Let op. Deze wet is vervallen op 24 april 2008. U leest nu de tekst die gold op 23 april 2008.

Fiscale regelingen voor de internationale lucht- en scheepvaart en modelverklaringen inzake BTW-vrijstelling

Uitgebreide informatie
Fiscale regelingen voor de internationale lucht- en scheepvaart en modelverklaringen inzake BTW-vrijstelling
Inleiding
Mij is gebleken dat er in de praktijk behoefte bestaat aan een overzicht van fiscale regelingen inzake de belastingheffing over voordelen uit de exploitatie van schepen en luchtvaartuigen in het internationale verkeer. In het verleden zijn eerder dergelijke overzichten gepubliceerd. Dit Besluit behelst een actualisatie van het overzicht en dient specifiek ter vervanging van het besluit van 6 februari 2002, nr. IFZ2002/10M.
Overzicht fiscale regelingen
Belastingverdragen
Nederland heeft op dit moment zo’n 75 algemene belastingverdragen afgesloten die vrijwel allemaal een afzonderlijke bepaling bevatten die betrekking heeft op de heffing over winsten behaald met de exploitatie van schepen en/of luchtvaartuigen in het internationale verkeer. Tevens heeft Nederland bilaterale belastingverdragen gesloten, die specifiek van toepassing zijn op de belastingheffing over voordelen uit de exploitatie van schepen en/of luchtvaartuigen in het internationale verkeer.Scheepvaartverdragen en/of luchtvaartovereenkomsten
Naast belastingverdragen heeft Nederland ook met diverse landen niet-fiscale scheepvaartverdragen en/of luchtvaartovereenkomsten gesloten. In een aantal van deze verdragen is tevens een bepaling opgenomen die de belastingheffing van ondernemingen die werkzaam zijn in de internationale scheep- of luchtvaart betreft.Vrijstelling op basis van wederkerigheid
Naast genoemde internationale verdragen is het mogelijk dat een land in zijn nationale wet op basis van wederkerigheid buitenlandse lucht- en scheepvaartondernemingen van belastingen naar het inkomen vrijstelt. Nederland heeft eveneens een dergelijke bepaling opgenomen in de nationale wet (artikel 19 van de Wet op de Vennootschapsbelasting 1969). In artikel 7.3 van de Wet inkomstenbelasting 2001 is een soortgelijke vrijstelling, echter zonder de eis van wederkerigheid, opgenomen voor niet in Nederland wonende natuurlijke personen.
Bijlage 1 bevat een tabel waarin een overzicht wordt gegeven welke regelingen voor de verschillende landen van toepassing zijn per 1 januari 2004. Voor de toepassing van een bepaalde regeling in een verdrag moet de volledige verdragstekst geraadpleegd worden. Het streven is erop gericht om aan het begin van elk kalenderjaar een dergelijk bijgewerkt overzicht te publiceren. De gegevens worden in dit overzicht weergegeven naar de stand per 1 januari van dat kalenderjaar. Ik verzoek de eenheden om eventuele opmerkingen, in het bijzonder voor wat betreft de kolom vrijstelling op basis van wederkerigheid, jaarlijks voor 1 december door te geven aan de directie Internationale Fiscale Zaken/afdeling Bilaterale Zaken van het Ministerie van Financiën.
In het overzicht is mede aangegeven welke landen, voor zover kon worden nagegaan, het principe van vrijstelling op basis van wederkerigheid eveneens onderschrijven. Op het moment dat een buitenlandse scheep- of luchtvaartonderneming verzoekt om een vrijstelling op basis van artikel 19 van de wet op de Vennootschapsbelasting 1969, dient in het overzicht nagegaan te worden of het land waar de onderneming is gevestigd, een dergelijke vrijstelling eveneens aan Nederlandse scheep- of luchtvaartondernemingen toekent. Blijkt uit het overzicht niet dat het andere land aan Nederlandse scheep- of luchtvaartondernemingen een vrijstelling verleent, dan kan aan de buitenlandse onderneming een zogenoemde ‘To-Whom-It-May-Concern’-verklaring worden afgegeven (zie bijlage 2). In deze verklaring is vastgelegd dat Nederland op basis van wederkerigheid buitenlandse scheep- en luchtvaartmaatschappijen vrijstelt van de Nederlandse belasting.
De buitenlandse onderneming kan zich met deze verklaring wenden tot haar eigen belastingdienst en verzoeken om te bevestigen dat het andere land aan Nederlandse ondernemingen eenzelfde belastingvrijstelling verleent. Nadat de buitenlandse belastingdienst dit heeft verklaard, kan door de Nederlandse fiscus aan de buitenlandse onderneming een vrijstelling worden verleend.
In artikel 7.3 van de Wet inkomstenbelasting 2001 is zoals gezegd geen eis van wederkerigheid opgenomen. Bovenstaande procedure is dan ook niet van toepassing indien een buitenlandse onderneming verzoekt om een vrijstelling op basis van dit artikel.
Aan in Nederland gevestigde ondernemingen geeft de inspecteur op verzoek een ‘To-Whom-It-May-Concern’-verklaring af (zie bijlage 3), waarin is vastgelegd dat Nederland op basis van wederkerigheid buitenlandse scheep- en luchtvaartmaatschappijen vrijstelt van de Nederlandse belasting. In deze verklaring wordt aan de buitenlandse autoriteiten verzocht om de met naam genoemde Nederlandse onderneming van belastingheffing vrij te stellen. Deze verklaring kan aan de buitenlandse autoriteiten worden overlegd, zodat zij kunnen beoordelen of de Nederlandse lucht- of scheepvaartonderneming voor een belastingvrijstelling in dat andere land in aanmerking komt. Deze ‘To-Whom-It-May-Concern’-verklaring is voorzien van een woonplaatsverklaring, die ertoe strekt te verhinderen dat in derde landen gevestigde ondernemingen oneigenlijk gebruik zouden kunnen maken van de regeling.
Modelverklaring inzake BTW-vrijstelling
In Nederland is op de levering van goederen en diensten aan uitgaande zeeschepen en luchtvaartuigen en ook op de dienstverrichtingen ten behoeve van die schepen en luchtvaartuigen een vrijstelling van BTW (in termen van de Wet op de omzetbelasting 1968: een nultarief) van toepassing. Dat geldt ook voor de levering van die schepen en luchtvaartuigen zelf. Deze vrijstellingen zijn gebaseerd op artikel 15 van de Zesde BTW-richtlijn dat ze dwingend voorschrijft. Er is derhalve geen ruimte in nationaal verband om van de vrijstelling af te wijken. Ten einde buitenlandse overheden ertoe te bewegen aan Nederlandse lucht- en scheepvaartondernemingen eveneens een dergelijke vrijstelling te verlenen, zou kunnen worden gewezen op de Nederlandse cq. Europese vrijstelling voor bedoelde leveringen en diensten. Hiertoe kan een verklaring (zie bijlagen 4 en 5) dienen, die door de inspecteur op verzoek afgegeven wordt aan in Nederland gevestigde lucht- respectievelijk scheepvaartondernemingen. In deze verklaring wordt uiteengezet voor welke vervoersdiensten en aanverwante goederen en diensten in Nederland een nultarief geldt. Uiteraard biedt de bedoelde verklaring geen garantie dat de buitenlandse autoriteiten daadwerkelijk afzien van de heffing van BTW. Ook deze verklaring wordt voorzien van een woonplaatsverklaring.
Inhoudsopgave
Inleiding
Overzicht fiscale regelingen
Modelverklaring inzake BTW-vrijstelling
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht