaat die valse of vervalste bescheiden overlegt, kan voor ten hoogste een jaar door de voorzitter van deelneming aan een examen worden uitgesloten.
Artikel 12
Onze Minister kan ontheffing of vrijstelling verlenen van het bepaalde in artikel 11 onder zonodig door hem te stellen voorwaarden of beperkingen.
1.
Een in artikel 2 genoemd examen of een deel daarvan dient binnen één zittingsperiode als bedoeld in artikel 7, te worden afgelegd in alle vakken die daarvoor zijn aangegeven in het examenprogramma.
2.
De kennis die wordt gevorderd, is per vak aangegeven in het examenprogramma.
3.
Onze Minister kan, na overleg met Onze Minister van Onderwijs en Wetenschappen, aan de bezitters van door hem aan te wijzen diploma's vrijstelling verlenen van een of meer vakken van een examen.
4.
In het examenprogramma is per vak of gedeelte daarvan aangegeven of het examen daarin schriftelijk, mondeling of praktisch wordt afgenomen.
1.
De voorzitter stelt, in overleg met de betrokken examinatoren, de opgaven voor het schriftelijk gedeelte van een examen vast.
2.
Het schriftelijk examenwerk wordt gemaakt op vanwege de Commissie uit te reiken gewaarmerkt papier.
3.
De kandidaten mogen bij het schriftelijk gedeelte van het examen in het examenlokaal niets anders meebrengen dan schrijfgerei en vanwege de Commissie uitdrukkelijk toegestane andere benodigdheden.
4.
Bij het schriftelijk en praktisch examen zijn in elk lokaal waar examen wordt afgenomen, zoveel leden van de Commissie voor het houden van toezicht aanwezig, als door de voorzitter voldoende of noodzakelijk wordt geacht.
5.
De kandidaat levert al het gebruikte papier in bij een der toezichthoudende leden.
1.
Bij elk mondeling examen is, naast de examinator, ten minste één ander lid der Commissie als bijzitter tegenwoordig. De bijzitter houdt aantekening van de inhoud en het verloop van het examen van iedere kandidaat.
2.
Een examen dat mondeling wordt afgenomen, is openbaar.
3.
De voorzitter kan regels en aanwijzingen geven voor het ordelijk verloop van een mondeling examen.
4.
De voorzitter kan een toehoorder die zich niet naar de in het derde lid bedoelde regels en aanwijzingen gedraagt, het verblijf in het examenlokaal ontzeggen.
1.
Tijdens een examen mogen de kandidaten niet met elkaar spreken, noch elkaars werk bekijken, of, anders dan met door of vanwege de voorzitter gegeven toestemming, het examenlokaal verlaten of iets van elkaar lenen.
2.
De kandidaten dienen zich tijdens het examen te gedragen naar de door of vanwege de voorzitter gegeven aanwijzingen.
3.
Gedragingen van een kandidaat in strijd met het bepaalde in het eerste en tweede lid, gedragingen die storend werken op het verloop van het examen, bedrog of een poging daartoe kunnen, zulks ter beoordeling van de voorzitter, uitsluiting van verdere deelneming aan het examen tot gevolg hebben.
1.
Het oordeel over het in elk vak of gedeelte daarvan afgelegde examen wordt uitgedrukt in gehele cijfers, waarvan het laagste cijfer 1 en het hoogste cijfer 10 is.
2.
Wanneer het examen in een vak uit meer dan een gedeelte bestaat, wordt het eindcijfer voor dat vak bepaald door het gemiddelde van de bij die gedeelten behaalde cijfers, waarbij breuken van een half of meer naar boven en breuken van minder dan een half naar beneden worden afgerond.
1.
Onze Minister stelt, ter bepaling van de uitslag van de examens, normen vast.
2.
De Commissie bepaalt aan de hand van deze normen of een kandidaat is geslaagd of afgewezen, dan wel in welke vakken hij herexamens kan doen.
1.
Een kandidaat die niet voldoet aan de normen om te slagen, kan een herexamen afleggen, indien hij daardoor alsnog aan die normen kan voldoen.
2.
Een herexamen kan ten hoogste het aantal vakken omvatten dat hieronder is aangegeven:
1. Verklaring voor de zeevisvaart SW VI (geheel): 4
2. Verklaring voor de zeevisvaart SW VI (deel I): 2
3. Verklaring voor de zeevisvaart SW VI (deel II): 2
4. Verklaring voor de zeevisvaart SW v (geheel): 4
5. Verklaring voor de zeevisvaart SW v (deel I): 1
6. Verklaring voor de zeevisvaart SW v (deel II): 3
7. Verklaring voor de zeevisvaart S IV-v (geheel): 4
8. Verklaring voor de zeevisvaart S IV-v (deel I): 2
9. Verklaring voor de zeevisvaart S IV-v (deel II): 2
10. Verklaring voor de zeevisvaart W IV-v (geheel): 3
11. Verklaring voor de zeevisvaart W IV-v (deel I): 1
12. Verklaring voor de zeevisvaart W IV-v ( deel II): 2
1.
Een herexamen dient binnen een jaar nadat de Commissie heeft bepaald dat de kandidaat hiervoor in aanmerking komt, te worden afgelegd op een, na ontvangst van de aanvraag daarvoor, door de voorzitter te bepalen tijdstip. De aanvraag dient uiterlijk een maand voor het verstrijken van de periode van een jaar te zijn ingediend.
2.
Op de aanvraag voor het herexamen is artikel 11 van overeenkomstige toepassing.
3.
Indien een herexamen niet tijdig is afgelegd of indien, na het afleggen daarvan, blijkt dat niet is voldaan aan de normen om te slagen, wordt de kandidaat afgewezen.
1.
Wordt een kandidaat ingevolge het bepaalde in artikel 16, derde lid, uitgesloten van verdere deelneming aan een examen of trekt hij zich tijdens een examen terug, dan wordt hij beschouwd te zijn afgewezen.
2.
Indien een kandidaat zich tijdens het examen terugtrekt vindt het bepaalde in het eerste lid geen toepassing als zulks, naar het oordeel van de voorzitter, het gevolg is van overmacht.
3.
Indien de voorzitter ingevolge het bepaalde in het tweede lid van oordeel is dat de kandidaat zich heeft teruggetrokken als gevolg van overmacht, bepaalt hij op welk tijdstip de kandidaat het examen alsnog kan voltooien.
1.
Degene die voor de eerste maal een examen of een deel daarvan aflegt in overeenstemming met artikel 13, eerste lid, en wordt afgewezen, behoeft de eerstvolgende keer dat hij eenzelfde examen of eenzelfde deel daarvan aflegt niet nogmaals examen af te leggen in de vakken waarvoor hij reeds het eindcijfer 6 of hoger had behaald, mits dit examen binnen twee jaar na de afwijzing wordt afgelegd; het reeds behaalde eindcijfer zal dan op de nieuwe cijferlijst worden overgenomen.
2.
Op de kandidaat die ten tweede male is afgewezen voor eenzelfde examen of eenzelfde deel daarvan, afgelegd binnen twee jaar na de eerste afwijzing, is de eerstvolgende keer dat hij eenzelfde examen of eenzelfde deel daarvan aflegt, het eerste lid weer van toepassing.
3.
Op de aanvraag voor eenzelfde examen of deel daarvan als bedoeld in het eerste lid, is artikel 11 van overeenkomstige toepassing.
Artikel 23
Onze Minister stelt de modellen vast van de krachtens dit besluit uit te reiken verklaringen.
Artikel 24
De voorzitter reikt aan de geslaagde kandidaat de desbetreffende verklaring uit.
Artikel 25
Indien blijkt, dat de kandidaat tijdens het examen bedrog heeft gepleegd of zich aan een andere onregelmatigheid heeft schuldig gemaakt, kan de voorzitter, na overleg met de Commissie, de kandidaat de verklaring onthouden of een reeds uitgereikte verklaring intrekken.
Artikel 26
Een duplicaat van een uitgereikte verklaring wordt slechts afgegeven, indien de belanghebbende aannemelijk kan maken, dat de oorspronkelijke verklaring verloren is geraakt. Tenzij de oorspronkelijke verklaring verloren is geraakt ten gevolge van een oorlogsdaad, een scheepsramp of daarmee vergelijkbare omstandigheid, is voor een duplicaat een vergoeding verschuldigd volgens een door Onze Minister vast te stellen tarief.
1.
De voorzitter legt zijn beslissing als bedoeld in de artikelen 11, vijfde lid, 16, derde lid, 21, tweede lid, en 25, binnen twee weken vast in een beschikking en geeft van deze beschikking kennis aan Onze Minister door toezending van een afschrift.
2.
Tegen een beschikking van de voorzitter als bedoeld in het eerste lid kan de belanghebbende beroep instellen bij Onze Minister.
3.
De Commissie handelt overeenkomstig de door Onze Minister genomen beslissing.
Artikel 28
Het Reglement voor de stuurliedenexamens Zeevisvaart ( Stb. 1947, H 443) en het Reglement voor de machinistenexamens Zeevisvaart ( Stb. 1947, H 444) worden ingetrokken met ingang van 1 september 1984.
Artikel 29
Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 september 1982.
Artikel 30
Dit besluit kan worden aangehaald als "Examenreglement zeevisvaart".
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende bijlage alsmede de nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State.
's-Gravenhage, 4 juli 1986
De Minister van Verkeer en Waterstaat,
De Minister van Onderwijs en Wetenschappen,
Uitgegeven de twaalfde augustus 1986
De Minister van Justitie a.i.,
Inhoudsopgave
+ Artikel 1
Artikel 2
Artikel 3
Artikel 4
Artikel 5
+ Artikel 6
Artikel 7
Artikel 8
Artikel 9
+ Artikel 10
Artikel 11
+ Artikel 12
Artikel 13
Artikel 14
Artikel 15
Artikel 16
Artikel 17
Artikel 18
Artikel 19
Artikel 20
Artikel 21
+ Artikel 22
Artikel 23
Artikel 24
Artikel 25
+ Artikel 26
+ Artikel 27
Artikel 28
Artikel 29
Artikel 30
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht