Let op. Deze wet is vervallen op 10 februari 2006. U leest nu de tekst die gold op 9 februari 2006.

Formatiebesluit WEC

Uitgebreide informatie
Besluit van 12 maart 1992, houdende de nieuwe formatieregeling voor scholen voor (voortgezet) speciaal onderwijs
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van de Staatssecretaris van Onderwijs en Wetenschappen van 30 oktober 1991, nr. 91024452/2425, centrale directie Wetgeving en Juridische Zaken;
Gelet op de artikelen 19a, eerste lid onderdeel c, 93a, eerste en tweede lid, en 93d, tweede lid, van de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs (Stb. 1987, 614);
Gehoord de Onderwijsraad (advies van 15 februari 1991, nr. OR/90000146 t/m 148/1 P);
De Raad van State gehoord (advies van 12 februari 1992, nr. W05.91.0607);
Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Onderwijs en Wetenschappen van 9 maart 1992, nr. 92017005/2425, centrale directie Wetgeving en Juridische Zaken;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Artikel 1. Begripsbepalingen
Dit besluit verstaat onder:
wet: Wet op de expertisecentra ;
Onze Minister: Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen;
school: een school voor speciaal onderwijs, voor voortgezet speciaal onderwijs of voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in artikel 2, tweede lid, onder a, b, c, f, h, j, k, m of n, van de wet, dan wel een instelling voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in artikel 8, eerste lid, tweede volzin, van de wet, tenzij het tegendeel blijkt;
bevoegd gezag: wat betreft
a. een openbare school of instelling: het college van burgemeester en wethouders, voor zover de raad niet anders bepaalt, en, indien de raad dit wenselijk oordeelt, met inachtneming van door hem te stellen regelen, dan wel het krachtens een gemeenschappelijke regeling bevoegde orgaan;
b. een bijzondere school of instelling: de rechtspersoon, bedoeld in artikel 57 van de wet;
afdeling: afdeling als bedoeld in artikel 8, tweede lid, van de wet;
instelling: instelling als bedoeld in artikel 8, eerste lid, tweede volzin, van de wet;
regionaal expertisecentrum: een regionaal expertisecentrum als bedoeld in artikel 28b van de wet;
residentiële instelling: een instelling als bedoeld in artikel 71c, eerste lid tweede volzin, van de wet;
schooljaar: het tijdvak van 1 augustus tot en met 31 juli daaropvolgend;
teldatum: een van de data, bedoeld in artikel 118 van de wet;
schoolsoort: soort school als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de wet, verdeeld als aangegeven in artikel 2, tweede lid, van de wet;
onderwijsvorm: speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs;
leerling: een leerling die toelaatbaar is verklaard tot een van de onderwijssoorten die door de school worden verzorgd dan wel tot het cluster waartoe de school behoort, tenzij anders bepaald;
leerling met een niet-Nederlandse culturele achtergrond: leerling:
a. die behoort tot de Molukse bevolkingsgroep;
b. van wie ten minste een van de ouders of voogden afkomstig is uit Griekenland, Italië, het voormalige Joegoslavië, Kaapverdië, Marokko, Portugal, Spanje, Tunesië of Turkije;
c. van wie ten minste een van de ouders of voogden afkomstig is uit Suriname, de Nederlandse Antillen of Aruba;
d. van wie ten minste een van de ouders of voogden als vreemdeling rechtmatig verblijf heeft op grond van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28 of 33 van de Vreemdelingenwet 2000;
e. van wie ten minste een van de ouders of voogden afkomstig is uit een ander niet-Engelstalig land buiten Europa, echter met uitzondering van Indonesië;
vakonderwijs: onderwijs dat gegeven wordt door een leraar bij het speciaal onderwijs of het voortgezet speciaal onderwijs die uitsluitend is benoemd voor het geven van bepaalde onderwijsactiviteiten of vakken;
groepsonderwijs: onderwijs dat gegeven wordt door een leraar bij het speciaal onderwijs of het voortgezet speciaal onderwijs die niet is benoemd voor het geven van vakonderwijs;
ambulante begeleiding: de begeleiding, bedoeld in artikel 8a, derde lid onder b, van de wet;
formatiebudget: het formatiebudget, bedoeld in artikel 120, eerste lid, van de wet.
1.
Het formatiebudget waarop het bevoegd gezag van een school per schooljaar aanspraak heeft, bestaat uit:
a. de formatie voor de vervulling van reguliere taken van de school, bedoeld in artikel 117, eerste lid onderdeel a , van de wet,
b. in voorkomende gevallen formatie voor speciale doeleinden, bedoeld in artikel 117, eerste lid onderdeel b , van de wet,
c. in voorkomende gevallen de verhoging van de formatie als gevolg van het opnieuw berekenen van de formatie bij een bepaalde toename van het aantal leerlingen, overeenkomstig de artikelen 8 en 9,
d. in voorkomende gevallen aanvullende formatie als bedoeld in artikel 117, derde of vierde lid, van de wet,
e. in voorkomende gevallen formatie, bedoeld in artikel 117, zesde, achtste, negende en tiende lid, van de wet.
2.
De omvang van het formatiebudget is gelijk aan de som van de aantallen formatierekeneenheden zoals voor de school berekend op grond van de artikelen 3 tot en met 23.
Artikel 3. Formatie reguliere taken van de school
De formatie voor de vervulling van reguliere taken van de school, bedoeld in artikel 2, eerste lid onderdeel a, bestaat uit:
a. de normatieve formatie,
b. een opslag in verband met formatieve fricties,
c. een opslag vanwege herbezetting in verband met arbeidsduurverkorting, en
d. een opslag vanwege herbezetting in verband met toepassing regeling bevordering arbeidsparticipatie ouderen.
Artikel 4. Normatieve formatie
De normatieve formatie van de school, bedoeld in artikel 3, onderdeel a, omvat de formatie voor het onderwijzend personeel en de schoolleiding, en de formatie voor het onderwijsondersteunend personeel.
1.
Tenzij anders is bepaald, wordt de formatie van het personeel en het aantal leerlingen van een school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs voor het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs afzonderlijk berekend met uitzondering van het bepaalde in artikel 7, tweede lid, voor zover het betreft de factoren F en G, en artikel 11.
2.
Op een school waaraan een afdeling is verbonden, is het eerste lid van overeenkomstige toepassing.
Artikel 6. Wijze van afronding
Indien in dit besluit sprake is van:
a. afronding van een getal, worden de decimalen verwaarloosd indien het eerste cijfer achter de komma kleiner is dan 5, en worden de decimalen verwaarloosd en het getal verhoogd met 1 indien het eerste cijfer achter de komma gelijk is aan of groter is dan 5;
b. afronding naar boven van een getal, worden de decimalen verwaarloosd en wordt het getal verhoogd met 1;
c. afronding op een veelvoud van een aantal minuten, vindt afronding naar beneden plaats indien bij het quotiënt van de uitkomst van de formule of formules en dat aantal minuten het eerste cijfer achter de komma kleiner is dan 5 en vindt afronding naar boven plaats indien bij dat quotiënt het eerste cijfer achter de komma gelijk is aan of groter is dan 5.
1.
De formatie van een school met betrekking tot het onderwijzend personeel met inbegrip van de schoolleiding wordt berekend aan de hand van de formule A = B * C + B * D + G.
2.
In de formules, genoemd in dit artikel en in artikel 16, vijfde lid, is:
A de formatie, uitgedrukt in minuten en afgerond op een veelvoud van 480 minuten;
B 1. het aantal leerlingen op de teldatum en 2. het aantal leerlingen dat bepalend is voor de formatie ten behoeve van leerlingen uit een residentiële instelling als bedoeld in artikel 117, achtste lid, van de wet;
C het aantal minuten groepsonderwijs per week aan een school voor speciaal onderwijs dat voor de desbetreffende schoolsoort en onderwijsvorm per leerling is aangegeven in artikel 14;
D het aantal minuten groeps- of vakonderwijs per week aan een school voor voortgezet speciaal onderwijs dat voor de desbetreffende schoolsoort en onderwijsvorm per leerling is aangegeven in artikel 14;
F het aantal minuten per week dat ten behoeve van leerlingen met een niet-Nederlandse culturele achtergrond op de teldatum wordt vastgesteld aan de hand van artikel 22 b;
G het aantal minuten per week dat, uitgaande van het aantal formatieplaatsen, ten behoeve van de schoolleiding wordt vastgesteld aan de hand van artikel 16, tweede lid, waarbij G niet groter kan zijn dan 3600; het aantal formatieplaatsen, bedoeld in de vorige zinsnede, is de uitkomst van de formule (B * C + B * D + F + H + I + Ia): 2400, naar boven afgerond;
H het aantal minuten per week dat ten behoeve van ambulante begeleiding wordt vastgesteld aan de hand van artikel 11 juncto de artikelen 17 en 23a;
I de som van de formatie, bedoeld in artikel 13, eerste lid, ten behoeve van het onderwijsondersteunend personeel;
Ia het aantal minuten per week dat ten behoeve van de formatie voor de categorie technicus van het onderwijsondersteunend personeel wordt vastgesteld aan de hand van artikel 13 a.
3.
De uitkomst van de formules B x C en B x D wordt telkens afgerond op een veelvoud van 15 minuten.
4.
Een leerling die is toegelaten op basis van formatie die is toegekend ten behoeve van leerlingen uit een residentiële instelling wordt niet meegeteld als leerling op een teldatum.
1.
De formatie, bedoeld in de artikelen 7, 11, 13, 13 a en 22 b wordt opnieuw berekend indien het verschil tussen
a. het aantal leerlingen op 1 oktober van het schooljaar, en
b. het aantal leerlingen, bedoeld bij de factor B onder 1 in artikel 7, tweede lid, gelijk is aan of groter is dan de kleinste factor N, bedoeld in de tabel in artikel 14 van het Bekostigingsbesluit WEC die op de school van toepassing is.
2.
Indien in het voorafgaande schooljaar toepassing is gegeven aan artikel 9, wordt in afwijking van het eerste lid de formatie, bedoeld in de artikelen 7, 11, 13, 13 aen 22 b, opnieuw berekend indien het verschil tussen
a. het aantal leerlingen op 1 oktober van het schooljaar, en
b. het aantal leerlingen op 16 januari van het voorafgaande schooljaar gelijk is aan of groter is dan de kleinste factor N, bedoeld in de tabel in artikel 14 van het Bekostigingsbesluit WEC, die op de school van toepassing is.
3.
Aanspraak op verhoging van de formatie ingevolge het eerste en tweede lid, ontstaat met ingang van 1 januari van het schooljaar.
1.
Onverminderd artikel 7, vierde lid, wordt de formatie, bedoeld in de artikelen 7, 11, 13, 13a en 22b, opnieuw berekend indien het verschil tussen
a. het aantal leerlingen op 16 januari van het schooljaar, en
b. het aantal leerlingen op 1 oktober van het schooljaar onderscheidenlijk het aantal leerlingen op de teldatum die op grond van artikel 118, tweede lid, van de wet van toepassing is,
gelijk is aan of groter is dan de helft van de kleinste factor N, bedoeld in de tabel in artikel 14 van het Bekostigingsbesluit WEC, die op de school van toepassing is.
2.
Aanspraak op verhoging van de formatie ingevolge het eerste lid, ontstaat met ingang van 1 augustus van het daarop volgende schooljaar.
1.
Tenzij Onze Minister anders beslist, wordt ten behoeve van een nieuwe school acht weken voor de opening van de school 1 formatieplaats voor de directeur en, afhankelijk van het aantal te verwachten leerlingen, bedoeld bij de factor B in artikel 7, tweede lid, formatie voor de overige leden van de commissie van onderzoek, bedoeld in artikel 41 tweede lid, van de wet, voor een psychologisch assistent en voor een administratief medewerker toegekend. Indien sprake is van een nieuwe afdeling, wordt geen formatieplaats voor een directeur toegekend.
2.
De formatieplaats voor de directeur, bedoeld in het eerste lid, wordt uitgedrukt in 251 formatierekeneenheden.
1.
Voor zover het een school betreft waar onderwijs wordt gegeven als bedoeld in artikel 2, tweede lid onderdeel a tot en met c, f en h, j, k, m en n, van de wet wordt de formatie ten behoeve van de ambulante begeleiding in verband met terugplaatsing toegekend volgens het tweede en derde lid.
2.
De formatie van een school ten behoeve van de ambulante begeleiding in verband met terugplaatsing wordt berekend aan de hand van de formule H =J * K.
3.
In de formule, bedoeld in het tweede lid, is:
H het aantal formatierekeneenheden;
J het aantal leerlingen op de teldatum dat in het direct daaraan voorafgaande schooljaar was toegelaten tot een school, niet zijnde een instelling, en dat zonder dat voor hen nog een leerlinggebonden budget beschikbaar is, is teruggeplaatst naar een basisschool als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs , een school als bedoeld in de Wet op het voortgezet onderwijs dan wel een opleiding als bedoeld in artikel 7.2.2., eerste lid, onder a en b, van de Wet educatie en beroepsonderwijs;
K het aantal formatierekeneenheden per ambulant begeleide leerling, bedoeld in artikel 17.
4.
De uitkomst van de formule, bedoeld in het tweede lid, wordt afgerond.
Artikel 12. Groepen onderwijsondersteunend personeel
Voor de toepassing van de artikelen 13, 13a en 18 worden de volgende groepen onderwijsondersteunend personeel onderscheiden:
groep a: administratief medewerker, psychologisch assistent, klassenassistent;
groep b: conciërge;
groep c: creatieve therapeut, ergotherapeut, speltherapeut, fysiotherapeut, logopedist, maatschappelijk deskundige, akoepedist, schoolverpleegkundige, instructeur mobiliteit;
groep d: orthopedagoog, psycholoog, medisch specialist, audioloog;
groep e: technicus.
1.
De formatie van een school met betrekking tot het onderwijsondersteunend personeel wordt per groep, bedoeld in artikel 12, groep a tot en met d, berekend aan de hand van de formule I' = B * P, afgerond op een veelvoud van 15 minuten. De omvang van de gehele formatie van een school met betrekking tot het onderwijsondersteunend personeel, genoemd in artikel 12, groep a tot en met d, wordt berekend aan de hand van de formule I = de som van de afzonderlijke I'.
2.
In de formules, bedoeld in het eerste lid, is:
I de formatie van de school ten behoeve van het onderwijsondersteunend personeel, genoemd in artikel 12, groep a tot en met d;
I' de formatie per groep onderwijsondersteunend personeel, genoemd in artikel 12, groep a tot en met d, uitgedrukt in minuten en per school afgerond op een veelvoud van 15 minuten;
B 1. het aantal leerlingen op de teldatum en 2. het aantal leerlingen dat bepalend is voor de formatie ten behoeve van leerlingen uit een residentiële instelling als bedoeld in artikel 117, achtste lid, van de wet;
P het aantal minuten per week dat per groep onderwijsondersteunend personeel voor de desbetreffende schoolsoort en onderwijsvorm per leerling is aangegeven in artikel 18.
3.
Bij de berekening van de formatie, bedoeld in het eerste lid, kan het aantal minuten voor groep b van het onderwijsondersteunend personeel voor een school niet meer bedragen dan 3600.
4.
Een leerling die is toegelaten op basis van formatie die is toegekend ten behoeve van leerlingen uit een residentiële instelling wordt niet meegeteld als leerling op een teldatum.
5.
De formatie met betrekking tot de groep d van het onderwijsondersteunend personeel wordt verminderd voor zover anders dan op grond van artikel 131 en artikel 133 tot en met 141 van de wet vergoeding voor dit personeel kan worden verkregen.
1.
Ten behoeve van een school waar onderwijs wordt gegeven als bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdeel a , b , f en n , van de wet en een afdeling waar onderwijs wordt gegeven als bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdeel n , van de wet wordt formatie voor groep e van het onderwijsondersteunend personeel toegekend. Onder een school als bedoeld in de eerste volzin wordt niet begrepen een aan deze school verbonden afdeling, tenzij het een afdeling betreft waar onderwijs wordt gegeven als bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdeel n , van de wet.
2.
Voor de berekening van de formatie, bedoeld in het eerste lid, en het aantal leerlingen worden als een geheel beschouwd:
a. een school als bedoeld in het eerste lid waar zowel speciaal onderwijs als voortgezet speciaal onderwijs in de desbetreffende onderwijssoorten wordt gegeven;
b. een school als bedoeld in het eerste lid met een daaraan verbonden afdeling waar onderwijs wordt gegeven als bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdeel n , van de wet.
3.
Onder het aantal leerlingen worden tevens begrepen de leerlingen die tot de school zijn toegelaten op basis van formatie die is toegekend ten behoeve van leerlingen uit een residentiële instelling.
4.
Indien het aantal leerlingen op de school op de teldatum kleiner is dan of gelijk is aan 120 bedraagt de in het eerste lid bedoelde formatie 1200 minuten per schooljaar, en indien het aantal leerlingen op de school op de teldatum groter is dan 120 bedraagt deze formatie 2400 minuten per schooljaar.
Artikel 14. Tabel formatie groeps- en vakonderwijs
De formatie groeps- en vakonderwijs tezamen wordt berekend volgens de hierna volgende tabel, waarbij de getallen het aantal minuten per week per leerling aangeven:
onderwijssoort speciaal onderwijs voortgezet speciaal onderwijs
a. dove kinderen 461 485
b. slechthorende kinderen 251 435
c. kinderen met ernstige spraakmoeilijkheden die niet tevens behoren tot de onder a of b bedoelde kinderen 251
f. lichamelijk gehandicapte kinderen 251 435
h1°. langdurig zieke kinderen met een lichamelijke handicap 221 399
h2°. langdurig zieke kinderen anders dan met een lichamelijke handicap 274 405
j. zeer moeilijk lerende kinderen 235 271
k. zeer moeilijk opvoedbare kinderen 274 405
m. kinderen in scholen verbonden aan pedologische instituten 274 405
n. meervoudig gehandicapte kinderen met de combinatie:
a + j 872 873
b + j 431 441
f + j 399 441
1.
De formatie voor de schoolleiding wordt deels berekend in minuten en deels uitgedrukt in formatierekeneenheden. De berekening van de formatie in minuten geschiedt aan de hand van het schema in het tweede lid en de berekening van de formatierekeneenheden geschiedt voor een school voor speciaal onderwijs of een school voor voortgezet speciaal onderwijs aan de hand van het schema in het derde lid juncto het vijfde lid en voor een school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs aan de hand van het schema in het vierde lid juncto het vijfde lid.
2
Aantal formatieplaatsen G (aantal minuten per week)
1 tot en met 4 800
5 1000
6 1200
7 1400
8 1650
9 1900
10 2100
11 2200
en vervolgens voor elke formatieplaats boven het aantal van 11, 75 minuten per week waarbij G niet groter kan zijn dan 3600
3.
School voor speciaal onderwijs of school voor voortgezet speciaal onderwijs:
4.
School voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs:
5.
In het schema, bedoeld in het derde en vierde lid, is:
Q het totale aantal formatieplaatsen voor onderwijzend personeel en schoolleiding, en voor onderwijsondersteunend personeel, berekend aan de hand van de formule
Q = (B * C + B * D + F + G + H + I + Ia) : 2400, afgerond naar boven;
Ba het aantal leerlingen dat voortgezet speciaal onderwijs volgt;
Qa het totaal aantal formatieplaatsen voor onderwijzend personeel en schoolleiding, en voor onderwijsondersteunend personeel voor het speciaal onderwijs, berekend aan de hand van de formule
Qa = (B * C + F + G + H + I + Ia): 2400, afgerond naar boven.
Artikel 17. Tabel formatie ambulante begeleiding artikel 8a, derde lid onder b, van de wet
art. 7.2.2., eerste lid onder a en b van de WEB
onderwijssoort terugplaatsing naar basisonderwijs, aantal formatierekeneenheden terugplaatsing naar voortgezet onderwijs of opleiding als bedoeld in , aantal formatierekeneenheden
a. dove kinderen 36,9 17
b. slechthorende kinderen 16,6 11,1
c. kinderen met ernstige spraakmoeilijkheden die niet tevens behoren tot de onder a of b bedoelde kinderen 16,6
f. lichamelijk gehandicapte kinderen 16,6 17
h.1° langdurig zieke kinderen met een lichamelijke handicap 16,6 11,1
h.2° langdurig zieke kinderen anders dan met een lichamelijke handicap 16,6 11,1
j. zeer moeilijk lerende kinderen 16,6 11,1
k. zeer moeilijk opvoedbare kinderen 16,6 11,1
m. kinderen in scholen verbonden aan pedologische instituten 16,6 11,1
n. meervoudig gehandicapte kinderen 16,6 11,1
1.
De formatie onderwijsondersteunend personeel wordt berekend volgens de hierna volgende tabel, waarbij de getallen het aantal minuten per week per leerling aangeven en waarbij de groepen verwijzen naar de groepen onderwijsondersteunend personeel, bedoeld in artikel 12.
2.
Voor leerlingen die tot de school zijn toegelaten op basis van formatie die is toegekend ten behoeve van leerlingen uit een residentiële instelling en die op 31 december van het voorafgaande schooljaar jonger zijn dan 8 jaar wordt formatie toegekend ter grootte van het verschil tussen de in het eerste lid aangegeven formatie in de kolom «groep a leerlingen 8 jaar en ouder» en de kolom «groep a leerlingen jonger dan 8 jaar».
Artikel 19. Formatieberekening m.b.t. verbreed toegelaten leerlingen
Indien een leerling, die toelaatbaar is verklaard tot een andere onderwijssoort binnen het cluster, bedoeld in artikel 2, vierde lid, van de wet dan de onderwijssoort die door de school wordt verzorgd, bij de school is ingeschreven met toepassing van artikel 76a van de wet, wordt met betrekking tot die leerling voor de berekening van de formatie uitgegaan van het aantal formatierekeneenheden dan wel minuten dat is vermeld achter de onderwijssoort waarvoor die leerling toelaatbaar is verklaard.
Artikel 20. Opslag i.v.m. formatieve fricties
De opslag in verband met rechtspositionele aanspraken van personeel bij vermindering van de formatie bedraagt voor de school 18 formatierekeneenheden.
1.
De aantallen formatierekeneenheden voor het onderwijzend personeel en schoolleiding en de aantallen formatierekeneenheden voor speciale doeleinden, berekend op grond van artikel 23, eerste lid, worden verhoogd met 8,11% vanwege herbezetting in verband met arbeidsduurverkorting.
2.
De aantallen formatierekeneenheden voor onderwijsondersteunend personeel, berekend op grond van artikel 23, tweede lid, worden verhoogd met 5,68% vanwege herbezetting in verband met arbeidsduurverkorting.
3.
Het aantal formatierekeneenheden, berekend op grond van artikel 23 en verhoogd op grond van het eerste en het tweede lid, wordt tevens verhoogd met het aantal formatierekeneenheden dat behoort bij het gedeelte van de betrekkingsomvang dat kan worden herbezet in verband met toepassing van de regeling bevordering arbeidsparticipatie ouderen, bedoeld in titel 16 van hoofdstuk 1 van het Rechtspositiebesluit WPO/WEC.
4.
De uitkomst van het aantal formatierekeneenheden, berekend op grond van het eerste, het tweede en het derde lid, wordt telkens afgerond.
Artikel 21. Opbouw formatie speciale doeleinden
De formatie voor speciale doeleinden van een basisschool omvat de formatie voor de bestrijding van onderwijsachterstanden, bedoeld in artikel 117 van de wet.
1.
Voor de bestrijding van onderwijsachterstanden wordt voor leerlingen met een niet-Nederlandse culturele achtergrond een aantal minuten formatie berekend aan de hand van het schema:
2.
Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder leerling tevens verstaan de leerling met een niet-Nederlandse culturele achtergrond die is toegelaten op basis van formatie die is toegekend ten behoeve van leerlingen uit een residentiële instelling.
1.
Voor de omrekening in formatierekeneenheden van de formatie voor onderwijzend personeel en schoolleiding en de formatie voor speciale doeleinden, wordt het aantal minuten formatie gedeeld door 2400 en wordt de uitkomst daarvan vermenigvuldigd met 195.
2.
Voor de omrekening in formatierekeneenheden van de formatie voor onderwijsondersteunend personeel wordt het aantal minuten formatie gedeeld door 2400 en wordt de uitkomst daarvan vermenigvuldigd met het getal, behorend bij de desbetreffende groep, volgens de volgende tabel:
3.
De uitkomst van de som van het aantal formatierekeneenheden, berekend op grond van het eerste en tweede lid wordt telkens afgerond.
Artikel 23a. Omrekening formatierekeneenheden in minuten
Voor de omrekening in minuten van de formatie voor ambulante begeleiding, bedoeld in de factor H in artikel 7, tweede lid, wordt het aantal formatierekeneenheden gedeeld door 1,0811 en vervolgens gedeeld door 195 en wordt de uitkomst daarvan vermenigvuldigd met 2400. De uitkomst wordt afgerond.
1.
Bij het opnemen van functies in de formatie van de school, wordt voor de functies die zijn opgenomen in de tabel in het derde lid, op basis van de bij de onderscheiden functies behorende maximumschaal het aantal formatierekeneenheden verbruikt dat is aangegeven in die tabel.
2.
Indien een functie waarvan de omvang kleiner is dan die van een normbetrekking, wordt opgenomen in de formatie van de school, wordt het aantal formatierekeneenheden, bedoeld in het eerste lid, naar evenredigheid verminderd en op rekenkundige wijze afgerond op 2 decimalen.
3.
Verbruikstabel functies schoolleiding, onderwijsgevend en onderwijsondersteunend personeel
4.
Bij het opnemen van andere functies in de formatie van de school dan genoemd in de tabel in het derde lid, zijn het eerste en tweede lid van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat de tabel in artikel 112 van het Rechtspositiebesluit WPO/WEC van toepassing is.
5.
Het totale verbruik van formatierekeneenheden van de school wordt berekend door de som te bepalen van het verbruik van formatierekeneenheden per functie die in de formatie is opgenomen en de uitkomst daarvan af te ronden.
Artikel 24a. Wijziging besteding formatie voor personeelsbeleid, kwaliteitsverbetering en innovatie
Wijziging in de besteding van de formatie voor personeelsbeleid, kwaliteitsverbetering en innovatie mag niet leiden tot kosten van werkloosheidsuitkeringen.
Artikel 24b. Maandelijks verbruik formatierekeneenheden
Indien het verbruik van het aantal formatierekeneenheden in een maand afwijkt van het aantal formatierekeneenheden, dat op grond van het formatiebudget beschikbaar is voor de school, kan een bevoegd gezag het te weinig of te veel verbruikte aantal formatierekeneenheden van die maand besteden onderscheidenlijk minder besteden in een of meer andere maanden van het schooljaar.
1.
Het bevoegd gezag van een school dan wel een regionaal expertisecentrum kan telkens voor de periode van een schooljaar van het beschikbare formatiebudget formatierekeneenheden overdragen aan een andere school, een instelling als bedoeld in artikel 8, eerste lid, tweede volzin, van de wet, een basisschool of een speciale school voor basisonderwijs van hetzelfde bevoegd gezag of van een ander bevoegd gezag dan wel een regionaal expertisecentrum waarbij het bevoegd gezag van de school is aangesloten.
2.
Indien overdracht van formatierekeneenheden als bedoeld in het eerste lid plaatsvindt, delen het bevoegd gezag van de overdragende school dan wel het overdragend regionaal expertisecentrum en dat van de ontvangende school of de ontvangende instelling als bedoeld in het eerste lid deze overdracht en het aantal formatierekeneenheden dat het betreft voor 15 mei voorafgaand aan het desbetreffende schooljaar mee aan Onze Minister. Het bevoegd gezag kan voor 1 oktober en voor 1 februari van een schooljaar een nadere beslissing als bedoeld in het eerste lid nemen en voor die data aan Onze Minister meedelen hoeveel formatierekeneenheden worden overgedragen.
3.
Indien het bevoegd gezag van een school ingevolge artikel 8 op 1 januari van een schooljaar aanspraak kan maken op verhoging van de formatie, kan het bevoegd gezag in afwijking van het eerste lid voor de periode van 1 januari tot en met 31 juli van het desbetreffende schooljaar de toename in formatierekeneenheden overdragen aan een andere school, een instelling als bedoeld in het eerste lid, een basisschool, een speciale school voor basisonderwijs of een school voor voortgezet onderwijs van hetzelfde bevoegd gezag of van een ander bevoegd gezag dan wel een regionaal expertisecentrum waarbij het bevoegd gezag van de school is aangesloten.
4.
Indien overdracht van formatierekeneenheden als bedoeld in het derde lid plaatsvindt, delen het bevoegd gezag van de overdragende school dan wel overdragend regionaal expertisecentrum en dat van de ontvangende school of de ontvangende instelling als bedoeld in het eerste lid dan wel ontvangend regionaal expertisecentrum deze overdracht en het aantal formatierekeneenheden dat het betreft voor 1 november van het desbetreffende schooljaar mee aan Onze Minister.
5.
Overdracht van formatierekeneenheden mag niet leiden tot kosten van werkloosheidsuitkeringen.
1.
Het bevoegd gezag van een school kan telkens voor de periode van een schooljaar beslissen minder formatierekeneenheden te besteden dan voor die school mogelijk zou zijn op grond van het beschikbare formatiebudget, tot ten hoogste:
a. 10% van het voor de school beschikbare formatiebudget daaronder niet begrepen de formatie voor personeelsbeleid, kwaliteitsverbetering en innovatie en het aantal formatierekeneenheden dat nodig is voor de bekostiging van de vervanging van het personeel dat gebruik maakt van het verlof op grond van artikel 32, zevende lid, van het Rechtspositiebesluit WPO/WEC,
b. de formatie voor personeelsbeleid, kwaliteitsverbetering en innovatie,
c. het aantal formatierekeneenheden dat nodig is voor het betalen van vergoedingen aan een school voor voortgezet onderwijs voor de inzet van personeel,
d. het aantal formatierekeneenheden dat nodig is voor de bekostiging van de vervanging van het personeel dat gebruik maakt van het verlof op grond van artikel 32, zevende lid, van het Rechtspositiebesluit WPO/WEC, en
e. het aantal formatierekeneenheden per personeelslid voor meer werken als bedoeld in artikel 107, tweede lid, in samenhang met artikel 295a van het Rechtspositiebesluit WPO/WEC dat wordt berekend door het totaal aantal uren dat meer is gewerkt, te delen door 1659 en de uitkomst van die deling te vermenigvuldigen met het aantal formatierekeneenheden dat voor de betreffende functie bij een normbetrekking wordt verbruikt, bedoeld in artikel 112 van het Rechtspositiebesluit WPO/WEC.
In dat geval keert Onze Minister aan het bevoegd gezag van de school een bedrag uit dat overeenkomt met de geldswaarde van de gedurende het schooljaar niet verbruikte formatierekeneenheden.
2.
Het verzilveren van formatierekeneenheden, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c , mag niet leiden tot kosten van werkloosheidsuitkeringen.
3.
Het bevoegd gezag neemt een beslissing als bedoeld in het eerste lid voor 15 mei voorafgaande aan het desbetreffende schooljaar en deelt dit voor die datum mee aan Onze Minister. Bij die mededeling wordt tevens vermeld, hoeveel formatierekeneenheden het betreft. Het bevoegd gezag kan voor 1 oktober en voor 1 februari van een schooljaar een nadere beslissing als bedoeld in het eerste lid nemen en voor die data aan Onze Minister meedelen hoeveel formatierekeneenheden worden verzilverd, met dien verstande dat deze nadere beslissingen niet kunnen inhouden dat minder formatierekeneenheden worden verzilverd dan voor 15 mei of voor 1 oktober aan Onze Minister is meegedeeld.
4.
Indien het bevoegd gezag van een school ingevolge artikel 8 op 1 januari van een schooljaar aanspraak kan maken op verhoging van de formatie, kan het bevoegd gezag beslissen de toename in formatierekeneenheden niet te besteden, tot ten hoogste het aantal formatierekeneenheden dat wordt verkregen door de toename te vermenigvuldigen met het percentage dat resulteerde in de mededeling bedoeld in het tweede lid daaronder niet begrepen de formatie genoemd in het eerste lid, eerste volzin, onderdeel b , en de uitkomst daarvan af te ronden. In dat geval keert Onze Minister aan het bevoegd gezag van de school een bedrag uit dat overeenkomt met de geldswaarde van deze niet verbruikte formatierekeneenheden.
5.
Het bevoegd gezag neemt een beslissing als bedoeld in het vierde lid voor 1 november van het desbetreffende schooljaar en deelt deze beslissing en het aantal formatierekeneenheden dat het betreft voor die datum mee aan Onze Minister.
6.
De geldswaarde van de formatierekeneenheden voor speciale doeleinden die zijn verzilverd, wordt besteed aan de speciale doeleinden waarvoor die rekeneenheden waren bestemd.
7.
Het tweede en het derde lid zijn van overeenkomstige toepassing op een regionaal expertisecentrum dat beslist minder formatierekeneenheden te besteden dan mogelijk zou zijn op grond van het aan het regionaal expertisecentrum overgedragen aantal formatierekeneenheden.
1.
De formatie van een instelling als bedoeld in artikel 117, eerste lid onderdeel a 2°, van de wet, wordt berekend aan de hand van de formule
A = B x 131.
2.
In de formule, genoemd in dit artikel is:
A de formatie, uitgedrukt in minuten en afgerond op een veelvoud van 480 minuten;
B het aantal leerlingen op de teldatum.
3.
Voor de omrekening in formatierekeneenheden van de formatie berekend op grond van het eerste en tweede lid wordt het aantal minuten formatie gedeeld door 2400 en wordt de uitkomst daarvan vermenigvuldigd met 195.
Artikel 26b. Nieuwe instelling
Acht weken voor de opening van een nieuwe instelling worden ten behoeve van de werkzaamheden voor de start van de instelling 975 formatierekeneenheden toegekend.
Artikel 26c. Besteding formatiebudget
De artikelen 24, 24 aen 24 bzijn van overeenkomstige toepassing op instellingen.
1.
