Fiscaal bestuursrecht: Heffingsrente, heffingsrente ook terecht indien een aangifte niet binnen drie maanden na indiening wordt gevolgd door een aanslag
Dit besluit is een herziene versie van het besluit van 27 september 2000 nr. CPP2000/1945M.
Het besluit is herzien in verband met de vervanging van de gulden door de euro per 1 januari 2002 en bevat geen inhoudelijke wijzigingen.
Inleiding
Aan mij is gevraagd om een standpunt in te nemen met betrekking tot het in rekening brengen van heffingsrente in gevallen waarin de aangifte niet binnen drie maanden is gevolgd door een voorlopige of definitieve aanslag.
Casus
27-4-2001: datum binnenkomst aangiftebiljet IB/PH 2000; er wordt geen VA opgelegd.
10-9-2001: dagtekening definitieve aanslag IB/PH € 118.812.
loonheffing € 20.300 : € 98.512
heffingsrente € 6.806 : € 105.318
De heffingsrente is berekend over de periode 1-1-2001 t/m 10-9-2001.
De adviseur maakt bezwaar tegen de heffingsrente en stelt dat de rente over de periode na 27-7-2001 moet vervallen: de Belastingdienst had, overeenkomstig een toezegging van de Staatssecretaris, binnen 3 maanden na indiening van de aangifte een VA op moeten leggen.
Overwegingen
Betekenis van heffingsrente
De berekening van heffingsrente, zowel het in rekening brengen als het vergoeden, is bedoeld ter compensatie van niet genoten rente door belastingplichtige dan wel de Schatkist. Het in rekening brengen is uitdrukkelijk niet bedoeld als een sanctie. Wanneer heffingsrente in rekening wordt gebracht heeft belastingplichtige gedurende de periode waarover de heffingsrente wordt berekend de mogelijkheid gehad om over dat geld rente te ontvangen bij een bank. Gedurende die periode behoorde het belastingbedrag eigenlijk toe aan de Schatkist en heeft de Schatkist daarom gedurende die periode geen rente over dat bedrag kunnen ontvangen. Ter compensatie wordt heffingsrente in rekening gebracht aan belastingplichtige. Tijdens de behandeling van wetsvoorstel 25 051 ‘Aanpassing loon- en inkomstenbelasting c.a. 1997’ heb ik mij in voornoemde zin uitgelaten (TK 1996–1997, 25 051, nr. 5 Nota n.a.v. het verslag blz. 8).Reikwijdte uitlatingen tijdens de parlementaire behandeling
Tijdens de parlementaire behandeling van bovengenoemd wetsvoorstel heb ik mij verschillende malen uitgelaten over de berekening van heffingsrente en de behandeling van aangiften binnen 3 maanden.
Ik heb onder meer gezegd: ‘dat moet worden voorkomen dat heffingsrente wordt berekend als gevolg van de enkele omstandigheid dat de inspecteur niet binnen een redelijke termijn na het indienen van de aangifte een belastingaanslag vaststelt. De opzet is daarom dat de belastingdienst vanaf 1997 binnen drie maanden nadat een aangifte is ingediend een definitieve of voorlopige aanslag zal vaststellen.’ (TK 1996–1997, 25 051, nr. 3 MvT blz. 11). Ook merk ik op dat ‘Doelstelling in het Bedrijfsplan 1997 van de belastingdienst is dat alle aangiften inkomstenbelasting en vennootschapsbelasting binnen drie maanden na binnenkomst resulteren in een (negatieve) voorlopige of definitieve aanslag.’ En verder: ‘Overigens kan de belastingplichtige voorkomen dat hij onnodig met heffingsrente wordt geconfronteerd door tijdig te verzoeken om de vaststelling van een (nadere) voorlopige aanslag. De belastingdienst zal steeds zo snel mogelijk, maar in elk geval binnen drie maanden na binnenkomst van duidelijk en volledig verzoek, een (nadere) voorlopige aanslag vaststellen. Indien de belastingdienst ondanks een dergelijk verzoek om de vaststelling van een (nadere) voorlopige aanslag niet binnen drie maanden een (nadere) voorlopige aanslag vaststelt, zal de heffingsrente berekend over de periode van de aan de belastingdienst te wijten vertraging op verzoek van de belastingplichtige worden verminderd.’ (TK 1996–1997, 25 051, nr. 3 Nota n.a.v. het verslag blz. 6).Standpunt
Mijn hiervoor aangehaalde uitlatingen wettigen, in onderlinge samenhang gelezen, de conclusie dat ook wanneer een aangifte niet binnen drie maanden is gevolgd door voorlopige of definitieve aanslag heffingsrente in rekening kan worden gebracht.
Uit mijn woorden blijkt wel dat de afhandeling van aangiften zo veel mogelijk binnen drie maanden zal plaatsvinden en dat moet worden voorkomen dat onnodig heffingsrente wordt berekend doordat niet binnen een redelijke termijn een voorlopige of definitieve aanslag wordt opgelegd.
Wel heb ik toegezegd dat wanneer een duidelijk en volledig verzoek om een voorlopige aanslag is gedaan, het in rekening brengen van heffingsrente op verzoek van belastingplichtige beperkt kan worden.
Inwerkingtreding
Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2002.
Vervallen besluit
Het besluit van 27 september 2000, nr. CPP2000/1945M vervalt per 1 januari 2002.
Inhoudsopgave
Inleiding
Casus
Overwegingen
Inwerkingtreding
Vervallen besluit
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht