Let op. Deze wet is vervallen op 10 februari 2006. U leest nu de tekst die gold op 9 februari 2006.

Formatiebesluit WPO

Uitgebreide informatie
Besluit van 12 maart 1992, houdende de nieuwe formatieregeling voor basisscholen
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van de Staatssecretaris van Onderwijs en Wetenschappen, van 30 oktober 1991, nr. 91024445/2424, centrale directie Wetgeving en Juridische Zaken;
Gelet op de artikelen 96a, eerste en tweede lid, artikel 96b, eerste lid, en 96c, tweede lid, van de Wet op het basisonderwijs (Stb. 1986, 256);
Gehoord de Onderwijsraad (advies van 15 februari 1991, nr. OR/90000146 t/m 148/1 P);
De Raad van State gehoord (advies van 6 februari 1992, nr. W05.91 0605);
Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Onderwijs en Wetenschappen, van 9 maart 1992, nr. 92016999/2424, centrale directie Wetgeving en Juridische Zaken;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Artikel 1. Begripsbepalingen
Dit besluit verstaat onder:
wet: Wet op het primair onderwijs ;
Onze Minister: Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen;
school: een basisschool of een speciale school voor basisonderwijs, tenzij het tegendeel blijkt;
samenwerkingsverband: een samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 18 van de wet;
centrale dienst: centrale dienst die formatie ontvangt als bedoeld in artikel 132 van de wet;
bevoegd gezag: wat betreft
a. een openbare school: het college van burgemeester en wethouders, voor zover de raad niet anders bepaalt, en, indien de raad dit wenselijk oordeelt, met inachtneming van door hem te stellen regelen, dan wel het krachtens een gemeenschappelijke regeling bevoegde orgaan;
b. een bijzondere school: de rechtspersoon, bedoeld in artikel 55 van de wet;
teldatum: voor wat betreft:
a. basisscholen: een van de data, bedoeld in artikel 121, eerste en tweede lid, van de wet,
b. speciale scholen voor basisonderwijs: een van de data, bedoeld in artikel 122, derde lid, van de wet;
schooljaar: het tijdvak van 1 augustus tot en met 31 juli daaropvolgend;
leerling met een niet-Nederlandse culturele achtergrond: leerling:
a. die behoort tot de Molukse bevolkingsgroep,
b. van wie ten minste een van de ouders of voogden afkomstig is uit Griekenland, Italië, het voormalige Joegoslavië, Kaapverdië, Marokko, Portugal, Spanje, Tunesië of Turkije,
c. van wie ten minste een van de ouders of voogden afkomstig is uit Suriname, de Nederlandse Antillen of Aruba,
d. van wie ten minste een van de ouders of voogden als vreemdeling rechtmatig verblijf heeft op grond van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28 of  33 van de Vreemdelingenwet 2000,
e. van wie ten minste een van de ouders of voogden afkomstig is uit een ander niet-Engelstalig land buiten Europa, echter met uitzondering van Indonesië;
formatiebudget: het formatiebudget, bedoeld in artikel 123, eerste lid, van de wet.
1.
Het formatiebudget waarop het bevoegd gezag van een basisschool per schooljaar aanspraak heeft, bestaat uit:
b. in voorkomende gevallen formatie voor speciale doeleinden, bedoeld in artikel 120, eerste lid onderdeel b , van de wet,
c. in voorkomende gevallen groeiformatie en bijzondere groeiformatie als bedoeld in de artikelen 15c tot en met 15c3,
d. in voorkomende gevallen aanvullende formatie als bedoeld in artikel 120, vijfde lid, van de wet, en
e. in voorkomende gevallen formatie als bedoeld in artikel 70a van de wet.
2.
De omvang van het formatiebudget is de som van de aantallen formatierekeneenheden zoals voor de school berekend op grond van de artikelen 2 tot en met 15c3.
3.
De omvang van het formatiebudget van een basisschool die nog geen leerlingen heeft, bedraagt 227 formatierekeneenheden voor een periode van ten hoogste acht weken.
4.
Onverminderd het derde lid, heeft een basisschool die op de teldatum geen leerlingen heeft, geen aanspraak op formatierekeneenheden.
Artikel 3. Verhoging aantal formatierekeneenheden t.b.v. zeer kleine scholen
Indien het totale aantal formatierekeneenheden dat voor een basisschool is berekend op grond van de artikelen 4 tot en met 15b, in voorkomende gevallen vermeerderd met de groeiformatie en de bijzondere groeiformatie, bedoeld in de artikelen 15c tot en met 15c3, lager is dan 530, wordt het aantal formatierekeneenheden waarop het bevoegd gezag van die school aanspraak heeft, verhoogd tot 530 formatierekeneenheden.
Artikel 4. Afronding
Het totale aantal formatierekeneenheden dat is berekend op grond van de artikelen 5 tot en met 15b, wordt rekenkundig afgerond op een geheel getal.
Artikel 4a. Formatierekeneenheden
De omvang van elke formatiecategorie wordt uitgedrukt in formatierekeneenheden.
Artikel 5. Opbouw basisformatie
De basisformatie van een basisschool omvat, voor zover van toepassing:
a. de groepsformatie;
b. de toeslag voor kleine scholen;
c. de toeslag voor de schoolleiding; en
d. de toeslag voor herbezetting in verband met toepassing van de regeling bevordering arbeidsparticipatie ouderen.
Artikel 6. Vermeerdering van de basisformatie t.b.v. basisscholen met een of meer nevenvestigingen
Indien een basisschool bestaat uit een hoofdvestiging en een of meer nevenvestigingen, wordt de basisformatie van die school vermeerderd met drievierde van het verschil tussen enerzijds de som van de toeslagen voor kleine scholen die de hoofdvestiging en de nevenvestigingen als zelfstandige scholen tezamen zouden ontvangen, en anderzijds de toeslag voor kleine scholen die de basisschool als school zonder nevenvestigingen zou ontvangen. De uitkomst wordt rekenkundig afgerond op twee decimalen.
1.
De groepsformatie ten behoeve van het onderwijs aan leerlingen in de leeftijd van 4 tot en met 7 jaar wordt berekend door het aantal leerlingen in de leeftijd van 4 tot en met 7 jaar op de teldatum te vermenigvuldigen met 10,21.
2.
De groepsformatie ten behoeve van het onderwijs aan leerlingen in de leeftijd van 8 jaar en ouder wordt berekend door het aantal leerlingen in de leeftijd van 8 jaar en ouder op de teldatum te vermenigvuldigen met 6,97.
Artikel 13. Toeslag voor kleine scholen
Indien een basisschool op de teldatum minder dan 137 leerlingen had, komt zij in aanmerking voor de toeslag voor kleine scholen, die wordt berekend volgens de volgende formule:
toeslag voor kleine scholen = 350 – (aantal leerlingen op de teldatum x 2,57).
1.
De toeslag voor de schoolleiding van een basisschool bestaat uit een formatief deel en een salair deel.
2.
Het formatieve deel van de toeslag voor de schoolleiding wordt berekend door de som van het aantal leerlingen op de teldatum en het schoolgewicht, bedoeld in artikel 15b, te vermenigvuldigen met 0,45.
3.
Het salaire deel van de toeslag voor de schoolleiding wordt vastgesteld op basis van 103% van het aantal leerlingen op de teldatum, naar beneden afgerond op een geheel getal, volgens onderstaand schema:
103% van het aantal leerlingen op de teldatum, naar beneden afgerond op een geheel getal Aantal formatierekeneenheden
1 tot en met 99 48
100 tot en met 199 70
200 tot en met 399 94
400 tot en met 899 138
900 en hoger 183
4.
Voor een basisschool in een samenwerkingsverband dat de instemming, bedoeld in artikel 18, zevende lid, van de wet, heeft verkregen, wordt het salaire deel van de toeslag voor de schoolleiding voor 2% van het aantal leerlingen van de school op 1 oktober van het voorafgaande schooljaar, rekenkundig afgerond op een geheel getal, verhoogd met 0,16 formatierekeneenheid per leerling.
Artikel 13b. Toeslag voor herbezetting i.v.m. toepassing regeling bevordering arbeidsparticipatie ouderen
Vanwege herbezetting in verband met toepassing van de regeling bevordering arbeidsparticipatie ouderen, bedoeld in titel 16 van hoofdstuk 1 van het Rechtspositiebesluit WPO/WEC, wordt het aantal formatierekeneenheden dat voor een basisschool is berekend op grond van de artikelen 8, 13, 13a en 15a, verhoogd met het aantal formatierekeneenheden dat behoort bij het gedeelte van de betrekkingsomvang dat kan worden herbezet in verband met toepassing van de regeling bevordering arbeidsparticipatie ouderen.
Artikel 14. Opbouw formatie speciale doeleinden
De formatie voor speciale doeleinden van een basisschool omvat de formatie voor de bestrijding van onderwijsachterstanden, bedoeld in artikel 120 van de wet.
Artikel 15a. Berekening formatie onderwijsachterstandenbestrijding
De formatie voor de bestrijding van onderwijsachterstanden wordt berekend door het schoolgewicht, bedoeld in artikel 15b, te vermenigvuldigen met 6,87.
1.
Voor elke leerling die volgens onderstaande tabel in een categorie kan worden ingedeeld, wordt bij de toelating tot een basisschool het bij die categorie behorende gewicht vastgesteld, met dien verstande dat een leerling slechts bij één categorie wordt ingedeeld.
leerling categorie gewicht
a. Leerling van wie beide ouders of verzorgers een schoolopleiding hebben genoten tot of tot en met het niveau eindexamen voorbereidend beroepsonderwijs: Indien het betreft een leerling uit een eenoudergezin, geldt deze opleidingseis ten aanzien van de desbetreffende ouder of verzorger. 0,25
b. Leerling die verblijft in een internaat of pleeggezin en van wie de vader of moeder het schippersbedrijf uitoefent of heeft uitgeoefend: 0,4
c. Leerling van wie de ouders een trekkend bestaan leiden als bedoeld in het Besluit trekkende bevolking WPO, anders dan bedoeld onder b: 0,7
d. Leerling met een niet-Nederlandse culturele achtergrond die tevens voldoet aan een van de volgende voorwaarden:  
  1. de vader of verzorger heeft een schoolopleiding genoten tot of tot en met het niveau eindexamen voorbereidend beroepsonderwijs,  
  2. de moeder of verzorgster heeft een schoolopleiding genoten tot het niveau eindexamen voorbereidend beroepsonderwijs, of  
  3. de meest verdienende ouder of verzorger oefent een beroep uit in loondienst, waarin hij lichamelijke of handarbeid verricht, of geniet geen inkomsten uit tegenwoordige arbeid: 0,9

Met het hebben genoten van een schoolopleiding tot of tot en met het niveau eindexamen voorbereidend beroepsonderwijs wordt gelijkgesteld het hebben doorlopen van ten hoogste de eerste twee leerjaren van een andere vorm van voortgezet onderwijs.
2.
Het schoolgewicht wordt berekend door de som van de volgens het eerste lid vastgestelde gewichten van de op de teldatum ingeschreven leerlingen te verminderen met een getal, gelijk aan 9% van het aantal leerlingen op de teldatum. De uitkomst wordt rekenkundig afgerond op een geheel getal. Indien de uitkomst negatief is, bedraagt het schoolgewicht nul.
3.
Indien een basisschool bestaat uit een hoofdvestiging en een of meer nevenvestigingen, bestaat het schoolgewicht van de basisschool uit de som van de schoolgewichten die de afzonderlijke vestigingen zouden hebben, indien zij zelfstandige scholen zouden zijn.
1.
Aan het bevoegd gezag van een basisschool wordt groeiformatie toegekend, indien:
a. het aantal leerlingen van die school voor 1 april van een schooljaar met ten minste 13 is toegenomen ten opzichte van 103% van het aantal leerlingen op de teldatum, en vervolgens telkens indien het aantal leerlingen van die school voor 1 april van hetzelfde schooljaar met ten minste 13 is toegenomen ten opzichte van het aantal leerlingen op grond waarvan de laatste maal in dat schooljaar groeiformatie is toegekend; en
b. het bevoegd gezag van die school het aantal leerlingen op grond waarvan het bevoegd gezag aanspraak maakt op groeiformatie, binnen twee weken na de telling op een daartoe bij ministeriële regeling vastgesteld formulier aan Onze Minister heeft gemeld.
2.
Bij de berekening van 103% van het aantal leerlingen op de teldatum als bedoeld in het eerste lid, onder a, wordt de uitkomst naar beneden afgerond op een geheel getal.
3.
De groeiformatie wordt toegekend met ingang van de eerste dag van de maand volgende op de telling waarop de melding, bedoeld in het eerste lid, onder b, betrekking heeft, dan wel, indien de telling waarop de melding betrekking heeft, heeft plaatsgevonden op de voor de school geldende eerste schooldag van het schooljaar, met ingang van de eerste dag van dat schooljaar.
1.
De groeiformatie bestaat uit extra groepsformatie en een verhoging van het formatieve deel van de toeslag voor de schoolleiding.
2.
De omvang van de extra groepsformatie wordt berekend door het verschil tussen enerzijds het toegenomen totale aantal leerlingen en anderzijds 103% van het aantal leerlingen op de teldatum, onderscheidenlijk het aantal leerlingen op grond waarvan de laatste maal groeiformatie is toegekend, te vermenigvuldigen met 8,28. Artikel 15c, tweede lid, is van toepassing. De uitkomst van de berekening, bedoeld in de eerste volzin, wordt rekenkundig afgerond op een geheel getal.
3.
De omvang van de verhoging van het formatieve deel van de toeslag voor de schoolleiding wordt berekend door het verschil tussen enerzijds het toegenomen totale aantal leerlingen en anderzijds 103% van het aantal leerlingen op de teldatum, onderscheidenlijk het aantal leerlingen op grond waarvan de laatste maal groeiformatie is toegekend, te vermenigvuldigen met 0,44. Artikel 15c, tweede lid, is van toepassing. De uitkomst van de berekening, bedoeld in de eerste volzin, wordt rekenkundig afgerond op een geheel getal.
4.
Indien de basisschool in aanmerking komt voor de toeslag voor kleine scholen, bedoeld in artikel 13, wordt de extra groepsformatie, berekend op grond van de eerste en de tweede volzin van het tweede lid, verminderd met 2,5 maal het verschil tussen enerzijds het toegenomen totale aantal leerlingen en anderzijds 103% van het aantal leerlingen op de teldatum, onderscheidenlijk het aantal leerlingen op grond waarvan de laatste maal groeiformatie is toegekend. Artikel 15c, tweede lid, is van toepassing. De uitkomst van de berekening, bedoeld in de eerste volzin, wordt rekenkundig afgerond op een geheel getal. Indien het toegenomen totale aantal leerlingen hoger is dan 140, wordt voor de toepassing van de eerste volzin het toegenomen totale aantal leerlingen op 140 gesteld.
1.
Aan het bevoegd gezag van een basisschool wordt bijzondere groeiformatie toegekend, indien:
a. het aantal leerlingen van die school in de periode van 1 april tot en met 31 mei van een schooljaar met ten minste 26 is toegenomen ten opzichte van het aantal leerlingen op 31 maart van dat schooljaar; en
b. het bevoegd gezag van die school het aantal leerlingen op grond waarvan het bevoegd gezag aanspraak maakt op bijzondere groeiformatie, binnen twee weken na de telling op een daartoe bij ministeriële regeling vastgesteld formulier aan Onze Minister heeft gemeld.
2.
De bijzondere groeiformatie wordt toegekend met ingang van de eerste dag van de maand volgende op de telling waarop de melding, bedoeld in het eerste lid, onder a, betrekking heeft.
3.
Bijzondere groeiformatie kan per schooljaar slechts eenmaal worden toegekend.
1.
De bijzondere groeiformatie bestaat uit extra groepsformatie en een verhoging van het formatieve deel van de toeslag voor de schoolleiding.
2.
De omvang van de extra groepsformatie wordt berekend door het verschil tussen het toegenomen totale aantal leerlingen en 103% van het aantal leerlingen op de teldatum te vermenigvuldigen met 8,28. Artikel 15c, tweede lid, is van toepassing. Indien voor 1 april van een schooljaar groeiformatie als bedoeld in artikel 15c is toegekend, wordt de omvang van de extra groepsformatie berekend door het verschil tussen het toegenomen totale aantal leerlingen en het aantal leerlingen op grond waarvan de laatste maal groeiformatie is toegekend, te vermenigvuldigen met 8,28. De uitkomst van de berekeningen, bedoeld in de eerste en de derde volzin, wordt rekenkundig afgerond op een geheel getal.
3.
De omvang van de verhoging van het formatieve deel van de toeslag voor de schoolleiding wordt berekend door het verschil tussen enerzijds het toegenomen totale aantal leerlingen en anderzijds 103% van het aantal leerlingen op de teldatum, onderscheidenlijk het aantal leerlingen op grond waarvan de laatste maal groeiformatie is toegekend, te vermenigvuldigen met 0,44. Artikel 15c, tweede lid, is van toepassing. Indien voor 1 april van een schooljaar groeiformatie als bedoeld in artikel 15c is toegekend, wordt de omvang van de verhoging van het formatieve deel van de toeslag voor de schoolleiding berekend door het verschil tussen het toegenomen totale aantal leerlingen en het aantal leerlingen op grond waarvan de laatste maal groeiformatie is toegekend, te vermenigvuldigen met 0,44. De uitkomst van de berekeningen, bedoeld in de eerste en de derde volzin, wordt rekenkundig afgerond op een geheel getal.
4.
Indien de school in aanmerking komt voor de toeslag voor kleine scholen, bedoeld in artikel 13, wordt de extra groepsformatie, berekend op grond van de eerste en de tweede volzin van het tweede lid, onderscheidenlijk de derde volzin van het tweede lid, verminderd met 2,5 maal het verschil tussen enerzijds het toegenomen totale aantal leerlingen en anderzijds 103% van het aantal leerlingen op de teldatum, onderscheidenlijk het aantal leerlingen op grond waarvan de laatste maal groeiformatie is toegekend. Artikel 15c, tweede lid, is van toepassing. De uitkomst van de berekening, bedoeld in de eerste volzin, wordt rekenkundig afgerond op een geheel getal. Indien het toegenomen totale aantal leerlingen hoger is dan 140, wordt voor de toepassing van de eerste volzin het toegenomen totale aantal leerlingen op 140 gesteld.
1.
De gezamenlijke zorgformatie voor de basisscholen in een samenwerkingsverband, bedoeld in artikel 132 van de wet, wordt berekend door de som van het aantal leerlingen van de afzonderlijke basisscholen op de teldatum te vermenigvuldigen met 0,463.
2.
In een samenwerkingsverband dat de in artikel 18, zevende lid, van de wet bedoelde instemming heeft verkregen, wordt de in het eerste lid bedoelde formatie voor 2% van het aantal leerlingen van elke basisschool op 1 oktober van het voorafgaande schooljaar, rekenkundig afgerond op een geheel getal, verhoogd met 12,6 formatierekeneenheden per leerling.
3.
Het totale aantal formatierekeneenheden dat is berekend op grond van het eerste en het tweede lid, wordt per school rekenkundig afgerond op een geheel getal.
Artikel 16. Omvang leerlinggebonden budget
Voor een op de basisschool of de speciale school voor basisonderwijs ingeschreven leerling die toelaatbaar is verklaard tot een van de onderwijssoorten, bedoeld in artikel 2, vierde lid onder b of c, van de Wet op de expertisecentra dan wel tot het cluster, bedoeld in artikel 2, vierde lid onder d, van genoemde wet wordt het volgende aantal formatierekeneenheden toegekend en geldt een herbestedingsverplichting met betrekking tot het aangegeven aantal formatierekeneenheden: art. 70a wet
toelaatbaar verklaard tot speciaal onderwijs aan/van aantal formatierekeneenheden aantal her te besteden formatierekeneenheden o.g.v.
a. dove kinderen 75 36
b. slechthorende kinderen 35 16
c. kinderen met ernstige spraakmoeilijkheden die niet tevens behoren tot de onder a of b bedoelde kinderen 35 16
d. lichamelijk gehandicapte kinderen 35 16
e. langdurig zieke kinderen met een lichamelijke handicap 35 16
f. zeer moeilijk lerende kinderen 35 16
g. meervoudig gehandicapte kinderen 55 16
h. cluster 4 35 16
1.
Het formatiebudget waarop het bevoegd gezag van een speciale school voor basisonderwijs per schooljaar aanspraak heeft, bestaat uit:
a. de basisformatie, bedoeld in artikel 122, eerste lid onderdeel a, van de wet,
b. in voorkomende gevallen formatie voor speciale doeleinden, bedoeld in artikel 122, eerste lid onderdeel b, van de wet,
d. de formatie, bedoeld in artikel 122, vijfde lid, van de wet, en
e. in voorkomende gevallen formatie als bedoeld in artikel 70a van de wet.
2.
De omvang van het formatiebudget is de som van de aantallen formatierekeneenheden, zoals voor de school berekend op grond van de artikelen 16b tot en met 16e.
3.
Het formatiebudget van een speciale school voor basisonderwijs die nog geen leerlingen heeft, bedraagt 251 formatierekeneenheden voor een periode van ten hoogste acht weken.
4.
Onverminderd het derde lid, heeft een speciale school voor basisonderwijs die op de teldatum geen leerlingen heeft, geen aanspraak op formatierekeneenheden.
Artikel 16b. Basisformatie en formatie voor schoolleiding en voor herbezetting i.v.m. toepassing regeling bevordering arbeidsparticipatie ouderen
Aantal leerlingen op de teldatum aantal formatierekeneenheden
1 tot en met 99 56
100 tot en met 199 73
200 tot en met 399 145
400 en hoger 151
1.
De basisformatie, bedoeld in artikel 16a, eerste lid onderdeel a, van een speciale school voor basisonderwijs bestaat uit het aantal leerlingen op de teldatum vermenigvuldigd met 9,1 formatierekeneenheden. Het aldus berekende aantal formatierekeneenheden wordt rekenkundig afgerond op een geheel getal.
2.
De formatie, bedoeld in artikel 16a, eerste lid onderdeel d, van een speciale school voor basisonderwijs bestaat uit:
a. het aantal formatierekeneenheden voor schoolleiding en
b. het aantal formatierekeneenheden dat behoort bij het gedeelte van een betrekkingsomvang dat kan worden herbezet in verband met toepassing van de regeling bevordering arbeidsparticipatie ouderen, bedoeld in titel 16 van hoofdstuk 1 van het Rechtspositiebesluit WPO/WEC, waarbij de uitkomst rekenkundig wordt afgerond op een geheel getal.
3.
Het in het tweede lid, onderdeel a, bedoelde aantal formatierekeneenheden voor schoolleiding wordt berekend volgens het onderstaande schema:
1.
De formatie voor speciale doeleinden van een speciale school voor basisonderwijs omvat de formatie voor de bestrijding van onderwijsachterstanden, bedoeld in artikel 122 van de wet.
2.
De formatie voor de bestrijding van onderwijsachterstanden wordt berekend door het aantal leerlingen met een niet-Nederlandse culturele achtergrond boven het aantal van 4 te vermenigvuldigen met 8,1 formatierekeneenheden. Het aldus berekende aantal formatierekeneenheden wordt rekenkundig afgerond op een geheel getal.
1.
De zorgformatie, bedoeld in artikel 16a, eerste lid onderdeel c, van een speciale school voor basisonderwijs wordt in elk samenwerkingsverband waaraan de school deelneemt, berekend aan de hand van de formule:
H = p/q x (0,02 x r) x 13,5 rekeneenheden, waarin
H = het aantal formatierekeneenheden zorgformatie dat een speciale school voor basisonderwijs in het desbetreffende samenwerkingsverband ontvangt,
p = het aantal leerlingen van de speciale school voor basisonderwijs, voor zover dit op grond van het derde lid aan het desbetreffende samenwerkingsverband is toe te rekenen,
q = het totale aantal leerlingen van alle speciale scholen voor basisonderwijs die deelnemen aan het desbetreffende samenwerkingsverband, voor zover dit op grond van het derde lid aan dat samenwerkingsverband is toe te rekenen en
r = het totale aantal leerlingen van alle basisscholen en speciale scholen voor basisonderwijs die deelnemen aan het desbetreffende samenwerkingsverband, voor speciale scholen voor basisonderwijs uitsluitend voor zover dit op grond van het derde lid aan dat samenwerkingsverband is toe te rekenen.
2.
Bij het bepalen van p, q en r, bedoeld in het eerste lid, wordt het aantal leerlingen op de teldatum genomen.
3.
Bij het bepalen van p, q en r, bedoeld in het eerste lid, wordt het aantal leerlingen van een speciale school voor basisonderwijs die deelneemt aan meer dan één samenwerkingsverband, aan de desbetreffende samenwerkingsverbanden toegerekend naar rato van het aantal basisschoolleerlingen van elk verband op 1 oktober van het jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de zorgformatie wordt toegekend.
4.
Bij het bepalen van p, q en r, bedoeld in het eerste lid, worden de leerlingen van afdelingen die aan de school zijn verbonden niet meegeteld.
5.
In de formule, bedoeld in het eerste lid, wordt de component 0,02 x r rekenkundig afgerond op een geheel getal. De uitkomst van de formule wordt vervolgens berekend op 4 cijfers achter de komma en rekenkundig afgerond op een geheel getal.
6.
De zorgformatie van een speciale school voor basisonderwijs is de som van de zorgformatie van de school in alle samenwerkingsverbanden waaraan de school deelneemt.
1.
Bij het opnemen van functies in de formatie van de school, wordt voor de functies die zijn opgenomen in de tabel in het derde lid, op basis van de bij de onderscheiden functies behorende maximumschaal het aantal formatierekeneenheden verbruikt dat is aangegeven in die tabel.
2.
Indien een functie waarvan de omvang kleiner is dan die van een normbetrekking, wordt opgenomen in de formatie van de school, wordt het aantal formatierekeneenheden, bedoeld in het eerste lid, naar evenredigheid verminderd en op rekenkundige wijze afgerond op 2 decimalen.
3.
Verbruikstabel functies schoolleiding, onderwijsgevend en onderwijsondersteunend personeel.
4.
Bij het opnemen van andere functies in de formatie van de school dan genoemd in de tabel in het derde lid, zijn het eerste en tweede lid van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat de tabel in artikel 112 van het Rechtspositiebesluit WPO/WEC van toepassing is.
5.
Bij het opnemen van andere functies in de formatie van de school dan genoemd in de tabel in het derde lid of bedoeld in het vierde lid, zijn het eerste en tweede lid van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat de tabel in artikel 112 van het Rechtspositiebesluit WPO/WEC van toepassing is.
6.
Het totale verbruik van formatierekeneenheden van de school wordt berekend door de som te bepalen van het verbruik van formatierekeneenheden per functie die in de formatie is opgenomen en de uitkomst daarvan af te ronden op de wijze als is aangegeven in artikel 16, derde lid.
Artikel 17a. Wijziging besteding formatie voor personeelsbeleid, kwaliteitsverbetering en innovatie van een basisschool
Wijziging in de besteding van de formatie voor personeelsbeleid, kwaliteitsverbetering en innovatie van een basisschool mag niet leiden tot kosten van uitkeringen krachtens het Besluit Werkloosheid onderwijs- en onderzoekpersoneel .
Artikel 17b. Maandelijks verbruik formatierekeneenheden
Indien het verbruik van het aantal formatierekeneenheden in een maand afwijkt van het aantal formatierekeneenheden, dat op grond van het formatiebudget beschikbaar is voor de school, kan een bevoegd gezag het te weinig of te veel verbruikte aantal formatierekeneenheden van die maand besteden onderscheidenlijk minder besteden in een of meer andere maanden van het schooljaar.
1.
Het aantal formatierekeneenheden, bedoeld in artikel 124, eerste lid, van de wet bedraagt 9,1.
2.
Het aantal formatierekeneenheden, bedoeld in artikel 124, tweede lid, van de wet bedraagt 13,5.
3.
Het op grond van het eerste onderscheidenlijk het tweede lid berekende aantal formatierekeneenheden wordt rekenkundig afgerond op een geheel getal.
1.
Het aantal formatierekeneenheden, bedoeld in artikel 125, eerste en tweede lid, van de wet bedraagt voor elk schooljaar volgend op het schooljaar van de toelating van de leerling tot de speciale school voor basisonderwijs 13,5 formatierekeneenheden, met dien verstande dat dit aantal in het eerste schooljaar volgend op de toelating 22,6 formatierekeneenheden bedraagt indien de toelating heeft plaatsgevonden in de periode van 2 oktober tot 1 augustus daaropvolgend.
2.
Het op grond van het eerste lid berekende aantal formatierekeneenheden wordt rekenkundig afgerond op een geheel getal.
1.
Het bevoegd gezag van een school kan telkens voor de periode van een schooljaar van het beschikbare formatiebudget formatierekeneenheden overdragen aan een andere school, een school voor speciaal onderwijs, een school voor voortgezet speciaal onderwijs, een school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs of een instelling als bedoeld in de Wet op de expertisecentra van hetzelfde bevoegd gezag of van een ander bevoegd gezag dan wel het bestuur van een centrale dienst. Het aantal formatierekeneenheden bedoeld in de eerste volzin, is een geheel getal.
2.
Overdracht van formatierekeneenheden anders dan op grond van de overdrachtsverplichtingen ingevolge de artikelen 124 en 125 van de wet en artikel XLIV van de wet van 2 april 1998 tot wijziging van enkele onderwijswetten en technische wijziging van enkele andere wetten in verband met het totstandbrengen van onder meer een Wet op het primair onderwijs en een Wet op de expertisecentra(Stb. 1998, 228) mag niet leiden tot kosten van ontslaguitkeringen krachtens het Besluit Werkloosheid onderwijs- en onderzoekpersoneel .
3.
Indien overdracht van formatierekeneenheden als bedoeld in het eerste lid plaatsvindt, deelt het bevoegd gezag van de overdragende school en dat van de ontvangende school, instelling of centrale dienst voor 15 mei voorafgaande aan het desbetreffende schooljaar aan Onze Minister mee hoeveel formatierekeneenheden worden overgedragen. Het bevoegd gezag kan voor 1 oktober en voor 1 februari van een schooljaar een nadere beslissing als bedoeld in het eerste lid nemen en voor die data aan Onze Minister meedelen hoeveel formatierekeneenheden worden overgedragen.
1.
Het bestuur van een centrale dienst kan telkens voor de periode van een schooljaar overeenkomstig het zorgplan formatierekeneenheden overdragen aan een school, of indien het andere formatie betreft dan bedoeld in artikel 132 van de wet, een school voor speciaal onderwijs, een school voor voortgezet speciaal onderwijs of een school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, of een instelling als bedoeld in de Wet op de expertisecentra . Indien het formatie betreft als bedoeld in artikel 132 van de wet is de overdracht, bedoeld in de eerste volzin, uitsluitend mogelijk indien dit in overeenstemming is met het zorgplan.
2.
Overdracht van formatierekeneenheden mag niet leiden tot kosten van ontslaguitkeringen krachtens het Besluit Werkloosheid onderwijs- en onderzoekpersoneel .
3.
Indien overdracht van formatierekeneenheden als bedoeld in het eerste lid plaatsvindt, deelt het bestuur van de overdragende centrale dienst voor 15 mei voorafgaande aan het desbetreffende schooljaar aan Onze Minister mee hoeveel formatierekeneenheden worden overgedragen.
4.
Het bestuur van de centrale dienst kan voor 1 oktober en voor 1 februari van het desbetreffende schooljaar aan Onze Minister meedelen dat de overdracht, bedoeld in het derde lid wordt gewijzigd. Indien het formatie betreft als bedoeld in artikel 132 van de wet, is dit uitsluitend mogelijk indien dit in overeenstemming is met het zorgplan en het gevolg is van
a. een vacature die niet meteen kan worden vervuld,
b. een verklaring van een accountant dat de opgave van de leerlingenaantallen moet worden bijgesteld,
c. vertraging in de besluitvorming over het zorgplan door een geschillenprocedure als bedoeld in artikel 22 van de wet,
d. wijziging van de formatie door het vertrek per 1 augustus van een boventallig personeelslid met een werkgelegenheidsgarantie van wie de dienstbetrekking in stand werd gehouden op grond van artikel XLIV van de wet van 2 april 1998 houdende wijziging van enkele onderwijswetten en technische wijziging van enkele andere wetten in verband met het totstandbrengen van onder meer een Wet op het primair onderwijs en een Wet op de expertisecentra (Stb. 1998, 228), of
e. andere door het samenwerkingsverband redelijkerwijs niet te voorziene omstandigheden.
Artikel 18b. Voorwaarden overdracht formatierekeneenheden door het bevoegd gezag van alle scholen in een samenwerkingsverband
Indien een bevoegd gezag alle scholen in een samenwerkingsverband in stand houdt, is artikel 18 van overeenkomstige toepassing op de aan het bevoegd gezag toegekende zorgformatie, met dien verstande dat geen overdracht aan de centrale dienst plaatsvindt.
1.
Het bevoegd gezag van een school kan telkens voor de periode van een schooljaar beslissen minder formatierekeneenheden te besteden dan voor die school mogelijk zou zijn op grond van het beschikbare formatiebudget, tot ten hoogste:
a. 10% van het voor de school beschikbare formatiebudget, daaronder niet begrepen het aantal formatierekeneenheden dat nodig is voor de bekostiging van de vervanging van het personeel dat gebruik maakt van het verlof op grond van artikel 32, zevende lid, van het Rechtspositiebesluit WPO/WEC en daaronder wat betreft een basisschool niet begrepen de formatie voor personeelsbeleid, kwaliteitsverbetering en personeelsinnovatie,
b. wat betreft een basisschool de formatie voor personeelsbeleid, kwaliteitsverbetering en personeelsinnovatie,
c. het aantal formatierekeneenheden dat nodig is voor het betalen van vergoedingen aan een school voor voortgezet onderwijs voor de inzet van personeel,
d. het aantal formatierekeneenheden dat nodig is voor de bekostiging van de vervanging van het personeel dat gebruik maakt van het verlof op grond van artikel 32, zevende lid, van het Rechtspositiebesluit WPO/WEC, en
e. het aantal formatierekeneenheden per personeelslid voor meer werken als bedoeld in artikel 107, tweede lid, in samenhang met artikel 295a van het Rechtspositiebesluit WPO/WEC dat wordt berekend door het totaal aantal uren dat meer is gewerkt, te delen door 1659 en de uitkomst van die deling te vermenigvuldigen met het aantal formatierekeneenheden dat voor de betreffende functie bij een normbetrekking wordt verbruikt, bedoeld in artikel 112 van het Rechtspositiebesluit WPO/WEC.
In dat geval keert Onze Minister aan het bevoegd gezag van de school een bedrag uit dat overeenkomt met de geldswaarde van de gedurende het schooljaar niet verbruikte formatierekeneenheden.
2.
Het verzilveren van formatierekeneenheden, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c , mag niet leiden tot kosten van ontslaguitkeringen krachtens het Besluit Werkloosheid onderwijs- en onderzoekpersoneel.
3.
Het bevoegd gezag neemt een beslissing als bedoeld in het eerste lid voor 15 mei voorafgaande aan het desbetreffende schooljaar en deelt voor die datum aan Onze Minister mee hoeveel formatierekeneenheden worden verzilverd. Het bevoegd gezag kan voor 1 oktober en voor 1 februari van een schooljaar een nadere beslissing als bedoeld in het eerste lid nemen en voor die data aan Onze Minister meedelen hoeveel formatierekeneenheden worden verzilverd, met dien verstande dat deze nadere beslissingen niet kunnen inhouden dat minder formatierekeneenheden worden verzilverd dan voor 15 mei of voor 1 oktober aan Onze Minister is meegedeeld.
4.
De geldswaarde van de verzilverde formatierekeneenheden voor speciale doeleinden wordt besteed aan de speciale doeleinden waarvoor de formatierekeneenheden waren bestemd.
5.
Het bestuur van een centrale dienst kan telkens voor de periode van een schooljaar overeenkomstig het zorgplan tot ten hoogste 10% minder formatierekeneenheden besteden dan voor die dienst mogelijk zou zijn op grond van de door de dienst krachtens artikel 132 van de wet ontvangen formatierekeneenheden. De laatste volzin van het eerste lid en het tweede en derde lid zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de mededeling en de nadere mededeling in overeenstemming dienen te zijn met het zorgplan.
6.
Indien een bevoegd gezag alle scholen in een samenwerkingsverband in stand houdt, zijn het eerste tot en met het vierde lid van overeenkomstige toepassing op de aan het bevoegd gezag toegekende zorgformatie.
1.
Bij de berekening van de formatie voor het schooljaar 2000–2001 wordt in artikel 8, eerste lid, in plaats van «10,21» gelezen« 8,88».
2.
Bij de berekening van de formatie voor het schooljaar 2001–2002 wordt in artikel 8, eerste lid, in plaats van «10,21» gelezen« 9,28».
1.
Indien de meetwaarde van een basisschool voor het schooljaar 2000–2001, onderscheidenlijk 2001–2002, zoals berekend op grond van het tweede lid, lager is dan de referentiewaarde van de basisschool zoals berekend op grond van het derde lid, komt zij in aanmerking voor overgangsformatie in aanvulling op de formatie zoals die is berekend op grond van de artikelen 4 tot en met 15d.
2.
De meetwaarde voor het schooljaar 2000–2001, onderscheidenlijk 2001–2002, wordt berekend door de som van de aantallen formatierekeneenheden zoals die voor het desbetreffende schooljaar zijn berekend op grond van de artikelen 8, 13a, tweede lid, en 15a, te delen door de som van het aantal leerlingen en het schoolgewicht op de voor het desbetreffende schooljaar geldende teldatum. De meetwaarde wordt rekenkundig afgerond op twee decimalen.
3.
De referentiewaarde wordt aan de hand van het aantal leerlingen op 1 oktober 1999 berekend door de som van de formatie voor de vervulling van reguliere taken van de school en de formatie voor speciale doeleinden te verminderen met de som van de opslag in verband met de toepassing van de regeling bevordering arbeidsparticipatie ouderen, het in formatierekeneenheden uitgedrukte deel van de formatie voor de schoolleiding, de vermeerdering van de basisformatie ten behoeve van basisscholen met een of meer nevenvestigingen en de toeslag voor kleine scholen, en de uitkomst van deze berekening te delen door de som van het aantal leerlingen en het schoolgewicht op 1 oktober 1999. In geval van samenvoeging van basisscholen wordt voor de toepassing van de eerste volzin onder het aantal leerlingen verstaan het aantal leerlingen van de samengevoegde scholen tezamen. De referentiewaarde wordt rekenkundig afgerond op twee decimalen.
4.
De referentiewaarde wordt berekend op grond van de artikelen van dit besluit zoals die luidden op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van het besluit van 12 april 2000, houdende wijziging van het Formatiebesluit WPO en enkele andere besluiten in verband met onder meer de verkleining van de groepsgrootte voor de 4- tot en met 7-jarige leerlingen van basisscholen (Stb. 179), met uitzondering van de vermeerdering van de basisformatie ten behoeve van basisscholen met een of meer nevenvestigingen, de toeslag voor kleine scholen en het schoolgewicht op 1 oktober 1999, die berekend worden op grond van de artikelen 6, 13 en 15b zoals deze luiden met ingang van de dag van inwerkingtreding van voornoemd besluit.
5.
De overgangsformatie voor het schooljaar 2000–2001, onderscheidenlijk het schooljaar 2001–2002, wordt berekend door het verschil tussen de referentiewaarde en de voor het desbetreffende schooljaar berekende meetwaarde te vermenigvuldigen met de som van het aantal leerlingen en het schoolgewicht op de voor het desbetreffende schooljaar geldende teldatum. De uitkomst wordt rekenkundig afgerond op een geheel getal.
6.
Scholen die bij de aanvang van het schooljaar 2000–2001 in aanmerking komen voor de verhoging, bedoeld in artikel 3, komen niet aanmerking voor overgangsformatie.
Artikel 21. Inwerkingtreding
Dit besluit treedt in werking op 1 augustus 1992.
Artikel 22. Citeertitel
Dit besluit wordt aangehaald als: Formatiebesluit WPO.
Lasten en bevelen dat dit besluit met daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State en aan de Algemene Rekenkamer.
's-Gravenhage, 12 maart 1992
De Staatssecretaris van Onderwijs en Wetenschappen,
Uitgegeven de eenendertigste maart 1992
De Minister van Justitie,
Inhoudsopgave
+ Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
+ Hoofdstuk 2. Formatie basisscholen
+ Hoofdstuk 3. Gezamenlijke zorgformatie basisscholen
+ Hoofdstuk 4. Formatie leerlinggebonden budget
+ Hoofdstuk 5. Formatie speciale scholen voor basisonderwijs
+ Hoofdstuk 6. Besteding formatierekeneenheden en overgangs- en slotbepalingen
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht
Jurisprudentie
Voorbeelden van het gebruik van deze artikel(en) in rechterlijke uitspraken