Van de voor de instelling op grond van artikel 26a van dit besluit en artikel 117, vijfde lid, van de wet, beschikbare formatierekeneenheden, kan het bevoegd gezag van een instelling telkens voor de periode van een schooljaar formatierekeneenheden overdragen aan een school, een andere instelling, of een basisschool van hetzelfde bevoegd gezag of van een ander bevoegd gezag.
2.
Indien overdracht van formatierekeneenheden als bedoeld in het eerste lid plaatsvindt, delen het bevoegd gezag van de overdragende instelling en dat van de ontvangende school of instelling deze overdracht en het aantal formatierekeneenheden dat het betreft voor 15 mei voorafgaand aan het desbetreffende schooljaar mee aan Onze Minister. Het bevoegd gezag van de overdragende instelling kan voor 1 oktober en voor 1 februari van een schooljaar een nadere beslissing als bedoeld in het eerste lid nemen en voor die data aan Onze Minister meedelen hoeveel formatierekeneenheden worden overgedragen.
3.
Overdracht van formatierekeneenheden mag niet leiden tot kosten van ontslaguitkeringen krachtens het Besluit Werkloosheid onderwijs- en onderzoekpersoneel .
1.
Het bevoegd gezag van een instelling kan telkens voor de periode van een schooljaar beslissen om ten hoogste 10% van de beschikbare formatierekeneenheden minder te besteden dan voor die instelling mogelijk zou zijn op grond van artikel 26 avan dit besluit en op grond van artikel 117, vijfde lid, van de wet.
2.
Het bevoegd gezag neemt een beslissing als bedoeld in het eerste lid voor 15 mei voorafgaande aan het desbetreffende schooljaar en deelt deze beslissing en het aantal formatierekeneenheden dat het betreft voor die datum mee aan Onze Minister. Het bevoegd gezag kan voor 1 oktober en voor 1 februari van een schooljaar een nadere beslissing als bedoeld in het eerste lid nemen en voor die data aan Onze Minister meedelen hoeveel formatierekeneenheden worden verzilverd, met dien verstande dat deze nadere beslissingen niet kunnen inhouden dat minder formatierekeneenheden worden verzilverd dan voor 15 mei of voor 1 oktober aan Onze Minister is meegedeeld.
3.
Voor zover toepassing is gegeven aan het eerste en tweede lid keert Onze Minister aan het bevoegd gezag van een instelling een bedrag uit dat overeenkomt met de geldswaarde van de gedurende het schooljaar niet verbruikte formatierekeneenheden.
a. voor het schooljaar 1993-1994 een percentage van 0,644%, en
b. voor het schooljaar 1994-1995 een percentage van 1,085%.
Artikel 26h. Voorwaarden verzilvering niet verbruikte formatierekeneenheden voor het schooljaar 1992-1993
Ten aanzien van het schooljaar 1992-1993 is de termijnstelling, bedoeld in artikel 26, vierde lid, niet van toepassing.
Artikel 26i. Voorwaarden overdracht formatierekeneenheden en verzilvering niet verbruikte formatierekeneenheden voor het schooljaar 1993-1994
In afwijking van de artikelen 25, vierde lid, en 26, vierde lid, doen de bevoegde gezagsorganen voor het schooljaar 1993-1994 de mededelingen als bedoeld in die artikelleden voor 1 april 1994.
a. voor het schooljaar 1994-1995 een percentage van 1,2%, met dien verstande dat na de afronding op grond van artikel 22 a , tweede lid, de uitkomst van deze berekening wordt verminderd met de uitkomst van de berekening op grond van artikel 20 bjuncto artikel 26 b , onderdeel b ,
b. voor het schooljaar 1995-1996 een percentage van 1,7%, en
c. voor het schooljaar 1996-1997 een percentage van 2,2%.
Artikel 26k. Factor leerlingafhankelijke formatieinstellingen voor het schooljaar 1995–1996
Voor de vaststelling van de formatie voor het schooljaar 1995–1996 wordt het getal 128, bedoeld in artikel 26 a , eerste lid, vervangen door 126.
Artikel 27. Intrekking Formatiebesluit ISOVSO (Stb. 1985, 518)
Het Formatiebesluit ISOVSO ( Stb. 1985, 518) wordt ingetrokken.
Artikel 28. Inwerkingtreding
Dit besluit treedt in werking op 1 augustus 1992.
Artikel 29. Citeertitel
Dit besluit kan worden aangehaald als " Formatiebesluit WEC".
Lasten en bevelen dat dit besluit met daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State.
's-Gravenhage, 12 maart 1992
De Staatssecretaris van Onderwijs en Wetenschappen,
Uitgegeven de eenendertigste maart 1992
De Minister van Justitie,
Inhoudsopgave
+ § 1. Algemene bepalingen
+ § 2. Formatie personeel scholen
+ § 3. Tabellen scholen
+ § 4. Opslagen scholen
+ § 5. Formatie speciale doeleinden scholen
+ § 6. Omrekening minuten en uren in formatierekeneenheden bij scholen
+ § 7. Besteding formatiebudget scholen
+ Paragraaf 7a. Formatie instellingen
+ § 7b. Overgangsbepalingen
+ § 8. Slotbepalingen
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht