Handelsovereenkomst tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en Colombia en Peru, anderzijds
(authentiek: nl)
Het Koninkrijk België,
De Republiek Bulgarije,
De Tsjechische Republiek,
Het Koninkrijk Denemarken,
De Bondsrepubliek Duitsland,
De Republiek Estland,
Ierland,
De Helleense Republiek,
Het Koninkrijk Spanje,
De Franse Republiek,
De Italiaanse Republiek,
De Republiek Cyprus,
De Republiek Letland,
De Republiek Litouwen,
Het Groothertogdom Luxemburg,
Hongarije,
Malta,
Het Koninkrijk der Nederlanden,
De Republiek Oostenrijk,
De Republiek Polen,
De Portugese Republiek,
Roemenië,
De Republiek Slovenië,
De Slowaakse Republiek,
De Republiek Finland,
Het Koninkrijk Zweden,
Het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland,
partijen bij het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, hierna de „lidstaten van de Europese Unie” genoemd,
en
De Europese Unie,
enerzijds, en
De republiek Colombia (hierna „Colombia” genoemd),
en
De Republiek Peru (hierna „Peru” genoemd),
hierna „de overeenkomstsluitende Andeslanden” genoemd,
anderzijds,
Gezien het belang van de historische en culturele banden en de bijzondere banden van vriendschap en samenwerking tussen de Europese Unie en haar lidstaten en de overeenkomstsluitende Andeslanden, en hun wens om de economische integratie tussen de partijen te bevorderen;
Vastbesloten om die banden te versterken door voort te bouwen op de bestaande instrumenten die de betrekkingen tussen de Europese Unie en haar lidstaten en de overeenkomstsluitende Andeslanden regelen;
Opnieuw bevestigend dat zij het handvest van de Verenigde Naties en de Universele Verklaring van de rechten van de mens ten volle onderschrijven;
Hiermee een bijdrage leverend aan de harmonieuze ontwikkeling en uitbreiding van de wereld- en regionale handel en een katalysator voor internationale samenwerking biedend;
Geleid door de wens de algehele economische ontwikkeling te bevorderen, teneinde op hun grondgebieden de armoede te verminderen, werkgelegenheid te creëren en arbeidsomstandigheden te verbeteren, alsook er de levensstandaard te verhogen, door het liberaliseren en uitbreiden van de onderlinge handel en investeringen;
Vastbesloten deze overeenkomst uit te voeren overeenkomstig de doelstelling „duurzame ontwikkeling”, welke doelstelling onder meer het bevorderen van economische vooruitgang, het in acht nemen van arbeidsrechten en het beschermen van het milieu omvat, overeenkomstig de internationale verbintenissen die de partijen zijn aangegaan;
Voortbouwend op de rechten en verplichtingen die voor de partijen voortvloeien uit de Overeenkomst van Marrakesh tot oprichting van de Wereldhandelsorganisatie (hierna de „WTO-overeenkomst” genoemd);
Vastbesloten tot het verwijderen van verstoringen in de handel tussen de partijen en het voorkomen van onnodige handelsbelemmeringen;
Vastbesloten tot het vaststellen van duidelijke, alle partijen tot voordeel strekkende handelsregels en het bevorderen van de onderlinge handel en investeringen en van een regelmatige dialoog hierover;
Geleid door de wens het concurrentievermogen van hun ondernemingen op internationale markten te vergroten door die ondernemingen een voorspelbaar wetgevingskader voor hun handels- en investeringsrelaties te verschaffen;
Gezien de verschillen in economische en sociale ontwikkeling tussen de overeenkomstsluitende Andeslanden en de Europese Unie en haar lidstaten;
Bevestigend dat de partijen het recht hebben om zo veel mogelijk gebruik te maken van de flexibiliteiten in het multilaterale kader om het algemeen belang te beschermen;
Zich ervan bewust dat de overeenkomstsluitende Andeslanden lid van de Andesgemeenschap zijn en volgens Besluit 598 van de Andesgemeenschap bij onderhandelingen met derde landen ervoor moeten zorgen dat het stelsel van wettelijke regels dat van toepassing is op de wederzijdse betrekkingen tussen de Andeslanden, gehandhaafd blijft;
Zich bewust van het belang van de respectieve regionale integratieprocessen van de Europese Unie en de overeenkomstsluitende Andeslanden, laatstgenoemde in het kader van de Andesgemeenschap,
Zijn het volgende overeengekomen:
Artikel 1. Algemene beginselen [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
Eerbiediging van de democratische beginselen en fundamentele rechten van de mens, zoals vastgelegd in de Universele Verklaring van de rechten van de mens , en het beginsel van de rechtsstaat vormen de basis van het binnen- en buitenlands beleid van de partijen. Eerbiediging van deze beginselen vormt een essentieel element van deze overeenkomst.
1.
De partijen zijn van oordeel dat de proliferatie van massavernietigingswapens en overbrengingsmiddelen daarvoor, onder zowel staten als niet-statelijke actoren, een van de ernstigste bedreigingen voor de internationale stabiliteit en veiligheid vormt.
2.
De partijen komen daarom overeen samen te werken en bij te dragen tot het tegengaan van de proliferatie van massavernietigingswapens en overbrengingsmiddelen daarvoor, door bestaande verplichtingen die voor hen voortvloeien uit overeenkomsten, verdragen en andere relevante internationale instrumenten inzake ontwapening en non-proliferatie, volledig na te leven.
3.
Dat de partijen overeenkomen samen te werken en bij te dragen tot het realiseren van de doelstelling van ontwapening en non-proliferatie van massavernietigingswapens, betekent dat zij zich er gezamenlijk voor inzetten dat de desbetreffende verdragen universele geldigheid krijgen en overal ten uitvoer worden gelegd.
4.
De partijen komen overeen dat de leden 1 en 2 van dit artikel een essentieel element van deze overeenkomst vormen.
Artikel 3. Oprichting van een vrijhandelszone [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
De partijen komen overeen een vrijhandelszone op te richten, overeenkomstig artikel XXIV van de Algemene Overeenkomst inzake tarieven en handel 1994, hierna de „GATT 1994” genoemd, en artikel V van de Algemene Overeenkomst inzake de handel in diensten , hierna de „GATS” genoemd.
Artikel 4. Doelstellingen [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
Deze overeenkomst heeft de volgende doelstellingen:
a. het geleidelijk liberaliseren van de handel in goederen, overeenkomstig artikel XXIV van de GATT 1994;
b. het vergemakkelijken van de handel in goederen, met name door het toepassen van de overeengekomen bepalingen inzake douane en handelsbevordering, normen, technische voorschriften en procedures voor conformiteitsbeoordeling en sanitaire en fytosanitaire maatregelen;
c. het geleidelijk liberaliseren van de handel in diensten, overeenkomstig artikel V van de GATS ;
d. het ontwikkelen van een gunstig investeringsklimaat waardoor de investeringsstromen worden vergroot en in het bijzonder het verbeteren van de vestigingsvoorwaarden, op basis van niet-discriminatie;
e. het bevorderen van handel en investeringen tussen de partijen door het liberaliseren van lopende betalingen en het kapitaalverkeer in verband met directe investeringen;
f. het daadwerkelijk en wederzijds openstellen van markten voor overheidsopdrachten;
g. het adequaat en effectief beschermen van intellectuele-eigendomsrechten, overeenkomstig de internationale regels die tussen de partijen gelden, waarbij een evenwicht moet worden bewaard tussen de rechten van houders van intellectuele-eigendomsrechten en het algemeen belang;
h. het uitoefenen van economische activiteiten, in het bijzonder tussen de partijen, overeenkomstig het beginsel van vrije mededinging;
i. het creëren van een snelle, effectieve en voorspelbare procedure voor geschillenbeslechting;
j. het bevorderen van internationale handel op een wijze die bijdraagt aan de doelstelling duurzame ontwikkeling en het integreren en weerspiegelen van deze doelstelling in de handelsbetrekkingen van de partijen;
k. ervoor zorgen dat de samenwerking op het terrein van technische bijstand en de versterking van de handelscapaciteit van de partijen bijdragen aan de uitvoering van deze overeenkomst en er ook toe bijdragen dat optimaal gebruik wordt gemaakt van de kansen die de overeenkomst biedt, met inachtneming van het bestaande wettelijke en institutionele kader.
1.
Voor de toepassing van deze overeenkomst wordt verstaan onder:
„partij”: de Europese Unie of haar lidstaten of de Europese Unie en haar lidstaten, binnen de grenzen van hun respectieve bevoegdheden zoals deze voortvloeien uit het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna „EU”genoemd), of elk van de overeenkomstsluitende Andeslanden;
„partijen”: de EU, enerzijds, en elk van de overeenkomstsluitende Andeslanden, anderzijds.
2.
Daar waar deze overeenkomst voorziet in specifieke en afzonderlijke verbintenissen ten aanzien van een lidstaat van de Europese Unie of een van de overeenkomstsluitende Andeslanden, geldt de overeenkomst voor dat specifieke land of die specifieke landen al naargelang wat van toepassing is.
3.
Overeenkomstig artikel 7 betekenen „een andere partij” of „de andere partijen” voor de overeenkomstsluitende Andeslanden „de EU”, daar waar deze termen in deze overeenkomst worden gebruikt.
1.
Deze overeenkomst is van toepassing op de bilaterale economische en handelsbetrekkingen tussen, enerzijds, elk overeenkomstsluitend Andesland en, anderzijds, de EU, maar niet op de economische en handelsbetrekkingen tussen de overeenkomstsluitende Andeslanden 1) .
2.
De rechten en verplichtingen die de partijen in deze overeenkomst vastleggen, hebben geen gevolgen voor de rechten en verplichtingen die de overeenkomstsluitende Andeslanden als lid van de Andesgemeenschap jegens elkaar hebben.
1.
Elke partij is verantwoordelijk voor de naleving van alle bepalingen van deze overeenkomst en neemt alle noodzakelijke maatregelen om ervoor te zorgen dat wordt voldaan aan de daaruit voortvloeiende verplichtingen; dat betekent onder meer dat wordt toegezien op de naleving van deze bepalingen door centrale, regionale of lagere overheden en instanties, alsook door niet-gouvernementele organisaties wanneer zij bevoegdheden uitoefenen die bedoelde overheden en instanties aan hen hebben gedelegeerd 2) .
2.
Wanneer een partij van oordeel is dat een andere partij niet heeft voldaan aan de verplichtingen die voor haar uit deze overeenkomst voortvloeien, heeft bedoelde partij als enige rechtsmiddel de procedure voor geschillenbeslechting die in titel XII (Geschillenbeslechting) is vastgesteld, en is zij gebonden aan het resultaat daarvan.
3.
Onverminderd de bestaande mechanismen voor politieke dialoog tussen de partijen, kan elke partij bij schending door een andere partij van de in artikel 1 en 2 van deze overeenkomst bedoelde essentiële elementen, onmiddellijk passende maatregelen in overeenstemming met het internationale recht nemen. Die andere partij kan om een spoedeisende vergadering vragen waarbij de betrokken partijen binnen 15 dagen voor een grondig onderzoek van de situatie bijeenkomen om een aanvaardbare oplossing te vinden. De maatregelen moeten in verhouding staan tot de schending. Voorrang wordt gegeven aan maatregelen die de werking van deze overeenkomst het minst verstoren. De maatregelen worden ingetrokken zodra de redenen waarom zij zijn genomen, niet meer bestaan.
1.
Deze overeenkomst is enerzijds van toepassing op elk grondgebied waarop het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie van toepassing is, onder de in die verdragen neergelegde voorwaarden, en anderzijds op het grondgebied van respectievelijk Colombia en Peru 3) .
2.
In afwijking van het bepaalde in lid 1 is deze overeenkomst ook van toepassing op de gebieden van het douanegebied van de EU (hierna het „EU-douanegebied” genoemd) die niet vallen onder bovenstaande omschrijving van het geografisch toepassingsgebied van de overeenkomst.
1.
De partijen zijn zich bewust van het belang van regionale integratie voor het bevorderen van de economische en sociale ontwikkeling van de overeenkomstsluitende Andeslanden en van de Europese Unie, waardoor de betrekkingen tussen de partijen kunnen worden versterkt en aan de doelstellingen van deze overeenkomst kan worden bijgedragen.
2.
De partijen zijn zich bewust van en bevestigen opnieuw het belang van de processen van regionale integratie van de lidstaten van de Europese Unie onderling en van de landen van de Andesgemeenschap onderling als middel om de handelsmogelijkheden te vergroten en hun effectieve integratie in de wereldeconomie te bevorderen.
3.
De partijen zijn zich ervan bewust dat verdere regionale integratie van de Andeslanden een zaak van de leden van de Andesgemeenschap is.
4.
De partijen zijn zich ervan bewust dat de overeenkomstsluitende Andeslanden in hun onderlinge betrekkingen gehouden zijn aan het stelsel van wettelijke regels van de Andesgemeenschap, overeenkomstig Besluit 598 van de Andesgemeenschap.
5.
Gezien het streven van de partijen om te komen tot een associatie tussen de twee regio’s, waarbij alle landen van de Andesgemeenschap partij bij deze overeenkomst zullen worden, zal het Handelscomité de relevante bepalingen, in het bijzonder dit artikel en artikel 105, te zijner tijd opnieuw onderzoeken om deze aan te passen aan de nieuwe situatie en regionale-integratieprocessen te ondersteunen.
Artikel 11. Definities [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
Voor de toepassing van deze overeenkomst wordt verstaan onder:
„dagen”: kalenderdagen, inclusief weekenden en vakantiedagen;
„goed van een partij” of „product van een partij”: binnenlandse producten als bedoeld in de GATT 1994 of andere door de partijen overeengekomen goederen of producten, waaronder begrepen goederen of producten van oorsprong uit die partij, zoals omschreven in artikel 19;
„rechtspersoon”: elke juridische eenheid, naar toepasselijk recht opgericht of anderszins georganiseerd, met winst- of andere oogmerken, ongeacht of zij eigendom van particulieren of van de overheid is, met inbegrip van alle vennootschappen, trusts, maatschappen, joint ventures, eenmanszaken of verenigingen;
„maatregel”: een handeling of nalating van een partij, waaronder begrepen (wettelijke) voorschriften, procedures, besluiten, administratieve handelingen of praktijken, of een handeling of nalating in enige andere vorm;
„persoon”: een natuurlijke persoon of een rechtspersoon.
1.
De partijen richten een Handelscomité op. Dit comité zal bestaan uit vertegenwoordigers van de EU en van elk overeenkomstsluitend Andesland.
2.
Het Handelscomité komt minstens eenmaal per jaar bijeen op het niveau van ministers of de door deze ministers aangewezen vertegenwoordigers. Daarnaast kan het Handelscomité op schriftelijk verzoek van een partij op elk moment bijeenkomen op het niveau van hogere functionarissen die zijn aangewezen voor het nemen van de noodzakelijke besluiten.
3.
Het Handelscomité komt afwisselend bijeen in Bogota, Brussel en Lima, tenzij de partijen anders besluiten. Het Comité wordt door de partijen beurtelings voor een jaar voorgezeten.
4.
Onverminderd het bepaalde in lid 1 kan het Handelscomité ook vergaderen wanneer behalve de EU maar een van de overeenkomstsluitende Andeslanden is vertegenwoordigd, als het een kwestie betreft:
a. die uitsluitend betrekking heeft op de bilaterale betrekkingen tussen de EU en dat land, of
b. die is besproken in een vergadering van een gespecialiseerd orgaan waaraan uitsluitend de EU en het betreffende Andesland hebben deelgenomen en die vervolgens naar het Handelscomité is doorverwezen.
Wanneer een ander overeenkomstsluitend Andesland blijk geeft van belangstelling voor de kwestie die tijdens bedoelde vergadering wordt besproken, mag het aan de vergadering deelnemen als de EU en het overeenkomstsluitende Andesland dat primair bij de kwestie betrokken is, daarvoor vooraf toestemming hebben gegeven.
1.
Het Handelscomité:
a. ziet toe op en faciliteert de uitvoering van deze overeenkomst en de juiste toepassing van de bepalingen ervan en denkt na over andere manieren om de algemene doelstellingen van de overeenkomst te bereiken;
b. evalueert de resultaten van deze overeenkomst, in het bijzonder de ontwikkeling van de economische en handelsbetrekkingen tussen de partijen;
c. houdt toezicht op de werkzaamheden van alle gespecialiseerde organen die krachtens deze overeenkomst worden opgericht;
d. beoordeelt en neemt besluiten overeenkomstig deze overeenkomst over elk onderwerp dat de krachtens deze overeenkomst opgerichte gespecialiseerde organen naar hem doorverwijzen;
e. ziet toe op de toepassing van artikel 105;
f. ziet toe op de verdere ontwikkeling van deze overeenkomst;
g. zoekt naar de meest geschikte manier om moeilijkheden in verband met kwesties die onder deze overeenkomst vallen, te voorkomen of op te lossen, onverminderd de in titel XII (Geschillenbeslechting) toegekende rechten en andere bepalingen van deze overeenkomst;
h. stelt tijdens zijn eerste vergadering het in artikel 315 bedoelde reglement van orde vast, alsook de in hetzelfde artikel genoemde gedragscode voor scheidsrechters;
i. stelt de beloning en onkostenvergoeding voor de scheidsrechters vast;
j. stelt naast zijn eigen reglement van orde ook zijn vergaderrooster en agenda vast;
k. buigt zich over alle andere aangelegenheden die van belang zijn met betrekking tot de door deze overeenkomst bestreken terreinen.
2.
Het Handelscomité kan:
a. gespecialiseerde organen oprichten en daaraan taken delegeren;
b. inlichtingen ontvangen van of inwinnen bij belanghebbenden;
c. besluiten tot het starten van onderhandelingen voor een verdere liberalisering van sectoren die onder het toepassingsgebied van deze overeenkomst vallen;
d. zich buigen over eventuele wijzigingen in de bepalingen van deze overeenkomst, die afhankelijk zijn van de voltooiing van de interne wettelijke procedures van elke partij;
e. de bepalingen van deze overeenkomst interpreteren 4) . Krachtens titel XII (Geschillenbeslechting) ingestelde arbitragepanels houden rekening met deze interpretaties;
f. in het kader van de uitoefening van zijn taken andere maatregelen nemen wanneer de partijen dat overeenkomen;
g. de verwezenlijking van de doelstellingen van deze overeenkomst bevorderen door middel van wijzigingen, waarin is voorzien in deze overeenkomst, in:
Elke partij legt de in dit punt bedoelde wijzigingen in overeenstemming met haar toepasselijke wettelijke procedures ten uitvoer.
i. bijlage I (Lijsten inzake tariefafschaffing), teneinde een of meer producten toe te voegen die niet zijn opgenomen in de lijst voor tariefafschaffing van een partij;
ii. de tijdschema’s in bijlage I (Lijsten inzake tariefafschaffing), teneinde de rechten sneller te verlagen;
iii. de specifieke oorsprongsregels in bijlage II (Definitie van het begrip „producten van oorsprong” en methoden van administratieve samenwerking);
iv. de lijst van aanbestedende diensten in aanhangsel 1 van bijlage XII (Overheidsopdrachten);
v. de lijsten van verbintenissen in de bijlagen VII (Lijst van verbintenissen inzake vestiging) en VIII (Lijst van verbintenissen inzake grensoverschrijdende dienstverlening) en de voorbehouden in bijlage IX (Voorbehouden betreffende de tijdelijke aanwezigheid van natuurlijke personen voor zaken); en
vi. andere bepalingen die op grond van een uitdrukkelijke bepaling in deze overeenkomst door het Handelscomité kunnen worden gewijzigd.
3.
Het Handelscomité kan onderzoek doen naar de gevolgen van deze overeenkomst voor micro-ondernemingen en kleine en middelgrote ondernemingen, hierna „micro-ondernemingen en KMO’s” genoemd, met inbegrip van eventuele baten.
4.
De partijen wisselen binnen het Handelscomité zoveel mogelijk informatie uit over overeenkomsten waarbij douane-unies of vrijhandelszones worden opgericht of aangepast en desgevraagd ook over andere belangrijke aangelegenheden met betrekking tot het handelsbeleid dat elke partij ten opzichte van derde landen voert.
5.
Bij de uitoefening van de in dit artikel genoemde taken kan het Handelscomité elk besluit nemen waarin deze overeenkomst voorziet.
1.
Het Handelscomité besluit bij consensus.
2.
De besluiten van het Handelscomité zijn bindend voor de partijen, die de nodige maatregelen treffen voor de uitvoering ervan.
3.
In de gevallen als bedoeld in artikel 12, lid 4, worden de besluiten vastgesteld door de EU en het desbetreffende overeenkomstsluitende Andesland en hebben deze besluiten, mits de rechten en verplichtingen van een ander overeenkomstsluitend Andesland hierbij onverlet blijven, uitsluitend rechtsgevolgen voor die partijen.
1.
Bij deze overeenkomst worden de volgende subcomités opgericht:
a. subcomité Markttoegang;
b. subcomité Landbouw;
c. subcomité Technische handelsbelemmeringen;
d. subcomité Douane, handelsbevordering en oorsprongsregels;
e. subcomité Overheidsopdrachten;
f. subcomité Handel en duurzame ontwikkeling;
g. subcomité Sanitaire en fytosanitaire maatregelen;
h. subcomité Intellectuele eigendom.
2.
Krachtens deze overeenkomst opgerichte gespecialiseerde organen zijn samengesteld uit vertegenwoordigers van de EU en van elk overeenkomstsluitend Andesland.
3.
Het bevoegdheidsgebied en de taken van elk van de bij deze overeenkomst opgerichte gespecialiseerde organen worden omschreven in de desbetreffende titels.
4.
Het Handelscomité kan daarnaast nog andere subcomités, werkgroepen of enig ander gespecialiseerd orgaan oprichten om hem bij de uitvoering van zijn taken bij te staan. Het bepaalt de samenstelling en taken en stelt het reglement van orde van bedoelde gespecialiseerde organen vast.
5.
De gespecialiseerde organen stellen het Handelscomité ruim voor hun vergaderingen in kennis van het vergaderrooster en de agenda. Ook doen zij het Handelscomité bij elk van zijn vergaderingen verslag van hun activiteiten.
6.
In afwijking van het bepaalde in lid 2 kan elk gespecialiseerd orgaan ook vergaderen wanneer behalve de EU maar een van de overeenkomstsluitende Andeslanden deelneemt wanneer het punt dat op de agenda staat uitsluitend betrekking heeft op de bilaterale betrekkingen tussen de EU en dat Andesland.
7.
Wanneer een ander overeenkomstsluitend Andesland blijk geeft van belangstelling voor de kwestie die tijdens bedoelde vergadering wordt besproken, mag het aan de vergadering deelnemen indien de EU en het betrokken overeenkomstsluitende Andesland daarvoor vooraf toestemming hebben gegeven.
1.
Elke partij wijst een coördinator aan en stelt alle andere partijen daarvan uiterlijk bij de inwerkingtreding van deze overeenkomst in kennis 5) .
2.
De coördinatoren van de overeenkomst:
a. stellen de agenda op en coördineren de voorbereiding van de vergaderingen van het Handelscomité;
b. zien er in voorkomend geval op toe dat de besluiten van het Handelscomité worden uitgevoerd;
c. fungeren als contactpunt voor de communicatie tussen de partijen over kwesties die onder deze overeenkomst vallen, tenzij in deze overeenkomst anders is bepaald;
d. ontvangen de kennisgevingen en informatie die krachtens deze overeenkomst worden verstrekt, waaronder begrepen kennisgevingen aan en informatie voor het Handelscomité, tenzij anders is bepaald;
e. houden zich op verzoek van het Handelscomité bezig met andere kwesties die gevolgen voor de werking van deze overeenkomst kunnen hebben.
3.
De coördinatoren van de overeenkomst vergaderen naar behoefte.
Artikel 17. Doel [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
Gedurende een overgangsperiode die aanvangt bij de inwerkingtreding van deze overeenkomst, wordt de handel in goederen door de partijen geleidelijk geliberaliseerd, overeenkomstig het bepaalde in deze overeenkomst en in overeenstemming met artikel XXIV van de GATT 1994.
Artikel 18. Toepassingsgebied [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
Tenzij in deze overeenkomst anders is bepaald, is dit hoofdstuk van toepassing op de handel in goederen tussen de partijen.
Artikel 19. Definities [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
Voor de toepassing van deze titel wordt verstaan onder:
„douanerechten”: alle rechten en heffingen, met inbegrip van alle aanvullende heffingen of belastingen, die worden opgelegd op of in verband met de invoer van goederen. Daaronder vallen niet:
a. aan interne belastingen gelijkgestelde heffingen die in overeenstemming met artikel III van de GATT 1994 worden opgelegd;
b. antidumping-, compenserende of vrijwaringsmaatregelen die worden toegepast in overeenstemming met, voor zover relevant, de GATT 1994 , de WTO-overeenkomst inzake de toepassing van artikel VI van GATT 1994 , hierna de „antidumpingovereenkomst” genoemd, de WTO-overeenkomst inzake subsidies en compenserende maatregelen , hierna de „subsidieovereenkomst” genoemd, en de WTO-overeenkomst inzake vrijwaringsmaatregelen , hierna de „vrijwaringsovereenkomst” genoemd;
c. vergoedingen en andere heffingen die in overeenstemming met artikel VIII van de GATT 1994 worden opgelegd;
„producten of goederen van oorsprong”: producten of goederen die beantwoorden aan de oorsprongsregels in bijlage II (Definitie van het begrip „producten van oorsprong” en methoden van administratieve samenwerking).
Artikel 20. Indeling van de goederen [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
De indeling van de handelsgoederen waarop deze overeenkomst van toepassing is, gebeurt volgens de tariefnomenclatuur van elke partij, in overeenstemming met het geharmoniseerd systeem inzake de omschrijving en codering van goederen van 2007, hierna de „GS” genoemd, en latere wijzigingen daarvan.
1.
Elke partij kent ten aanzien van goederen van een andere partij nationale behandeling toe, overeenkomstig artikel III van de GATT 1994, inclusief de aantekeningen daarbij. Hiertoe worden artikel III van de GATT 1994 en de aantekeningen daarbij mutatis mutandis in deze overeenkomst opgenomen en tot een integrerend deel van deze overeenkomst gemaakt.
2.
Voor de duidelijkheid bevestigen partijen dat onder nationale behandeling wordt verstaan, met betrekking tot overheden en autoriteiten op alle bestuursniveaus, een behandeling die niet minder gunstig is dan de behandeling die de desbetreffende overheid of autoriteit geeft aan soortgelijke, rechtstreeks concurrerende of substitueerbare binnenlandse goederen, waaronder goederen van oorsprong uit het bevoegdheidsgebied van die overheid of autoriteit 6) .
1.
Tenzij in deze overeenkomst anders is bepaald, schaft elke partij haar douanerechten op goederen van oorsprong uit een andere partij af overeenkomstig bijlage I (Lijsten inzake tariefafschaffing).
2.
Voor elk product is het basisdouanerecht, waarop ingevolge lid 1 de achtereenvolgende verlagingen worden toegepast, het recht dat in bijlage I (Lijsten inzake tariefafschaffing) voor dat product is vermeld.
3.
Indien een partij na de inwerkingtreding van deze overeenkomst op enig tijdstip het door haar toegepaste meestbegunstigingsrecht verlaagt, geldt dat recht alleen als het lager is dan het overeenkomstig bijlage I (Lijsten inzake tariefafschaffing) berekende recht.
4.
Indien een partij daarom vraagt, treden de partijen in overleg om te overwegen of douanerechten eventueel sneller en in ruimere mate kunnen worden afgeschaft dan is vastgesteld in bijlage I (Lijsten inzake tariefafschaffing).
5.
Wanneer het Handelscomité in overeenstemming met artikel 13, lid 2, onder g), besluit de afschaffing van douanerechten te versnellen of uit te breiden, komt dat besluit in de plaats van de douanerechten of afbouwcategorieën die overeenkomstig bijlage I (Lijsten inzake tariefafschaffing) zijn vastgesteld.
6.
Tenzij in deze overeenkomst anders is bepaald, mogen de partijen douanerechten die in bijlage I (Lijsten inzake tariefafschaffing) als basisrecht zijn vastgesteld, niet verhogen en mogen zij evenmin nieuwe douanerechten vaststellen voor goederen van oorsprong uit een andere partij.
7.
Lid 6 belet een partij niet een douanerecht:
a. na een eenzijdige verlaging te verhogen tot het niveau dat in bijlage I (Lijsten inzake tariefafschaffing) voor het desbetreffende jaar is vastgesteld; of
b. te handhaven of te verhogen in overeenstemming met het WTO-Memorandum van overeenstemming inzake de regels en procedures betreffende de beslechting van geschillen , hierna het „DSU” genoemd, of titel XII (Geschillenbeslechting).
Artikel 23. Invoer- en uitvoerbeperkingen [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
De partijen stellen of handhaven geen verbod of beperking op de invoer van een goed van een andere partij of de uitvoer of verkoop voor uitvoer van een goed dat voor het grondgebied van een andere partij is bestemd, behalve als in deze overeenkomst anders is bepaald of in overeenstemming met artikel XI van de GATT 1994 en de aantekeningen daarbij. Hiertoe worden artikel XI van de GATT 1994 en de aantekeningen daarbij mutatis mutandis in deze overeenkomst opgenomen en tot een integrerend deel van deze overeenkomst gemaakt.
1.
Elke partij draagt er zorg voor, overeenkomstig artikel VIII van de GATT 1994 en de aantekeningen daarbij, dat alle vergoedingen en heffingen van welke aard ook (andere dan douanerechten, aan interne belastingen gelijkgestelde heffingen of andere interne heffingen die worden opgelegd in overeenstemming met artikel III van de GATT 1994, alsook antidumping- en compenserende maatregelen) ter zake van in- of uitvoer worden beperkt tot, bij benadering, de kosten van de verleende diensten, en geen indirecte bescherming van binnenlandse goederen of een belasting op de in- of uitvoer voor fiscale doeleinden vormen.
2.
De partijen schrijven voor de invoer van goederen van een andere partij geen consulaire formaliteiten voor 7) , waaronder begrepen vergoedingen en heffingen.
3.
Elke partij maakt actuele informatie beschikbaar over alle vergoedingen en heffingen ter zake van in- en uitvoer, bij voorkeur via internet.
Artikel 25. Uitvoerrechten en -belastingen [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
Tenzij in deze overeenkomst anders is bepaald, mogen de partijen geen rechten of belastingen vaststellen of handhaven ter zake van de uitvoer van goederen naar het grondgebied van een andere partij, andere dan interne heffingen die worden opgelegd conform artikel 21.
1.
De partijen mogen geen maatregelen vaststellen of handhaven die in strijd zijn met de WTO-overeenkomst inzake procedures op het gebied van invoervergunningen , hierna de „overeenkomst invoervergunningen” genoemd, die mutatis mutandis in deze overeenkomst is opgenomen en daarvan een integrerend deel uitmaakt.
2.
Elke partij past de in de overeenkomst invoervergunningen vervatte bepalingen mutatis mutandis toe op elke vergunningprocedure voor uitvoer naar een andere partij. De in artikel 5 van de overeenkomst invoervergunningen bedoelde kennisgeving wordt door de partijen ook verricht bij procedures betreffende uitvoervergunningen.
3.
Onder „procedure betreffende invoervergunningen” wordt verstaan een administratieve procedure die wordt gebruikt voor de uitvoering van een regeling voor invoervergunningen waarbij als eerste voorwaarde voor invoer op het grondgebied van de partij van invoer, aan de bevoegde instantie een aanvraag of andere bescheiden (dan die welke voor douanedoeleinden zijn vereist) moeten worden overgelegd.
1.
Voor de toepassing van deze overeenkomst wordt onder „staatshandelsondernemingen” verstaan, overheids- en niet-overheidsondernemingen, ongeacht de plaats van vestiging, op centraal en lager niveau, waaronder begrepen afzetorganisaties, waaraan exclusieve of bijzondere rechten of voorrechten zijn toegekend, waaronder wettelijke of constitutionele bevoegdheden, bij de uitoefening waarvan zij door hun aan- of verkopen de hoogte of richting van de in- en uitvoer beïnvloeden 8) .
2.
De partijen erkennen dat staatshandelsondernemingen door hun wijze van bedrijfsvoering geen handelsbelemmeringen mogen creëren en gaan derhalve de in dit artikel neergelegde verplichtingen aan.
3.
De partijen bevestigen opnieuw hun bestaande rechten en verplichtingen uit hoofde van artikel XVII van GATT 1994, de aantekeningen en aanvullende bepalingen daarbij, en het Memorandum van Overeenstemming betreffende de interpretatie van artikel XVII van de GATT 1994 , welke mutatis mutandis in deze overeenkomst zijn opgenomen en daarvan een integrerend deel uitmaken.
4.
De partijen zien er met name op toe dat staatshandelsondernemingen bij hun aan- en verkopen, en steeds wanneer zij een bevoegdheid uitoefenen, waaronder een eventuele wettelijke of constitutionele bevoegdheid, die een partij op centraal of lager niveau aan deze ondernemingen heeft gedelegeerd, voldoen aan de verplichtingen die de partijen in deze overeenkomst aangaan.
5.
De bepalingen van dit artikel laten de rechten en verplichtingen die voor partijen voortvloeien uit titel VI (Overheidsopdrachten) onverlet.
6.
In de context van de kennisgeving die de partijen ingevolge artikel XVII van de GATT 1994 verrichten, streeft een partij wie om aanvullende informatie is verzocht over het effect van staatshandelsondernemingen op de bilaterale handel, naar maximale transparantie in haar reactie op een dergelijk informatieverzoek, voor zover de verzoekende partij die informatie nodig heeft om te kunnen bepalen of de staatshandelsondernemingen voldoen aan de toepasselijke verplichtingen van deze overeenkomst, overeenkomstig de bepalingen van artikel XVII, lid 4, onder d), van de GATT 1994 betreffende vertrouwelijke informatie.
Artikel 28. Toepassingsgebied [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
Deze afdeling is van toepassing op de maatregelen die de partijen vaststellen of handhaven met betrekking tot de onderlinge handel in landbouwproducten, hierna „landbouwproducten” genoemd, die vallen onder de definitie van bijlage I van de WTO-overeenkomst inzake landbouw , hierna de „landbouwovereenkomst” genoemd 9) .
1.
In afwijking van het bepaalde in artikel 22 mag een partij ten aanzien van landbouwproducten van oorsprong die zijn opgenomen in haar lijst in bijlage IV (Landbouwvrijwaringsmaatregelen) een landbouwvrijwaringsmaatregel in de vorm van aanvullende invoerrechten toepassen, mits is voldaan aan de voorwaarden van dit artikel. Het tarief van een aanvullend invoerrecht of van enig ander douanerecht op bedoelde producten bedraagt ten hoogste het laagste van de volgende rechten:
a. het toegepaste meestbegunstigingsrecht; of
b. het basisrecht dat staat vermeld in bijlage I (Lijsten inzake tariefafschaffing).
2.
Een partij mag voor de duur van één kalenderjaar een op hoeveelheid gebaseerde vrijwaringsmaatregel toepassen indien bij de binnenkomst van een product van oorsprong in haar douanegebied de totale hoeveelheid die dat jaar van bedoeld product is ingevoerd, het in de lijst van de partij in bijlage IV (Landbouwvrijwaringsmaatregelen) gespecificeerde drempelvolume overstijgt.
3.
Een krachtens de leden 1 en 2 toegepast aanvullend recht dient in overeenstemming te zijn met de lijst van de partij in bijlage IV (Landbouwvrijwaringsmaatregelen).
4.
Geen van partijen mag met betrekking tot hetzelfde product tegelijkertijd een landbouwvrijwaringsmaatregel krachtens dit artikel en een van de volgende maatregelen toepassen:
a. een vrijwaringsmaatregel krachtens het bepaalde in hoofdstuk 2 (Handelsmaatregelen); of
b. een maatregel als bedoeld in artikel XIX van de GATT 1994 en de vrijwaringsovereenkomst .
5.
Geen van de partijen mag een landbouwvrijwaringsmaatregel vaststellen of handhaven:
a. vanaf de datum dat een product vrijstelling van invoerrechten geniet krachtens bijlage I (Lijsten inzake tariefafschaffing), behalve als onder b) anders is bepaald; of
b. na het verstrijken van de overgangsperiode die is gespecificeerd in de lijst van de partij in bijlage IV (Landbouwvrijwaringsmaatregelen); of
c. die een douanerecht binnen een tariefcontingent verhoogt.
6.
Binnen tien dagen na het toepassen van een landbouwvrijwaringsmaatregel krachtens de leden 1 en 2, stelt de partij die de maatregel toepast, de betrokken partij van uitvoer daarvan schriftelijk in kennis en verstrekt zij haar de relevante data en een motivering van de maatregel. De partij die de maatregel toepast, biedt de betrokken partij van uitvoer de gelegenheid om in overleg te treden over de voorwaarden waaronder de maatregel overeenkomstig bedoelde leden zal worden toegepast.
7.
Elke partij behoudt de rechten en verplichtingen die voor haar voortvloeien uit artikel 5 van de landbouwovereenkomst , behalve voor de handel in landbouwproducten die voorwerp zijn van een preferentiële behandeling.
a. mag Colombia het prijstranchesysteem toepassen dat bij Besluit 371 van de Andesgemeenschap, alsmede wijzigingen daarop, is vastgesteld, dan wel latere systemen voor de landbouwproducten die onder dat besluit vallen;
b. mag Peru het prijstranchesysteem toepassen dat bij Besluit 115-2001-EF, alsmede wijzigingen daarop, is vastgesteld, dan wel latere systemen voor de landbouwproducten die onder dat besluit vallen.
Artikel 31. Invoerprijssysteem [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
Tenzij in deze overeenkomst anders is bepaald, mag de EU het invoerprijssysteem toepassen dat is vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 1580/2007 van de Commissie van 21 december 2007 tot vaststelling van bepalingen voor de uitvoering van de Verordeningen (EG) nr. 2200/96, (EG) nr. 2201/96 en (EG) nr. 1182/2007 van de Raad in de sector groenten en fruit, alsmede wijzigingen daarop, dan wel latere systemen.
1.
Voor de toepassing van dit artikel wordt onder „uitvoersubsidies” verstaan, uitvoersubsidies in de zin van artikel 1, onder e), van de landbouwovereenkomst en eventuele wijzigingen van dat artikel.
2.
De partijen werken in het kader van de WTO gezamenlijk aan een akkoord over de afschaffing van uitvoersubsidies en andere maatregelen van gelijke werking voor landbouwproducten.
3.
Vanaf de inwerkingtreding van deze overeenkomst handhaven de partijen geen, en onthouden zij zich van het invoeren of opnieuw invoeren van, uitvoersubsidies of andere maatregelen van gelijke werking voor landbouwproducten die zijn bestemd voor het grondgebied van een andere partij en die in overeenstemming met bijlage I (Lijsten inzake tariefafschaffing) volledig en onmiddellijk zijn geliberaliseerd dan wel op termijn volledig worden geliberaliseerd en waarvoor bij de inwerkingtreding van de overeenkomst een van rechten vrijgesteld contingent geldt.
4.
De partijen handhaven geen, en onthouden zich van het invoeren of opnieuw invoeren van, uitvoersubsidies of andere maatregelen van gelijke werking voor landbouwproducten die op termijn volledig worden geliberaliseerd en waarvoor bij de inwerkingtreding van deze overeenkomst geen van rechten vrijgesteld contingent geldt, vanaf het moment dat deze producten volledig zijn geliberaliseerd.
5.
Onverminderd het bepaalde in de leden 3 en 4 geldt dat wanneer een partij subsidies of andere maatregelen van gelijke werking handhaaft, invoert of opnieuw invoert met betrekking tot de uitvoer naar een andere partij van geheel of ten dele geliberaliseerde landbouwproducten, de partij van invoer, voor de duur dat de maatregel gehandhaafd blijft, een aanvullend recht kan heffen waarmee de invoerrechten van het betrokken product worden verhoogd tot maximaal het toegepaste meestbegunstigingsrecht of, indien dat lager is, het basisrecht als vermeld in bijlage I (Lijsten inzake tariefafschaffing).
6.
Voor de afschaffing van het aanvullende recht dat overeenkomstig lid 5 wordt geheven, verstrekt de partij van uitvoer de partij van invoer gedetailleerde informatie waaruit blijkt dat aan de bepalingen van dit artikel is voldaan.
1.
De partijen dragen zorg voor het beheer en de toepassing van de in bijlage I (Lijsten inzake tariefafschaffing) gespecificeerde tariefcontingenten voor de invoer van landbouwproducten, overeenkomstig artikel XIII van de GATT 1994, met inbegrip van de aantekeningen daarbij, en de overeenkomst invoervergunningen.
2.
De partijen beheren de tariefcontingenten voor de invoer van landbouwproducten op basis van het beginsel dat wie het eerst komt, het eerst maalt.
3.
Op verzoek van een partij van uitvoer treedt een partij van invoer met de partij van uitvoer in overleg over het beheer van de tariefcontingenten van de partij van invoer. Dit overleg komt in de plaats van het in artikel 301 bedoelde overleg, mits het beantwoordt aan de vereisten van lid 9 van dat artikel.
Artikel 34. Handelwijze bij administratieve fouten [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
Indien de bevoegde autoriteiten van een partij bij het beheer van de preferentiële uitvoerregeling een fout hebben gemaakt, met name bij de toepassing van de bepalingen van bijlage II (Definitie van het begrip „producten van oorsprong” en methoden van administratieve samenwerking), en deze fout gevolgen heeft voor de invoerrechten, kan elke partij die met deze gevolgen wordt geconfronteerd, het Handelscomité verzoeken na te gaan of passende maatregelen kunnen worden genomen om de situatie op te lossen, nadat de betrokken partijen eerst binnen het in artikel 68 beschreven subcomité Douane, handelsbevordering en oorsprongsregels, de technische aspecten van de kwestie hebben besproken. Het besluit van het Handelscomité over passende maatregelen wordt bij consensus van de betrokken partijen vastgesteld.
1.
De partijen richten een subcomité Markttoegang op, dat is samengesteld uit vertegenwoordigers van elke partij.
2.
Het subcomité komt op verzoek van een partij of het Handelscomité bijeen voor het bespreken van uit dit hoofdstuk voortvloeiende kwesties die niet tot het werkterrein van een ander subcomité behoren.
3.
Het subcomité heeft onder meer de volgende taken:
a. bevorderen van de handel in goederen tussen de partijen, onder meer door het voeren van overleg over een versnelde en ruimere afschaffing van douanerechten ingevolge deze overeenkomst, alsmede, waar passend, over andere kwesties;
b. bespreken van niet-tarifaire maatregelen die de handel in goederen tussen de partijen kunnen beperken en zulke aangelegenheden waar nodig voorleggen aan het Handelscomité;
c. het Handelscomité adviseren en aanbevelingen doen over samenwerkingsbehoeften met betrekking tot markttoegang;
d. voeren van overleg over en werken aan de oplossing van eventuele geschillen tussen de partijen over wijzigingen in het GS, waaronder de indeling van goederen, teneinde ervoor te zorgen dat de verplichtingen die voor de partijen uit deze overeenkomst voortvloeien, niet worden gewijzigd.
1.
De partijen richten een subcomité Landbouw op, dat is samengesteld uit vertegenwoordigers van de EU en elk overeenkomstsluitend Andesland.
2.
Het subcomité Landbouw heeft de volgende taken:
a. toezicht op en bevorderen van de samenwerking bij de uitvoering en het beheer van afdeling 4, teneinde de handel in landbouwproducten tussen de partijen te bevorderen;
b. wegnemen van ongerechtvaardigde belemmeringen in de handel in landbouwproducten tussen de partijen;
c. beraadslagen over kwesties in verband met afdeling 4, in overleg met andere relevante subcomités, werkgroepen of andere gespecialiseerde organen die krachtens deze overeenkomst zijn opgericht;
d. evalueren van de ontwikkeling van de handel in landbouwproducten tussen de partijen en van de gevolgen van deze overeenkomst voor de landbouwsector van elke partij, alsook de werking van de instrumenten waarin deze overeenkomst voorziet, en het doen van aanbevelingen aan het Handelscomité over passende acties;
e. verrichten van aanvullende werkzaamheden die hem door het Handelscomité worden opgedragen;
f. verslag uitbrengen aan het Handelscomité van de resultaten van de werkzaamheden die krachtens dit lid zijn uitgevoerd.
3.
Het subcomité Landbouw komt ten minste eenmaal per jaar bijeen. Onder bijzondere omstandigheden komt het subcomité op verzoek van een partij en met instemming van de overige partijen uiterlijk dertig dagen na de datum van dat verzoek bijeen. Vergaderingen van het subcomité kunnen ook op bilateraal niveau plaatsvinden en worden dan voorgezeten door een vertegenwoordiger van de partij die als gastheer optreedt.
4.
Het subcomité Landbouw besluit bij consensus.
1.
De partijen bevestigen opnieuw hun rechten en verplichtingen uit hoofde van de antidumpingovereenkomst , de subsidieovereenkomst en de WTO-overeenkomst betreffende oorsprongsregels , hierna de „overeenkomst oorsprongsregels” genoemd.
2.
Wanneer de autoriteit van de Andesgemeenschap namens twee of meer van haar leden een antidumping- of compenserende maatregel toepast of een prijsverbintenis aanvaardt, is de bevoegde rechterlijke instantie van de Andesgemeenschap het enige forum voor rechterlijke toetsing.
3.
De partijen dragen er zorg voor dat regionale en nationale autoriteiten met betrekking tot hetzelfde product niet tegelijkertijd meerdere antidumpingmaatregelen toepassen. Hetzelfde geldt voor compenserende maatregelen.
1.
Handelsmaatregelen moeten volgens de toepasselijke WTO-voorschriften worden genomen en moeten op een transparant systeem gebaseerd zijn.
2.
Zich bewust van de voordelen van rechtszekerheid en voorspelbaarheid voor marktdeelnemers, draagt elke partij er zorg voor dat haar interne wetgeving inzake handelsmaatregelen volledig in overeenstemming is met de toepasselijke WTO-voorschriften.
3.
Onverminderd artikel 6, lid 5, van de antidumpingovereenkomst en artikel 12, lid 4, van de subsidieovereenkomst draagt elke partij er zorg voor dat na de instelling van voorlopige maatregelen zo spoedig als volgens de interne wetgeving mogelijk is, maar in elk geval vóór de uiteindelijke vaststelling ervan, de belangrijkste feiten en overwegingen die aan de beslissing tot het al dan niet toepassen van maatregelen ten grondslag liggen, volledig en duidelijk worden meegedeeld. Bedoelde feiten en overwegingen moeten schriftelijk worden meegedeeld, en belanghebbenden moeten voldoende tijd krijgen om opmerkingen te maken.
4.
Op verzoek van belanghebbenden worden zij bij het onderzoek naar handelsmaatregelen door de onderzoeksautoriteit gehoord, mits het onderzoek daardoor niet onnodig wordt vertraagd.
Artikel 39. Algemene belangen [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
In overeenstemming met hun interne wetgeving stellen de EU en Colombia industriële gebruikers en importeurs van het onderzochte product, alsook, in voorkomend geval, representatieve consumentenorganisaties in de gelegenheid informatie te verstrekken die relevant is voor het onderzoek. De onderzoeksautoriteit houdt met bedoelde informatie rekening voor zover deze relevant is, met bewijzen gestaafd is en verstrekt is binnen de termijn die in de interne wetgeving is voorgeschreven.
Artikel 40. Regel van het laagste recht [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
Niettegenstaande hun rechten uit hoofde van de antidumping- en subsidieovereenkomst met betrekking tot de toepassing van antidumping- en compenserende rechten, achten de EU en Colombia het wenselijk dat het toegepaste recht lager is dan de overeenkomstige dumping- of subsidiemarge, wanneer de schade voor de binnenlandse bedrijfstak ook door een lager recht ongedaan kan worden gemaakt.
Artikel 41. Onderzoeksautoriteiten [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
Voor de toepassing van deze afdeling wordt verstaan onder:
„onderzoeksautoriteit”:
a. met betrekking tot Colombia: het ministerie van Handel, industrie en toerisme, dan wel de opvolger daarvan;
b. met betrekking tot Peru: het Instituto Nacional de Defensa de la Competencia y de la Protección de la Propiedad Intelectual, dan wel de opvolger daarvan;
c. met betrekking tot de EU: de Europese Commissie.
Artikel 43. Algemene bepalingen [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
Elke partij behoudt de rechten en verplichtingen die voortvloeien uit artikel XIX van de GATT 1994, de vrijwaringsovereenkomst en de overeenkomst oorsprongsregels .
Artikel 44. Transparantie [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
In afwijking van het bepaalde in artikel 43 geeft een partij die een vrijwaringsonderzoek opent of voornemens is vrijwaringsmaatregelen te treffen, op verzoek van een andere partij onmiddellijk ad hoc schriftelijk kennis van alle relevante informatie, met inbegrip van, voor zover van toepassing, informatie over de start van het onderzoek en de voorlopige en definitieve vaststelling van de feiten.
Artikel 45. Niet-gelijktijdige toepassing van vrijwaringsmaatregelen [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
De partijen mogen met betrekking tot hetzelfde product niet tegelijkertijd toepassen:
a. een bilaterale vrijwaringsmaatregel overeenkomstig afdeling 3 (Bilaterale vrijwaringsmaatregelen) van dit hoofdstuk; en
b. een maatregel als bedoeld in artikel XIX van de GATT 1994 en de vrijwaringsovereenkomst .
Artikel 46. Onderzoeksautoriteit [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
Voor de toepassing van deze afdeling wordt onder „onderzoeksautoriteit” verstaan:
a. met betrekking tot Colombia: het ministerie van Handel, industrie en toerisme, dan wel de opvolger daarvan;
b. met betrekking tot Peru: het Instituto Nacional de Defensa de la Competencia y de la Protección de la Propiedad Intelectual; en
c. met betrekking tot de EU: de Europese Commissie.
1.
Onverminderd het bepaalde in afdeling 2 (Multilaterale vrijwaringsmaatregelen) mag de partij van invoer onder de in deze afdeling vervatte voorwaarden en volgens de in deze afdeling neergelegde procedures passende maatregelen vaststellen, indien als gevolg van concessies uit hoofde van deze overeenkomst een product van oorsprong uit een partij in dermate toegenomen hoeveelheden – in absolute zin of in verhouding tot de binnenlandse productie – en onder zodanige voorwaarden op het grondgebied van een andere partij wordt ingevoerd dat binnenlandse producenten die soortgelijke of rechtstreeks concurrerende producten vervaardigen, daarvan ernstige schade ondervinden of dreigen te ondervinden.
2.
Een partij mag alleen tijdens de overgangsperiode bilaterale vrijwaringsmaatregelen toepassen 10) .
1.
Een partij stelt de betrokken partij van uitvoer onmiddellijk in kennis van de opening van een onderzoek en de toepassing van voorlopige en definitieve maatregelen.
2.
Wanneer een partij meent dat er sprake is van de in artikel 48 genoemde omstandigheden en derhalve toepassing of verlenging van een definitieve maatregel gerechtvaardigd is, stelt zij de benadeelde partij in de gelegenheid met haar overeenkomstig de wetgeving van elke partij overleg te plegen, teneinde de beschikbare informatie te onderzoeken, van gedachten te wisselen over de toepassing of verlenging van de maatregel en een wederzijds bevredigende oplossing te vinden.
3.
Het in lid 2 bedoelde overleg begint binnen 15 dagen nadat de benadeelde partij van de onderzoeksautoriteit de uitnodiging voor overleg heeft ontvangen.
4.
Indien binnen 45 dagen na de datum van ontvangst van de uitnodiging voor overleg door de benadeelde partij geen bevredigende oplossing is bereikt, kan de partij van invoer maatregelen vaststellen om overeenkomstig het bepaalde in deze afdeling de situatie te herstellen.
5.
Een partij kan zonder voorafgaand overleg een voorlopige bilaterale vrijwaringsmaatregel toepassen.
Artikel 50. Soorten maatregelen [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
Wanneer een partij van invoer krachtens artikel 48 een bilaterale vrijwaringsmaatregel toepast, kan deze uit een of meer van de volgende maatregelen bestaan:
a. opschorting van de verdere verlaging van het douanerecht voor het betrokken product overeenkomstig de lijst van die partij in bijlage I (Lijsten inzake tariefafschaffing), of
b. verhoging van het douanerecht op het betrokken product tot maximaal het meestbegunstigingsrecht dat op het moment van de maatregel voor dat product geldt, of, indien dat lager is, het basisrecht dat in de lijst van die partij in bijlage I (Lijsten inzake tariefafschaffing) staat vermeld.
1.
Een partij mag pas een bilaterale vrijwaringsmaatregel toepassen nadat de bevoegde instanties van die partij overeenkomstig artikel 3 van de vrijwaringsovereenkomst een onderzoek hebben ingesteld, waartoe dat artikel mutatis mutandis in deze overeenkomst wordt opgenomen en tot een integrerend deel daarvan wordt gemaakt.
2.
Een onderzoek als bedoeld in lid 1 voldoet aan de vereisten van artikel 4, lid 2, onder a) en c), van de vrijwaringsovereenkomst , waartoe artikel 4, lid 2, onder a) en c), van de vrijwaringsovereenkomst mutatis mutandis in deze overeenkomst wordt opgenomen en tot een integrerend deel daarvan wordt gemaakt.
3.
Naast het bepaalde in lid 2 toont de onderzoekende partij middels objectief bewijs aan dat er een oorzakelijk verband bestaat tussen de stijging van de invoer van het product van de partij van uitvoer en ernstige schade of de dreiging van ernstige schade daardoor.
4.
Elke partij draagt er zorg voor dat haar bevoegde instanties bedoeld onderzoek afronden binnen de termijn die in haar interne wetgeving is voorgeschreven, maar in ieder geval niet later dan twaalf maanden nadat het onderzoek is geopend.
1.
De partijen mogen een bilaterale vrijwaringsmaatregel slechts toepassen met inachtneming van de volgende beperkingen:
a. de maatregel mag alleen worden toegepast voor zover en zo lang zij noodzakelijk is om ernstige schade als bedoeld in artikel 48 te voorkomen of te herstellen;
b. de maatregel mag niet langer duren dan twee jaar, welke termijn bij uitzondering met twee jaar kan worden verlengd indien:
i. de bevoegde instanties van de partij van invoer overeenkomstig de toepasselijke procedures van artikel 51 bepalen dat de maatregel noodzakelijk blijft om ernstige schade als bedoeld in artikel 48 te voorkomen of te herstellen; en
ii. er bewijzen zijn voor aanpassing van de binnenlandse bedrijfstak.
De totale toepassingsduur van een vrijwaringsmaatregel, inclusief de aanvankelijke toepassingsduur en een eventuele verlenging, bedraagt niet meer dan vier jaar.
2.
Wanneer een partij een bilaterale vrijwaringsmaatregel beëindigt, is het douanerecht het recht dat volgens de lijst van die partij in bijlage I (Lijsten inzake tariefafschaffing) zonder die maatregel van toepassing zou zijn geweest.
1.
In kritieke omstandigheden, wanneer uitstel moeilijk te herstellen schade zou veroorzaken, mag een partij een voorlopige bilaterale vrijwaringsmaatregel toepassen nadat voorlopig is vastgesteld dat er duidelijke bewijzen zijn voor een toename van de invoer van een product van oorsprong uit de partij van uitvoer als gevolg van de verlaging of afschaffing van rechten krachtens bijlage I (Lijsten inzake tariefafschaffing) en dat deze invoer ernstige schade veroorzaakt of dreigt te veroorzaken als bedoeld in artikel 48.
2.
Een voorlopige maatregel duurt niet langer dan tweehonderd dagen, gedurende welke periode de partij die de maatregel toepast aan de voorschriften van de artikelen 49 en 51, leden 1, 2 en 3, moet voldoen.
3.
De partij in kwestie betaalt krachtens lid 1 toegepaste tariefverhogingen onverwijld terug wanneer het onderzoek niet uitwijst dat aan de vereisten van artikel 48 is voldaan. De duur van een voorlopige maatregel wordt meegerekend bij de in artikel 52, lid 1, onder b), bedoelde termijn.
1.
Een partij die een bilaterale vrijwaringsmaatregel wil verlengen, treedt in overleg met de partij waarvan de producten zijn onderworpen aan die maatregel, teneinde overeenstemming te bereiken over een passende compensatie in de vorm van concessies die in wezen een gelijkwaardig effect op het handelsverkeer hebben. De partij van invoer biedt uiterlijk 30 dagen voordat de maatregel wordt verlengd, gelegenheid voor bedoeld overleg.
2.
Indien het overleg als bedoeld in lid 1 niet binnen 30 dagen nadat het aanbod daartoe is gedaan leidt tot overeenstemming over compensatie en de partij van invoer besluit de vrijwaringsmaatregel te verlengen, mag de partij waarvan de producten zijn onderworpen aan die maatregel, de toepassing opschorten van in wezen gelijkwaardige handelsconcessies aan de partij die de maatregel verlengt.
Artikel 55. Hernieuwde toepassing van een maatregel [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
De invoer van een product dat al eerder aan een vrijwaringsmaatregel als bedoeld in deze afdeling is onderworpen, mag niet opnieuw aan een dergelijke maatregel worden onderworpen, behalve één keer voor de helft van de tijd dat de maatregel eerder heeft gegolden, mits de maatregel gedurende ten minste één jaar niet is toegepast.
1.
Wanneer een product van oorsprong uit de overeenkomstsluitende Andeslanden in dermate toegenomen hoeveelheden en onder zodanige voorwaarden op het grondgebied van de ultraperifere gebieden van de Europese Unie (hierna de „ultraperifere gebieden van de EU” genoemd) wordt ingevoerd dat de economische situatie van de ultraperifere gebieden daardoor ernstig verslechtert of dreigt te verslechteren, kan de EU, na alternatieve oplossingen te hebben onderzocht, bij uitzondering vrijwaringsmaatregelen treffen die beperkt zijn tot het grondgebied van het betrokken gebied of de betrokken gebieden.
2.
Op de vrijwaringsmaatregelen voor ultraperifere gebieden van de EU zijn de bepalingen van dit hoofdstuk van toepassing.
Artikel 57. Bevoegde instantie [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
Voor de toepassing van deze afdeling wordt onder bevoegde instantie verstaan:
a. met betrekking tot Colombia: het ministerie van Handel, industrie en toerisme, dan wel de opvolger daarvan;
b. met betrekking tot Peru: het ministerie van Buitenlandse handel en toerisme, dan wel de opvolger daarvan; en
c. met betrekking tot de EU: de Europese Commissie.
1.
De partijen erkennen het belang van douane en handelsbevordering bij de ontwikkeling van het mondiale handelsklimaat. Zij komen overeen op dit gebied nauwer samen te werken om ervoor te zorgen dat de toepasselijke wetgeving en procedures van elke partij, alsook de bestuurlijke capaciteit van hun respectieve diensten, toereikend zijn voor een effectieve controle en handelsbevordering.
2.
De partijen erkennen dat legitieme doelstellingen van overheidsbeleid, waaronder die welke betrekking hebben op veiligheid en de bestrijding en voorkoming van fraude, op geen enkele wijze in het gedrang mogen komen.
1.
Elke partij stelt efficiënte, transparante en vereenvoudigde procedures vast om de kosten te verlagen en de voorspelbaarheid van de procedures te waarborgen ten behoeve van importeurs en exporteurs.
2.
De partijen komen overeen hun handels- en douanewetgeving en -procedures te baseren op:
a. de internationale instrumenten en normen die op het gebied van douane en handel van toepassing zijn, waaronder begrepen de materiële elementen van de Herziene Overeenkomst van Kyoto inzake de vereenvoudiging en harmonisatie van douaneprocedures , hierna de „Herziene overeenkomst van Kyoto” genoemd, het Internationaal Verdrag betreffende het geharmoniseerd systeem inzake de omschrijving en codering van goederen , hierna het „GS-Verdrag” genoemd, het Framework of Standards to Secure and Facilitate Global Trade van de Werelddouaneorganisatie (WDO), hierna het „WDO SAFE” genoemd, en het Customs Data Model van de WDO, hierna: het „WDO-gegevensmodel” genoemd;
b. de bescherming en bevordering van het handelsverkeer door een effectieve handhaving en naleving van wettelijke voorschriften;
c. redelijke en niet-discriminatoire voorschriften voor marktdeelnemers, waardoor fraude wordt voorkomen;
d. het gebruik van een enkel administratief document of elektronisch equivalent daarvan voor het doen van douaneaangiften ten invoer en ten uitvoer;
e. de toepassing van moderne douanetechnieken, zoals risicobeoordeling, vereenvoudigde procedures voor de binnenkomst en vrijgave van goederen, controles na de vrijgave en methoden voor de controle van bedrijfsboekhoudingen;
f. de geleidelijke ontwikkeling van systemen, met inbegrip van systemen die op informatietechnologie zijn gebaseerd, voor het faciliteren van de elektronische gegevensuitwisseling tussen marktdeelnemers, douanediensten en andere verwante instanties. Te dien einde werkt elke partij, voor zover mogelijk, aan de geleidelijke invoering van een één-loket-systeem voor het vergemakkelijken van de handel met het buitenland;
g. regels die voorzien in straffen voor overtredingen van douane- of procedurevoorschriften die proportioneel en niet-discriminatoir zijn en waarvan de toepassing niet tot onnodige vertragingen in de vrijgave van goederen leidt;
h. redelijke vergoedingen en heffingen, die niet hoger zijn dan de kosten van de dienst die in verband met een specifieke transactie wordt verleend en niet ad valorem worden berekend. Voor consulaire diensten worden geen vergoedingen en heffingen opgelegd;
i. de afschaffing van eisen die inspecties of gelijkwaardige maatregelen vóór verzending verplicht stellen;
j. de noodzaak dat alle bevoegde overheidsinstanties die betrokken zijn bij de controle en fysieke inspectie van in- en uitvoerproducten, hun werkzaamheden, voor zover mogelijk, gelijktijdig en op een enkele plaats verrichten.
3.
Teneinde de werkmethoden te verbeteren en te zorgen voor een niet-discriminatoire, transparante, efficiënte en integere werkwijze waarvoor verantwoording wordt afgelegd, neemt elke partij de volgende maatregelen:
a. verminderen, vereenvoudigen en standaardiseren van de gegevens en bescheiden die de douane en andere diensten verlangen;
b. vereenvoudigen, waar mogelijk, van eisen en formaliteiten voor het inklaren en vrijgeven van goederen, zodat goederen al kunnen worden vrijgegeven voordat de douanerechten zijn betaald, mits overeenkomstig de interne wetgeving zekerheid wordt gesteld voor betaling van de verschuldigde rechten, vergoedingen en heffingen;
c. zorgen voor effectieve, snelle, niet-discriminatoire en gemakkelijk toegankelijke beroepsprocedures tegen administratieve beslissingen van de douane die gevolgen hebben voor de in-, uit- en doorvoer van goederen. Deze procedures zijn gemakkelijk toegankelijk, ook voor micro-ondernemingen en KMO’s;
d. ervoor zorgen dat de hoogste integriteitsnormen in stand worden gehouden, door maatregelen die in overeenstemming zijn met de in internationale overeenkomsten en instrumenten ter zake neergelegde beginselen.
1.
Op schriftelijk verzoek en voorafgaand aan de invoer van een product op haar grondgebied, verstrekt elk partij via haar bevoegde instanties en overeenkomstig haar interne wet- en regelgeving vooraf schriftelijk bindende informatie (advance rulings) over de tariefindeling, de oorsprong of enige andere kwestie die volgens de partijen hiervoor in aanmerking komt.
2.
Behoudens vereisten inzake vertrouwelijkheid in haar interne recht, maakt elke partij haar bindende informatie vooraf over tariefindeling en enige andere kwestie die volgens partijen hiervoor in aanmerking komt, algemeen bekend, indien mogelijk langs elektronische weg.
3.
Om de handel te bevorderen, houden de partijen elkaar in hun bilaterale overleg regelmatig op de hoogte van wijzigingen in hun respectieve wetgeving met betrekking tot de in de leden 1 en 2 bedoelde kwesties.
4.
Alle procedurele kwesties in verband met de verstrekking van bindende informatie vooraf worden geregeld bij de interne wetgeving van elke partij, in overeenstemming met de internationale normen van de WDO. De procedures worden algemeen bekend en toegankelijk gemaakt.
1.
Elke partij gebruikt risicobeheerssystemen om haar douaneautoriteiten in staat te stellen hun inspecties te concentreren op risicotransacties, en goederen met een laag risico sneller vrij te geven.
2.
De partij van invoer neemt nota van de inspanningen van de partij van uitvoer met betrekking tot de beveiliging van de toeleveringsketen.
3.
De partijen werken aan het uitwisselen van informatie over de risicobeheerstechnieken die door hun respectieve douaneautoriteiten worden toegepast, met inachtneming van de vertrouwelijkheid van die informatie, en dragen, waar nodig, hun kennis over.
Artikel 62. Geautoriseerde marktdeelnemer [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
De partijen bevorderen de tenuitvoerlegging van het begrip „geautoriseerde markdeelnemer”, overeenkomstig WDO SAFE. De partijen verlenen marktdeelnemers die voldoen aan de veiligheidseisen die in hun douanewetgeving zijn neergelegd, de status van „geautoriseerde marktdeelnemer” en verstrekken hun voordelen op het terrein van de handelsbevordering.
1.
De partijen waarborgen de vrije doorvoer over hun grondgebied via de route die daarvoor het meest geschikt is.
2.
Eventuele beperkingen, controles of vereisten moeten gebaseerd zijn op een legitiem doel van overheidsbeleid en moeten niet-discriminatoir en evenredig zijn en overal op dezelfde wijze worden toegepast.
3.
Onverminderd rechtmatige douanecontroles op goederen in doorvoer, behandelen partijen de doorvoer van goederen naar of uit het gebied van een andere partij niet minder gunstig dan de doorvoer van goederen via hun grondgebied.
4.
De partijen hanteren entrepotregelingen waarmee goederen, behoudens een passende zekerheidsstelling, zonder betaling van rechten en andere heffingen kunnen worden doorgevoerd.
5.
De partijen bevorderen regionale regelingen voor doorvoer om handelsbelemmeringen te verminderen.
6.
De partijen passen internationale normen en instrumenten in verband met de doorvoer toe.
7.
De partijen zien erop toe dat alle betrokken instanties en diensten op hun grondgebied samenwerken en met elkaar overleggen om de doorvoer te vergemakkelijken en de grensoverschrijdende samenwerking te bevorderen.
a. zien erop toe dat alle douanewetten en -procedures, alsook douanerechten, vergoedingen en heffingen algemeen bekend worden gemaakt, voor zover mogelijk langs elektronische weg en waar nodig met een toelichting;
b. zien erop toe dat, voor zover mogelijk, een redelijke termijn wordt betracht tussen de bekendmaking en de inwerkingtreding van nieuwe of gewijzigde douanewetgeving en -procedures, alsook van nieuwe of gewijzigde douanerechten, vergoedingen en heffingen;
c. bieden het bedrijfsleven de gelegenheid opmerkingen te maken over douanegerelateerde wetgevingsvoorstellen en procedures. Hiertoe richt elke partij mechanismen voor overleg tussen de douaneautoriteiten en het bedrijfsleven op;
d. geven algemene bekendheid aan berichten van administratieve aard, met name over de voorschriften voor douane-expediteurs, procedures bij de binnenkomst van goederen, openingstijden en werkwijzen van douanekantoren in havens en bij grensposten, en adressen voor het inwinnen van informatie;
e. bevorderen de samenwerking tussen marktdeelnemers en relevante diensten door gebruik te maken van niet-arbitraire en voor iedereen toegankelijke procedures, teneinde fraude en illegale activiteiten te bestrijden, de veiligheid van de toeleveringsketen te vergroten en de handel te bevorderen; en
f. zien erop toe dat voorschriften en procedures op douanegebied en aanverwante gebieden, aan de behoeften van de handel blijven beantwoorden, dat hierbij beste praktijken worden gevolgd en dat de handel hierdoor zo min mogelijk wordt beperkt.
Artikel 65. Douanewaarde [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
De Overeenkomst inzake de toepassing van artikel VII van GATT 1994 , hierna de „Overeenkomst inzake de douanewaarde” genoemd, regelt de voorschriften voor de vaststelling van de douanewaarde die voor de handel tussen de partijen gelden.
1.
De partijen bevorderen en faciliteren de samenwerking tussen hun respectieve douanediensten voor het realiseren van de in dit hoofdstuk genoemde doelstellingen, in het bijzonder de vereenvoudiging van douaneprocedures en de bevordering van rechtmatige handel zonder dat dit ten koste gaat van hun controlecapaciteit.
2.
De in lid 1 bedoelde samenwerking omvat onder meer:
a. uitwisselen van informatie over douanewetgeving, -procedures en -technieken op de volgende terreinen:
i. vereenvoudiging en modernisering van douaneprocedures;
ii. relaties met het bedrijfsleven;
b. gezamenlijk initiatieven ontplooien op overeengekomen gebieden;
c. het bevorderen van coördinatie tussen verwante diensten.
3.
Samenwerking tussen douaneautoriteiten bij de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten gebeurt overeenkomstig het bepaalde in titel VII (Intellectuele eigendom).
Artikel 67. Wederzijdse bijstand [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
De partijen verlenen elkaar administratieve bijstand in douanezaken overeenkomstig het bepaalde in bijlage V (Wederzijdse administratieve bijstand in douanezaken).
1.
De partijen richten een subcomité Douane, handelsbevordering en oorsprongsregels op, dat is samengesteld uit vertegenwoordigers van elke partij. Dit subcomité vergadert op een datum en volgens een agenda die vooraf in onderling overleg door de partijen zijn vastgesteld en wordt door de partijen beurtelings voor één jaar voorgezeten. Het brengt verslag uit aan het Handelscomité.
2.
Het subcomité heeft onder meer de volgende taken:
a. monitoren van de uitvoering en het beheer van dit hoofdstuk en van bijlage II (Definitie van het begrip „producten van oorsprong” en methoden van administratieve samenwerking);
b. bieden van een forum voor overleg en discussie over alle douaneaangelegenheden, zoals specifieke douaneprocedures, douanewaarde, tariefstelsels, douanenomenclatuur, samenwerking tussen douanediensten en wederzijdse administratieve bijstand in douanezaken;
c. bieden van een forum voor overleg en discussie over kwesties in verband met oorsprongsregels en administratieve samenwerking;
d. versterken van de samenwerking bij de ontwikkeling, toepassing en handhaving van douaneprocedures, wederzijdse administratieve bijstand in douanezaken, oorsprongsregels en administratieve samenwerking;
e. indienen van voorstellen bij het Handelscomité voor wijzigingen van bijlage II (Definitie van het begrip „producten van oorsprong” en methoden van administratieve samenwerking);
f. bieden van een forum voor overleg en discussie over verzoeken tot oorsprongscumulatie krachtens de artikelen 3 en 4 van bijlage II (Definitie van het begrip „producten van oorsprong” en methoden van administratieve samenwerking);
g. zoeken van een wederzijds bevredigende oplossing wanneer een geschil ontstaat na een verificatieprocedure als bedoeld in artikel 31 van bijlage II (Definitie van het begrip „producten van oorsprong” en methoden van administratieve samenwerking);
h. zoeken van een wederzijds bevredigende oplossing wanneer een geschil ontstaat over de tariefindeling van goederen. Wanneer het geschil niet langs deze weg kan worden beslecht, wordt het doorverwezen naar het Comité voor het geharmoniseerd systeem van de WDO. De besluiten van dit comité zijn voor de betrokken partijen bindend.
3.
De partijen kunnen besluiten tot het houden van ad-hocvergaderingen over douanesamenwerking, oorsprongsregels of wederzijdse administratieve bijstand.
1.
De partijen erkennen het belang van technische bijstand op het terrein van douane en handelsbevordering voor het nakomen van de verbintenissen die in dit hoofdstuk zijn neergelegd.
2.
De partijen komen overeen met name, maar niet uitsluitend, op de volgende punten samen te werken:
a. vergroting van de institutionele samenwerking tussen de partijen;
b. verstrekking van expertise en capaciteitsopbouw op het terrein van wetgeving en techniek voor het ontwikkelen en handhaven van douanewetgeving;
c. toepassing van moderne douanetechnieken, waaronder technieken voor risicobeheer, bindende informatie vooraf, douanewaarde, vereenvoudigde procedures voor de binnenkomst en vrijgave van goederen, controles na de vrijgave, methoden voor de controle van bedrijfsboekhoudingen en geautoriseerde marktdeelnemers;
d. invoering van procedures en werkwijzen die zoveel mogelijk in overeenstemming zijn met internationale instrumenten en normen op het gebied van douane en handel, met inbegrip van WTO-voorschriften en WDO-instrumenten en -normen, waaronder de herziene Overeenkomst van Kyoto en WDO SAFE;
e. vereenvoudiging, harmonisatie en automatisering van douaneprocedures.
Artikel 70. Tenuitvoerlegging [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
Artikel 59, lid 2, sub f), en artikel 60 zijn in Peru van toepassing twee jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst.
a. vergemakkelijken en vergroten van de handel in goederen en het realiseren van daadwerkelijke markttoegang voor de partijen door een betere uitvoering van de WTO-overeenkomst inzake technische handelsbelemmeringen , hierna de „TBT-overeenkomst” genoemd;
b. voorkomen van het ontstaan, of het stimuleren van de afschaffing, van onnodige technische handelsbelemmeringen;
c. vergroten van de samenwerking tussen de partijen in aangelegenheden die onder het toepassingsgebied van dit hoofdstuk vallen.
1.
Voor de toepassing van dit hoofdstuk gelden de definities van bijlage 1 bij de TBT-overeenkomst .
2.
Daarnaast gelden de volgende definities:
„voorzien van niet-permanente etiketten”: aanbrengen van informatie op een product door gebruik te maken van zelfklevende etiketten, hanglabels of een ander soort etiket dat kan worden verwijderd, of door de informatie bij te voegen in de verpakking;
„voorzien van permanente etiketten”: aanbrengen van informatie op een product door deze stevig aan het product te bevestigen door bedrukken, aannaaien, graveren of een vergelijkbaar proces.
TBT-overeenkomst [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip] van Handelsovereenkomst tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en Colombia en Peru, anderzijds, Brussel, 26-06-2012">
Artikel 73. Relatie met de TBT-overeenkomst [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
De partijen bevestigen opnieuw de rechten en verplichtingen die voor hen voortvloeien uit de TBT-overeenkomst , die mutatis mutandis in deze overeenkomst is opgenomen en daarvan een integrerend deel uitmaakt.
1.
Dit hoofdstuk is van toepassing op het opstellen, vaststellen en toepassen van technische voorschriften, normen en conformiteitsbeoordelingsprocedures, inclusief wijzigingen daarvan en aanvullingen daarop, die de handel in goederen tussen de partijen kunnen beïnvloeden.
2.
Dit hoofdstuk is niet van toepassing op:
a. aankoopspecificaties die door overheidsorganen zijn opgesteld om te voorzien in de productie- of verbruiksbehoeften van die organen;
b. sanitaire en fytosanitaire maatregelen.
1.
De partijen zijn het erover eens dat samenwerking tussen zowel particuliere als overheidsinstanties en -organen die betrokken zijn bij technische regelgeving, normalisatie, conformiteitsbeoordeling, accreditering, metrologie, grenscontrole en markttoezicht, belangrijk is voor het bevorderen van de handel tussen de partijen. Te dien einde verbinden de partijen zich tot:
a. het intensiveren van de onderlinge samenwerking om de toegang tot elkaars markten te vergemakkelijken en de kennis van en het inzicht in elkaars systemen te vergroten;
b. het in kaart brengen, ontwikkelen en bevorderen van initiatieven om de onderlinge handel te bevorderen, met inachtneming van hun respectieve ervaringen. Mogelijke initiatieven zijn onder meer:
i. het uitwisselen van informatie, ervaringen en gegevens, wetenschappelijke en technologische samenwerking, en het toepassen van goede werkwijzen op het terrein van de regelgeving;
ii. het vereenvoudigen van certificeringsprocedures en administratieve voorschriften die bij algemene of technische regelgeving zijn vastgesteld, en het afschaffen van registratie-eisen of verplichte voorafgaande vergunningen, voor zover die krachtens de TBT-overeenkomst overbodig zijn;
iii. werken aan de convergentie en harmonisering van technische voorschriften en conformiteitsbeoordelingsprocedures of het vaststellen van de gelijkwaardigheid ervan. Gelijkwaardigheid brengt voor de partijen niet automatisch verplichtingen mee, tenzij uitdrukkelijk anders is overeengekomen;
iv. het doen van onderzoek, bij een toekomstige herziening van de regelgeving, naar de mogelijkheid van accreditatie of aanwijzing als middel voor de erkenning van conformiteitsbeoordelingsinstanties die op het grondgebied van een andere partij gevestigd zijn;
v. het bevorderen en faciliteren van de samenwerking en informatie-uitwisseling tussen relevante openbare en particuliere organen van de partijen.
2.
Wanneer een partij goederen van oorsprong uit een andere partij in een aankomsthaven vasthoudt wegens een vermeende overtreding van technische voorschriften, stelt de partij die de goederen vasthoudt de importeur onverwijld in kennis van de reden daarvan.
3.
Een partij besteedt op verzoek van een andere partij naar behoren aandacht aan voorstellen van die andere partij voor samenwerkingsinitiatieven als bedoeld in dit hoofdstuk.
1.
De partijen gebruiken internationale normen als basis voor hun technische voorschriften, tenzij die internationale normen niet effectief of niet geschikt zijn voor het realiseren van het nagestreefde legitieme doel. Een partij geeft op verzoek van een andere partij de reden voor het niet gebruiken van internationale normen als basis voor haar technische voorschriften.
2.
Op verzoek van een andere partij die het opstellen van een vergelijkbaar technisch voorschrift overweegt, en om zo veel mogelijk te voorkomen dat kosten dubbel worden gemaakt, verstrekt een partij de verzoekende partij, voor zover mogelijk, alle relevante informatie, technische studies, risicobeoordelingen of andere beschikbare documentatie, met uitzondering van vertrouwelijke informatie, waarop zij het technisch voorschrift in kwestie heeft gebaseerd.
1.
Elke partij verbindt zich tot:
a. het onderhouden van een effectieve communicatie tussen haar regelgevingsinstanties en normalisatie-instellingen;
b. het toepassen van het op 13 november 2000 door de WTO-Commissie technische handelsbelemmeringen vastgestelde besluit inzake de beginselen voor de ontwikkeling van internationale normen, richtsnoeren en aanbevelingen met betrekking tot de artikelen 2 en 5 en bijlage 3 van de overeenkomst bij het vaststellen of er sprake is van een internationale norm, richtsnoer of aanbeveling in de zin van de artikelen 2 en 5 en bijlage 3 van de TBT-overeenkomst ;
c. het aanmoedigen van haar normalisatie-instellingen om bij internationale normalisatie-activiteiten samen te werken met de relevante normalisatie-instellingen van een andere partij. Bedoelde samenwerking kan plaatsvinden binnen de internationale normalisatie-instellingen of op regionaal niveau, wanneer de samenwerking tot stand komt op uitnodiging van de overeenkomstige normalisatie-instelling of op basis van een memorandum van overeenstemming dat onder meer de ontwikkeling van gemeenschappelijke normen beoogt;
d. het uitwisselen van informatie over het gebruik van normen in verband met technische voorschriften en er, voor zover mogelijk, op toezien dat normen niet bindend zijn;
e. het uitwisselen van informatie over de normalisatieprocedures van elke partij en over de mate waarin internationale, regionale of subregionale normen als basis voor nationale normen worden gebruikt;
f. het uitwisselen van algemene informatie over samenwerkingsovereenkomsten met derde landen op het gebied van de normalisatie.
2.
Elke partij beveelt op haar grondgebied gevestigde niet-gouvernementele normalisatie-instellingen aan de bepalingen van dit artikel in acht te nemen.
1.
De partijen erkennen dat er een breed scala van mechanismen bestaat die kunnen helpen bij de aanvaarding van de resultaten van op het grondgebied van een andere partij verrichte conformiteitsbeoordelingen. Zo kunnen de partijen overeenkomen:
a. conformiteitsverklaringen van leveranciers te erkennen;
b. de resultaten van de conformiteitsbeoordelingsprocedures van op het grondgebied van een andere partij gevestigde organen te erkennen;
c. dat een op het grondgebied van een partij gevestigd conformiteitsbeoordelingsorgaan met een op het grondgebied van een andere partij gevestigd conformiteitsbeoordelingsorgaan kan afspreken de resultaten van elkaars conformiteitsbeoordelingsprocedures vrijwillig te erkennen en daarom te aanvaarden;
d. op het grondgebied van een andere partij gevestigde conformiteitsbeoordelingsorganen aan te wijzen;
e. accreditatieprocedures aan te nemen om op het grondgebied van een andere partij gevestigde conformiteitsbeoordelingsorganen te erkennen.
2.
Te dien einde verbinden de partijen zich ertoe:
a. ervoor te zorgen dat niet-gouvernementele organen die bij de conformiteitsbeoordeling worden gebruikt, met elkaar kunnen concurreren;
b. te bevorderen dat de resultaten van beoordelingen door organen die krachtens een multilaterale accreditatieovereenkomst of een overeenkomst tussen sommige van de conformiteitsbeoordelingsorganen van de partijen worden erkend, bij conformiteitsbeoordelingsprocedures worden aanvaard;
c. te overwegen onderhandelingen te openen over overeenkomsten die aanvaarding van de resultaten van conformiteitsbeoordelingen door op het grondgebied van een andere partij gevestigde organen moeten vergemakkelijken, wanneer dat in het belang van de partijen en economisch gerechtvaardigd is;
d. hun conformiteitsbeoordelingsorganen aan te moedigen deel te nemen aan overeenkomsten met de conformiteitsbeoordelingsorganen van een andere partij betreffende de aanvaarding van de resultaten van conformiteitsbeoordelingen.
1.
Overeenkomstig de TBT-overeenkomst stuurt elke partij de in artikel 10 van die overeenkomst bedoelde contactpunten langs elektronische weg, rechtstreeks dan wel via het WTO-secretariaat, de technische voorschriften en conformiteitsbeoordelingsprocedures die zij voorstelt of die zij heeft vastgesteld om het hoofd te bieden aan ontstane of dreigende urgente problemen in verband met de veiligheid, gezondheid, milieubescherming of nationale veiligheid. Het elektronische bericht waarin wordt kennisgegeven van een technisch voorschrift of een conformiteitsbeoordelingsprocedure bevat een link naar, of een kopie van, de volledige tekst van het document dat aanleiding gaf tot de kennisgeving.
2.
Ook (ontwerp)voorstellen voor technische voorschriften en conformiteitsbeoordelingsprocedures, en technische voorschriften of conformiteitsbeoordelingsprocedures die zijn vastgesteld om het hoofd te bieden aan ontstane of dreigende urgente problemen in verband met de veiligheid, gezondheid, milieubescherming of nationale veiligheid en die in overeenstemming zijn met de technische inhoud van de toepasselijke internationale normen, worden door elke partij openbaar gemaakt of langs elektronische weg verstuurd.
3.
Overeenkomstig de leden 1 en 2 geeft elke partij de andere partijen en andere belanghebbenden ten minste zestig dagen, en zo mogelijk negentig dagen, vanaf de datum van elektronische verzending van de voorgestelde technische voorschriften of conformiteitsbeoordelingsprocedures, de tijd om schriftelijke opmerkingen te maken. Een partij neemt redelijke verzoeken tot verlenging van de termijn voor het indienen van opmerkingen in welwillende overweging.
4.
Een partij houdt naar behoren rekening met de opmerkingen van een andere partij wanneer een voorstel voor een technisch voorschrift aan een openbare raadpleging wordt onderworpen, en geeft een andere partij desgevraagd schriftelijke antwoord op haar opmerkingen.
5.
Elke partij maakt haar antwoord op belangrijke opmerkingen die zij heeft ontvangen, uiterlijk op de dag van publicatie van het definitieve technische voorschrift of de definitieve conformiteitsbeoordelingsprocedure openbaar of voor het publiek toegankelijk.
6.
Elke partij verstrekt een andere partij desgevraagd nadere informatie over een technisch voorschrift dat of een conformiteitsbeoordelingsprocedure die zij heeft vastgesteld of voornemens is vast te stellen.
7.
De periode tussen de publicatie en inwerkingtreding van een technisch voorschrift of een conformiteitsbeoordelingsprocedure bedraagt ten minste zes maanden, tenzij het legitieme doel niet binnen deze termijn kan worden bereikt. Een partij neemt redelijke verzoeken tot verlenging van deze termijn in welwillende overweging.
8.
De partijen zien erop toe dat alle vastgestelde en geldende technische voorschriften en conformiteitsbeoordelingsprocedures voor iedereen gratis beschikbaar zijn op een officiële website die gemakkelijk te vinden en eenvoudig toegankelijk is. Zo nodig en indien beschikbaar worden ook richtsnoeren voor de toepassing van technische voorschriften verschaft.
a. tot het uitwisselen van informatie en ervaringen over hun grenscontroles en markttoezicht, behalve wanneer die informatie vertrouwelijk is;
b. erop toe te zien dat de bevoegde instanties grenscontroles en markttoezicht uitoefenen, waartoe deze gebruik kunnen maken van geaccrediteerde of speciaal daarvoor aangewezen organen of organen waaraan taken zijn gedelegeerd, waarbij belangenconflicten tussen deze organen en de marktdeelnemers die zij controleren of waarop zij toezicht uitoefenen, moeten worden vermeden.
1.
Wanneer een partij voorschrijft dat producten van een merkteken of etiket moeten worden voorzien, geldt het volgende:
a. het plaatsen van een permanent merkteken of etiket kan alleen worden voorgeschreven als de informatie van belang is voor consumenten of gebruikers, dan wel om aan te geven dat het product voldoet aan de bindende technische voorschriften;
b. het plaatsen van aanvullende informatie op de verpakking van een product middels niet-permanente etiketten kan alleen worden voorgeschreven als dit voor het markttoezicht door de bevoegde instanties noodzakelijk is;
c. met betrekking tot de onder b) bedoelde informatie onderzoekt de partij bij de herziening van de toepasselijke voorschriften of die informatie ook op andere wijze kan worden verstrekt;
d. tenzij dit met het oog op het risico voor het leven of de gezondheid van mensen, dieren of planten, het milieu of de nationale veiligheid noodzakelijk is, stelt de partij de verkoop van producten op haar markten niet afhankelijk van voorafgaande goedkeuring, registratie of certificering van etiketten of merktekens. Het bepaalde onder dit punt laat de door een partij krachtens haar interne regelgeving vastgestelde maatregelen om te controleren of etiketten aan de bindende voorschriften voldoen of om misleiding van consumenten tegen te gaan, onverlet;
e. wanneer een partij het gebruik van een identificatienummer door marktdeelnemers voorschrijft, wordt dit nummer onverwijld verstrekt;
f. tenzij dit misleidend, tegenstrijdig of verwarrend is ten opzichte van de informatie die in het land van bestemming moet worden verstrekt, staat een partij toe:
i. dat informatie in meer talen dan alleen de taal die in het land van bestemming is voorgeschreven, wordt verstrekt;
ii. dat internationale nomenclaturen, pictogrammen, symbolen of grafieken worden gebruikt;
iii. dat meer informatie dan die welke in het land van bestemming is voorgeschreven, wordt verstrekt;
g. tenzij de in de TBT-overeenkomst neergelegde legitieme doelen daardoor in het gedrang komen, aanvaardt de partij dat niet-permanente of verwijderbare etiketten worden gebruikt of dat de informatie in de handleiding bij het product of op de verpakking wordt vermeld in plaats van dat zij op het product wordt gedrukt of eraan wordt bevestigd.
2.
Wanneer een partij voorschrijft dat textielproducten, kleding of schoeisel van een merkteken of etiket moeten worden voorzien:
a. mag zij alleen voor de volgende informatie voorschrijven dat deze middels een permanent merkteken of etiket moet worden vermeld:
i. in het geval van textielproducten en kleding: vezelgehalte, land van oorsprong, veiligheidsinstructies voor specifiek gebruik en wasvoorschriften;
ii. in het geval van schoeisel: de belangrijkste grondstoffen van de hoofdonderdelen, veiligheidsinstructies voor specifiek gebruik en land van oorsprong;
b. stelt zij:
i. geen eisen ten aanzien van de fysieke kenmerken of het ontwerp van een etiket, onverminderd maatregelen ter bescherming van consumenten tegen misleidende reclame;
ii. het niet verplicht om kledingstukken van een permanent etiket te voorzien wanneer dit door de grootte van de kledingstukken moeilijk is of de waarde ervan vermindert;
iii. het voor producten die als paar worden verkocht niet verplicht om beide delen van een etiket te voorzien wanneer deze qua materiaal en ontwerp gelijk zijn.
3.
Partijen passen dit artikel uiterlijk één jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst toe.
Artikel 82. Handelsgerelateerde technische bijstand en capaciteitsopbouw [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
De partijen erkennen het belang van handelsgerelateerde technische bijstand en capaciteitsopbouw voor de uitvoering van de bepalingen van dit hoofdstuk, die zich onder meer gericht moeten zijn op:
a. capaciteitsopbouw van nationale instellingen en hun technische infrastructuur en uitrusting, en de opleiding van personeel;
b. bevorderen en faciliteren van de deelname aan voor dit hoofdstuk relevante internationale organen;
c. bevorderen van de betrekkingen tussen de organen van de partijen die belast zijn met normalisering, technische regelgeving, conformiteitsbeoordeling, accreditatie, metrologie, grenscontrole en markttoezicht.
1.
De partijen richten een subcomité Technische handelsbelemmeringen op, dat is samengesteld uit vertegenwoordigers van elke partij.
2.
Dit subcomité heeft de volgende taken:
a. begeleiden en evalueren van de uitvoering, het beheer en de naleving van het bepaalde in dit hoofdstuk;
b. behandelen van kwesties die een partij aan de orde stelt in verband met dit hoofdstuk en de TBT-overeenkomst ;
c. bijdragen aan het vaststellen van prioriteiten voor samenwerking en programma’s voor technische bijstand op het terrein van normen, technische voorschriften, conformiteitsbeoordelingsprocedures, accreditering, metrologie, grenscontroles en markttoezicht, en het onderzoeken van de voortgang en de behaalde resultaten;
d. uitwisselen van informatie over de werkzaamheden van niet-gouvernementele, regionale en multilaterale fora die betrokken zijn bij activiteiten in verband met normen, technische voorschriften en conformiteitsbeoordelingsprocedures;
e. op verzoek van een partij in overleg treden over kwesties die voortvloeien uit dit hoofdstuk of de TBT-overeenkomst ;
f. oprichten van werkgroepen voor specifieke kwesties die voortvloeien uit dit hoofdstuk of de TBT-overeenkomst wanneer de doelstellingen van dit hoofdstuk dat vereisen, waarbij het werkterrein en de taken van deze werkgroepen nauwkeurig worden omschreven;
g. faciliteren, waar nodig, van de dialoog en samenwerking tussen regelgevers, overeenkomstig het bepaalde in dit hoofdstuk;
h. opstellen, ingevolge artikel 75, lid 1, onder b), van dit hoofdstuk, van een regelmatig te herzien werkprogramma betreffende kwesties die voor de partijen van wederzijds belang zijn;
i. onderzoeken van alle andere kwesties in verband met dit hoofdstuk die kunnen bijdragen aan het toegankelijker maken van de markten van de partijen;
j. herzien van dit hoofdstuk naar aanleiding van ontwikkelingen in het kader van de TBT-overeenkomst en van besluiten of aanbevelingen van de WTO-Commissie technische handelsbelemmeringen en doen van aanbevelingen voor mogelijke wijzigingen van dit hoofdstuk;
k. het Handelscomité zo nodig informeren over de uitvoering van dit hoofdstuk;
l. nemen van andere maatregelen die volgens de partijen helpen bij de uitvoering van dit hoofdstuk en de TBT-overeenkomst en die bijdragen aan het bevorderen van de handel.
3.
Ten behoeve van de uitvoering van dit hoofdstuk is de vertegenwoordiger van elke partij in het subcomité verantwoordelijk voor de coördinatie met centrale en lokale overheidsinstellingen, niet-gouvernementele instellingen en andere relevante personen op het grondgebied van die partij, en nodigt hij deze instellingen en personen op verzoek van een andere partij uit om de vergaderingen van het subcomité bij te wonen. De vertegenwoordigers van de partijen maken melding van alle kwesties die verband houden met dit hoofdstuk.
4.
Tenzij de partijen anders overeenkomen, is overleg als bedoeld in lid 2, onder e), overleg krachtens artikel 301, mits aan de voorwaarden van lid 9 van dat artikel is voldaan.
5.
Het subcomité kan ook vergaderen wanneer behalve de EU maar een van de overeenkomstsluitende Andeslanden deelneemt, als het punt dat op de agenda staat uitsluitend betrekking heeft op de bilaterale betrekkingen tussen de EU en dat Andesland. Wanneer een ander overeenkomstsluitend Andesland blijk geeft van belangstelling voor de kwestie die tijdens bedoelde vergadering wordt besproken, mag het aan de vergadering deelnemen als de EU en het overeenkomstsluitende Andesland dat primair bij de kwestie betrokken is, daarvoor vooraf toestemming hebben gegeven.
6.
Tenzij partijen anders overeenkomen, komt het subcomité ten minste eenmaal per jaar bijeen. Partijen kunnen een manier van vergaderen overeenkomen waarbij de deelnemers niet lijfelijk aanwezig zijn.
1.
Informatie of toelichtingen die op verzoek van een partij overeenkomstig de bepalingen van dit hoofdstuk worden verstrekt, worden verstrekt in gedrukte of elektronische vorm en binnen zestig dagen, welke termijn door de rapporterende partij om gegronde, vooraf vermelde redenen kan worden verlengd.
2.
Ten aanzien van de verzoeken om informatie die de informatiepunten in overeenstemming met artikel 10 van de TBT-overeenkomst of met dit hoofdstuk in behandeling moeten nemen en de afhandeling van deze verzoeken, volgen de partijen de aanbevelingen van de WTO-Commissie technische handelsbelemmeringen die op 4 oktober 1995 zijn aangenomen.
a. beschermen van het leven en de gezondheid van mensen, dieren en planten op het grondgebied van de partijen en tegelijkertijd vergemakkelijken van de handel tussen de partijen op het terrein van sanitaire en fytosanitaire maatregelen;
b. samenwerken voor de verdere tenuitvoerlegging van de WTO-overeenkomst inzake de toepassing van sanitaire en fytosanitaire maatregelen , hierna de „SPS-overeenkomst” genoemd;
c. ervoor zorgen dat sanitaire en fytosanitaire maatregelen geen ongerechtvaardigde belemmeringen voor de handel tussen de partijen vormen;
d. ontwikkelen van mechanismen en procedures om problemen die in verband met sanitaire en fytosanitaire maatregelen tussen de partijen ontstaan, op efficiënte wijze op te lossen;
e. versterken van de communicatie en samenwerking tussen de bevoegde instanties van de partijen op het gebied van sanitaire en fytosanitaire kwesties;
f. vergemakkelijken van de toepassing van de bijzondere en afwijkende behandeling, door rekening te houden met de asymmetrieën tussen de partijen.
Artikel 86. Rechten en verplichtingen [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
De partijen bevestigen opnieuw de bestaande rechten en verplichtingen die voor hen uit de SPS-overeenkomst voortvloeien. Partijen zijn ook onderworpen aan de bepalingen van dit hoofdstuk.
1.
Dit hoofdstuk is van toepassing op alle sanitaire en fytosanitaire maatregelen die de handel tussen de partijen direct of indirect kunnen beïnvloeden.
2.
Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de normen, technische voorschriften en conformiteitsbeoordelingsprocedures als omschreven in de TBT-overeenkomst , behalve als zij betrekking hebben op sanitaire en fytosanitaire maatregelen.
3.
Daarnaast is dit hoofdstuk van toepassing op de samenwerking tussen de partijen op het terrein van dierenwelzijn.
1.
Voor de toepassing van dit hoofdstuk gelden de definities van bijlage A bij de SPS-overeenkomst .
2.
De partijen kunnen nog andere definities voor de toepassing van dit hoofdstuk overeenkomen, waarbij rekening dient te worden gehouden met de glossaria en definities van de relevante internationale organisaties.
Artikel 89. Bevoegde instanties [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
Voor de toepassing van dit hoofdstuk zijn de bevoegde instanties van elke partij die welke staan vermeld in de lijst in aanhangsel 1 van bijlage VI (Sanitaire en fytosanitaire maatregelen). De partijen stellen elkaar in kennis van wijzigingen in deze lijst.
1.
Sanitaire en fytosanitaire maatregelen worden niet gebruikt als ongerechtvaardigde belemmeringen voor de handel tussen de partijen.
2.
De ingevolge dit hoofdstuk vastgestelde procedures worden als volgt toegepast:
a. op transparante wijze;
b. zonder onnodige vertragingen;
c. met bepaalde voorwaarden en vereisten, onder meer met betrekking tot de vergoeding van kosten, die niet hoger mag zijn dan de werkelijke kosten van de dienst en die billijk moet zijn vergeleken met de vergoedingen die in verband met soortgelijke binnenlandse producten van de partijen in rekening worden gebracht.
3.
De partijen gebruiken noch de in lid 2 genoemde procedures noch de verzoeken om aanvullende informatie om de toegang van ingevoerde producten tot hun markten zonder gegronde wetenschappelijke of technische redenen te vertragen.
1.
Voor de producten van een andere partij gelden de algemene invoervereisten van een partij.
2.
Elke partij ziet erop toe dat de producten die naar een andere partij worden uitgevoerd, voldoen aan de sanitaire en fytosanitaire voorschriften van die andere partij.
3.
De partij van invoer ziet erop toe dat haar invoervoorwaarden op evenredige en niet-discriminatoire wijze worden toegepast.
4.
Bij een wijziging van de invoervereisten van een partij moet zo nodig een overgangsperiode worden vastgesteld, afhankelijk van de aard van de wijziging, om een onderbreking van de handel in goederen te voorkomen en de partij van uitvoer in de gelegenheid te stellen haar procedures aan bedoelde wijziging aan te passen.
5.
Wanneer de invoervereisten ook een risicobeoordeling omvatten, zal de partij van invoer onmiddellijk met deze beoordeling beginnen en de partij van uitvoer in kennis stellen van de tijd die voor de beoordeling nodig is.
6.
Wanneer de partij van invoer heeft vastgesteld dat de producten van de partij van uitvoer voldoen aan de sanitaire en fytosanitaire voorschriften, geeft zij binnen negentig werkdagen nadat deze vaststelling is gedaan 12) , toestemming voor de invoer van de producten.
7.
Inspectievergoedingen dekken uitsluitend de kosten van de bevoegde instantie in verband met de invoercontroles. Inspectievergoedingen zijn billijk vergeleken met de vergoedingen die voor de inspectie van soortgelijke binnenlandse producten in rekening worden gebracht.
8.
De partij van invoer stelt de partij van uitvoer zo spoedig mogelijk in kennis van wijzigingen in vergoedingen en van de reden daarvoor.
1.
Voor de invoer van dierlijke producten verschaft de partij van uitvoer de partij van invoer een lijst van inrichtingen die voldoen aan de eisen van de partij van invoer.
2.
Op verzoek van de partij van uitvoer, welk verzoek vergezeld dient te gaan van passende garanties, erkent de partij van invoer de in punt 3 van aanhangsel 2 van bijlage VI (Sanitaire en fytosanitaire maatregelen) vermelde inrichtingen die zijn gevestigd op het grondgebied van de partij van uitvoer zonder voorafgaande inspectie van individuele inrichtingen. Bedoelde erkenning gebeurt overeenkomstig de voorwaarden en bepalingen van aanhangsel 2 van bijlage VI (Sanitaire en fytosanitaire maatregelen) en is beperkt tot de categorieën producten waarvoor een invoervergunning is verleend.
3.
Behalve in gevallen waarin aanvullende informatie is vereist, neemt de partij van invoer, volgens de toepasselijke wettelijke procedures, de wettelijke en bestuurlijke maatregelen die nodig zijn om binnen veertig werkdagen nadat het in lid 2 bedoelde verzoek is ontvangen, de invoer van producten van de in lid 2 bedoelde inrichtingen mogelijk te maken.
4.
Het subcomité Sanitaire en fytosanitaire maatregelen kan wijzigingen aanbrengen in de voorschriften en bepalingen inzake de erkenning van inrichtingen voor producten van dierlijke oorsprong. De overeenkomstige wijziging van aanhangsel 2 van bijlage VI (Sanitaire en fytosanitaire maatregelen) wordt vastgesteld door het Handelscomité.
5.
De partij van invoer doet regelmatig verslag van afgekeurde zendingen, met vermelding van de onregelmatigheden waarop de afkeuringen zijn gebaseerd.
1.
Om het vertrouwen in de doeltreffende tenuitvoerlegging van de bepalingen van dit hoofdstuk te bewaren, heeft elke partij, binnen de werkingssfeer van dit hoofdstuk, het recht om:
a. overeenkomstig de richtsnoeren in aanhangsel 3 van bijlage VI (Sanitaire en fytosanitaire maatregelen), het controlesysteem van de instanties van een andere partij in zijn geheel of gedeeltelijk te verifiëren. De kosten hiervan zijn voor rekening van de partij die de verificatie uitvoert;
b. van de andere partijen informatie te ontvangen over hun controlesysteem en over de resultaten van controles die via dat systeem zijn uitgevoerd.
2.
Een partij die krachtens dit artikel op het grondgebied van een andere partij een verificatie uitvoert, informeert die partij over de resultaten en conclusies van die verificatie.
3.
Indien de partij van invoer besluit om aan de partij van uitvoer een verificatiebezoek te brengen, stelt zij de partij van uitvoer daar ten minste zestig werkdagen van tevoren van in kennis, uitgezonderd in noodgevallen of in gevallen waarin partijen anders overeenkomen. Enigerlei wijziging ten aanzien van bedoeld bezoek wordt overeengekomen door de betrokken partijen.
1.
De partijen aanvaarden het concept van ziekte- en plagenvrije gebieden en gebieden met een lage prevalentie van ziekten en plagen overeenkomstig de SPS-overeenkomst en de normen, richtsnoeren en aanbevelingen van de Wereldorganisatie voor diergezondheid, hierna de „OIE” genoemd, en het Internationaal Verdrag voor de Bescherming van Planten , hierna het „IPPC” genoemd.
2.
Ingevolge het bepaalde in lid 1 stelt het subcomité Sanitaire en fytosanitaire maatregelen een geschikte procedure vast voor de erkenning van ziekte- en plagenvrije gebieden en gebieden met een lage prevalentie van ziekten en plagen, waarbij rekening wordt gehouden met relevante internationale normen, richtsnoeren en aanbevelingen. Deze procedure wordt tevens toegepast bij uitbraken en herinfestaties.
3.
Bij het vaststellen van de in lid 1 en 2 bedoelde gebieden wordt rekening gehouden met factoren als geografische ligging, ecosystemen, epidemiologisch toezicht en de doeltreffendheid van sanitaire of fytosanitaire controles in die gebieden.
4.
De partijen werken nauw samen bij het vaststellen van ziekte- en plagenvrije gebieden en gebieden met een lage prevalentie van ziekten en plagen, teneinde vertrouwen te krijgen in elkaars procedures voor het vaststellen van ziekte- en plagenvrije gebieden en gebieden met een lage prevalentie van ziekten en plagen.
5.
Bij het vaststellen van ziekte- en plagenvrije gebieden en gebieden met een lage prevalentie van ziekten en plagen, en ongeacht of dit voor het eerst gebeurt of na de uitbraak van een dierenziekte of de herinfestatie met een voor planten schadelijk organisme, baseert de partij van invoer haar eigen vaststelling van de dier- of plantgezondheidsstatus van de partij van uitvoer of delen daarvan in beginsel op de door die partij overeenkomstig de normen van de SPS-overeenkomst en de OIE en het IPPC verstrekte informatie, en houdt zij rekening met de vaststelling die de partij van uitvoer heeft gedaan.
6.
Ingeval een partij van invoer de gebieden waarvan een partij van uitvoer heeft vastgesteld dat het ziekte- en plagenvrije gebieden of gebieden met een lage prevalentie van ziekten en plagen zijn, niet als zodanig erkent, dan verstrekt de partij van invoer de partij van uitvoer desgevraagd de informatie op basis waarvan zij bedoelde vaststelling heeft gedaan en/of treedt zij zo spoedig mogelijk in overleg over een mogelijke oplossing.
7.
De partij van uitvoer levert de partij van invoer voldoende bewijs dat de desbetreffende gebieden ziekte- of plagenvrij zijn of gebieden zijn met een lage prevalentie van ziekten of plagen, en dat waarschijnlijk ook blijven. Hiertoe verleent de partij van uitvoer de partij van invoer desgevraagd redelijke toegang voor het verrichten van inspecties, tests en andere relevante procedures.
8.
De partijen erkennen het compartimenteringsbeginsel van de OIE en het beginsel van plagenvrije productielocaties van het IPPC . Het subcomité Sanitaire en fytosanitaire maatregelen beoordeelt eventuele aanbevelingen van de OIE of het IPPC over deze kwestie en doet dienovereenkomstig aanbevelingen.
Artikel 95. Gelijkwaardigheid [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
Het subcomité Sanitaire en fytosanitaire maatregelen kan gelijkwaardigheidsbepalingen ontwikkelen en het Handelscomité dienovereenkomstig aanbevelingen doen. Dit subcomité stelt tevens de procedure voor de erkenning van gelijkwaardigheid vast.
1.
De partijen:
a. streven naar transparantie met betrekking tot sanitaire en fytosanitaire maatregelen die op de handel van toepassing zijn en in het bijzonder met betrekking tot de sanitaire en fytosanitaire voorschriften die gelden voor invoer uit de andere partijen;
b. vergroten het wederzijdse begrip van elkaars sanitaire en fytosanitaire maatregelen en de toepassing ervan;
c. wisselen informatie uit over aangelegenheden die verband houden met de ontwikkeling en toepassing van sanitaire en fytosanitaire maatregelen – waaronder het beschikbaar komen van nieuw wetenschappelijk bewijs – die de handel tussen de partijen beïnvloeden of kunnen beïnvloeden, opdat de negatieve gevolgen ervan voor de handel zoveel mogelijk worden beperkt;
d. stellen een partij binnen vijftien werkdagen na de datum van een daartoe strekkend verzoek in kennis van de invoervereisten voor specifieke producten en of een risicobeoordeling nodig is;
e. stellen een partij desgevraagd in kennis van de stand van zaken bij de procedure voor het verkrijgen van een invoervergunning voor een specifiek product.
2.
De contactpunten van partijen voor de in dit artikel bedoelde informatie-uitwisseling staan vermeld in de lijst in aanhangsel 4 van bijlage VI (Sanitaire en fytosanitaire maatregelen). Informatie wordt verstuurd per post, fax of e-mail. Informatie die via e-mail wordt verstuurd, mag elektronisch worden ondertekend en mag uitsluitend tussen contactpunten worden verstuurd.
3.
Wanneer de in dit artikel bedoelde informatie beschikbaar is gesteld door kennisgeving aan de WTO overeenkomstig de toepasselijke voorschriften, of door plaatsing op een van de officiële, algemeen toegankelijke en gratis websites van de desbetreffende partij, die staan vermeld in de lijst in aanhangsel 4 van bijlage VI (Sanitaire en fytosanitaire maatregelen), wordt de informatie geacht te zijn verstrekt.
1.
Elke partij stelt de andere partijen binnen twee werkdagen schriftelijk in kennis van ernstige of aanzienlijke gezondheidsrisico’s voor mensen, dieren of planten, waaronder begrepen noodsituaties in de levensmiddelensector.
2.
De in lid 1 bedoelde kennisgeving wordt gedaan aan de contactpunten die staan vermeld in de lijst in aanhangsel 4 van bijlage VI (Sanitaire en fytosanitaire maatregelen). Wanneer er wijzigingen zijn met betrekking tot het contactpunt, stellen de partijen elkaar overeenkomstig artikel 96 daarvan in kennis. De schriftelijke kennisgeving als bedoeld in lid 1 wordt per post, fax of e-mail gedaan.
3.
Wanneer een partij zich ernstig zorgen maakt over mogelijke gezondheidsrisico’s voor mensen, dieren en planten van producten die tussen de partijen worden verhandeld, mag een partij de partij van uitvoer verzoeken om overleg hierover. Dit overleg vindt zo spoedig mogelijk plaats. Elke partij streeft ernaar om bij dit overleg alle informatie te verstrekken die nodig is om een verstoring van de handel te voorkomen.
4.
Het in lid 3 bedoelde overleg kan worden gehouden via e-mail, via video- of audioconferenties of via andere communicatietechnieken waarover de partijen beschikken. De partij die om het overleg heeft gevraagd, zorgt voor het opstellen van de notulen van het overleg.
1.
De partij van invoer kan op grond van ernstige gezondheidsrisico’s voor mensen, dieren of planten zonder voorafgaande kennisgeving voorlopige maatregelen nemen die nodig zijn voor het beschermen van de gezondheid van mensen, dieren of planten. Voor lopende zendingen tussen de partijen kiest de partij van invoer voor de meest geschikte en evenredige oplossing, teneinde onnodige handelsverstoringen te voorkomen.
2.
De partij die krachtens lid 1 maatregelen neemt, stelt de andere partijen daar zo spoedig mogelijk van in kennis, maar in ieder geval niet later dan één werkdag nadat de maatregel is vastgesteld. De andere partijen mogen vragen om informatie over de sanitaire situatie van de partij die de maatregel neemt, alsook om informatie over de maatregel zelf. Zodra de gevraagde informatie beschikbaar is, wordt deze verstrekt door de partij die de maatregel neemt.
3.
Op verzoek van een partij, en overeenkomstig de bepalingen van artikel 97, treden de partijen in overleg over de situatie; dit overleg vindt plaats binnen vijftien werkdagen na ontvangst van het daartoe strekkende verzoek. Doel van het overleg is het voorkomen van onnodige handelsverstoringen. Tijdens het overleg kan worden gesproken over alternatieve maatregelen of manieren voor het faciliteren van de uitvoering van de maatregelen.
1.
Op verzoek van een partij van uitvoer, en met betrekking tot maatregelen van de partij van invoer die gevolgen voor de handel hebben (zoals het vaststellen van specifieke drempels voor additieven, reststoffen en verontreinigende stoffen), treden de betrokken partijen overeenkomstig artikel 97 in overleg over aanvullende invoervoorwaarden of alternatieve maatregelen door de partij van invoer. Deze aanvullende invoervoorwaarden of alternatieve maatregelen kunnen, voor zover van toepassing, worden gebaseerd op internationale normen of op maatregelen van de partij van uitvoer die eenzelfde niveau van bescherming bieden als die van de partij van invoer. Artikel 95 is niet op deze maatregelen van toepassing.
2.
Op verzoek van de partij van invoer verstrekt een partij van uitvoer alle volgens de wetgeving van de partij van invoer vereiste informatie, inclusief de resultaten van haar officiële laboratoria en andere wetenschappelijke informatie, voor beoordeling door de geschikte wetenschappelijke instellingen. Indien overeenstemming wordt bereikt, neemt de partij van invoer de wettelijke of bestuurlijke maatregelen om de invoer op basis van die overeenstemming toe te laten.
3.
Wanneer er onvoldoende wetenschappelijk bewijs is, kan een partij op basis van beschikbare gegevens ter zake voorlopige sanitaire en fytosanitaire maatregelen nemen. In dat geval proberen de partijen de aanvullende informatie voor een meer nauwkeurige risicobeoordeling te verkrijgen, zodat de partij van invoer haar sanitaire en fytosanitaire maatregelen dienovereenkomstig kan herzien.
Artikel 100. Bijzondere en afwijkende behandeling [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
Ingevolge artikel 10 van de SPS-overeenkomst kan een overeenkomstsluitend Andesland, wanneer het bij een voorgestelde maatregel waarvan de EU heeft kennisgegeven moeilijkheden vaststelt, in de opmerkingen die het ingevolge artikel 7 van de SPS-overeenkomst op het voorstel kan indienen, om een gelegenheid voor overleg hierover verzoeken. De betrokken partijen treden vervolgens in overleg om overeenstemming te bereiken over:
a. alternatieve invoervoorwaarden door de partij van invoer, en/of
b. technische bijstand overeenkomstig artikel 101, en/of
c. een overgangsperiode van zes maanden, die bij uitzondering met nog eens zes maanden kan worden verlengd.
1.
Overeenkomstig de bepalingen van titel XIII (Technische bijstand en opbouw van handelscapaciteit) komen de partijen overeen nauwer samen te werken om bij te dragen aan de uitvoering van dit hoofdstuk en dit optimaal te benutten, teneinde zo gunstig mogelijke resultaten te behalen, de handelsmogelijkheden uit te breiden en voor de partijen zo groot mogelijke voordelen te behalen op het terrein van de volksgezondheid, de gezondheid van dieren en planten en de voedselveiligheid. Deze samenwerking wordt ontwikkeld binnen het wettelijk en institutioneel kader voor de samenwerkingsbetrekkingen tussen de partijen.
2.
Voor het realiseren van deze doelstellingen komen de partijen overeen bijzonder belang te hechten aan de door het subcomité Sanitaire en fytosanitaire maatregelen vastgestelde samenwerkingsbehoeften en informatie daarover uit te wisselen, zoals bepaald in titel XIII (Technische bijstand en opbouw van handelscapaciteit). Dit subcomité kan de genoemde behoeften ook herzien.
Artikel 102. Samenwerking op het gebied van dierenwelzijn [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
Het subcomité Sanitaire en fytosanitaire maatregelen bevordert de samenwerking tussen de partijen op het terrein van dierenwelzijn.
1.
De partijen richten een subcomité Sanitaire en fytosanitaire maatregelen op dat fungeert als forum voor het monitoren van de uitvoering van dit hoofdstuk en het bespreken van kwesties die gevolgen kunnen hebben voor de naleving ervan. Dit subcomité kan dit hoofdstuk herzien en dienovereenkomstige aanbevelingen doen.
2.
Het subcomité Sanitaire en fytosanitaire maatregelen is samengesteld uit vertegenwoordigers van elke partij. Dit subcomité komt ten minste eenmaal per jaar in gewone vergadering bijeen, op een overeengekomen datum en plaats, en houdt speciale vergaderingen wanneer een partij daarom verzoekt. Het subcomité houdt zijn eerste gewone vergadering in het eerste jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst. Tijdens die eerste vergadering stelt het zijn werkprocedures vast. De agenda wordt door de partijen vóór de vergadering overeengekomen. Het subcomité kan ook via video- en audioconferenties vergaderen.
3.
Het subcomité Sanitaire en fytosanitaire maatregelen heeft de volgende taken:
a. voorbereiden en monitoren van de uitvoering van dit hoofdstuk;
b. bieden van een forum voor het bespreken van problemen die ontstaan door de toepassing van sanitaire en fytosanitaire maatregelen en de bepalingen van dit hoofdstuk, en het zoeken naar mogelijke oplossingen;
c. overleg plegen over de behoefte aan gezamenlijke onderzoeksprogramma’s, in het bijzonder met betrekking tot het vaststellen van specifieke drempels;
d. in kaart brengen van samenwerkingsbehoeften;
e. voeren van het in artikel 104 bedoelde overleg voor het beslechten van geschillen die voortvloeien uit dit hoofdstuk;
f. voeren van het in artikel 100 bedoelde overleg over bijzondere en afwijkende behandeling;
g. verrichten van andere door de partijen overeengekomen taken.
4.
Het subcomité Sanitaire en fytosanitaire maatregelen kan ad-hocwerkgroepen oprichten voor het verrichten van specifieke werkzaamheden en stelt hun taken en werkprocedures vast.
1.
Wanneer een partij van mening is dat een sanitaire of fytosanitaire maatregel van een andere partij in strijd is of kan zijn met verplichtingen die voortvloeien uit dit hoofdstuk, of dat een andere partij een onder dit hoofdstuk vallende verplichting met betrekking tot een sanitaire of fytosanitaire maatregel heeft geschonden, kan zij om technisch overleg in het subcomité Sanitaire en fytosanitaire maatregelen verzoeken. De in aanhangsel 1 van bijlage VI (Sanitaire en fytosanitaire maatregelen) vermelde bevoegde instanties faciliteren dit overleg.
2.
Tenzij door de partijen bij een geschil anders is overeengekomen, geldt dat wanneer een geschil overeenkomstig lid 1 onderwerp is geweest van overleg in het subcomité Sanitaire en fytosanitaire maatregelen, dat overleg in de plaats komt van het in artikel 301 bedoelde overleg, mits het voldoet aan de voorwaarden van lid 9 van dat artikel. Overleg in het subcomité Sanitaire en fytosanitaire maatregelen wordt dertig dagen na de datum van indiening van het verzoek geacht te zijn afgesloten, tenzij de overlegvoerende partijen besluiten het overleg voort te zetten. Dit overleg kan worden gehouden via videoconferentie of via enig ander door de overlegvoerende partijen overeengekomen technologisch middel.
1.
De partijen zijn zich bewust van de uiteenlopende niveaus van regionale integratie binnen de Europese Unie, enerzijds, en tussen de overeenkomstsluitende Andeslanden binnen de Andesgemeenschap, anderzijds. In deze context streven de partijen naar de totstandbrenging van omstandigheden die bevorderlijk zijn voor het vrije verkeer van goederen van andere partijen tussen hun respectieve grondgebieden. In dit opzicht:
a. geldt voor producten van oorsprong uit een overeenkomstsluitend Andesland vrij verkeer van goederen binnen het grondgebied van de Europese Unie, onder de voorwaarden die in het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie voor het vrije verkeer van goederen van oorsprong uit derde landen zijn neergelegd;
b. behandelen de overeenkomstsluitende Andeslanden elkaar met betrekking tot het goederenverkeer niet minder gunstig dan dat zij de EU ingevolge deze overeenkomst behandelen, behoudens de bepalingen van de Andean Subregional Integration Agreement, hierna de „Overeenkomst van Cartagena” genoemd. Deze verplichting is niet onderworpen aan het bepaalde in titel XII (Geschillenbeslechting);
c. doen de overeenkomstsluitende Andeslanden, met inachtneming van het bepaalde in artikel 10, hun best om het verkeer van goederen van oorsprong uit de Europese Unie tussen hun grondgebieden te vergemakkelijken en dubbele procedures en controles te voorkomen.
2.
Afgezien van lid 1 geldt het volgende:
a. wat douaneaangelgenheden betreft, passen de overeenkomstsluitende Andeslanden op goederen van oorsprong uit de Europese Unie die aankomen vanuit een ander overeenkomstsluitend Andesland, de meest gunstige douaneprocedure voor goederen afkomstig uit andere overeenkomstsluitende Andeslanden toe;
b. wat technische handelsbelemmeringen betreft:
i. hanteren de overeenkomstsluitende Andeslanden voor goederen van oorsprong uit de Europese Unie de geharmoniseerde normen, technische voorschriften en conformiteitsbeoordelingsprocedures die van toepassing zijn op de handel tussen de overeenkomstsluitende Andeslanden;
ii. bevorderen de overeenkomstsluitende Andeslanden op terreinen van belang naar beste kunnen de geleidelijke harmonisering van normen, technische voorschriften en conformiteitsbeoordelingsprocedures;
c. wat sanitaire en fytosanitaire maatregelen betreft, hanteren de overeenkomstsluitende Andeslanden voor goederen van oorsprong uit de Europese Unie de geharmoniseerde procedures en voorschriften die op de handel van toepassing zijn. Het subcomité Sanitaire en fytosanitaire maatregelen onderzoekt de toepassing van deze alinea.
3.
In het geval dat alle landen van de Andesgemeenschap partij bij deze overeenkomst worden, onderzoeken de overeenkomstsluitende Andeslanden deze nieuwe situatie en doen zij aan de EU voorstellen voor passende maatregelen om de voorwaarden voor het verkeer van goederen van oorsprong uit de Europese Unie tussen de landen van de Andesgemeenschap te verbeteren en met name om dubbele procedures, dubbele douanerechten en andere heffingen en dubbele inspecties en controles te voorkomen.
4.
Ingevolge het bepaalde in lid 3 bevorderen de overeenkomstsluitende Andeslanden naar beste kunnen de harmonisatie van hun wetgeving en procedures betreffende technische voorschriften en sanitaire en fytosanitaire maatregelen, alsook de harmonisatie en wederzijdse erkenning van hun controles en inspecties.
5.
Overeenkomstig het bepaalde in lid 1 ontwikkelen de partijen mechanismen voor samenwerking binnen het wettelijk en institutioneel kader voor de samenwerkingsbetrekkingen tussen de partijen en rekening houdend met hun behoeften en realiteiten.
titel III (Handel in goederen) [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip] van Handelsovereenkomst tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en Colombia en Peru, anderzijds, Brussel, 26-06-2012">
Artikel 106. Uitzonderingen op titel III (Handel in goederen) [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
1.
Mits maatregelen niet zodanig worden toegepast dat zij een middel tot willekeurige of ongerechtvaardigde discriminatie tussen de partijen vormen in gelijke omstandigheden, of een verkapte beperking van de handel in goederen tussen de partijen, wordt niets in deze overeenkomst uitgelegd als beletsel voor het vaststellen of handhaven door een partij van maatregelen die:
a. noodzakelijk zijn voor het beschermen van de openbare zeden of het handhaven van de openbare orde 13) ;
b. noodzakelijk zijn voor de bescherming van leven en gezondheid van mensen, dieren of planten, waaronder begrepen de hiertoe noodzakelijke milieumaatregelen;
c. verband houden met de in- of uitvoer van goud of zilver;
d. noodzakelijk zijn voor de handhaving van wet- of regelgeving die niet strijdig is met deze overeenkomst, met inbegrip van maatregelen voor de handhaving van douanevoorschriften, de handhaving van monopolies waarvan de werking in overeenstemming is met artikel 27, de bescherming van intellectuele-eigendomsrechten en de voorkoming van misleidende praktijken;
e. betrekking hebben op de voortbrengselen van gevangenisarbeid;
f. zijn opgelegd voor de bescherming van nationaal artistiek, historisch of archeologisch erfgoed;
g. betrekking hebben op de instandhouding van levende en niet-levende uitputbare natuurlijke hulpbronnen, mits die maatregelen gepaard gaan met beperkingen van de binnenlandse productie of het binnenlandse verbruik;
h. uitvoering geven aan verplichtingen die voortvloeien uit een intergouvernementele grondstoffenovereenkomst die beantwoordt aan criteria die aan partijen zijn voorgelegd en niet door hen zijn afgewezen of die zelf aan partijen is voorgelegd en niet is afgewezen 14) ;
i. noodzakelijke beperkingen stellen aan de uitvoer van binnenlandse grondstoffen om te verzekeren dat de binnenlandse verwerkende industrie over voldoende van deze grondstoffen beschikt in perioden waarin de binnenlandse prijzen ervan als onderdeel van een stabilisatieprogramma van de overheid onder de wereldmarktprijs worden gehouden, mits zulke beperkingen niet worden gebruikt voor de bescherming van de binnenlandse industrie of om de uitvoer van deze industrie te vergroten en niet strijdig zijn met de niet-discriminatiebepalingen van deze overeenkomst;
j. van wezenlijk belang zijn voor de verwerving of distributie van producten waaraan een algemeen of plaatselijk tekort bestaat, mits de maatregelen in overeenstemming zijn met het beginsel dat alle partijen recht hebben op een billijk aandeel in het internationale aanbod van die producten en, wanneer zij strijdig zijn met andere bepalingen van deze overeenkomst, worden beëindigd zodra de omstandigheden die aanleiding hebben gegeven tot de maatregelen, niet meer bestaan.
2.
De partijen zijn het erover eens dat een partij, wanneer zij voornemens is een in lid 1, onder i) en j), bedoelde maatregel te nemen, de andere partijen alle relevante informatie verstrekt, teneinde een voor de partijen aanvaardbare oplossing te vinden. Partijen kunnen besluiten tot elk middel dat een einde maakt aan de moeilijkheden van de partij die voornemens is de maatregel te nemen. Indien binnen dertig dagen geen overeenstemming is bereikt, kan die partij krachtens lid 1, onder i) en j), maatregelen nemen ten aanzien van de uitvoer van het betrokken product. Wanneer echter door uitzonderlijke en kritieke omstandigheden die onmiddellijke actie vereisen, voorafgaande informatieverstrekking of voorafgaand onderzoek niet mogelijk is, kan de partij die voornemens is de maatregel te nemen, dat onmiddellijk doen en stelt zij de andere partijen hiervan zo spoedig mogelijk in kennis.
1.
De partijen bevestigen opnieuw hun verbintenissen uit hoofde van de WTO-overeenkomst en leggen hierbij, met het oog op het bevorderen van de economische integratie, duurzame ontwikkeling en verdergaande integratie in de wereldeconomie en gezien de verschillen in ontwikkelingsniveau van de partijen, de noodzakelijke bepalingen vast voor de geleidelijke liberalisering van het recht van vestiging en de handel in diensten en voor samenwerking op het gebied van elektronische handel.
2.
Niets in deze titel wordt uitgelegd als een verplichting voor een partij tot het privatiseren van overheidsondernemingen of het stellen van eisen met betrekking tot overheidsopdrachten.
3.
De bepalingen van deze titel zijn niet van toepassing op subsidies die door een partij worden verleend 15) .
4.
Deze titel is niet van toepassing op diensten verleend in het kader van de uitoefening van overheidsgezag.
5.
Behoudens de bepalingen van deze titel behoudt elke partij het recht haar bevoegdheden uit te oefenen en nieuwe regelingen op te stellen en in te voeren om legitieme doelstellingen van overheidsbeleid te bereiken.
6.
Deze titel is noch van toepassing op maatregelen betreffende natuurlijke personen die toegang tot de arbeidsmarkt van een partij zoeken, noch op maatregelen inzake staatsburgerschap, verblijf of werk op permanente basis.
7.
Niets in deze titel belet een partij maatregelen toe te passen tot regeling van de toegang of het tijdelijke verblijf van natuurlijke personen op haar grondgebied, waaronder begrepen maatregelen die nodig zijn voor het beschermen van de integriteit van haar grenzen of voor het verzekeren van het ordelijke verkeer van natuurlijke personen over haar grenzen, mits deze maatregelen niet zodanig worden toegepast dat de voordelen die een andere partij op grond van een specifieke verbintenis in deze titel en de bijlagen erbij toekomen, daardoor worden tenietgedaan of uitgehold 16) .
Artikel 108. Definities [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
Voor de toepassing van deze titel wordt verstaan onder:
„overeenkomst inzake economische integratie”: een overeenkomst waarbij de handel in diensten en het recht van vestiging uit hoofde van de WTO-voorschriften aanzienlijk worden geliberaliseerd;
„rechtspersoon van een partij”: een rechtspersoon die overeenkomstig de wetgeving van die partij is opgericht en op haar grondgebied zijn statutaire zetel, hoofdbestuur of hoofdvestiging heeft. Wanneer een rechtspersoon alleen zijn statutaire zetel of hoofdbestuur op het grondgebied van een partij heeft, wordt hij niet beschouwd als een rechtspersoon van die partij, tenzij de werkzaamheden van die rechtspersoon daadwerkelijk en duurzaam verband houden met de economie van die partij 17) ;
„maatregel”: elke maatregel van een partij, in de vorm van een wet, regeling, voorschrift, procedure, besluit, administratieve handeling of enige andere vorm;
„door een partij vastgestelde of gehandhaafde maatregelen”: maatregelen die zijn vastgesteld of worden gehandhaafd door:
a. centrale, regionale of lokale overheden of autoriteiten;
b. niet-gouvernementele organen bij de uitoefening van door centrale, regionale of lokale overheden of autoriteiten gedelegeerde bevoegdheden;
„natuurlijke persoon van een partij”: een natuurlijke persoon die krachtens de interne wetgeving van een lidstaat van de Europese Unie of een overeenkomstsluitend Andesland de nationaliteit van die lidstaat of dat Andesland heeft 18) ;
„diensten”: alle diensten, ongeacht de sector, behalve diensten verleend in het kader van de uitoefening van overheidsgezag;
„diensten verleend in het kader van de uitoefening van overheidsgezag”: alle diensten die noch op commerciële basis, noch in concurrentie met een of meer dienstverleners worden verleend;
„dienstverlener van een partij”: elke natuurlijke of rechtspersoon van een partij die een dienst wenst te verlenen of verleent;
„verlenen van een dienst”: de productie, distributie, marketing, verkoop en levering van een dienst.
Artikel 109. Werkgroepen [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
Voor zover noodzakelijk en gerechtvaardigd kan het Handelscomité een werkgroep met onder meer de volgende taken oprichten:
a. bespreken van regelgevingskwesties betreffende vestiging, handel in diensten en elektronische handel;
b. doen van voorstellen voor richtsnoeren en strategieën waarmee de overeenkomstsluitende Andeslanden zichzelf tot een „veilige haven” voor persoonsgegevens kunnen maken. De werkgroep stelt daarvoor een samenwerkingsagenda met prioriteiten vast, vooral met betrekking tot de homologatieprocessen van gegevensbeschermingssystemen;
c. zoeken van de noodzakelijke mechanismen voor aspecten die onder artikel 162 vallen;
d. doen van aanbevelingen voor hulpmechanismen voor micro-ondernemingen en KMO’s die problemen ondervinden bij het gebruik van elektronische handel;
e. verbeteren van de veiligheid van onder meer elektronische transacties en elektronisch bestuur;
f. stimuleren van de deelname van de particuliere sector aan opleidingen en aan het vaststellen van gedragscodes, contractmodellen, richtsnoeren en mechanismen voor de controle op de naleving van voorschriften bij elektronische handel, samen met de actieve participatie in door de partijen georganiseerde fora;
g. vaststellen van samenwerkingsmechanismen betreffende digitale accreditatie en certificatie voor elektronische transacties en wederzijdse erkenning van digitale certificaten;
h. actieve deelname aan regionale en multilaterale fora voor het bevorderen van elektronische handel.
Artikel 110. Definities [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
„filiaal van een rechtspersoon”: een vestiging zonder rechtspersoonlijkheid die:
a. kennelijk een permanent karakter heeft, zoals het agentschap van een moedermaatschappij;
b. een eigen management heeft;
c. over de nodige materiële voorzieningen beschikt om zaken te doen met derden, zodat derden, hoewel zij weten dat er indien nodig een rechtsverhouding is met de moedermaatschappij waarvan het hoofdkantoor zich in het buitenland bevindt, geen rechtstreeks contact met deze moedermaatschappij hoeven te hebben, maar rechtstreeks transacties kunnen aangaan met de vestiging die de voorpost vormt;
„economische activiteit”: elke economische activiteit behalve activiteiten die worden uitgevoerd in het kader van de uitoefening van overheidsgezag, dus behalve die welke noch op commerciële grondslag, noch in concurrentie met een of meer marktdeelnemers worden uitgevoerd;
„vestiging”: elk type zakelijke of beroepsmatige vestiging 19) door middel van:
a. de oprichting, overname of handhaving van een rechtspersoon 20) , of
b. de oprichting of handhaving van een filiaal of vertegenwoordiging,
op het grondgebied van een partij met als doel een economische activiteit uit te oefenen;
„investeerder van een partij”: elke natuurlijke of rechtspersoon van die partij die door middel van concrete acties een economische activiteit op het grondgebied van een andere partij uitoefent, heeft uitgeoefend of tracht uit te oefenen door middel van het oprichten van een vestiging;
„maatregelen van een partij die gevolgen hebben voor vestiging”: maatregelen met betrekking tot alle activiteiten die onder de definitie van vestiging vallen;
„dochteronderneming van een rechtspersoon van een partij”: een rechtspersoon waarover een andere rechtspersoon van die partij feitelijke zeggenschap heeft 21) .
Artikel 111. Toepassingsgebied [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
Dit hoofdstuk is van toepassing op door de partijen vastgestelde of gehandhaafde maatregelen die gevolgen hebben voor vestiging 22) met het oog op de uitoefening van een economische activiteit, met uitzondering van:
a. de winning, vervaardiging en verwerking van nucleair materiaal;
b. de productie van of handel in wapens, munitie en oorlogsmaterieel;
c. het verlenen van audiovisuele diensten;
d. nationale cabotage over zee 23) ;
e. het verwerken en storten van giftig afval;
f. het verlenen van binnenlandse en internationale luchtvervoerdiensten, ongeacht of het gaat om lijn- of charterdiensten, en diensten die rechtstreeks verband houden met de uitoefening van verkeersrechten, andere dan:
i. reparatie en onderhoud van vliegtuigen waarbij het vliegtuig buiten dienst wordt gesteld;
ii. verkoop en marketing van luchtvervoerdiensten;
iii. geautomatiseerde boekingssystemen (CRS);
iv. grondafhandelingsdiensten en exploitatie van luchthavens.
1.
Wat markttoegang door middel van vestiging betreft, geeft elke partij vestigingen en investeerders van andere partijen geen minder gunstige behandeling dan die waarin is voorzien in de specifieke verbintenissen van bijlage VII (Lijst van verbintenissen inzake vestiging).
2.
Voor sectoren waarvoor verbintenissen inzake markttoegang worden aangegaan, worden de volgende maatregelen door een partij noch op basis van een regionale onderverdeling, noch voor het hele grondgebied gehandhaafd of vastgesteld, tenzij in bijlage VII (Lijst van verbintenissen inzake vestiging) anders is bepaald:
a. beperkingen van het aantal vestigingen, hetzij in de vorm van numerieke quota, monopolies of exclusieve rechten of in de vorm van vestigingseisen, zoals een onderzoek naar de economische behoefte;
b. beperkingen van de totale waarde van transacties of activa, in de vorm van numerieke quota of de eis van een onderzoek naar de economische behoefte;
c. beperkingen van het totale aantal transacties of het totale volume van de output, in bepaalde numerieke eenheden uitgedrukt in de vorm van quota of de eis van een onderzoek naar de economische behoefte 24) ;
d. beperkingen van het totale aantal natuurlijke personen dat in een bepaalde economische activiteit te werk mag zijn gesteld of dat een vestiging te werk mag stellen en die nodig zijn voor, en zich rechtstreeks bezighouden met, het uitvoeren van die economische activiteit, in de vorm van numerieke quota of de eis van een onderzoek naar de economische behoefte;
e. beperkingen van de participatie van buitenlands kapitaal, uitgedrukt als een maximumpercentage voor buitenlands aandeelhouderschap of de totale waarde van individuele of totale buitenlandse investeringen;
f. maatregelen die beperkingen of eisen stellen aan het soort vestiging (dochtermaatschappij, filiaal, vertegenwoordiging) of joint venture via welke een investeerder van een andere partij een economische activiteit kan uitoefenen 25) .
1.
Voor de sectoren waarvoor Colombia in bijlage VII (Lijst van verbintenissen inzake vestiging) verbintenissen inzake markttoegang heeft opgenomen, en behoudens de daarin vermelde voorwaarden en kwalificaties, behandelt Colombia vestigingen en investeerders van de EU niet minder gunstig dan zijn eigen soortgelijke 26) vestigingen en investeerders in verband met alle maatregelen die gevolgen voor vestiging hebben.
2.
Voor de sectoren waarvoor Peru in bijlage VII (Lijst van verbintenissen inzake vestiging) verbintenissen inzake markttoegang heeft opgenomen, en behoudens de daarin vermelde voorwaarden en kwalificaties, behandelt Peru vestigingen en investeerders van de EU in soortgelijke omstandigheden niet minder gunstig dan zijn eigen vestigingen en investeerders in verband met alle maatregelen die gevolgen voor vestiging hebben 27) .
3.
Voor de sectoren waarvoor de EU in bijlage VII (Lijst van verbintenissen inzake vestiging) verbintenissen inzake markttoegang heeft opgenomen, en behoudens de daarin vermelde voorwaarden en kwalificaties, behandelt de EU vestigingen en investeerders van de overeenkomstsluitende Andeslanden niet minder gunstig dan haar eigen soortgelijke vestigingen en investeerders in verband met alle maatregelen die gevolgen voor vestiging hebben.
4.
De op grond van dit artikel aangegane specifieke verbintenissen worden niet zodanig uitgelegd dat een partij verplicht is tot compensatie van concurrentienadelen die inherent zijn aan het buitenlandse karakter van de desbetreffende investeerders.
Artikel 114. Lijst van verbintenissen [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
De sectoren waarvoor elke partij ingevolge dit hoofdstuk verbintenissen aangaat, alsook eventuele voorbehouden of beperkingen ten aanzien van markttoegang en/of nationale behandeling die van toepassing zijn op vestigingen en investeerders van een andere partij in deze sectoren, zijn vermeld in bijlage VII (Lijst van verbintenissen inzake vestiging).
1.
Niets in deze titel wordt uitgelegd als een beperking van de rechten en verplichtingen die voor de partijen en hun investeerders voortvloeien uit een bestaande of toekomstige internationale overeenkomst betreffende investeringen waarbij een lidstaat van de Europese Unie en een overeenkomstsluitend Andesland partij zijn.
2.
In afwijking van het bepaalde in lid 1 is een procedure voor geschillenbeslechting die is vastgesteld krachtens een bestaande of toekomstige internationale overeenkomst betreffende investeringen waarbij de Europese Unie, een lidstaat van de Europese Unie of een overeenkomstsluitend Andesland partij zijn, niet van toepassing op vermeende inbreuken op dit hoofdstuk.
1.
Met het oog op een geleidelijke liberalisering van investeringen bevorderen de Europese Unie en de overeenkomstsluitende Andeslanden binnen hun respectieve bevoegdheidsgebieden een aantrekkelijk klimaat voor wederzijdse investeringen.
2.
De in lid 1 bedoelde bevordering leidt tot samenwerking bij onder meer de evaluatie van het wettelijk kader voor investeringen, het investeringsklimaat en de investeringsstroom tussen de partijen, in overeenstemming met hun uit internationale overeenkomsten voorvloeiende verbintenissen. Deze evaluatie vindt uiterlijk vijf jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst plaats en vervolgens met regelmatige tussenpozen.
Artikel 117. Definities [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
„grensoverschrijdende dienstverlening”: het verlenen van een dienst:
a. vanaf het grondgebied van een partij naar het grondgebied van een andere partij (vorm van dienstverlening 1), en
b. binnen het grondgebied van een partij ten behoeve van een dienstafnemer van een andere partij (vorm van dienstverlening 2);
„maatregelen van een partij die gevolgen hebben voor grensoverschrijdende dienstverlening”: onder meer maatregelen betreffende:
a. de aankoop, de betaling of het gebruik van een dienst, en
b. de toegang tot en het gebruik van, in verband met grensoverschrijdende dienstverlening, een dienst waarvan die partij eist dat zij algemeen aan het publiek worden aangeboden.
Artikel 118. Toepassingsgebied [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
Dit hoofdstuk is van toepassing op maatregelen van de partijen die gevolgen hebben voor alle grensoverschrijdende dienstverlening, met uitzondering van:
a. audiovisuele diensten;
b. nationale cabotage over zee 28) ;
c. binnenlandse en internationale luchtvervoerdiensten, ongeacht of het gaat om lijn- of charterdiensten, en diensten die rechtstreeks verband houden met de uitoefening van verkeersrechten, andere dan:
i. reparatie en onderhoud van vliegtuigen waarbij het vliegtuig buiten dienst wordt gesteld;
ii. de verkoop en marketing van luchtvervoerdiensten;
iii. geautomatiseerde boekingssystemen (CRS);
iv. grondafhandelingsdiensten en exploitatie van luchthavens.
1.
Wat betreft markttoegang door middel van grensoverschrijdende dienstverlening, geeft elke partij diensten en dienstverleners van een andere partij geen minder gunstige behandeling dan die waarin is voorzien in de specifieke verbintenissen van bijlage VIII (Lijst van verbintenissen inzake grensoverschrijdende diensten).
2.
Voor sectoren waarvoor verbintenissen inzake markttoegang worden aangegaan, worden de volgende maatregelen door een partij noch op basis van een regionale onderverdeling, noch voor het hele grondgebied gehandhaafd of vastgesteld, tenzij in bijlage VIII (Lijst van verbintenissen inzake grensoverschrijdende dienstverlening) anders is bepaald:
a. beperkingen van het aantal dienstverleners in de vorm van numerieke quota, monopolies, exclusieve dienstverleners of de eis van een onderzoek naar de economische behoefte;
b. beperkingen van de totale waarde van transacties of activa in verband met diensten in de vorm van numerieke quota of de eis van een onderzoek naar de economische behoefte;
c. beperkingen van het totale aantal dienstentransacties of de totale hoeveelheid geleverde diensten, in bepaalde numerieke eenheden uitgedrukt in de vorm van quota of de eis van een onderzoek naar de economische behoefte 29) .
1.
Voor de sectoren waarvoor Colombia in bijlage VIII (Lijst van verbintenissen inzake grensoverschrijdende dienstverlening) verbintenissen inzake markttoegang heeft opgenomen, en behoudens de daarin vermelde voorwaarden en kwalificaties, behandelt Colombia diensten en dienstverleners van de EU niet minder gunstig dan zijn eigen soortgelijke diensten en dienstverleners in verband met alle maatregelen die gevolgen voor grensoverschrijdende dienstverlening hebben.
2.
Voor de sectoren waarvoor Peru in bijlage VIII (Lijst van verbintenissen inzake grensoverschrijdende dienstverlening) verbintenissen inzake markttoegang heeft opgenomen, en behoudens de daarin vermelde voorwaarden en kwalificaties, behandelt Peru diensten en dienstverleners van de EU in soortgelijke omstandigheden niet minder gunstig dan zijn eigen diensten en dienstverleners in verband met alle maatregelen die gevolgen voor grensoverschrijdende dienstverlening hebben 30) .
3.
Voor de sectoren waarvoor de EU in bijlage VIII (Lijstn van verbintenissen inzake grensoverschrijdende dienstverlening) verbintenissen inzake markttoegang heeft opgenomen, en behoudens de daarin vermelde voorwaarden en kwalificaties, behandelt de EU diensten en dienstverleners van de overeenkomstsluitende Andeslanden niet minder gunstig dan haar eigen soortgelijke diensten en dienstverleners in verband met alle maatregelen die gevolgen voor grensoverschrijdende dienstverlening hebben.
4.
De op grond van dit artikel aangegane specifieke verbintenissen worden niet zodanig uitgelegd dat een partij verplicht is tot compensatie van concurrentienadelen die inherent zijn aan het buitenlandse karakter van de desbetreffende diensten of dienstverleners.
Artikel 121. Lijst van verbintenissen [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
De sectoren waarvoor elke partij ingevolge dit hoofdstuk verbintenissen aangaat, alsook eventuele voorbehouden of beperkingen ten aanzien van markttoegang en/of nationale behandeling die van toepassing zijn op diensten en dienstverleners van een andere partij in deze sectoren, zijn vermeld in bijlage VIII (Lijst van verbintenissen inzake grensoverschrijdende dienstverlening).
Artikel 122. Toepassingsgebied [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
Dit hoofdstuk is van toepassing op maatregelen van een partij betreffende de toegang tot en het tijdelijke verblijf op haar grondgebied van stafpersoneel, afgestudeerde stagiairs, verkopers van zakelijke diensten, dienstverleners op contractbasis, beoefenaars van een vrij beroep en kortetermijnbezoekers voor zaken, overeenkomstig artikel 107, lid 6.
Artikel 123. Definities [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
„verkopers van zakelijke diensten”: natuurlijke personen die vertegenwoordiger van een dienstverlener van een partij zijn en tijdelijke toegang tot het grondgebied van een andere partij wensen om voor die dienstverlener over de verkoop van diensten te onderhandelen of overeenkomsten voor de verkoop van diensten te sluiten. Zij verkopen niet direct aan het publiek en ontvangen geen beloning uit een bron op het grondgebied van de gastpartij;
„zakelijke bezoekers”: natuurlijke personen met een staffunctie die verantwoordelijk zijn voor het opzetten van een vestiging. Zij verrichten geen directe transacties met het publiek en ontvangen geen beloning uit een bron op het grondgebied van de gastpartij;
„dienstverleners op contractbasis”: natuurlijke personen in dienst van een rechtspersoon van een partij die geen vestiging op het grondgebied van een andere partij heeft en die met een eindgebruiker in die andere partij een bonafide contract (anders dan via een agentschap als omschreven in code 872 van de centrale productclassificatie van de Verenigde Naties, hierna de „CPC” genoemd) heeft gesloten voor de verlening van diensten waarvoor de tijdelijke aanwezigheid van zijn werknemers in die partij vereist is om aan het dienstverleningscontract te voldoen 31) ;
„afgestudeerde stagiairs”: natuurlijke personen die ten minste een jaar in dienst zijn van een rechtspersoon van een partij of een filiaal van die rechtspersoon, die universitair afgestudeerd zijn en die voor hun loopbaanontwikkeling of een opleiding in bedrijfstechnieken of -methoden tijdelijk naar een vestiging van die rechtspersoon op het grondgebied van een andere partij worden overgeplaatst 32) ;
„beoefenaars van een vrij beroep”: natuurlijke personen die als zelfstandige dienstverlener op het grondgebied van een partij zijn gevestigd en geen vestiging op het grondgebied van een andere partij hebben, en die met een eindgebruiker in die andere partij een bonafide contract (anders dan via een agentschap als omschreven in code 872 van de centrale productclassificatie van de Verenigde Naties, hierna de „CPC” genoemd) hebben gesloten voor de verlening van diensten waarvoor de tijdelijke aanwezigheid in die partij vereist is om aan het dienstverleningscontract te voldoen 33) ;
„binnen de onderneming overgeplaatste personen”: natuurlijke personen die ten minste een jaar werknemer of partner van een rechtspersoon of van een filiaal van die rechtspersoon zijn en die tijdelijk naar een vestiging op het grondgebied van een andere partij worden overgeplaatst, welke vestiging een dochteronderneming, filiaal of bijkantoor kan zijn. De natuurlijke personen in kwestie behoren tot een van de volgende categorieën:
a. „managers”: personen die deel uitmaken van het hogere kader van een rechtspersoon, die in de eerste plaats verantwoordelijk zijn voor het management van de vestiging, onder het algemene toezicht of de leiding van de raad van bestuur of de aandeelhouders of daarmee gelijkgestelde personen, waaronder personen die:
i. leiding geven aan de vestiging of een afdeling of onderafdeling daarvan;
ii. toezicht houden en controle uitoefenen op de werkzaamheden van andere werknemers met een toezichthoudende, leidinggevende of specialistische functie;
iii. bevoegd zijn om op eigen initiatief werknemers in dienst te nemen en te ontslaan of indienstneming, ontslag of andere maatregelen in het kader van het personeelsbeleid aan te bevelen;
of
b. „specialisten”: bij een rechtspersoon werkzame personen die beschikken over bijzondere kennis die van wezenlijk belang is voor de activiteiten, de onderzoeksuitrusting, de technische werkzaamheden of het management van de vestiging. Voor de beoordeling van die kennis wordt niet alleen specifiek met de vestiging verband houdende kennis in aanmerking genomen, maar ook of de persoon in hoge mate gekwalificeerd is voor een type werk of handel waarvoor specifieke technische kennis vereist is, evenals het lidmaatschap van een erkende beroepsgroep;
„stafpersoneel”: natuurlijke personen die werkzaam zijn bij een rechtspersoon van een partij, niet zijnde een organisatie zonder winstoogmerk 34) , en verantwoordelijk zijn voor het opzetten of het toezicht, het beheer en de exploitatie van een vestiging, waaronder begrepen zakelijke bezoekers die verantwoordelijk zijn voor het opzetten van een vestiging en binnen een onderneming overgeplaatste personen;
„kwalificaties”: diploma’s, certificaten en andere titels die zijn afgegeven door een bij wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen aangewezen autoriteit waarmee de succesvolle afsluiting van een beroepsopleiding wordt geattesteerd.
1.
Voor elke sector waarvoor overeenkomstig hoofdstuk 2 (Vestiging) van deze titel verbintenissen worden aangegaan, en behoudens eventuele in bijlage VII (Lijst van verbintenissen inzake vestiging) of aanhangsel 1 van bijlage IX (Voorbehouden betreffende de tijdelijke aanwezigheid van natuurlijke personen voor zaken) vermelde voorbehouden, staat elke partij investeerders van een andere partij toe in hun vestiging natuurlijke personen van die andere partij te werk te stellen, mits die werknemers stafpersoneel of afgestudeerde stagiairs als gedefinieerd in artikel 123 zijn. De duur van het tijdelijke verblijf van stafpersoneel en afgestudeerde stagiairs bedraagt ten hoogste drie jaar 35) voor binnen een onderneming overgeplaatste personen, ten hoogste negentig dagen binnen een periode van twaalf maanden voor zakelijke bezoekers, en ten hoogste één jaar voor afgestudeerde stagiairs.
2.
Voor elke sector waarvoor overeenkomstig hoofdstuk 2 (Vestiging) van deze titel verbintenissen worden aangegaan, worden de volgende maatregelen door de partijen noch op basis van een regionale onderverdeling, noch voor het gehele grondgebied gehandhaafd of vastgesteld, tenzij in aanhangsel 1 van bijlage IX (Voorbehouden betreffende de tijdelijke aanwezigheid van natuurlijke personen voor zaken) anders is bepaald: discriminatoire beperkingen en beperkingen van het totale aantal natuurlijke personen dat een investeerder als stafpersoneel of afgestudeerde stagiair naar een bepaalde sector mag overplaatsen, in de vorm van numerieke quota of de eis van een onderzoek naar de economische behoefte.
Artikel 125. Verkopers van zakelijke diensten [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
Voor elke sector waarvoor overeenkomstig hoofdstuk 2 (Vestiging) of 3 (Grensoverschrijdende dienstverlening) verbintenissen worden aangegaan, en behoudens eventuele in de bijlagen VII (Lijst van verbintenissen inzake vestiging) en VIII (Lijst van verbintenissen inzake grensoverschrijdende dienstverlening) vermelde voorbehouden, staat elke partij de toegang tot haar grondgebied en het tijdelijke verblijf aldaar van verkopers van zakelijke diensten toe voor maximaal negentig dagen binnen een periode van twaalf maanden.
1.
De partijen herbevestigen hun respectieve rechten en verplichtingen ingevolge de door hen krachtens de GATS aangegane verbintenissen ten aanzien van de toegang en het tijdelijke verblijf van dienstverleners op contractbasis.
2.
Colombia en de EU staan toe dat dienstverleners op contractbasis van de EU respectievelijk Colombia door middel van de aanwezigheid van natuurlijke personen de volgende diensten verlenen op hun grondgebied, behoudens de voorwaarden die zijn neergelegd in lid 4 en aanhangsel 2 van bijlage IX (Voorbehouden betreffende de tijdelijke aanwezigheid van natuurlijke personen voor zaken):
a. rechtskundig advies met betrekking tot internationaal publiekrecht en buitenlands recht (in het geval van de EU wordt het EU-recht niet beschouwd als internationaal publiekrecht of buitenlands recht);
b. accountants en boekhouders;
c. belastingconsulenten;
d. architecten;
e. stedenbouwkundigen en landschapsarchitecten;
f. ingenieurs;
g. ingenieurs: geïntegreerde diensten;
h. artsen (psychologen daaronder begrepen) en tandartsen;
i. dierenartsen;
j. verloskundigen;
k. verpleegkundigen, fysiotherapeuten en paramedisch personeel;
l. diensten in verband met computers;
m. markt- en opinieonderzoek;
n. advies op het gebied van bedrijfsbeheer;
o. diensten in verband met advies op het gebied van bedrijfsbeheer;
p. designers;
q. chemisch ingenieurs, farmacologen en fotochemici;
r. diensten op het gebied van de cosmeticatechnologie;
s. gespecialiseerde diensten op het terrein van technologie, engineering, marketing en verkoop voor de automobielindustrie;
t. commerciële design en marketing voor de mode-industrie (kleding, schoenen en andere modeartikelen);
u. onderhoud en reparatie van werktuigen en transportmiddelen, met name in het kader van servicecontracten na verkoop of lease.
3.
Peru en de EU staan toe dat dienstverleners op contractbasis van de EU respectievelijk Peru door middel van de aanwezigheid van natuurlijke personen de volgende diensten verlenen op hun grondgebied, behoudens de voorwaarden die zijn neergelegd in lid 4 en aanhangsel 2 van bijlage IX (Voorbehouden betreffende de tijdelijke aanwezigheid van natuurlijke personen voor zaken):
a. rechtskundig advies met betrekking tot internationaal publiekrecht en buitenlands recht (in het geval van de EU wordt het recht van de Europese Unie (hierna „EU-recht” genoemd) niet beschouwd als internationaal publiekrecht of buitenlands recht);
b. accountants en boekhouders;
c. belastingconsulenten;
d. architecten;
e. stedenbouwkundigen en landschapsarchitecten;
f. ingenieurs;
g. ingenieurs: geïntegreerde diensten;
h. artsen (psychologen daaronder begrepen) en tandartsen;
i. dierenartsen;
j. verloskundigen;
k. diensten in verband met computers;
l. markt- en opinieonderzoek;
m. advies op het gebied van bedrijfsbeheer;
n. aan managementconsultancy gerelateerde diensten.
4.
Op de door de partijen aangegane verbintenissen zijn de volgende voorwaarden van toepassing:
a. de natuurlijke personen moeten voor het verlenen van een dienst tijdelijk zijn aangetrokken als werknemer van een rechtspersoon die een dienstverleningscontract heeft gesloten voor een periode van maximaal twaalf maanden;
b. de natuurlijke personen die het grondgebied van een andere partij binnenkomen, moeten op de datum waarop het verzoek om toegang tot dat grondgebied wordt ingediend, al ten minste een jaar lang als werknemer van de rechtspersoon die de dienst verleent, bedoelde diensten hebben verleend; bovendien moeten zij op die datum al ten minste drie jaar beroepservaring 36) hebben in de bedrijfstak waarop het contract betrekking heeft;
c. de natuurlijke personen die het grondgebied van een andere partij binnenkomen, hebben:
i. een universitaire graad of een kwalificatie waarmee hun kennis op een gelijkwaardig niveau 37) wordt aangetoond;
ii. de beroepskwalificaties die de wet- of regelgeving van de partij waar de dienst wordt verleend eventueel voorschrijft voor het uitoefenen van de desbetreffende activiteit;
d. de natuurlijke personen ontvangen geen andere beloning voor het verlenen van diensten dan die welke door de rechtspersoon voor wie zij gedurende hun verblijf op het grondgebied van een andere partij werken, wordt betaald;
e. de duur van het tijdelijke verblijf van natuurlijke personen op het grondgebied van de desbetreffende partij bedraagt over een periode van 12 maanden of, als het contract korter duurt, voor de duur van het contract, in totaal maximaal 6 maanden of, in het geval van Luxemburg, 25 weken;
f. de krachtens dit artikel verleende toegang betreft uitsluitend de dienstenactiviteit waarop het contract betrekking heeft en geeft geen recht op het voeren van de beroepstitel van de partij waar de dienst wordt verleend;
g. het aantal personen dat onder het dienstverleningscontract valt, mag niet groter zijn dan noodzakelijk is voor de uitvoering van het contract, zoals bepaald in de wet- en regelgeving van de partij waar de dienst wordt verleend;
h. andere discriminatoire beperkingen, zoals op het aantal natuurlijke personen in de vorm van een onderzoek naar de economische behoefte, die zijn gespecificeerd in aanhangsel 2 van bijlage IX (Voorbehouden betreffende tijdelijke aanwezigheid van natuurlijke personen voor zaken).
1.
De partijen herbevestigen hun respectieve rechten en verplichtingen ingevolge de door hen krachtens de GATS aangegane verbintenissen ten aanzien van de toegang en het tijdelijke verblijf van beoefenaars van een vrij beroep.
2.
Colombia en de EU staan toe dat beoefenaars van een vrij beroep van de EU respectievelijk Colombia door middel van de aanwezigheid van natuurlijke personen de volgende diensten verlenen op hun grondgebied, behoudens de voorwaarden die zijn neergelegd in lid 4 en aanhangsel 2 van bijlage IX („Voorbehouden betreffende de tijdelijke aanwezigheid van natuurlijke personen voor zaken”):
a. rechtskundig advies met betrekking tot internationaal publiekrecht en buitenlands recht (in het geval van de EU wordt het EU-recht niet beschouwd als internationaal publiekrecht of buitenlands recht);
b. architecten;
c. ingenieurs;
d. ingenieurs: geïntegreerde diensten;
e. diensten in verband met computers;
f. markt- en opinieonderzoek;
g. advies op het gebied van bedrijfsbeheer;
h. diensten in verband met advies op het gebied van bedrijfsbeheer;
i. vertalers en tolken;
j. gespecialiseerde diensten op het terrein van technologie, engineering, marketing en verkoop voor de automobielindustrie.
3.
Peru en de EU staan toe dat beoefenaars van een vrij beroep van de EU respectievelijk Peru door middel van de aanwezigheid van natuurlijke personen de volgende diensten verlenen op hun grondgebied, behoudens de voorwaarden die zijn neergelegd in lid 4 en aanhangsel 2 van bijlage IX (Voorbehouden betreffende de tijdelijke aanwezigheid van natuurlijke personen voor zaken):
a. rechtskundig advies met betrekking tot internationaal publiekrecht en buitenlands recht (in het geval van de EU wordt het EU-recht niet beschouwd als internationaal publiekrecht of buitenlands recht);
b. architecten;
c. ingenieurs;
d. ingenieurs: geïntegreerde diensten;
e. diensten in verband met computers;
f. markt- en opinieonderzoek;
g. advies op het gebied van bedrijfsbeheer;
h. diensten in verband met advies op het gebied van bedrijfsbeheer.
4.
Op de door de partijen aangegane verbintenissen zijn de volgende voorwaarden van toepassing:
a. de natuurlijke personen moeten voor het verlenen van een dienst tijdelijk zijn aangetrokken als op het grondgebied van een andere partij gevestigde zelfstandige en een dienstverleningscontract hebben gesloten voor een periode van maximaal twaalf maanden;
b. de natuurlijke personen die het grondgebied van een andere partij binnenkomen, moeten op de datum waarop het verzoek om toegang tot dat grondgebied wordt ingediend, al ten minste zes jaar beroepservaring hebben in de bedrijfstak waarop het contract betrekking heeft;
c. de natuurlijke personen die het grondgebied van een andere partij binnenkomen, hebben:
i. een universitaire graad of een kwalificatie waarmee hun kennis op een gelijkwaardig niveau 38) wordt aangetoond;
ii. de beroepskwalificaties die de wet- of regelgeving van de partij waar de dienst wordt verleend eventueel voorschrijft voor het uitoefenen van de desbetreffende activiteit;
d. de duur van het tijdelijke verblijf van natuurlijke personen op het grondgebied van de desbetreffende partij bedraagt over een periode van 12 maanden of, als het contract korter duurt, voor de duur van het contract, in totaal maximaal 6 maanden of, in het geval van Luxemburg, 25 weken;
e. de krachtens dit artikel verleende toegang betreft uitsluitend de dienstenactiviteit waarop het contract betrekking heeft en geeft geen recht op het voeren van de beroepstitel van de partij waar de dienst wordt verricht;
f. andere discriminatoire beperkingen, zoals op het aantal natuurlijke personen in de vorm van een onderzoek naar de economische behoefte, die zijn gespecificeerd in aanhangsel 2 van bijlage IX (Voorbehouden betreffende tijdelijke aanwezigheid van natuurlijke personen voor zaken).
1.
De partijen streven, in overeenstemming met hun respectieve wetgeving, naar vergemakkelijking van de toegang van tijdelijke bezoekers voor zaken tot hun grondgebied en van hun verblijf aldaar voor het uitoefenen van de volgende activiteiten 39) :
a. onderzoek en ontwerp: technische, wetenschappelijke en statistische onderzoekers namens een op het grondgebied van een andere partij gevestigde onderneming;
b. marketingonderzoek: personeel dat onderzoek doet, waaronder marktonderzoek, of analyses maakt namens een op het grondgebied van een andere partij gevestigde onderneming;
c. beurzen en tentoonstellingen: personeel dat op een beurs reclame maakt voor zijn onderneming of voor de producten of diensten van die onderneming;
d. toerismepersoneel (vertegenwoordigers van hotels of reisbureaus, gidsen of reisorganisaties) dat een toerismecongres of -beurs bijwoont of daaraan deelneemt of een rondreis begeleidt die op het grondgebied van een andere partij is begonnen;
mits bedoelde tijdelijke bezoekers:
a. geen goederen of diensten aan het grote publiek verkopen of zelf geen goederen of diensten leveren;
b. niet op eigen naam een beloning ontvangen van een bron binnen de Europese Unie of binnen een overeenkomstsluitende Andesland waar zij tijdelijk verblijven;
c. geen diensten verlenen in het kader van een contract dat is gesloten tussen een rechtspersoon zonder commerciële aanwezigheid in de Europese Unie of in een overeenkomstsluitend Andesland waar zij tijdelijk voor zaken verblijven en een consument in de Europese Unie of een overeenkomstsluitend Andesland.
2.
Wanneer voor tijdelijke bezoekers van een partij de toegang tot en het tijdelijke verblijf op het grondgebied van een andere partij is toegestaan, geldt dit voor maximaal negentig dagen binnen een periode van twaalf maanden.
1.
Niets in deze titel belet een partij te eisen dat natuurlijke personen de kwalificaties en/of beroepservaring hebben die op het grondgebied waar de dienst wordt verleend, voor de betrokken bedrijfstak zijn voorgeschreven.
2.
De partijen moedigen de desbetreffende beroepsorganisaties op hun respectieve grondgebied aan gezamenlijk aanbevelingen over wederzijdse erkenning op te stellen en aan het Handelscomité voor te leggen, teneinde ervoor te zorgen dat investeerders en dienstverleners volledig of gedeeltelijk voldoen aan de door elke partij toegepaste criteria voor het verlenen van vergunningen aan en voor de werkzaamheden en certificering van investeerders en dienstverleners, in het bijzonder voor beoefenaars van vrije beroepen.
3.
Wanneer het Handelscomité een aanbeveling als bedoeld in lid 2 ontvangt, onderzoekt het binnen een redelijke termijn of deze aanbeveling in overeenstemming is met deze overeenkomst.
4.
Wanneer het Handelscomité overeenkomstig lid 3 vaststelt dat bedoelde aanbeveling in overeenstemming met deze overeenkomst is, en de desbetreffende regelingen van de partijen voldoende met elkaar overeenkomen, onderhandelen zij via hun bevoegde instanties over een overeenkomst inzake wederzijdse erkenning van eisen, kwalificaties, vergunningen en andere regelingen, teneinde deze aanbeveling ten uitvoer te leggen.
5.
Ingevolge lid 4 bereikte overeenkomsten zijn in overeenstemming met de toepasselijke bepalingen van de WTO-overeenkomst , in het bijzonder artikel VII van de GATS .
1.
Elke partij:
a. reageert onverwijld op alle verzoeken van een andere partij om specifieke informatie over maatregelen van algemene strekking of internationale overeenkomsten die betrekking hebben op of gevolgen hebben voor deze titel;
b. richt een of meer informatiepunten in die investeerders en dienstverleners van een andere partij op verzoek alle onder a) bedoelde informatie verstrekken. Deze informatiepunten worden vermeld in bijlage X (Informatiepunten betreffende handel in diensten, vestiging en elektronische handel). Bij informatiepunten hoeven geen wetten en regelingen te worden neergelegd.
2.
Niets in deze titel verplicht een partij tot verstrekking van vertrouwelijke informatie waarvan bekendmaking de rechtshandhaving zou belemmeren of die anderszins met het openbaar belang in strijd is of schadelijk is voor de rechtmatige handelsbelangen van openbare of particuliere ondernemingen.
1.
In sectoren waarvoor specifieke verbintenissen worden aangegaan, draagt elke partij er zorg voor dat alle maatregelen van algemene strekking die onder het toepassingsgebied van deze titel vallen, op redelijke, objectieve en onpartijdige wijze worden toegepast.
2.
Indien voor de verlening van een dienst of een vestiging waarvoor een specifieke verbintenis is aangegaan een vergunning vereist is, delen de bevoegde instanties van een partij de aanvrager binnen een redelijke termijn na indiening van de volgens de interne wet- en regelgeving als ingediend beschouwde aanvraag mede welk besluit zij ten aanzien van die aanvraag hebben genomen. De bevoegde instanties van de partij verstrekken de aanvrager, op diens verzoek, onverwijld informatie over de stand van zijn aanvraag.
3.
Elke partij houdt gerechtelijke, scheidsrechterlijke of administratieve tribunalen of procedures in stand of voert deze in, waarmee op verzoek van een betroffen investeerder of dienstverlener administratieve besluiten met betrekking tot de vestiging, de grensoverschrijdende dienstverlening of de tijdelijke aanwezigheid van natuurlijke personen voor zaken terstond kunnen worden getoetst en, indien gerechtvaardigd, passende herstelmaatregelen kunnen worden genomen. Wanneer deze procedures niet onafhankelijk zijn van de instantie die bevoegd is het betrokken administratieve besluit te nemen, zien de partijen erop toe dat de procedures de facto in een objectief en onpartijdig onderzoek voorzien.
4.
Dit artikel wordt na het vereiste overleg tussen de partijen zo nodig gewijzigd om verbintenissen die voortvloeien uit eventuele onderhandelingen krachtens lid 4 van artikel VI van de GATS , of uit soortgelijke onderhandelingen in het kader van andere multilaterale fora waaraan de partijen deelnemen, in deze titel te integreren zodra die verbintenissen van kracht worden.
5.
In afwachting van het resultaat van onderhandelingen krachtens lid 4 van artikel VI van de GATS , onthouden de partijen zich van het toepassen van vergunnings- en kwalificatievereisten, procedures en technische normen die afbreuk doen aan hun specifieke verbintenissen of deze ongedaan maken op een wijze die:
a. niet beantwoordt aan de criteria van artikel VI, lid 4, onder a), b) en c), van de GATS , en
b. in redelijkheid niet viel te verwachten op het moment dat de specifieke verbintenissen werden aangegaan.
6.
Om vast te stellen of een partij heeft gehandeld conform de verplichtingen die voor haar uit lid 5 voortvloeien, wordt mede gekeken naar de internationale normen van relevante internationale organisaties 40) die door die partij zijn toegepast.
Artikel 132. Afspraak over diensten in verband met computers [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
Voor zover de handel in diensten in verband met computers in overeenstemming met de hoofdstukken 2 (Vestiging), 3 (Grensoverschrijdende dienstverlening) en 4 (Tijdelijke aanwezigheid van natuurlijke personen voor zaken) is geliberaliseerd, onderschrijven de partijen de onder a), b) en c) neergelegde afspraak:
a. de code CPC 84, die wordt gebruikt voor het beschrijven van diensten in verband met computers, heeft betrekking op de basisfuncties voor alle diensten in verband met computers: computerprogramma’s, gedefinieerd als de instructies waardoor computers kunnen werken en met elkaar kunnen communiceren (met inbegrip van de ontwikkeling en implementatie ervan), gegevensverwerking en -opslag, en aanverwante diensten, zoals het geven van adviezen en opleidingen aan het personeel van klanten. Technologische ontwikkelingen hebben geleid tot een toename van het aanbod van deze diensten als een pakket verwante diensten die alle of een deel van deze basisfuncties kunnen omvatten. Zo bestaan diensten als web- of domeinhosting, datamining en gridcomputing allemaal uit een combinatie van basisfuncties van diensten in verband met computers;
b. diensten in verband met computers omvatten, ook indien zij via een netwerk zoals internet worden geleverd, alle diensten op het gebied van:
i. advies, strategie, analyse, planning, specificatie, ontwerp, ontwikkeling, installatie, implementatie, integratie, testen, debuggen, updaten, ondersteuning, technische hulp of beheer van of voor computers of computersystemen;
ii. computerprogramma’s, gedefinieerd als de instructies waardoor computers zelfstandig kunnen werken en met elkaar kunnen communiceren, plus advies, strategie, analyse, planning, specificatie, ontwerp, ontwikkeling, installatie, implementatie, integratie, testen, debuggen, updaten, aanpassen, onderhoud, ondersteuning, technische hulp, beheer of gebruik van of voor computerprogramma’s;
iii. de verwerking, opslag en hosting van gegevens of diensten in verband met databanken;
iv. onderhoud en reparatie van kantoormachines en toebehoren, met inbegrip van computers;
v. opleidingen voor het personeel van klanten in verband met computerprogramma’s, computers of computersystemen die niet elders zijn ingedeeld;
c. diensten in verband met computers maken andere diensten (bv. bankieren), elektronisch of anderszins, mogelijk. Er is echter een belangrijk onderscheid tussen de ondersteunende dienst (bv. webhosting of applicatiehosting) en de inhouds- of hoofddienst die elektronisch wordt geleverd (bv. bankieren). In dergelijke gevallen valt de inhouds- of hoofddienst niet onder CPC 84.
Artikel 133. Toepassingsgebied [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
Deze afdeling bevat de beginselen van het regelgevingskader voor alle post- en koeriersdiensten waarvoor in overeenstemming met de hoofdstukken 2 (Vestiging), 3 (Grensoverschrijdende dienstverlening) en 4 (Tijdelijke aanwezigheid van natuurlijke personen voor zaken) verbintenissen zijn aangegaan.
Artikel 134. Definities [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
Voor de toepassing van deze afdeling en van de hoofdstukken 2 (Vestiging), 3 (Grensoverschrijdende dienstverlening) en 4 (Tijdelijke aanwezigheid van natuurlijke personen voor zaken) wordt verstaan onder:
„individuele vergunning”: een vergunning, concessie of toestemming die door een regelgevende instantie aan een individuele dienstverlener wordt gegeven en die nodig is om een bepaalde dienst te verlenen;
„universele dienst”: het overal op het grondgebied van een partij permanent aanbieden van een postdienst van een gespecificeerde kwaliteit tegen prijzen die voor alle gebruikers betaalbaar zijn.
Artikel 135. Voorkoming van concurrentiebeperkende praktijken bij post- en koeriersdiensten [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
Overeenkomstig de bepalingen van titel VIII (Mededinging) worden door elke partij passende maatregelen ingevoerd dan wel gehandhaafd om te voorkomen dat dienstverleners die, alleen of samen met andere dienstverleners, de voorwaarden voor deelneming (wat prijs en aanbod betreft) in de desbetreffende markt voor post- en koeriersdiensten door het gebruik van hun marktpositie wezenlijk kunnen beïnvloeden, concurrentiebeperkende praktijken gaan toepassen of voortzetten.
Artikel 136. Universele dienst [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
Elke partij heeft het recht vast te stellen welk soort universeledienstverplichting zij wil vaststellen of handhaven. Bedoelde verplichting wordt niet automatisch geacht concurrentiebeperkend te zijn, mits zij op transparante, niet-discriminatoire en vanuit concurrentieoogpunt neutrale wijze wordt toegepast en niet belastender is dan voor de door de partij vastgestelde soort universele dienst noodzakelijk is.
1.
Een individuele vergunning kan door een partij uitsluitend worden voorgeschreven voor diensten die tot de universele dienst behoren 41) .
2.
Wanneer een partij een individuele vergunning voorschrijft, wordt de volgende informatie algemeen bekendgemaakt:
a. alle vergunningscriteria en de termijn die normaliter nodig is om een besluit over een vergunningsaanvraag te nemen;
b. de voorwaarden voor individuele vergunningen.
3.
Wanneer een partij een aanvraag voor een individuele vergunning afwijst, stelt zij de aanvrager op diens verzoek in kennis van de redenen hiervoor. Elke partij stelt een beroeps- of herzieningsprocedure bij een onafhankelijk orgaan vast, of handhaaft deze 42) . Bedoelde procedures zijn transparant en niet-discriminatoir en zijn gebaseerd op objectieve criteria.
Artikel 138. Onafhankelijkheid van regelgevende organen [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
Regelgevende organen zijn juridisch onafhankelijk van, en geen verantwoording verschuldigd aan, leveranciers van post- en koeriersdiensten. De besluiten die de regelgevende organen nemen en de procedures die zij toepassen, zijn voor alle marktdeelnemers gelijk.
Artikel 139. Toepassingsgebied [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
Deze afdeling bevat de beginselen van het regelgevingskader voor telecommunicatiediensten, andere dan de omroep 43) , waarvoor in overeenstemming met de hoofdstukken 2 (Vestiging), 3 (Grensoverschrijdende dienstverlening) en 4 (Tijdelijke aanwezigheid van natuurlijke personen voor zaken) verbintenissen zijn aangegaan 44)   45) .
Artikel 140. Definities [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
Voor de toepassing van deze afdeling wordt verstaan onder:
„essentiële telecommunicatiefaciliteiten”: faciliteiten van een openbaar telecommunicatienetwerk of een openbare telecommunicatiedienst 46) die:
a. uitsluitend of voornamelijk ter beschikking worden gesteld door één leverancier of door een beperkt aantal leveranciers, en
b. bij het verlenen van een dienst niet op haalbare wijze economisch of technisch kunnen worden vervangen;
„interconnectie”: de koppeling met leveranciers die openbare telecommunicatienetwerken of -diensten 46)[47] aanbieden zodat gebruikers van een leverancier kunnen communiceren met gebruikers van een andere leverancier en toegang krijgen tot door een andere leverancier geleverde diensten;
„grote leverancier”: een leverancier in de telecommunicatiesector die ten gevolge van de controle die hij heeft over essentiële faciliteiten of door het gebruik van zijn marktpositie de voorwaarden voor deelneming (wat prijs en aanbod betreft) in de desbetreffende markt wezenlijk kan beïnvloeden;
„regelgevende instantie”: het orgaan of de organen die in de telecommunicatiesector belast is/zijn met de telecommunicatieregelgeving als bedoeld in deze afdeling;
„telecommunicatiediensten”: alle diensten die bestaan uit de transmissie en ontvangst van elektromagnetische signalen, maar niet de economische activiteit die bestaat uit de levering van inhoud waarvan het transport afhankelijk is van telecommunicatie.
Artikel 141. Concurrentiewaarborgen ten aanzien van grote leveranciers [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
Overeenkomstig de bepalingen van titel VIII (Mededinging) stelt elke partij passende maatregelen vast, of handhaaft zij bestaande maatregelen, om te voorkomen dat leveranciers die alleen of samen met andere leveranciers een grote leverancier zijn, concurrentiebeperkende praktijken gaan toepassen of voortzetten. In dit verband wordt onder concurrentiebeperkende praktijken met name het volgende verstaan:
a. het op concurrentiebeperkende wijze toepassen van kruissubsidiëring of het uithollen van de marges van concurrenten 47)[48] ;
b. het op concurrentiebeperkende wijze gebruiken van informatie van concurrenten;
c. het niet tijdig aan andere dienstverleners beschikbaar stellen van technische informatie over essentiële faciliteiten en van commercieel relevante informatie die deze dienstverleners voor het leveren van hun diensten nodig hebben.
1.
De regelgevende instantie van elke partij legt grote leveranciers overeenkomstig haar interne wetgeving en procedures de volgende aanvullende verplichtingen op, voor zover van toepassing:
a. verplichtingen inzake transparantie met betrekking tot interconnectie en/of toegang. Wanneer een grote leverancier verplichtingen inzake niet-discriminatie als bedoeld onder b) heeft, kan de regelgevende instantie van hem eisen dat hij een referentieofferte publiceert die voldoende gespecificeerd is om te garanderen dat leveranciers niet hoeven te betalen voor faciliteiten die voor de gewenste dienst niet noodzakelijk zijn. Deze referentieofferte bevat onder meer een omschrijving van de betrokken offertes, uitgesplitst in diverse elementen naar gelang van de marktbehoeften, en van de daaraan verbonden voorwaarden, inclusief tarieven;
b. verplichtingen inzake niet-discriminatie met betrekking tot interconnectie en/of toegang om ervoor te zorgen dat grote leveranciers op het grondgebied van een partij:
i. onder gelijkwaardige omstandigheden gelijkwaardige voorwaarden hanteren voor leveranciers van telecommunicatiediensten van een andere partij die gelijkwaardige diensten verlenen;
ii. aan andere leveranciers diensten en informatie aanbieden onder dezelfde voorwaarden en van dezelfde kwaliteit als die welke zij voor hun eigen diensten of diensten van hun dochterondernemingen of partners bieden;
c. verplichtingen inzake het terugverdienen van kosten en prijscontrole, inclusief verplichtingen inzake kostenoriëntering van prijzen en kostentoerekeningssystemen voor het verlenen van specifieke interconnectie- en/of toegangtypes;
d. verplichtingen om in te gaan op redelijke verzoeken van leveranciers van een andere partij om toegang te krijgen tot en gebruik te maken van bepaalde netwerkonderdelen en bijbehorende faciliteiten, onder andere wanneer de regelgevende instantie van mening is dat het weigeren van toegang of het opleggen van onredelijke voorwaarden van gelijke werking de ontwikkeling van een door duurzame concurrentie gekenmerkte detailhandelsmarkt zou belemmeren of niet in het belang van de eindgebruiker zou zijn.
2.
Ingevolge lid 1, onder d), kan van grote leveranciers onder meer worden geëist dat zij:
a. derden toegang verlenen tot bepaalde netwerkonderdelen en/of faciliteiten;
b. te goeder trouw onderhandelen met ondernemingen die om toegang verzoeken;
c. op groothandelsbasis bepaalde diensten aanbieden voor wederverkoop door derden;
d. toegang verlenen tot technische interfaces, protocollen of andere sleuteltechnologieën die onmisbaar zijn voor de interoperabiliteit van netwerken en die het mogelijk maken om op verzoek een interconnectie te realiseren via extra aansluitpunten, in aanvulling op de aan de meeste gebruikers aangeboden netwerkaansluitpunten, tegen een vergoeding die gebaseerd is op de kosten voor het aanleggen van de noodzakelijke aanvullende faciliteiten;
e. colocatie of andere vormen van gedeeld gebruik van faciliteiten aanbieden, inclusief gedeeld gebruik van kabelgoten, gebouwen of masten;
f. bepaalde diensten aanbieden die nodig zijn voor de interoperabiliteit van aan gebruikers geleverde eind-tot-eind-diensten, inclusief faciliteiten voor intelligente netwerkdiensten of roaming binnen mobiele netwerken;
g. zorgen voor interconnectie van netwerken of netwerkfaciliteiten.
1.
De regelgevende instanties voor telecommunicatiediensten zijn juridisch en functioneel onafhankelijk van leveranciers van telecommunicatiediensten.
2.
De regelgevende instantie heeft voldoende bevoegdheden om de sector te reguleren. De taken van de regelgevende instantie worden duidelijk en in een gemakkelijk toegankelijke vorm bekendgemaakt, in het bijzonder wanneer meer dan een orgaan met die taken is belast.
3.
De besluiten die de regelgevende instantie neemt en de procedures die zij toepast, zijn transparant en voor alle marktdeelnemers gelijk.
4.
Een door een besluit van een regelgevende instantie van Colombia getroffen leverancier kan in beroep gaan tegen dat besluit of om herziening verzoeken, al naar gelang het geval, bij een van de regelgevende instantie onafhankelijk orgaan.
5.
Een door een besluit van de regelgevende instantie van Peru of van de EU getroffen leverancier kan tegen dat besluit in beroep gaan bij een van de betrokken partijen onafhankelijk beroepsorgaan dat al dan niet een rechtscollege kan zijn.
6.
Wanneer een beroepsorgaan van een partij geen rechtscollege is, geeft zij steeds een schriftelijke motivering van haar beslissing en kunnen haar beslissingen door een onpartijdige en onafhankelijke rechterlijke autoriteit worden getoetst. Beslissingen van toetsings- of beroepsinstanties van een partij worden daadwerkelijk ten uitvoer gelegd.
1.
De partijen streven naar vereenvoudigde procedures voor de verlening van vergunningen voor telecommunicatiediensten.
2.
Krachtens de interne wetgeving van elke partij kan in verband met de toewijzing van nummers en frequenties een vergunning 49)[50] zijn vereist. De voorwaarden voor een dergelijke vergunning worden algemeen bekendgemaakt.
3.
Wanneer een vergunning vereist is:
a. worden alle vergunningscriteria en een redelijke termijn die normaliter nodig is om een beslissing over een vergunningaanvraag te nemen, algemeen bekendgemaakt;
b. worden de redenen voor afwijzing van een vergunning de aanvrager op diens verzoek schriftelijk meegedeeld;
c. kan de aanvrager bij afwijzing van zijn aanvraag een herziening van het daartoe strekkende besluit aanvragen en/of tegen dat besluit in beroep gaan, overeenkomstig de interne wetgeving van de desbetreffende partij;
d. zijn de door een partij verlangde vergoedingen voor een vergunning niet hoger dan de administratieve kosten die normaliter gemoeid zijn met het beheer van, het toezicht op en de handhaving van de toepasselijke vergunning 50)[51] .
1.
Elke partij zorgt ervoor dat iedere leverancier die een vergunning heeft voor het verlenen van telecommunicatiediensten op haar grondgebied, het recht heeft om met andere leveranciers van openbare telecommunicatienetwerken en -diensten te onderhandelen over interconnectie. In beginsel worden afspraken over interconnectie gemaakt op basis van commerciële onderhandelingen tussen de betrokken leveranciers.
2.
De regelgevende instanties van elke partij verlangen dat leveranciers die bij onderhandelingen over interconnectieafspraken informatie van een andere leverancier ontvangen, die informatie uitsluitend gebruiken voor het doel waarvoor die is verstrekt en dat zij de vertrouwelijkheid van verzonden of opgeslagen informatie te allen tijde respecteren.
3.
Op elk punt in het netwerk waar dat technisch haalbaar is, wordt gezorgd voor interconnectie met een grote leverancier. Deze interconnectie wordt geleverd:
a. op niet-discriminatoire voorwaarden (inclusief technische normen en specificaties) en tegen niet-discriminatoire tarieven, en met een kwaliteit die niet lager is dan die welke wordt geboden voor eigen soortgelijke diensten, voor soortgelijke diensten van niet-verbonden dienstverleners of voor dochterondernemingen of andere verbonden ondernemingen;
b. binnen een redelijke termijn en op voorwaarden (inclusief technische normen en specificaties) en tegen op de kosten gebaseerde tarieven die transparant, economisch redelijk en voldoende gespecificeerd zijn, zodat de leverancier niet hoeft te betalen voor netwerkonderdelen en -faciliteiten die hij voor de levering van zijn diensten niet nodig heeft;
c. op verzoek via extra aansluitpunten, in aanvulling op de aan de meeste gebruikers aangeboden netwerkaansluitpunten, tegen een vergoeding die gebaseerd is op de kosten voor het aanleggen van de noodzakelijke aanvullende faciliteiten.
4.
Elke partij ziet erop toe dat de procedures voor interconnectie met een grote leverancier algemeen worden bekendgemaakt.
5.
Elke partij schrijft voor dat grote leveranciers hun interconnectieovereenkomsten of referentieoffertes voor interconnectie, algemeen bekend moeten maken.
6.
Elke partij ziet erop toe dat een dienstverlener die om interconnectie met een grote leverancier verzoekt, te allen tijde, dan wel na een algemeen bekendgemaakte redelijke termijn, een beroep kan doen op een onafhankelijke intern orgaan, zoals de in artikel 143 bedoelde regelgevende instantie, om geschillen over de voorwaarden en tarieven voor interconnectie binnen een redelijke periode te beslechten.
Artikel 146. Schaarse middelen [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
Elke partij ziet erop toe dat alle procedures voor de toewijzing en het gebruik van schaarse middelen, zoals frequenties, nummers en doorgangsrechten, tijdig en op objectieve, transparante en niet-discriminatoire wijze worden toegepast. De stand van zaken met betrekking tot toegewezen frequentiebanden wordt algemeen bekendgemaakt, maar een gedetailleerde vermelding van de frequenties die voor specifiek gebruik door de overheid zijn toegewezen, is niet vereist.
1.
Elke partij heeft het recht vast te stellen welk soort universeledienstverplichtingen zij wil vaststellen of handhaven.
2.
De in lid 1 bedoelde verplichtingen worden niet automatisch geacht concurrentiebeperkend te zijn, mits zij op transparante, objectieve en niet-discriminatoire wijze worden toegepast. De toepassing van dergelijke verplichtingen is ook neutraal met betrekking tot de mededinging en niet belastender dan nodig is voor de soort universele dienst die door elke partij wordt vastgesteld.
3.
Alle leveranciers komen in aanmerking om de universele dienst te verzorgen en geen leverancier is a priori uitgesloten. De aanwijzing gebeurt door middel van een efficiënt, transparant en niet-discriminatoir mechanisme en in overeenstemming met de interne wetgeving.
a. voor gebruikers een gids beschikbaar is van alle abonnees met een vaste telefoonaansluiting, in een door de nationale regelgevende instantie goedgekeurde vorm, gedrukt, elektronisch of beide, en dat die gids regelmatig, maar in ieder geval een keer per jaar, wordt geactualiseerd;
b. organisaties die de onder a) bedoelde diensten verlenen, het beginsel van niet-discriminatie toepassen op de behandeling van informatie die zij van andere organisaties hebben gekregen.
Artikel 149. Vertrouwelijke informatie [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
Elke partij waarborgt het vertrouwelijke karakter van het telecommunicatieverkeer dat via een openbaar telecommunicatienetwerk en via openbare telecommunicatiediensten plaatsvindt, alsmede van de gegevens over dat verkeer, zonder daardoor de handel in diensten te beperken.
1.
Wanneer tussen leveranciers van openbare telecommunicatienetwerken of verleners van telecommunicatiediensten een geschil ontstaat in verband met uit deze afdeling voortvloeiende rechten en verplichtingen, geeft de regelgevende instantie van de betrokken partij op verzoek van een partij bij het geschil een bindende beslissing om het geschil op een zo kort mogelijke termijn op te lossen.
2.
Wanneer een dergelijk geschil het grensoverschrijdend verlenen van diensten betreft, coördineren de regelgevende instanties van de betrokken partijen hun inspanningen om een oplossing van het geschil te vinden.
Artikel 151. Toepassingsgebied [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
Deze afdeling bevat de beginselen van het regelgevingskader voor alle financiële diensten waarvoor in overeenstemming met de hoofdstukken 2 (Vestiging), 3 (Grensoverschrijdende dienstverlening) en 4 (Tijdelijke aanwezigheid van natuurlijke personen voor zaken) van deze titel verbintenissen zijn aangegaan. Deze afdeling is van toepassing op maatregelen die gevolgen hebben voor het verlenen van financiële diensten 51)[52] .
Artikel 152. Definities [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
Voor de toepassing van dit hoofdstuk en de hoofdstukken 2 (Vestiging), 3 (Grensoverschrijdende dienstverlening) en 4 (Tijdelijke aanwezigheid van natuurlijke personen voor zaken) van deze titel:
onder „financiële dienst” verstaan: elke dienst van financiële aard die wordt aangeboden door een financiële dienstverlener van een partij. Financiële diensten omvatten alle verzekeringen en aanverwante diensten en bankdiensten en andere financiële diensten (behalve verzekeringen). Financiële diensten omvatten de volgende activiteiten:
xii. verzekeringen en aanverwante diensten:
bankdiensten en andere financiële diensten (behalve verzekeringen):
aanvaarding van deposito’s en andere terugbetaalbare fondsen van het publiek;
alle soorten leningen, waaronder consumentenkrediet en hypotheken, factoring en financiering van commerciële transacties;
financiële lease;
alle diensten in verband met betalingsverkeer en de overmaking van geld, waaronder creditcards, betaalkaarten, debetkaarten, reischeques en bankwissels;
garanties en verbintenissen;
transacties voor eigen rekening of voor rekening van cliënten, op de beurs, de onderhandse markt of anderszins, ten aanzien van:
geldmarktinstrumenten (met inbegrip van cheques, effecten en depositocertificaten),
deviezen,
derivaten, met inbegrip van termijninstrumenten en opties,
wisselkoers- en rentetariefinstrumenten, waaronder producten als swaps en rentetermijncontracten,
verhandelbare effecten,
overige verhandelbare stukken en financiële activa, met inbegrip van ongemunt goud en zilver;
deelneming in de uitgifte van alle soorten effecten, met inbegrip van garantieverlening en plaatsing in de hoedanigheid van agent (openbaar dan wel particulier) en verlening van diensten in verband met deze uitgiften;
financiële bemiddeling;
beheer van activa, zoals beheer van contanten of portefeuillebeheer, alle vormen van beheer van collectieve investeringen, beheer van pensioenfondsen, diensten aangaande bewaarneming, depositodiensten en fiduciaire diensten;
betalings- en compensatiediensten in verband met financiële activa, waaronder begrepen effecten, derivaten en andere verhandelbare instrumenten;
verstrekking en doorgifte van financiële informatie en verwerking van financiële gegevens en daarop betrekking hebbende software;
advies-, bemiddelings- en andere ondersteunende financiële diensten voor alle onder i) tot en met xi) vermelde activiteiten, met inbegrip van kredietonderzoek en -analyse, onderzoek en advies aangaande investeringen en beleggingen, en advies over overnames en over bedrijfsreorganisaties en -strategieën;
iv. directe verzekering (met inbegrip van medeverzekering):
levensverzekering,
schadeverzekering;
herverzekering en retrocessie;
verzekeringsbemiddeling, zoals makelaars en agentschappen;
ondersteunende diensten voor verzekeringen, zoals adviseurs, actuarissen, risicobeoordeling en de regeling van schade-eisen;
wordt onder „financiële dienstverlener van een partij” verstaan: elke natuurlijke of rechtspersoon van een partij die financiële diensten wenst te verlenen of verleent, met uitzondering van openbare instanties;
wordt onder „nieuwe financiële dienst” verstaan: een dienst van financiële aard, met inbegrip van diensten in verband met bestaande of nieuwe producten of de wijze waarop een product wordt geleverd, die niet wordt verleend door een financiële dienstverlener op het grondgebied van een partij, maar op het grondgebied van een andere partij;
wordt onder „openbare instantie” verstaan:
a. een overheid, centrale bank of monetaire autoriteit van een partij, of een instantie die eigendom is van een partij of onder zeggenschap staat van een partij en die zich in hoofdzaak bezighoudt met de uitvoering van overheidstaken of activiteiten voor overheidsdoeleinden, met uitzondering van instanties die zich in hoofdzaak bezighouden met het verlenen van financiële diensten op commerciële basis;
b. een particuliere instantie, wanneer deze taken vervult die normaliter door een centrale bank of monetaire autoriteit worden vervuld;
wordt onder „zelfregulerende organisatie” verstaan: elk niet-gouvernementeel orgaan, met inbegrip van effecten- of termijnbeurzen of -markten, verrekenkantoren of andere organisaties of verenigingen die eigen of aan hun gedelegeerde regelgevings- of toezichtbevoegdheden ten aanzien van verleners van financiële diensten uitoefenen; een zelfregulerende organisatie wordt niet geacht een aangewezen monopolie in de zin van titel VIII (Mededinging) te zijn;
omvatten „diensten verleend in het kader van de uitoefening van overheidsgezag”: voor de toepassing van artikel 108 ook:
a. activiteiten van een centrale bank, monetaire autoriteit of andere openbare instantie voor de uitvoering van het monetaire of wisselkoersbeleid;
b. activiteiten in het kader van een wettelijk stelsel van sociale zekerheid of een wettelijke pensioenregeling;
c. andere door een openbare instantie voor rekening, met garantie of met gebruikmaking van financiële middelen van de overheid ondernomen activiteiten;
geldt voor de toepassing van de definitie in artikel 108 van „diensten verleend in het kader van de uitoefening van overheidsgezag” dat wanneer een partij toestaat dat een onder b) of c) genoemde activiteit door haar financiële dienstverleners in concurrentie met een openbare instantie of een financiële dienstverlener wordt verricht, deze activiteit onder de definitie van diensten in artikel 108 valt.
1.
Elke partij verleent onder de voorwaarden voor toekenning van nationale behandeling, aan op haar grondgebied gevestigde financiële dienstverleners van een andere partij toegang tot door openbare instanties geëxploiteerde betalings- en clearingsystemen, alsmede tot voor normale zakelijke transacties beschikbare officiële financierings- en herfinancieringsfaciliteiten. Dit lid beoogt geen toegang te verschaffen tot de faciliteiten van geldschieter in laatste instantie van een partij.
2.
Wanneer een partij:
a. het lidmaatschap van of deelneming in, dan wel de toegang tot een zelfregulerende organisatie, effecten- of termijnbeurs of effecten- of termijnmarkt, verrekenkantoor of andere organisatie of vereniging, voor financiële dienstverleners van een andere partij als voorwaarde stelt om op voet van gelijkheid met haar eigen financiële dienstverleners financiële diensten te kunnen verlenen, of
b. bedoelde entiteiten direct of indirect voorrechten of voordelen voor de verlening van financiële diensten toekent,
ziet die partij erop toe dat die entiteiten nationale behandeling toekennen aan financiële dienstverleners van een andere partij die op haar grondgebied ingezeten zijn.
1.
In afwijking van andere bepalingen van deze titel of titel V (Lopende betalingen en kapitaalverkeer) kan een partij prudentiële maatregelen vaststellen of handhaven, zoals:
a. de bescherming van investeerders, spaarders, polishouders of personen aan wie een financiële dienstverlener een fiduciair recht verschuldigd is;
b. het verzekeren van de integriteit en stabiliteit van haar financiële stelsel.
2.
De in lid 1 bedoelde maatregelen reiken niet verder dan noodzakelijk is voor het bereiken van het nagestreefde doel en maken geen oneigenlijk onderscheid tussen financiële diensten of dienstverleners van een andere partij en soortgelijke financiële diensten of dienstverleners van de partij in kwestie.
3.
Niets in deze overeenkomst wordt zodanig uitgelegd dat van een partij bekendmaking kan worden geëist van informatie over de zaken en rekeningen van individuele klanten of van vertrouwelijke of geheime informatie die in het bezit van openbare instanties is.
4.
Onverminderd andere prudentiële regelgeving inzake grensoverschrijdende financiële dienstverlening, kan een partij de registratie of machtiging van verleners van grensoverschrijdende financiële diensten van een andere partij en van financiële instrumenten verlangen.
1.
Elke partij stelt alles in het werk om alle belanghebbenden vooraf kennis te geven van een door haar beoogde maatregel van algemene strekking, zodat zij commentaar kunnen geven op die maatregel. Deze kennisgeving gebeurt als volgt:
a. door middel van een officiële publicatie; of
b. in een andere schriftelijke of elektronische vorm.
2.
Elke partij stelt belanghebbenden in kennis van haar voorschriften voor het indienen van aanvragen met betrekking tot financiële dienstverlening.
3.
Op verzoek van een aanvrager stelt de betrokken partij die aanvrager in kennis van de stand van zijn aanvraag. Wanneer de partij in kwestie aanvullende informatie van de aanvrager nodig heeft, stelt zij de aanvrager daarvan onverwijld in kennis.
4.
Elke partij zorgt er naar beste vermogen voor dat de internationale normen voor de regulering van en het toezicht op de financiëledienstensector en voor de strijd tegen het witwassen van geld en de financiering van terrorisme op haar grondgebied worden geïmplementeerd en toegepast. Bedoelde internationale normen zijn de Core Principle for Effective Banking Supervision van het Comité van Basel, de Insurance Core Principles and Methodology van de Internationale vereniging van verzekeringstoezichthouders, de Objectives and Principles of Securities Regulation van de Internationale organisatie van effectentoezichthouders, en de Forty Recommendations on Money Laundering en Nine Special Recommendations on Terrorist Financing van de Financiële-actiegroep.
5.
De partijen nemen bovendien nota van de Ten Key Principles for Information Exchange die door de ministers van Financiën van de G7 zijn aangenomen, de Agreement on Exchange of Information on Tax Matters van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling, hierna de „OESO” genoemd, en de Statement on Transparency and exchange of information for tax purposes van de G20.
Artikel 156. Nieuwe financiële diensten [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
Elke partij staat op haar grondgebied gevestigde financiële dienstverleners van een andere partij toe om soortgelijke nieuwe financiële diensten te verlenen als die waarvoor zij haar eigen financiële dienstverleners krachtens haar interne wetgeving onder soortgelijke omstandigheden toestemming verleent. Een partij kan de institutionele en rechtsvorm vaststellen waarin de nieuwe financiële dienst kan worden verleend en de verlening daarvan aan een vergunningsplicht onderwerpen. Wanneer een vergunning vereist is, wordt hierover binnen een redelijke termijn een besluit genomen en kan de vergunning uitsluitend worden geweigerd om prudentiële redenen.
1.
Elke partij staat op haar grondgebied gevestigde financiële dienstverleners van een andere partij toe om informatie in elektronische of andere vorm van en naar haar grondgebied te verzenden ten behoeve van gegevensverwerking, wanneer die gegevensverwerking noodzakelijk is voor de normale zakelijke transacties van een financiële dienstverlener.
2.
Elke partij neemt passende maatregelen ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer en tegen inmenging in het privé-leven, het gezinsleven, de woning of de correspondentie van mensen, in het bijzonder met betrekking tot de doorgifte van persoonsgegevens.
1.
Een partij kan de prudentiële maatregelen van een ander land erkennen door te bepalen op welke wijze de maatregelen betreffende financiële diensten van die partij worden toegepast. Deze erkenning, door middel van harmonisatie of anderszins, kan worden gebaseerd op een overeenkomst of regeling met het betrokken land, of zij kan autonoom worden gegeven.
2.
Een partij die partij is bij een in lid 1 bedoelde toekomstige dan wel bestaande overeenkomst of regeling, geeft een andere partij voldoende gelegenheid om over toetreding tot die overeenkomst of regeling te onderhandelen of met haar over daarmee vergelijkbare overeenkomsten of regelingen te onderhandelen, in omstandigheden wanneer er sprake is van gelijkwaardigheid van regelgeving, toezicht en tenuitvoerlegging van die regelgeving en, indien van toepassing, wanneer er procedures zijn voor de uitwisseling van informatie tussen de partijen bij de overeenkomst of regeling. Wanneer een partij autonoom tot erkenning overgaat, geeft zij een andere partij voldoende gelegenheid om aan te tonen dat deze omstandigheden bestaan.
1.
Niets in deze titel wordt zodanig uitgelegd dat zij voor een partij, met inbegrip van haar openbare instanties, een beletsel vormt om op haar grondgebied exclusief activiteiten of diensten te verrichten of aan te bieden in het kader van een wettelijke pensioenregeling of een wettelijk stelsel van sociale zekerheid, tenzij financiële dienstverleners deze activiteiten krachtens de interne regelgeving van die partij in concurrentie met openbare instanties of particuliere instellingen mogen uitoefenen.
2.
Niets in deze overeenkomst is van toepassing op activiteiten of maatregelen van een centrale bank, monetaire, deviezen- of kredietautoriteit of andere openbare instantie voor de uitvoering van monetair en daaraan gerelateerd krediet- of wisselkoersbeleid.
3.
Niets in deze titel wordt uitgelegd als beletsel voor een partij, met inbegrip van haar openbare instanties, om op haar grondgebied exclusief activiteiten of diensten te verrichten of aan te bieden voor rekening, met garantie of met gebruikmaking van financiële middelen van die partij of haar openbare instanties.
1.
Deze afdeling bevat de beginselen voor het internationaal zeevervoer waarvoor in overeenstemming met de hoofdstukken 2 (Vestiging), 3 (Grensoverschrijdende dienstverlening) en 4 (Tijdelijke aanwezigheid van natuurlijke personen voor zaken) van deze titel verbintenissen zijn aangegaan.
2.
Gezien het huidige niveau van de liberalisering tussen de partijen op het gebied van het internationale zeevervoer:
a. past elke partij het beginsel van onbeperkte toegang tot de internationale markten voor zeevervoer op commerciële en niet-discriminatoire grondslag daadwerkelijk toe;
b. kent elke partij aan vaartuigen die de vlag van een andere partij voeren of die door dienstverleners van een andere partij worden geëxploiteerd, een behandeling toe die niet minder gunstig is dan die welke zij aan haar eigen vaartuigen toekent ten aanzien van onder meer de toegang tot havens, het gebruik van infrastructuur en ondersteunende havendiensten voor zeevervoer, evenals de daarmee verband houdende vergoedingen en heffingen, douanediensten en de toewijzing van aanlegplaatsen en laad- en losfaciliteiten.
3.
Bij de toepassing van deze beginselen:
a. neemt geen van de partijen in toekomstige bilaterale overeenkomsten met derden een vrachtverdelingsregeling met betrekking tot zeevervoerdiensten op, waaronder begrepen vervoerdiensten voor droge en vloeibare bulkladingen en lijnvervoer, en zeggen de partijen eventuele vrachtverdelingsregelingen in eerdere bilaterale overeenkomsten binnen een redelijke termijn op;
b. heft elke partij bij de inwerkingtreding van deze overeenkomst alle unilaterale maatregelen en administratieve, technische en andere belemmeringen op die een verkapte beperking kunnen zijn van of een discriminatoir effect kunnen hebben op het vrij verrichten van diensten in het internationale zeevervoer, en zien zij af van invoering ervan.
4.
Elke partij staat verleners van diensten op het gebied van het internationale zeevervoer, waaronder begrepen scheepsagenten, van een andere partij toe op haar grondgebied een vestiging te hebben, onder voorwaarden, wat vestiging en exploitatie betreft, die niet minder gunstig zijn dan die welke zij toekent aan haar eigen dienstverleners of aan dienstverleners uit derde landen, indien deze laatsten betere voorwaarden genieten.
5.
Elke partij geeft verleners van diensten op het gebied van het internationale zeevervoer van een andere partij op redelijke en niet-discriminatoire voorwaarden toegang tot de volgende havendiensten: loodsen, sleepboothulp, bevoorrading met levensmiddelen, brandstof en water, ophalen en verwerken van afval, kapiteinsdiensten, navigatiehulp, diensten vanaf de wal die essentieel zijn voor het functioneren van een schip, waaronder communicatie, water- en elektriciteitsvoorziening, faciliteiten voor noodreparaties, verankering, aan- en afmeren.
Artikel 161. Definities [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
Voor de toepassing van deze afdeling en de hoofdstukken 2 (Vestiging), 3 (Grensoverschrijdende dienstverlening) en 4 (Tijdelijke aanwezigheid van natuurlijke personen voor zaken) van deze titel:
wordt onder „diensten in verband met de opslag van containers” verstaan: de opslag van containers op haventerreinen of verder landinwaarts, om ze te laden of te lossen, te repareren en gereed te maken voor verscheping;
wordt onder „in- en uitklaring” verstaan: de afhandeling van douaneformaliteiten namens een derde met betrekking tot de in-, uit- of doorvoer van vracht, ongeacht of deze dienst de hoofdactiviteit van de dienstverlener is of een gebruikelijke aanvulling op diens hoofdactiviteit;
wordt onder „expediteursdiensten” verstaan: de activiteit waarbij namens een verzender de verscheping wordt georganiseerd en gevolgd, door vervoers- en aanverwante diensten te contracteren, documenten op te stellen en bedrijfsinformatie te verschaffen;
omvat „internationaal zeevervoer” ook vervoer van deur tot deur en multimodaal vervoer, zijnde het vervoer van goederen met behulp van meer dan één wijze van vervoer, waaronder vervoer over zee, met een enkel vervoersdocument, en in verband daarmee ook het recht om rechtstreeks contracten te sluiten met ondernemingen op het gebied van andere wijzen van vervoer;
wordt onder „diensten van scheepsagenten” verstaan: activiteiten waarbij de zakelijke belangen van een of meer scheepvaartlijnen of scheepvaartmaatschappijen binnen een bepaald geografisch gebied door een agent worden behartigd voor de volgende doeleinden:
a. marketing en verkoop van zeevervoer en aanverwante diensten, van prijsopgave tot facturering, alsmede het afgeven van vrachtbrieven namens de maatschappijen, het contracteren en weer verkopen van de nodige aanverwante diensten, het opstellen van documenten en het verschaffen van bedrijfsinformatie;
b. het organiseren, namens scheepvaartmaatschappijen, van de afroep van aanvragen om scheepsruimte of, indien nodig, het overnemen van vracht;
wordt onder „behandeling van zeevracht” verstaan: activiteiten van stuwadoorsbedrijven en terminalexploitanten, maar zonder de activiteiten van dokwerkers, wanneer deze niet door de stuwadoorsbedrijven of terminalexploitanten zijn tewerkgesteld. De hier bedoelde activiteiten omvatten de organisatie van en het toezicht op:
a. het laden en lossen van schepen,
b. het sjorren en losmaken van vracht,
c. het in ontvangst nemen/afleveren en bewaken van vracht vóór verscheping of na lossing.
1.
De partijen erkennen dat elektronische handel de handelsmogelijkheden in veel sectoren verruimt en komen overeen de ontwikkeling van hun onderlinge elektronische handel te bevorderen, met name door samenwerking bij kwesties die in het kader van de bepalingen van deze titel door elektronische handel worden opgeworpen.
2.
De partijen zijn het erover eens dat de ontwikkeling van elektronische handel in overeenstemming moet zijn met de internationale normen inzake gegevensbescherming, zodat de gebruikers vertrouwen in elektronische handel hebben.
3.
Leveringen via elektronische middelen worden geacht leveringen van diensten in de zin van hoofdstuk 3 (Grensoverschrijdende dienstverlening) te zijn, waarover geen douanerechten zijn verschuldigd.
1.
De partijen onderhouden een dialoog over regelgevingskwesties in verband met elektronische handel, waarbij onder meer wordt ingegaan op:
a. erkenning van aan het publiek afgegeven certificaten voor elektronische handtekeningen en bevordering van grensoverschrijdende certificeringsdiensten;
b. aansprakelijkheid van intermediairs bij de doorgifte of opslag van informatie;
c. behandeling van ongevraagde elektronische commerciële communicatie;
d. bescherming van consumenten tegen onder meer frauduleuze en misleidende handelspraktijken bij grensoverschrijdende elektronische handel;
e. bescherming van persoonsgegevens;
f. bevordering van papierloze handel;
g. andere kwesties die van belang zijn voor de ontwikkeling van elektronische handel.
2.
Deze samenwerking neemt de vorm aan van onder meer het uitwisselen van informatie over relevante wetgeving en jurisprudentie van de partijen en de uitvoering van die wetgeving.
Artikel 164. Bescherming van persoonsgegevens [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
De partijen streven ernaar, voor zover mogelijk en binnen hun respectieve bevoegdheidsgebied, om regelgeving voor de bescherming van persoonsgegevens te ontwikkelen of, naar gelang van het geval, te handhaven.
Artikel 165. Beheer van papierloze handel [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
De partijen streven ernaar, voor zover mogelijk en binnen hun respectieve bevoegdheidsgebied, om:
a. handelsdocumenten in elektronische vorm openbaar te maken;
b. de elektronische en papieren versie van handelsdocumenten 52)[53] als juridisch gelijkwaardig te beschouwen.
1.
De partijen erkennen het belang van het handhaven dan wel vaststellen van transparante en effectieve maatregelen ter bescherming van consumenten tegen frauduleuze en misleidende handelspraktijken bij elektronische handel.
2.
De partijen erkennen het belang van een betere consumentenbescherming en nauwere samenwerking tussen interne consumentenbescherminginstanties bij activiteiten in verband met elektronische handel.
1.
Mits maatregelen niet zodanig worden toegepast dat zij een middel tot willekeurige of ongerechtvaardigde discriminatie tussen de partijen of een verkapte beperking van het recht van vestiging of van grensoverschrijdende dienstverlening vormen, wordt niets in deze titel en titel V (Lopende betalingen en kapitaalverkeer) uitgelegd als beletsel voor het vaststellen of toepassen door een partij van maatregelen die:
a. noodzakelijk zijn voor het beschermen van de openbare veiligheid of de openbare zeden of voor het handhaven van de openbare orde 53)[54] ;
b. noodzakelijk zijn voor de bescherming van leven en gezondheid van mensen, dieren of planten, waaronder begrepen de hiertoe noodzakelijke milieumaatregelen;
c. betrekking hebben op de instandhouding van levende en niet-levende uitputbare natuurlijke hulpbronnen, mits die maatregelen met beperkingen voor interne investeerders of met beperkingen van het interne aanbod of verbruik van diensten gepaard gaan;
d. noodzakelijk zijn voor de bescherming van nationaal artistiek, historisch of archeologisch erfgoed;
e. noodzakelijk zijn voor de handhaving van wet- of regelgeving die niet in strijd is met de bepalingen van deze titel en titel V (Lopende betalingen en kapitaalverkeer) 54)[55] , met inbegrip van wet- of regelgeving betreffende:
i. het voorkómen van misleidende of frauduleuze praktijken of middelen om de gevolgen van niet-nakoming van contracten te compenseren,
ii. de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in verband met de verwerking en verspreiding van persoonsgegevens en de bescherming van de vertrouwelijke aard van persoonlijke dossiers en rekeningen;
iii. veiligheid.
2.
De bepalingen van deze titel, de bijlagen VII (Lijst van verbintenissen inzake vestiging) en VIII (Lijst van verbintenissen inzake grensoverschrijdende dienstverlening) en titel V (Lopende betalingen en kapitaalverkeer) zijn niet van toepassing op de respectieve socialezekerheidsstelsels van de partijen of op activiteiten op het grondgebied van een partij die verband houden, al was het maar incidenteel, met de uitoefening van overheidsgezag.
Artikel 168. Lopende rekening [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
De partijen verbinden zich ertoe om overeenkomstig de bepalingen van artikel VIII van de Statuten van het Internationaal Monetair Fonds machtiging te verlenen voor alle betalingen en overdrachten in vrij converteerbare valuta op de lopende rekening van de betalingsbalans tussen de partijen.
Artikel 169. Kapitaalrekening [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
Wat de verrichtingen op de kapitaalrekening en financiële rekening van de betalingsbalans betreft, verbinden de partijen zich ertoe om na de inwerkingtreding van deze overeenkomst geen beperkingen te stellen aan het vrije kapitaalverkeer met betrekking tot directe investeringen 55)[56] in rechtspersonen die volgens het recht van het gastland zijn opgericht en investeringen en andere transacties die overeenkomstig de bepalingen van titel IV (Handel in diensten, vestiging en elektronische handel) 56)[57] worden verricht, alsook met betrekking tot de liquidatie en repatriëring van deze investeringen en de opbrengsten daarvan.
1.
Voor Colombia geldt dat wanneer, in uitzonderlijke omstandigheden, betalingen en kapitaalverkeer ernstige moeilijkheden veroorzaken of dreigen te veroorzaken voor de uitvoering van het monetair of wisselkoersbeleid van dat land, Colombia de mogelijkheid heeft om voor een periode van maximaal een jaar vrijwaringsmaatregelen met betrekking tot het kapitaalverkeer te nemen. Deze vrijwaringsmaatregelen kunnen op gerechtvaardigde gronden voor een langere periode worden toegepast wanneer de uitzonderlijke omstandigheden die aan deze maatregelen ten grondslag liggen, dat noodzakelijk maken. In dat geval stelt Colombia de andere partijen van tevoren in kennis van de redenen die handhaving van de maatregelen rechtvaardigen.
2.
Voor Peru en de EU geldt dat wanneer, in uitzonderlijke omstandigheden, betalingen en kapitaalverkeer ernstige moeilijkheden veroorzaken of dreigen te veroorzaken voor de uitvoering van het monetair of wisselkoersbeleid van Peru of de Europese Unie, Peru en de EU de mogelijkheid hebben om voor een periode van maximaal een jaar vrijwaringsmaatregelen met betrekking tot het kapitaalverkeer te nemen.
3.
De geldigheidsduur van vrijwaringsmaatregelen krachtens lid 2 kan in buitengewoon uitzonderlijke omstandigheden worden verlengd door de formele wederinstelling ervan, nadat de betrokken partijen vooraf hierover hebben overlegd.
4.
In geen geval worden de in de leden 1 en 2 bedoelde maatregelen gebruikt als middel tot handelsbescherming of bescherming van een specifieke bedrijfstak.
5.
Wanneer een partij krachtens lid 1, 2 of 3 vrijwaringsmaatregelen vaststelt of handhaaft, informeert zij de andere partijen onverwijld over het belang en het toepassingsgebied van die maatregelen en legt zij hun zo spoedig mogelijk een tijdschema voor de opheffing ervan voor.
Artikel 171. Slotbepalingen [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
Teneinde een stabiel en veilig klimaat voor langetermijninvesteringen te bevorderen, treden de partijen met elkaar in overleg om het onderlinge kapitaalverkeer te vergemakkelijken en in het bijzonder om de geleidelijke liberalisering van financiële en kapitaalrekeningen te bevorderen.
Artikel 172. Definities [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
Voor de toepassing van deze titel wordt verstaan onder:
„BOT-contract en concessieovereenkomst voor openbare werken”: elke contractuele overeenkomst met als hoofddoel de aanleg of verbetering van fysieke infrastructuur, fabrieken, gebouwen, inrichtingen of andere overheidswerken waarbij de aanbestedende dienst de aannemer, als tegenprestatie voor de uitvoering van het contract, bedoelde werken voor een gespecificeerde periode in eigendom geeft of, voor de duur van het contract, de zeggenschap over en het recht op exploitatie van bedoelde werken, alsook het recht om een vergoeding te vragen voor gebruik ervan;
„handelsgoederen of -diensten”: goederen of diensten die in de regel op de markt worden verkocht of te koop worden aangeboden aan, en in de regel worden aangekocht door, niet-overheidskopers voor niet-overheidsdoeleinden;
„dienst van de bouwnijverheid”: dienst die gericht is op de uitvoering, ongeacht op welke wijze, van civieltechnische of bouwkundige werken in de zin van afdeling 51 van de voorlopige centrale productclassificatie van de Verenigde Naties, hierna de „CPPC” genoemd;
„elektronische veiling”: een zich herhalend proces waarbij leveranciers langs elektronische weg nieuwe prijzen opgeven, of nieuwe waarden voor kwantificeerbare, niet op de prijs betrekking hebbende en met de evaluatiecriteria samenhangende onderdelen van de inschrijving, of beide, en waardoor een rangorde van inschrijvingen tot stand komt of die rangorde wordt gewijzigd;
„schriftelijk”: bij wijze van een informatie-eenheid die is uitgedrukt in woorden of cijfers en die kan worden gelezen, gereproduceerd en vervolgens doorgegeven. De term kan ook betrekking hebben op elektronisch doorgegeven en opgeslagen informatie;
„onderhandse aanbesteding”: methode van aanbesteding waarbij de aanbestedende dienst een leverancier of leveranciers van zijn keuze aanzoekt;
„maatregel”: een wet, voorschrift, procedure, administratieve richtsnoer of praktijk, dan wel een handeling van een aanbestedende dienst, betreffende een onder deze titel vallende overheidsopdracht;
„lijst voor veelvuldig gebruik”: lijst van leveranciers die volgens een aanbestedende dienst voldoen aan de voorwaarden om op die lijst te worden geplaatst en van wie de aanbestedende dienst meer dan eens gebruik denkt te maken;
„bericht van aanbesteding”: bekendmaking van een aanbestedende dienst waarin belangstellende leveranciers worden uitgenodigd een verzoek om deelname in te dienen, in te schrijven of beide;
„bijzondere voorwaarde”: voorwaarde of verbintenis die de plaatselijke ontwikkeling aanmoedigt of de betalingsbalans van een partij verbetert, bijvoorbeeld betreffende het gebruik van binnenlandse producten, het in licentie geven van technologie, investeringen, compenserende handel en vergelijkbare maatregelen of vereisten;
„openbare aanbesteding”: methode van aanbesteding waarbij alle belangstellende leveranciers kunnen inschrijven;
„aanbestedende dienst”: dienst van een partij die in de lijst in aanhangsel 1 van bijlage XII (Overheidsopdrachten) staat vermeld;
„erkende leverancier”: leverancier die door een aanbestedende dienst is erkend als leverancier die aan de voorwaarden voor deelname voldoet;
„aanbesteding met voorafgaande selectie”: methode van aanbesteding waarbij de aanbestedende dienst uitsluitend erkende leveranciers tot inschrijven uitnodigt;
„diensten”: alle diensten, met inbegrip van diensten van de bouwnijverheid, tenzij anders bepaald;
„technische specificatie”: vereiste in een aanbestedingsprocedure ten aanzien van:
a. de kenmerken waaraan de aan te schaffen goederen of diensten moeten voldoen, zoals kwaliteit, prestaties, veiligheid en afmetingen, of vereisten betreffende productie- of leveringsprocessen en -methoden;
b. de terminologie en symbolen die in verband met een product of dienst moeten worden gebruikt en eventuele verpakkings-, markerings- of etiketteringeisen.
1.
Deze titel is van toepassing op alle door een partij vastgestelde maatregelen die betrekking hebben op overheidsopdrachten die onder deze titel vallen.
2.
Voor de toepassing van deze titel wordt verstaan onder „overheidsopdrachten die onder deze titel vallen”: de aanschaf voor overheidsdoeleinden van goederen, diensten of een combinatie daarvan, zoals voor elke partij is gespecificeerd in aanhangsel 1 van bijlage XII (Overheidsopdrachten), die aan volgende voorwaarden voldoen:
a. zij worden niet aangeschaft voor commerciële verkoop of wederverkoop of voor gebruik bij de productie of levering van goederen of diensten voor commerciële verkoop of wederverkoop;
b. zij worden door middel van een contract aangeschaft, waaronder koop-, huurkoop-, lease- of huurcontracten, met of zonder koopoptie, BOT-contracten en concessieovereenkomsten voor openbare werken;
c. zij hebben op het moment van publicatie van het bericht van aanbesteding overeenkomstig artikel 176, een waarde die gelijk is aan of hoger is dan de toepasselijke drempelwaarde die voor elke partij in aanhangsel 1 van bijlage XII (Overheidsopdrachten) is gespecificeerd;
d. zij worden aangeschaft door een aanbestedende dienst;
e. zij zijn niet anderszins van het toepassingsgebied van deze titel uitgesloten.
3.
Voor zover niet anders is bepaald, is deze titel niet van toepassing op:
a. de verwerving of huur van grond, bestaande gebouwen of andere onroerende goederen of de rechten daarop;
b. niet-contractuele overeenkomsten of enige vorm van bijstand die een partij verleent, met inbegrip van samenwerkingsovereenkomsten, subsidies, leningen, kapitaalinjecties, garanties, steunbetuigingen en fiscale stimuleringsmaatregelen;
c. de aanschaf of verwerving van diensten van belastingadviseurs of depositarissen, diensten in verband met de liquidatie of met het beheer van gereglementeerde financiële instellingen, of diensten in verband met de verkoop, aflossing en distributie van staatsschuld, waaronder leningen, staatsobligaties, promessen en andere effecten 57)[58] ;
d. arbeidsovereenkomsten voor werk bij de overheid en gerelateerde maatregelen;
e. opdrachten die worden aanbesteed:
i. met het specifieke doel internationale bijstand, met inbegrip van ontwikkelingshulp, te verlenen;
ii. in het kader van een bijzondere procedure of krachtens een bijzondere voorwaarde van een internationale overeenkomst betreffende:
A. de legering van strijdkrachten; of
B. de gezamenlijke uitvoering van een project door de landen bij partij zijn bij die overeenkomst;
iii. in het kader van een bijzondere procedure of krachtens een bijzondere voorwaarde van een internationale organisatie, of gefinancierd door een internationale subsidie, lening of andere vorm van steun, wanneer die procedure of voorwaarde niet in overeenstemming is met deze titel.
4.
Elke partij verstrekt in de overeenkomstige subsecties van aanhangsel 1 van bijlage XII (Overheidsopdrachten) de volgende informatie:
a. in subsectie 1, de centrale-overheidsdiensten waarvan de aanbestedingen onder deze titel vallen;
b. in subsectie 2, de lagere-overheidsdiensten waarvan de aanbestedingen onder deze titel vallen;
c. in subsectie 3, alle overige diensten waarvan de aanbestedingen onder deze titel vallen;
d. in subsectie 4, de goederen die onder deze titel vallen;
e. in subsectie 5, de diensten, andere dan diensten van de bouwnijverheid, die onder deze titel vallen;
f. in subsectie 6, de diensten van de bouwnijverheid die onder deze titel vallen;
g. in subsectie 7, algemene aantekeningen.
5.
Wanneer een aanbestedende dienst voor onder deze titel vallende overheidsopdrachten van personen die niet vallen onder aanhangsel 1 van bijlage XII (Overheidsopdrachten) van een partij, verlangt dat zij bij het plaatsen van opdrachten bepaalde voorschriften in acht nemen, is artikel 175 van overeenkomstige toepassing op die voorschriften.
6.
Bij het ramen van de waarde van een overheidsopdracht om te bepalen of deze onder deze titel valt, splitst een aanbestedende dienst die opdracht niet in afzonderlijke opdrachten, noch kiest of gebruikt hij een bijzondere methode van om de waarde van de opdracht te ramen, teneinde deze geheel of gedeeltelijk buiten het toepassingsgebied van deze titel te laten vallen.
7.
De aanbestedende dienst gaat uit van de geraamde maximale totale waarde van de overheidsopdracht voor de gehele duur van het contract, ongeacht of het contract aan een of meer leveranciers wordt gegund, waarbij rekening wordt gehouden met alle vormen van vergoeding, met inbegrip van premies, honoraria, provisies commissielonen en rente. Wanneer de overheidsopdracht voorziet in de mogelijkheid van optionele clausules, gaat de aanbestedende dienst uit van de geraamde maximale totale waarde van de opdracht, inclusief optionele aankopen.
8.
Wanneer een individueel aanbestedingsvereiste tot gevolg heeft dat meer dan een opdracht wordt gegund of een opdracht in stukken wordt geknipt en elk onderdeel afzonderlijk wordt gegund, hierna „herhalingsopdrachten” genoemd, wordt de berekening van de geraamde maximale totale waarde gebaseerd op:
a. de maximale totale waarde van de opdracht voor de gehele duur ervan; of
b. de waarde van herhalingsopdrachten voor hetzelfde soort goederen of diensten die gedurende de voorafgaande twaalf maanden of het voorafgaande begrotingsjaar van de aanbestedende dienst zijn gegund, zo mogelijk gecorrigeerd voor verwachte veranderingen in de hoeveelheid of waarde van de betreffende goederen of diensten in de volgende periode van twaalf maanden; of
c. de geraamde waarde van herhalingsopdrachten voor hetzelfde soort goederen of diensten die gedurende de twaalf maanden na de gunning van het eerste contract of gedurende het begrotingsjaar van de aanbestedende dienst zullen worden gegund.
9.
Niets in deze titel belet een partij nieuw beleid, nieuwe procedures of nieuwe contractuele middelen voor overheidsopdrachten te ontwikkelen, mits deze in overeenstemming zijn met het bepaalde in deze titel.
Artikel 174. Uitzonderingen [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
Mits maatregelen niet zodanig worden toegepast dat zij een middel tot willekeurige of ongerechtvaardigde discriminatie tussen de partijen of een verkapte beperking van de internationale handel vormen, wordt niets in deze titel uitgelegd als beletsel voor het vaststellen of handhaven door een partij van maatregelen die:
a. noodzakelijk zijn voor het beschermen van de openbare zeden, de openbare orde of de veiligheid;
b. noodzakelijk zijn voor de bescherming van het leven en de gezondheid van mens, dier of plant, waaronder begrepen de hiervoor noodzakelijke milieumaatregelen;
c. noodzakelijk zijn voor de bescherming van de intellectuele eigendom;
d. betrekking hebben op goederen of diensten van personen met een handicap of liefdadige instellingen of die het voortbrengsel zijn van gevangenisarbeid.
1.
Voor elke maatregel betreffende onder deze titel vallende overheidsopdrachten geldt dat:
a. de EU, inclusief haar aanbestedende diensten 58)[59] , de goederen en diensten van de overeenkomstsluitende Andeslanden en de leveranciers van de overeenkomstsluitende Andeslanden die deze goederen of diensten aanbieden, onmiddellijk en onvoorwaardelijk niet minder gunstig behandelt dan haar eigen goederen, diensten en leveranciers;
b. elk overeenkomstsluitend Andesland, inclusief zijn aanbestedende diensten, de goederen en diensten van de EU en de leveranciers van de EU die deze goederen of diensten aanbieden, onmiddellijk en onvoorwaardelijk niet minder gunstig behandelt dan zijn eigen goederen, diensten en leveranciers.
2.
Voor elke maatregel betreffende onder deze titel vallende overheidsopdrachten geldt dat een partij, inclusief haar aanbestedende diensten:
a. een plaatselijk gevestigde leverancier niet minder gunstig behandelt dan een andere plaatselijk gevestigde leverancier op grond van de mate waarin het kapitaal ervan of de zeggenschap erover in buitenlandse handen is;
b. een plaatselijk gevestigde leverancier niet discrimineert op grond van het feit dat de goederen of diensten die door die leverancier voor een bepaalde opdracht worden aangeboden, afkomstig zijn van een andere partij.
3.
Een aanbestedende dienst ziet erop toe dat onder deze titel vallende overheidsopdrachten op transparante en onpartijdige wijze worden aanbesteed, zodat belangenconflicten en corruptie worden voorkomen.
4.
In overeenstemming met het bepaalde in deze titel maakt een aanbestedende dienst gebruik van methoden als openbare aanbesteding, aanbesteding met voorafgaande selectie en onderhandse aanbesteding overeenkomstig de op hem van toepassing zijnde interne wetgeving.
5.
Wanneer een onder deze titel vallende overheidsopdracht wordt aanbesteed met gebruikmaking van elektronische middelen:
a. ziet de aanbestedende dienst erop toe dat voor de aanbesteding, en voor de authenticatie en encryptie van informatie, informatietechnologiesystemen en software worden gebruikt die algemeen beschikbaar zijn en interoperabel zijn met andere algemeen beschikbare informatietechnologiesystemen en software;
b. hanteert de aanbestedende dienst mechanismen die de integriteit van verzoeken om deelname en van inschrijvingen waarborgen, onder meer door het tijdstip van ontvangst te registreren en ongeoorloofde toegang te voorkomen.
6.
Geen van de partijen past, voor onder deze titel vallende overheidsopdrachten, op goederen of diensten die uit een andere partij worden ingevoerd respectievelijk verleend, andere oorsprongsregels toe dan die welke op het moment van invoer of verlening in het kader van normale handelstransacties van toepassing zijn op de invoer van dezelfde goederen of de verlening van dezelfde diensten uit dezelfde partij.
7.
Behoudens de bepalingen van deze titel of de bijlage erbij, onthouden de partijen zich van (pogingen tot) het opleggen of handhaven van bijzondere voorwaarden en houden zij evenmin hiermee rekening.
8.
De leden 1 en 2 zijn niet van toepassing op douanerechten en heffingen van ongeacht welke aard die bij invoer of in verband met invoer worden geïnd, noch op de wijze van inning van dergelijke rechten en heffingen, noch op andere invoerregelingen en -formaliteiten, noch op maatregelen die gevolgen hebben voor de handel in diensten andere dan maatregelen betreffende onder deze titel vallende overheidsopdrachten.
1.
Elke partij:
a. publiceert onverwijld alle maatregelen van algemene strekking betreffende onder deze titel vallende overheidsopdrachten, alsmede alle wijzigingen daarvan, in officieel daarvoor aangewezen elektronische of gedrukte media die op ruime schaal worden verspreid en gemakkelijk toegankelijk blijven voor het publiek;
b. verstrekt andere partijen desgevraagd een toelichting op deze maatregelen;
c. vermeldt in aanhangsel 2 van bijlage XII (Overheidsopdrachten) de elektronische of gedrukte media waarin zij de onder a) gespecificeerde informatie publiceert;
d. vermeldt in aanhangsel 3 van bijlage XII (Overheidsopdrachten) de elektronische of gedrukte media waarin zij de ingevolge dit artikel, artikel 177, artikel 180, lid 1, en artikel 188, lid 2, vereiste berichten publiceert.
2.
Elke partij stelt de andere partijen onverwijld in kennis van wijzigingen van de in aanhangsel 2 en 3 van bijlage XII (Overheidsopdrachten) door haar vermelde informatie.
1.
Voor elke onder deze titel vallende overheidsopdracht publiceert de aanbestedende dienst, behalve in de omstandigheden beschreven in artikel 185, een bericht van aanbesteding in de media daarvoor, die staan vermeld in aanhangsel 3 van bijlage XII (Overheidsopdrachten). In elk van die berichten staat de in aanhangsel 4 van bijlage XII (Overheidsopdrachten) gespecificeerde informatie. De berichten zijn langs elektronische weg kosteloos beschikbaar via één toegangspunt.
2.
Elke partij moedigt haar aanbestedende diensten aan de aanbestedingsplannen zo vroeg mogelijk in het begrotingsjaar aan te kondigen. De aankondiging dient het onderwerp van de overheidsopdracht en de geplande datum van publicatie van het bericht van aanbesteding te bevatten.
3.
Aanbestedende diensten die vermeld zijn in subsectie 3 van aanhangsel I van bijlage XII (Overheidsopdrachten) kunnen de aankondiging van geplande aanbestedingen als bericht van aanbesteding gebruiken, mits de aankondiging zoveel mogelijk van de in aanhangsel 4 van bijlage XII gespecificeerde informatie bevat, alsmede een verklaring dat leveranciers hun belangstelling voor de opdracht bij de aanbestedende dienst bekend kunnen maken.
1.
Aanbestedende diensten beperken eventuele voorwaarden voor deelname aan een aanbesteding tot wat noodzakelijk is om te waarborgen dat de leverancier over de juridische en financiële capaciteit en de commerciële en technische vaardigheden beschikt om de desbetreffende opdracht uit te voeren.
2.
Bij de beoordeling of een leverancier aan de voorwaarden voor deelname voldoet, beoordeelt de aanbestedende dienst de financiële, commerciële en technische vaardigheden van de leverancier op basis van diens zakelijke activiteiten op en buiten het grondgebied van de partij waartoe de aanbestedende dienst behoort, en stelt zij de deelname van een leverancier niet afhankelijk van de voorwaarde dat aan die leverancier reeds eerder een of meer opdrachten zijn gegund door een aanbestedende dienst van een bepaalde partij of dat de leverancier reeds eerder werkzaamheden op het grondgebied van die partij heeft verricht.
3.
De aanbestedende dienst baseert de in lid 2 bedoelde beoordeling op de voorwaarden die hij vooraf in het bericht van aanbesteding of het aanbestedingsdossier heeft gespecificeerd.
4.
Een leverancier kan door de aanbestedende dienst worden uitgesloten op grond van faillissement, onjuiste verklaringen, aanzienlijke of voortdurende tekortkomingen in de nakoming van een wezenlijke eis of verplichting bij een eerdere opdracht of eerdere opdrachten, veroordeling wegens een ernstig misdrijf of andere veroordelingen wegens ernstige strafbare feiten, fouten bij de beroepsuitoefening of belastingontduiking.
5.
De aanbestedende dienst kan de inschrijver vragen in zijn inschrijving aan te geven welk gedeelte van de opdracht hij eventueel voornemens is aan derden in onderaanneming te geven en welke onderaannemers hij in dat geval voorstelt. Deze mededeling doet niet af aan de aansprakelijkheid van de hoofdaannemer.
1.
Wanneer een aanbestedende dienst een opdracht wil aanbesteden met voorafgaande selectie:
a. vermeldt de dienst in het bericht van aanbesteding ten minste de in aanhangsel 4 van bijlage XII (Overheidsopdrachten), onder a), b), d), e), h) en i) gespecificeerde informatie en nodigt hij leveranciers uit een verzoek om deelname in te dienen;
b. verstrekt de dienst erkende leveranciers bij aanvang van de inschrijvingstermijn ten minste de in aanhangsel 4 van bijlage XII (Overheidsopdrachten), onder c), f) en g) gespecificeerde informatie.
2.
Aanbestedende diensten beschouwen als erkend leverancier elke binnenlandse leverancier en elke leverancier van een andere partij die aan de voorwaarden voor deelname aan een specifieke aanbestedingsprocedure voldoet, tenzij de aanbestedende dienst in het bericht van aanbesteding een beperking stelt aan het aantal leveranciers dat mag inschrijven en de criteria voor de voorselectie vermeldt.
3.
Wanneer het aanbestedingsdossier niet vanaf de datum van publicatie van het in lid 1 bedoelde bericht van aanbesteding algemeen toegankelijk is, ziet de aanbestedende dienst erop toe dat het dossier voor alle overeenkomstig lid 2 geselecteerde erkende leveranciers op hetzelfde tijdstip beschikbaar komt.
1.
Aanbestedende diensten mogen een lijst van leveranciers voor veelvuldig gebruik opstellen of bijhouden, mits zij jaarlijks een bericht publiceren waarin belangstellende leveranciers worden uitgenodigd plaatsing op de lijst aan te vragen en dit bericht in het geval van elektronische publicatie voortdurend beschikbaar is in de media daarvoor, die staan vermeld in aanhangsel 3 van bijlage XII (Overheidsopdrachten). Dit bericht bevat de in aanhangsel 5 van bijlage XII (Overheidsopdrachten) gespecificeerde informatie.
2.
Wanneer een lijst voor veelvuldig gebruik een geldigheidsduur van drie jaar of minder heeft, hoeft de aanbestedende dienst, in afwijking van het bepaalde in lid 1, het in dat lid bedoelde bericht slechts eenmaal, bij aanvang van de geldigheidsduur van de lijst, te publiceren, mits in het bericht de geldigheidsduur van de lijst wordt vermeld en tijdens die periode geen verdere berichten worden gepubliceerd.
3.
Aanbestedende diensten staan leveranciers toe te allen tijde een aanvraag tot plaatsing op een lijst voor veelvuldig gebruik in te dienen en plaatsen alle erkende leveranciers binnen redelijk korte tijd op die lijst.
4.
Aanbestedende diensten kunnen een bericht waarbij leveranciers worden uitgenodigd een aanvraag tot plaatsing op een lijst voor veelvuldig gebruik in te dienen, gebruiken als bericht van aanbesteding, mits:
a. het bericht gepubliceerd wordt overeenkomstig het bepaalde in lid 1 en de uit hoofde van aanhangsel 5 van bijlage XII (Overheidsopdrachten) vereiste informatie en zoveel mogelijk van de door aanhangsel 4 van bijlage XII (Overheidsopdrachten) vereiste informatie bevat, alsmede een verklaring dat het bericht als bericht van aanbesteding geldt;
b. de aanbestedende dienst leveranciers die bij hem blijk hebben gegeven van belangstelling voor een bepaalde opdracht, onverwijld voldoende informatie verstrekt om hen in staat te stellen te beoordelen of de opdracht voor hen interessant is, alsmede alle overige uit hoofde van aanhangsel 4 van bijlage XII (Overheidsopdrachten) vereiste informatie, voor zover beschikbaar;
c. een leverancier die overeenkomstig lid 3 een aanvraag tot plaatsing op een lijst voor veelvuldig gebruik heeft ingediend, op een bepaalde aanbesteding mag inschrijven zolang de aanbestedende dienst voldoende tijd heeft om te onderzoeken of de leverancier aan de voorwaarden voor deelname voldoet.
5.
Een aanbestedende dienst stelt elke leverancier die een verzoek om deelname aan een aanbesteding of een aanvraag tot plaatsing op een lijst voor veelvuldig gebruik heeft ingediend, zo spoedig mogelijk in kennis van zijn besluit inzake dat verzoek of die aanvraag.
6.
Wanneer een aanbestedende dienst een verzoek van een leverancier om deelname aan een aanbesteding of een aanvraag tot plaatsing op een lijst voor veelvuldig gebruik afwijst, de erkenning van een leverancier intrekt of een leverancier van een lijst voor veelvuldig gebruik schrapt, stelt hij de leverancier daarvan zo spoedig mogelijk in kennis en verstrekt hij de leverancier desgevraagd een schriftelijke motivering van zijn besluit.
1.
Een aanbestedende dienst mag geen technische specificaties op- of vaststellen of toepassen of conformiteitsbeoordelingsprocedures voorschrijven met als doel of gevolg dat onnodige belemmeringen voor de internationale handel ontstaan.
2.
Bij het voorschrijven van de technische specificaties van de goederen of diensten die het voorwerp van de aanbesteding zijn:
a. omschrijft de aanbestedende dienst de technische specificaties in termen van prestatie- of functionele eisen en minder in termen van uiterlijke kenmerken;
b. baseert de aanbestedende dienst de technische specificaties op internationale normen, wanneer die bestaan, en anders op nationale technische voorschriften, erkende nationale normen of bouwvoorschriften.
3.
Wanneer in de technische specificaties uiterlijke kenmerken worden genoemd, geeft de aanbestedende dienst aan, voor zover van toepassing, dat inschrijvingen voor gelijkwaardige goederen of diensten die aantoonbaar aan de voorwaarden van de opdracht voldoen eveneens in aanmerking komen, door in het aanbestedingsdossier woorden als „of gelijkwaardig” op te nemen.
4.
Een aanbestedende dienst schrijft geen technische specificaties voor waarin vereisten inzake of verwijzingen naar bepaalde handelsmerken of handelsnamen, octrooien, auteursrechten, modellen, typen, een bepaalde oorsprong, producent of leverancier zijn opgenomen, tenzij er geen andere voldoende nauwkeurige of begrijpelijke manier is om de voorwaarden van de opdracht te beschrijven, en op voorwaarde dat woorden zoals „of gelijkwaardig” in de aanbestedingsstukken zijn opgenomen.
5.
Een aanbestedende dienst vraagt of aanvaardt van personen die mogelijk een commercieel belang bij een specifieke aanbesteding hebben, geen advies dat kan worden gebruikt bij het opstellen of goedkeuren van een technische specificatie voor die aanbesteding wanneer dat advies tot gevolg kan hebben dat concurrentie wordt uitgesloten.
6.
Elke partij, met inbegrip van haar aanbestedende diensten, mag overeenkomstig dit artikel technische specificaties opstellen, vaststellen of toepassen ten behoeve van het behoud van natuurlijke hulpbronnen of de bescherming van het milieu.
1.
Een aanbestedende dienst verstrekt leveranciers een aanbestedingsdossier met alle informatie die zij nodig hebben om een geldige inschrijving op te stellen en in te dienen. Dit dossier bevat een volledige beschrijving van de in aanhangsel 8 van bijlage XII (Overheidsopdrachten) vermelde vereisten, tenzij deze reeds in het bericht van aanbesteding zijn vermeld.
2.
De aanbestedende dienst beantwoordt onverwijld elk redelijk verzoek om relevante informatie van een leverancier die aan de aanbestedingsprocedure deelneemt, mits die informatie de leverancier niet bevoordeelt ten opzichte van zijn mededingers in de procedure voor de gunning van de opdracht.
3.
Indien een aanbestedende dienst voorafgaand aan de gunning van de opdracht de criteria of vereisten wijzigt die in het bericht van aanbesteding of het aan deelnemende leveranciers verstrekte aanbestedingsdossier zijn vermeld, of een bericht van aanbesteding of aanbestedingsdossier anderszins wijzigt, geeft hij schriftelijk kennis van alle wijzigingen of verstrekt hij een nieuw of gewijzigd bericht van aanbesteding of aanbestedingsdossier:
a. aan alle leveranciers die op het moment dat de informatie wordt gewijzigd aan de procedure deelnemen, indien deze bekend zijn, en in alle andere gevallen op dezelfde wijze als de oorspronkelijke informatie;
b. op een zodanig tijdstip dat de leveranciers voldoende tijd hebben om hun inschrijving te wijzigen en opnieuw in te dienen.
Artikel 183. Termijnen [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
Een aanbestedende dienst geeft, overeenkomstig zijn eigen redelijke behoeften, leveranciers voldoende tijd om verzoeken om deelname en geldige inschrijvingen op te stellen en in te dienen, waarbij rekening wordt gehouden met factoren als de aard en complexiteit van de opdracht, de omvang van de verwachte onderaanneming en de normale verzendingsduur van inschrijvingen uit het buitenland en binnen het eigen land wanneer geen gebruik wordt gemaakt van elektronische middelen. De toepasselijke termijnen zijn vermeld in aanhangsel 6 van bijlage XII (Overheidsopdrachten).
1.
Een partij kan bepalen dat haar aanbestedende diensten onderhandelingen kunnen voeren:
a. in het kader van aanbestedingen waarbij de aanbestedende dienst het voornemen daartoe te kennen heeft gegeven; of
b. indien uit de beoordeling blijkt dat geen van de inschrijvingen duidelijk het voordeligst is volgens de in het bericht van aanbesteding of het aanbestedingsdossier vermelde specifieke beoordelingscriteria.
2.
Een aanbestedende dienst:
a. ziet erop toe dat de uitsluiting van een leverancier tijdens onderhandelingen plaatsvindt in overeenstemming met de in het bericht van aanbesteding of het aanbestedingsdossier vermelde beoordelingscriteria;
b. stelt, wanneer de onderhandelingen zijn afgesloten en voor zover van toepassing, voor de overige leveranciers een gemeenschappelijke termijn vast voor het indienen van een nieuwe of herziene inschrijving.
Artikel 185. Onderhandse aanbesteding [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
Een aanbestedende dienst mag alleen in onderstaande situaties gebruikmaken van een onderhandse aanbesteding en besluiten de artikelen 177 tot en met 180, 182 tot en met 184, 186 en 187 niet toe te passen:
a. wanneer
i. geen inschrijvingen zijn ingediend of geen leveranciers om deelname hebben verzocht;
ii. geen inschrijvingen zijn ingediend die aan de essentiële vereisten van het aanbestedingsdossier voldoen;
iii. geen leveranciers aan de voorwaarden voor deelname voldoen; of
iv. de ingediende inschrijvingen onderling zijn afgestemd,
mits de vereisten van het aanbestedingsdossier niet wezenlijk worden gewijzigd;
b. wanneer de goederen of diensten alleen door een bepaalde leverancier kunnen worden geleverd en er geen redelijk alternatief of substituut bestaat, omdat de opdracht een kunstwerk betreft, vanwege de bescherming van octrooien, auteursrechten of andere exclusieve rechten, of vanwege het ontbreken van concurrentie om technische redenen, zoals bij de aanbesteding van persoonsgebonden diensten;
c. voor aanvullende leveringen door de oorspronkelijke leverancier van goederen of diensten die niet in de oorspronkelijke opdracht waren opgenomen, wanneer verandering van leverancier voor die aanvullende goederen of diensten:
i. niet mogelijk is om economische of technische redenen, zoals wanneer de aanvullende goederen of diensten uitwisselbaar of interoperabel moeten zijn met bestaande uitrusting, software, diensten of installaties die in het kader van de oorspronkelijke opdracht zijn geleverd;
ii. tot aanzienlijk ongemak of een aanzienlijke toename van de kosten zou leiden voor de aanbestedende dienst;
d. in strikt noodzakelijke gevallen, wanneer de goederen of diensten om uiterst dringende redenen, wegens gebeurtenissen die door de aanbestedende dienst niet konden worden voorzien, niet tijdig kunnen worden verkregen door middel van een openbare aanbesteding of een aanbesteding met voorafgaande selectie;
e. voor goederen die op een goederenmarkt worden aangekocht;
f. wanneer een aanbestedende dienst een prototype of een nieuw product of nieuwe dienst aanschaft dat/die op zijn verzoek is ontwikkeld tijdens de uitvoering van een specifieke opdracht inzake onderzoek, proefneming, studie of oorspronkelijke ontwikkeling ten behoeve van die opdracht;
g. voor aankopen op uitzonderlijk gunstige voorwaarden die zich alleen op zeer korte termijn voordoen in het geval van ongewone uitverkopen, zoals bij liquidatie, curatele of faillissement, maar niet voor routineaankopen bij vaste leveranciers;
h. wanneer opdrachten worden gegund aan de winnaar van een prijsvraag voor ontwerpen, mits die prijsvraag is georganiseerd op een wijze die verenigbaar is met de beginselen van deze titel en de inzendingen worden beoordeeld door een onafhankelijke jury met het oog op de gunning van een ontwerpopdracht aan de maker van de winnende inzending.
Artikel 186. Elektronische veilingen [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
Wanneer een aanbestedende dienst een onder deze titel vallende opdracht wil aanbesteden via een elektronische veiling, stelt de dienst, alvorens de elektronische veiling te openen, iedere deelnemer in kennis van:
a. de methode van automatische beoordeling, met inbegrip van de wiskundige formule, op basis van de in het aanbestedingsdossier opgenomen beoordelingscriteria, die gebruikt wordt om tijdens de veiling automatisch de rangorde vast te stellen of te wijzigen;
b. de resultaten van een eerste beoordeling van de verschillende onderdelen van zijn inschrijving, wanneer de opdracht wordt gegund aan de indiener van de voordeligste aanbieding;
c. alle andere relevante informatie over de veiling.
1.
De aanbestedende dient hanteert bij het ontvangen, openen en behandelen van de inschrijvingen procedures die garanderen dat het aanbestedingsproces eerlijk en onpartijdig verloopt en offertes ten minste tot de opening van de inschrijving vertrouwelijk worden behandeld.
2.
Om voor gunning in aanmerking te komen, moet een inschrijving schriftelijk worden ingediend en moet zij bij de opening ervan voldoen aan de essentiële vereisten die in het bericht van aanbesteding en het aanbestedingsdossier zijn opgenomen, en afkomstig zijn van een leverancier die aan de voorwaarden voor deelname voldoet.
3.
Tenzij de aanbestedende dienst besluit dat het niet in het algemeen belang is de opdracht te gunnen, wordt deze gegund aan de leverancier die volgens de bevindingen van de aanbestedende dienst in staat is de voorwaarden van de opdracht volledig te vervullen en van wie de inschrijving, hetzij de laagste inschrijving is, wanneer de prijs het enige criterium is, of de inschrijving die volgens de in het bericht van aanbesteding en het aanbestedingsdossier opgenomen beoordelingscriteria, de voordeligste is.
4.
Wanneer een aanbestedende dienst een inschrijving ontvangt met een prijs die, vergeleken met de andere inschrijvingen, abnormaal laag is, kan zij inlichtingen inwinnen bij de inschrijver om zich ervan te vergewissen dat deze aan de voorwaarden voor deelname voldoet en in staat is de opdracht volgens de gestelde voorwaarden uit te voeren.
1.
Een aanbestedende dienst stelt de deelnemende leveranciers onverwijld in kennis van besluiten aangaande de gunning van een opdracht en doet dat desgevraagd schriftelijk. Behoudens het bepaalde in artikel 189, leden 2 en 3, stelt een aanbestedende dienst een afgewezen leverancier op diens verzoek in kennis van de redenen voor de afwijzing en van de relatieve voordelen van de gekozen inschrijving.
2.
Uiterlijk 72 dagen na de gunning van een onder deze titel vallende opdracht publiceert de aanbestedende dienst in het daarvoor geschikte gedrukte of elektronische medium dat staat vermeld in aanhangsel 2 van bijlage XII (Overheidsopdrachten), een gunningsbericht met daarin ten minste de in aanhangsel 7 van bijlage XII (Overheidsopdrachten) gespecificeerde informatie. Wanneer alleen gebruik wordt gemaakt van een elektronisch medium, moet de informatie gedurende een redelijke termijn gemakkelijk toegankelijk blijven.
3.
Een aanbestedende dienst maakt verslag op van en houdt documentatie bij over de aanbestedingsprocedures voor onder deze titel vallende opdrachten, inclusief de verslagen als bedoeld in aanhangsel 7 van bijlage XII (Overheidsopdrachten), en bewaart die verslagen en documentatie gedurende ten minste drie jaar, te rekenen vanaf de datum waarop de opdracht wordt gegund.
1.
Indien een andere partij daarom verzoekt, verstrekt een partij onverwijld alle informatie die nodig is om te bepalen of de aanbesteding eerlijk, onpartijdig en in overeenstemming met deze titel is verlopen, met inbegrip van informatie over de kenmerken en relatieve voordelen van de gekozen inschrijving. Wanneer het openbaar maken van deze informatie de mededinging bij toekomstige aanbestedingen zou verstoren, geeft de partij die de informatie ontvangt deze alleen na overleg met en met instemming van de partij die de informatie heeft verstrekt aan de leverancier door.
2.
In afwijking van andere bepalingen in deze titel, verstrekt een partij, met inbegrip van haar aanbestedende diensten, aan leveranciers geen informatie die afbreuk kan doen aan de eerlijke mededinging tussen leveranciers.
3.
Niets in deze titel wordt zodanig uitgelegd dat een partij, met inbegrip van haar aanbestedende diensten, instanties en toetsingsorganen, verplicht is vertrouwelijke informatie openbaar te maken waarvan de openbaarmaking de rechtshandhaving bemoeilijkt, de eerlijke mededinging tussen leveranciers kan aantasten, de rechtmatige handelsbelangen van personen, waaronder de bescherming van hun intellectuele eigendom, kan schaden, of die anderszins met het algemeen belang in strijd is.
1.
Elke partij handhaaft een snelle, effectieve, transparante en niet-discriminatoire procedure, of stelt deze vast, waarmee een leverancier die belang heeft of heeft gehad bij een onder deze titel vallende overheidsopdracht bezwaar of beroep kan aantekenen tegen:
a. een inbreuk op het bepaalde in deze titel, of
b. wanneer de leverancier volgens de interne wetgeving van de partij niet rechtstreeks een bezwaar of beroep kan indienen tegen een inbreuk op het bepaalde in deze titel, niet-nakoming van de maatregelen die een partij tot uitvoering van deze titel heeft vastgesteld,
in verband met bedoelde opdracht.
2.
De procedureregels voor alle bezwaar- en beroepsprocedures ingevolge lid 1 worden op schrift gesteld en openbaar gemaakt.
3.
Indien een leverancier in het kader van een onder deze titel vallende aanbesteding waarbij hij een belang heeft of heeft gehad, een klacht indient wegens inbreuk of niet-nakoming als bedoeld in lid 1, moedigt de betrokken partij haar aanbestedende dienst en de leverancier aan het geschil door overleg te beslechten. De aanbestedende dienst neemt dergelijke klachten tijdig en onbevooroordeeld in beraad op een wijze die geen nadelige gevolgen heeft voor de deelname van de leverancier aan lopende of toekomstige aanbestedingen en die het recht van de leverancier om via de bezwaar- of beroepsprocedure herstelmaatregelen te eisen onverlet laat.
4.
Elke leverancier krijgt voldoende tijd om een bezwaar of beroep voor te bereiden en in te dienen, maar in ieder geval niet minder dan tien dagen vanaf het tijdstip waarop de grond voor het bezwaar of beroep voor de leverancier bekend is geworden of redelijkerwijs bekend had kunnen worden.
5.
Elke partij stelt ten minste een onpartijdige en van de aanbestedende diensten onafhankelijke bestuurlijke of rechterlijke instantie in of wijst deze aan om de bezwaren of beroepen van leveranciers in verband met onder deze titel vallende aanbestedingen te ontvangen en beoordelen.
6.
Wanneer een bezwaar eerst wordt behandeld door een ander orgaan dan een van de in lid 5 bedoelde instanties, ziet de partij erop toe dat de leverancier tegen het oorspronkelijke besluit beroep kan instellen bij een onpartijdige bestuurlijke of rechterlijke instantie die onafhankelijk is van de aanbestedende dienst die de aanbesteding waarop het beroep betrekking heeft, heeft uitgeschreven. Een besluit van een niet-rechterlijk toetsingsorgaan is onderworpen aan toetsing door een rechterlijke instantie of heeft procedureregels die bepalen dat:
a. de aanbestedende dienst schriftelijk op het bezwaar reageert en alle relevante stukken aan het toetsingsorgaan overlegt;
b. de deelnemers aan de procedure, hierna de „de deelnemers” genoemd, het recht hebben te worden gehoord voordat het toetsingsorgaan over het bezwaar besluit;
c. de deelnemers het recht hebben zich te laten vertegenwoordigen en bijstaan;
d. de deelnemers toegang hebben tot alle proceduremogelijkheden;
e. de deelnemers het recht hebben te verzoeken dat de procedure in het openbaar plaatsvindt en getuigen worden gehoord;
f. besluiten of aanbevelingen betreffende een door een leverancier ingesteld bezwaar tijdig schriftelijk worden uitgebracht en voorzien zijn van een motivering.
7.
Elke partij stelt procedures in, of handhaaft procedures, die voorzien in:
a. snelle voorlopige maatregelen om de mogelijkheid van de leverancier om aan de aanbesteding deel te nemen, in stand te houden. Dergelijke voorlopige maatregelen kunnen aanleiding geven tot schorsing van de aanbestedingsprocedure. Er kan worden bepaald dat bij de beslissing over het al dan niet toepassen van dergelijke maatregelen rekening mag worden gehouden met mogelijke zware negatieve gevolgen voor de belangen die op het spel staan, waaronder het algemeen belang. Een beslissing om niet op te treden wordt schriftelijk gemotiveerd;
b. herstelmaatregelen voor een inbreuk op deze titel of compensatie voor geleden verlies of geleden schade, wanneer het toetsingsorgaan heeft bepaald dat inbreuk of niet-naleving als bedoeld in lid 1 heeft plaatsgevonden. Bedoelde herstelmaatregelen of compensatie kunnen beperkt blijven tot de voor het opstellen van de inschrijving en/of het indienen van het bezwaar gemaakte kosten.
1.
Wanneer een partij het toepassingsgebied van deze titel wat haar betreft wijzigt, is zij gehouden de andere partijen:
a. schriftelijk van die wijziging in kennis te stellen;
b. in die kennisgeving een voorstel te doen voor passende compenserende aanpassingen voor de andere partijen om het toepassingsgebied op een niveau te houden dat vergelijkbaar is met dat van vóór de wijziging.
2.
In afwijking van het bepaalde in lid 1, onder b), hoeft een partij geen compenserende aanpassingen aan te bieden wanneer:
a. de wijziging in kwestie een kleine aanpassing is of een rectificatie van zuiver formele aard betreft; of
b. de voorgestelde wijziging betrekking heeft op een dienst waarover de partij daadwerkelijk haar zeggenschap of invloed heeft beëindigd.
3.
Indien een andere partij het er niet mee eens is dat:
a. een overeenkomstig lid 1, onder b), voorgestelde aanpassing voldoende is om het onderling overeengekomen toepassingsgebied op een vergelijkbaar niveau te houden;
b. de voorgestelde wijziging een klein aanpassing is of een rectificatie van zuiver formele aard betreft, zoals bedoeld in lid 2, onder a); of
c. de voorgestelde wijziging betrekking heeft op een dienst waarover de partij daadwerkelijk haar zeggenschap of invloed heeft beëindigd, zoals bedoeld in lid 2, onder b),
moet die andere partij binnen dertig dagen na ontvangst van de in lid 1 bedoelde kennisgeving schriftelijk bezwaar maken, zo niet wordt zij geacht, ook voor de toepassing van titel XII (Geschillenbeslechting), met de aanpassing of voorgestelde wijziging in te stemmen.
4.
Wanneer de partijen binnen het Handelscomité tot overeenstemming komen over een voorgestelde wijziging, rectificatie of kleine aanpassing en ook wanneer een partij niet overeenkomstig het bepaalde in lid 3 binnen dertig dagen bezwaar heeft gemaakt, wordt de desbetreffende bijlage onverwijld door de partijen gewijzigd.
5.
De EU kan op elk moment met een overeenkomstsluitend Andesland bilaterale onderhandelingen aangaan om de krachtens deze titel overeengekomen markttoegang verder te verbreden.
1.
De partijen erkennen het belang van de deelname van micro-ondernemingen en KMO’s aan overheidsopdrachten.
2.
De partijen erkennen tevens het belang van samenwerkingsverbanden tussen leveranciers van de partijen, en in het bijzonder tussen micro-ondernemingen en KMO’s, waaronder begrepen de gezamenlijke deelname aan aanbestedingen.
3.
De partijen komen overeen informatie uit te wisselen en samen te werken om de toegang van micro-ondernemingen en KMO’s aan overheidsaanbestedingen te vergemakkelijken, onder meer door het vereenvoudigen van de aanbestedingsmethoden en contractvoorwaarden met het oog op hun speciale behoeften.
1.
De partijen erkennen het belang van samenwerking om meer inzicht te krijgen in elkaars systemen voor overheidsopdrachten en om de toegang tot elkaars markten, met name voor micro-ondernemingen en KMO’s, te verbeteren.
2.
De partijen streven naar samenwerking bij:
a. de uitwisseling van ervaringen en informatie over onder meer regelgevingskaders, beste praktijken en statistieken;
b. de ontwikkeling en het gebruik van elektronische communicatiemiddelen in systemen voor overheidsopdrachten;
c. capaciteitsopbouw en technische bijstand aan leveranciers met betrekking tot de toegang tot de markt voor overheidsopdrachten;
d. institutionele versterking met het oog op de uitvoering van deze titel, waaronder begrepen opleiding voor overheidspersoneel;
e. capaciteitsopbouw voor het verschaffen van meertalige toegang tot aanbestedingen voor overheidsopdrachten.
3.
De EU verleent potentiële inschrijvers uit de overeenkomstsluitende Andeslanden op verzoek door haar passend geachte bijstand bij de indiening van inschrijvingen en de selectie van goederen of diensten waarvoor de aanbestedende diensten van de Europese Unie of haar lidstaten waarschijnlijk belangstelling zullen hebben. De EU helpt hen tevens om te voldoen aan de technische voorschriften en normen voor goederen of diensten die het voorwerp zijn van de beoogde overheidsopdracht.
1.
De partijen richten een subcomité Overheidsopdrachten op, dat is samengesteld uit vertegenwoordigers van elke partij.
2.
Dit subcomité heeft de volgende taken:
a. evalueren van de uitvoering van deze titel, zoals de gevolgen van de betere toegang tot overheidsopdrachten voor de deelname hieraan, en het doen van aanbevelingen aan de partijen over dienstige activiteiten;
b. evalueren en begeleiden van de samenwerkingsactiviteiten die de partijen voorleggen;
c. overwegen van verdere onderhandelingen voor het verruimen van het toepassingsgebied van deze titel onverminderd artikel 191, lid 5.
3.
Het subcomité Overheidsopdrachten komt op verzoek van een partij bijeen op een door de partijen overeengekomen plaats en datum en brengt schriftelijk verslag uit van zijn vergaderingen.
a. het stimuleren van innovatie en creativiteit en het vergemakkelijken van de productie en commercialisering van innovatie en creatieve producten tussen de partijen;
b. het bereiken van een toereikende en doeltreffende bescherming en handhaving van intellectuele-eigendomsrechten, die bijdragen aan de overdracht en verspreiding van technologie en bevorderlijk zijn voor het sociaal en economisch welzijn en het evenwicht tussen de rechten van houders en het algemeen belang.
1.
De partijen herbevestigen de rechten en verplichtingen die voortvloeien uit de WTO-overeenkomst inzake de handelsaspecten van de intellectuele eigendom , hierna de „TRIPs-overeenkomst” genoemd, andere multilaterale overeenkomsten die betrekking hebben op de intellectuele eigendom en overeenkomsten die worden toegepast onder auspiciën van de Wereldorganisatie voor intellectuele eigendom, hierna de „WIPO” genoemd, waarbij de partijen partij zijn.
2.
De bepalingen van deze titel vormen een aanvulling op en specificatie van de rechten en verplichtingen van de partijen uit hoofde van de TRIPs-overeenkomst en andere multilaterale overeenkomsten met betrekking tot de intellectuele eigendom waarbij de partijen partij zijn; dientengevolge zijn de bepalingen van deze titel niet tegenstrijdig met of doen zij geen afbreuk aan de bepalingen van die multilaterale overeenkomsten.
3.
De partijen erkennen de noodzaak van een evenwicht tussen de rechten van de houders van intellectuele eigendom en het algemeen belang, met name ten aanzien van onderwijs, cultuur, onderzoek, volksgezondheid, voedselzekerheid, milieu, toegang tot informatie en technologieoverdracht.
4.
De partijen erkennen en herbevestigen de rechten en verplichtingen die voortvloeien uit het Verdrag inzake biologische diversiteit van 5 juni 1992, en ondersteunen en stimuleren inspanningen om ervoor te zorgen dat de TRIPs-overeenkomst en dit verdrag elkaar wederzijds ondersteunen.
5.
Voor de toepassing van deze overeenkomst behoren tot de intellectuele-eigendomsrechten:
a. auteursrechten, met inbegrip van auteursrechten op computerprogramma’s en databanken;
b. naburige rechten;
c. octrooirechten;
d. handelsmerken;
e. handelsnamen voor zover deze beschermd worden als exclusieve eigendomsrechten in de desbetreffende interne wetgeving;
f. modellen;
g. ontwerpen voor schakelpatronen (topografieën) van geïntegreerde schakelingen;
h. geografische aanduidingen;
i. kwekersrechten;
j. bescherming van niet openbaar gemaakte informatie.
6.
Voor de toepassing van deze overeenkomst omvat de bescherming van intellectuele eigendom ook de bescherming tegen oneerlijke concurrentie zoals bedoeld in artikel 10 bis van het Verdrag van Parijs tot bescherming van de industriële eigendom (zoals herzien door de Akte van Stockholm 1967), hierna „het Verdrag van Parijs” genoemd.
1.
Met inachtneming van de bepalingen van deze titel kan elke partij, bij het opstellen of wijzigen van haar wet- en regelgeving, gebruikmaken van de uitzonderingsmogelijkheden en flexibiliteit die worden geboden door de multilaterale overeenkomsten inzake intellectuele eigendom, met name bij het vaststellen van maatregelen om de volksgezondheid en voedselzekerheid te beschermen en toegang tot geneesmiddelen te waarborgen.
2.
De partijen erkennen het belang van de Verklaring van de vierde ministeriële conferentie in Doha, en met name de Verklaring van Doha inzake de TRIPs-overeenkomst en de volksgezondheid, die op 14 november 2001 door de ministeriële conferentie van de WTO werd aangenomen, alsmede de latere ontwikkelingen ter zake. In die zin waarborgen de partijen bij de interpretatie en tenuitvoerlegging van de rechten en verplichtingen uit hoofde van deze titel, dat deze verklaring in acht wordt genomen.
3.
De partijen dragen bij aan de tenuitvoerlegging en de eerbiediging van het Besluit van de Algemene Raad van de WTO van 30 augustus 2003 over punt 6 van de Verklaring van Doha inzake de TRIPs-overeenkomst en de volksgezondheid, en van het Protocol tot wijziging van de TRIPs-overeenkomst, dat op 6 december 2005 in Genève werd vastgesteld.
4.
De partijen erkennen eveneens dat de tenuitvoerlegging van WHA-Resolutie 61.21 Mondiale strategie en actieplan inzake de volksgezondheid, innovatie en intellectuele eigendom, die op 24 mei 2008 door de Wereldgezondheidsvergadering werd aangenomen, moet worden bevorderd.
5.
Overeenkomstig de TRIPs-overeenkomst belet geen enkele bepaling uit deze titel een partij om maatregelen vast te stellen die nodig zijn ter voorkoming van misbruik van intellectuele-eigendomsrechten door houders van die rechten of ter voorkoming van praktijken die de handel onredelijk belemmeren of negatieve gevolgen hebben voor de internationale technologieoverdracht.
6.
De partijen erkennen dat technologieoverdracht bijdraagt aan het versterken van nationale capaciteiten, teneinde een deugdelijke en levensvatbare technologische basis tot stand te brengen.
7.
De partijen erkennen de impact van informatie- en communicatietechnologieën op het gebruik van werken van letterkunde en kunst, kunstuitvoeringen, fonogramproducties en uitzendingen en derhalve de noodzaak van een passende bescherming van auteursrechten en naburige rechten in de digitale omgeving.
Artikel 198. Nationale behandeling [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
Elke partij behandelt de onderdanen van een andere partij niet minder gunstig dan haar eigen onderdanen met betrekking tot de bescherming 60)[61] van intellectuele eigendom, onder voorbehoud van de uitzonderingen van de artikelen 3 en 5 van de TRIPs-overeenkomst .
Artikel 199. Meestbegunstigingsclausule [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
Met betrekking tot de bescherming van de intellectuele eigendom wordt elk voordeel, elke gunst, elk voorrecht of elke vrijstelling die of dat een partij verleent aan de onderdanen van een ander land terstond en onvoorwaardelijk verleend aan de onderdanen van de andere partijen, onder voorbehoud van de uitzonderingen van de artikelen 4 en 5 van de TRIPs-overeenkomst .
Artikel 200. Uitputting [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
Het staat elke partij vrij om, behoudens het bepaalde in de TRIPs-overeenkomst , haar eigen regeling voor de uitputting van intellectuele-eigendomsrechten vast te stellen.
1.
De partijen erkennen het belang en de waarde van de biologische diversiteit en componenten daarvan, evenals van de daaraan verbonden traditionele kennis, vernieuwingen en gebruiken van autochtone en lokale gemeenschappen 61)[62] . De partijen herbevestigen bovendien hun soevereine rechten op hun natuurlijke hulpbronnen en erkennen de rechten en verplichtingen die door het Verdrag inzake biologische diversiteit zijn vastgesteld met betrekking tot de toegang tot genetische hulpbronnen, en met betrekking tot het eerlijk en billijk delen van de voordelen die voortvloeien uit het gebruik van deze genetische hulpbronnen.
2.
De partijen erkennen de bijdrage van autochtone en lokale gemeenschappen in verleden, heden en toekomst aan het behoud en duurzame gebruik van biologische diversiteit en alle componenten daarvan en, in het algemeen, die van de traditionele kennis 62)[63] van hun autochtone en lokale gemeenschappen aan de cultuur en economische en sociale ontwikkeling van naties.
3.
Behoudens hun interne wetgeving eerbiedigen en beschermen de partijen overeenkomstig artikel 8, onder j), van het Verdrag inzake biologische diversiteit de kennis, vernieuwingen en gebruiken van autochtone en lokale gemeenschappen, die de uitdrukking zijn van hun traditionele levenswijze en die van belang zijn voor het behouden en duurzaam benutten van biologische diversiteit, houden zij deze in stand, bevorderen zij de toepassing ervan op grotere schaal met de medewerking en goedkeuring van de bezitters van deze kennis, vernieuwingen en gebruiken en moedigen zij de eerlijke verdeling van de voordelen van het gebruik van deze kennis, vernieuwingen en gebruiken aan.
4.
Overeenkomstig artikel 15, lid 7, van het Verdrag inzake biologische diversiteit herbevestigen de partijen hun verplichting om maatregelen te nemen teneinde op een eerlijke en billijke manier de voordelen te delen die voortvloeien uit het gebruik van genetische hulpbronnen. De partijen erkennen eveneens dat de onderling overeengekomen voorwaarden verplichtingen kunnen omvatten met betrekking tot het delen van voordelen betreffende intellectuele-eigendomsrechten die voortvloeien uit het gebruik van genetische hulpbronnen en daarmee samenhangende traditionele kennis.
5.
Colombia en de EU zullen samenwerken om de kwestie en het concept van misbruik van genetische hulpbronnen en de daarmee samenhangende traditionele kennis, innovaties en gebruiken verder te verduidelijken, teneinde waar nodig en in overeenstemming met de internationale en interne wetgeving maatregelen te vinden om deze kwestie aan te pakken.
6.
Behoudens hun interne wetgeving en het internationaal recht werken de partijen samen om ervoor te zorgen dat intellectuele-eigendomsrechten, wat genetische hulpbronnen en de daarmee samenhangende traditionele kennis van de autochtone en lokale gemeenschappen op hun respectieve grondgebieden betreft, bevorderlijk zijn voor en niet indruisen tegen hun rechten en verplichtingen krachtens het Verdrag inzake biologische diversiteit . De partijen herbevestigen hun rechten en verplichtingen krachtens artikel 16, lid 3, van het Verdrag inzake biologische diversiteit met betrekking tot landen die genetische hulpbronnen leveren, en treffen maatregelen om de toegang tot en de overdracht van technologie die gebruikmaakt van dergelijke hulpbronnen op onderling overeengekomen voorwaarden toe te staan. Deze bepaling is onverminderd de rechten en verplichtingen krachtens artikel 31 van de TRIPs-overeenkomst van toepassing.
7.
De partijen erkennen het nut om de openbaarmaking van de oorsprong of bron van genetische hulpbronnen en de daarmee samenhangende traditionele kennis in octrooiaanvragen voor te schrijven, en zijn van mening dat dit bijdraagt aan transparantie over het gebruik van genetische hulpbronnen en de daarmee samenhangende traditionele kennis.
8.
In overeenstemming met hun interne wetgeving zullen de partijen ervoor zorgen dat dergelijke voorschriften toepassing krijgen, teneinde naleving van de bepalingen tot regeling van de toegang tot genetische hulpbronnen en daarmee samenhangende traditionele kennis, innovaties en gebruiken te ondersteunen.
9.
De partijen zullen ernaar streven de uitwisseling van informatie over octrooiaanvragen en verleende octrooien met betrekking tot genetische hulpbronnen en daarmee samenhangende traditionele kennis te vergemakkelijken, zodat dergelijke informatie bij het inhoudelijke onderzoek, met name bij het bepalen van de stand van de techniek, in aanmerking kan worden genomen.
10.
Behoudens het bepaalde in hoofdstuk 6 (Samenwerking) van deze titel zullen de partijen op onderling overeengekomen voorwaarden samenwerken op het gebied van de opleiding van octrooionderzoekers in het beoordelen van octrooiaanvragen die betrekking hebben op genetische hulpbronnen en daarmee samenhangende traditionele kennis.
11.
De partijen erkennen dat gegevensbanken of digitale bibliotheken die relevante informatie bevatten, nuttige hulpmiddelen zijn voor onderzoek naar de octrooieerbaarheid van uitvindingen met betrekking tot genetische hulpbronnen en daarmee samenhangende traditionele kennis.
12.
In overeenstemming met de toepasselijke bepalingen van het internationale recht en de interne wetgeving komen de partijen overeen om samen te werken aan de toepassing van interne kaders ten aanzien van de toegang tot genetische hulpbronnen en daarmee samenhangende traditionele kennis, innovaties en gebruiken.
13.
Wanneer zij dit onderling zijn overeengekomen, kunnen de partijen dit hoofdstuk herzien aan de hand van de resultaten en conclusies van multilateraal overleg.
1.
De partijen houden zich aan de rechten en verplichtingen die voortvloeien uit het Verdrag van Parijs en de TRIPs-overeenkomst .
2.
De Europese Uni en Colombia treden binnen tien jaar na de ondertekening van deze overeenkomst toe tot het Protocol bij de Schikking van Madrid betreffende de internationale inschrijving van merken dat op 27 juni 1989 in Madrid is aangenomen, hierna het „Protocol van Madrid” genoemd. Peru stelt, binnen redelijke grenzen, alles in het werk om toe te treden tot het Protocol van Madrid.
3.
De Europese Unie en Peru stellen, binnen redelijke grenzen, alles in het werk om te voldoen aan het Verdrag inzake het merkenrecht dat op 27 oktober 1994 in Genève werd aangenomen, hierna het „Verdrag inzake het merkenrecht” genoemd. Colombia stelt, binnen redelijke grenzen, alles in het werk om toe te treden tot het Verdrag inzake het merkenrecht.
Artikel 203. Voorwaarden voor registratie [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
Elk teken, of elke combinatie van tekens, waardoor goederen of diensten van de ene onderneming kunnen worden onderscheiden van die van een andere onderneming, kan op de markt een handelsmerk vormen. Dergelijke tekens kunnen met name zijn samengesteld uit woorden, met inbegrip van woordcombinaties, persoonsnamen, letters, cijfers, beeldelementen, geluiden en kleurencombinaties, en door een combinatie van dergelijke tekens. Wanneer tekens niet van dusdanige aard zijn dat de desbetreffende goederen of diensten hierdoor kunnen onderscheiden, kan een partij de registreerbaarheid afhankelijk stellen van de door gebruik verkregen onderscheidingskracht. Als voorwaarde voor registratie mag een partij eisen dat tekens visueel waarneembaar zijn.
1.
De partijen gebruiken de classificatie die is vastgesteld in de Overeenkomst van Nice betreffende de internationale classificatie van de waren en diensten ten behoeve van de inschrijving van merken van 15 juni 1957, en de van kracht zijnde wijzigingen daarop, om de goederen en diensten waarop de handelsmerken van toepassing zijn, in te delen.
2.
Elke partij 63)[64] voorziet in een systeem voor de registratie van handelsmerken waarin elk definitief besluit van het desbetreffende merkenorgaan met redenen wordt omkleed en schriftelijk wordt opgenomen. Wanneer registratie van een handelsmerk wordt geweigerd, worden de redenen hiervoor schriftelijk medegedeeld aan de aanvrager, die de gelegenheid krijgt tegen deze weigering bezwaar te maken en bij een rechtbank tegen het definitieve besluit in beroep te gaan. Elke partij voorziet in de mogelijkheid om zich tegen merkaanvragen te verzetten. Een dergelijke verzetprocedure is contradictoir. Elke partij voorziet in een openbaar toegankelijke, elektronische gegevensbank van merkaanvragen en merkregistraties.
Artikel 205. Bekende handelsmerken [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
De partijen werken samen met het oog op een effectieve bescherming van bekende handelsmerken, zoals bedoeld in artikel 6 bis van het Verdrag van Parijs en artikel 16, leden 2 en 3, van de TRIPs-overeenkomst .
1.
Mits rekening wordt gehouden met de legitieme belangen van de houders van handelsmerkrechten en van derden, voorziet elke partij, als beperkte uitzondering 64)[65] op de rechten die verbonden zijn aan een handelsmerk, in een eerlijk gebruik bij handelstransacties van de naam en het adres van de houders, of van beschrijvingen van soort, kwaliteit, kwantiteit, beoogd doel, waarde, geografische herkomst, tijd van productie van de goederen of levering van de diensten of andere eigenschappen van de goederen of diensten.
2.
Elke partij voorziet bovendien in beperkte uitzonderingen waarin het handelsmerk mag worden gebruikt wanneer dat nodig is om het beoogde doel van een product of dienst aan te geven, met name als toebehoren of reserveonderdeel, mits het handelsmerk wordt gebruikt overeenkomstig eerlijke industriële of handelspraktijken.
Artikel 207. Toepassingsgebied van deze afdeling [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
Met betrekking tot de erkenning en bescherming van geografische aanduidingen die hun oorsprong hebben op het grondgebied van een partij, is het volgende van toepassing:
a. geografische aanduidingen zijn, voor de toepassing van deze titel, aanduidingen die bestaan uit de naam van een bepaald land, een bepaalde regio of een bepaalde plaats of een naam die, zonder de naam te zijn van een bepaald land, een bepaalde regio of een bepaalde plaats, verwijst naar een specifiek geografisch gebied, en die aangeven dat een product uit dat gebied afkomstig is, wanneer een bepaalde kwaliteit, reputatie of ander kenmerk van het product hoofdzakelijk of uitsluitend aan het geografische milieu, dat factoren van natuurlijke en menselijke aard omvat, zijn toe te schrijven;
b. geografische aanduidingen van een partij die door een andere partij moeten worden beschermd, vallen uitsluitend onder deze titel indien ze in het land van oorsprong als zodanig worden erkend en vermeld staan;
c. elke partij beschermt vanaf de inwerkingtreding van deze overeenkomst in overeenstemming met de in artikel 208 bedoelde procedures geografische aanduidingen voor landbouwproducten en levensmiddelen, wijnen, gedistilleerde dranken en gearomatiseerde wijnen die worden genoemd in aanhangsel 1 van bijlage XIII (Lijsten van geografische aanduidingen);
d. geografische aanduidingen voor producten andere dan landbouwproducten en levensmiddelen, wijnen, gedistilleerde dranken en gearomatiseerde wijnen die worden genoemd in aanhangsel 1 van bijlage XIII (Lijsten van geografische aanduidingen) kunnen worden beschermd overeenkomstig de wet- en regelgeving die in elke partij van toepassing is. De partijen erkennen dat de geografische aanduidingen in aanhangsel 2 van bijlage XIII (Lijsten van geografische aanduidingen) worden beschermd als geografische aanduidingen in het land van oorsprong;
e. het gebruik 65)[66] van geografische aanduidingen met betrekking tot producten die van oorsprong zijn uit het grondgebied van een partij, is uitsluitend voorbehouden aan producenten, fabrikanten of ambachtslieden met productie- of fabricagevestigingen in de door die aanduiding geïdentificeerde of voor de geest geroepen plaats of regio binnen de partij;
f. indien een partij een systeem voor het toestaan van het gebruik van geografische aanduidingen vaststelt of handhaaft, geldt dat systeem uitsluitend voor de geografische aanduidingen van oorsprong uit haar grondgebied;
g. openbare of particuliere organen die begunstigden van geografische aanduidingen vertegenwoordigen of organen die daartoe zijn aangewezen, beschikken over mechanismen voor een doeltreffend toezicht op het gebruik van beschermde geografische aanduidingen;
h. geografische aanduidingen die overeenkomstig deze titel worden beschermd, worden, zolang ze in het land van oorsprong beschermd blijven, niet beschouwd als de algemene of generieke aanduiding van het product dat ze identificeren.
1.
Nadat een bezwaarprocedure is afgerond en de geografische aanduidingen van de Europese Unie in aanhangsel 1 van bijlage XIII (Lijsten van geografische aanduidingen) die door de EU zijn geregistreerd, zijn onderzocht, beschermen de overeenkomstsluitende Andeslanden die geografische aanduidingen overeenkomstig het in deze afdeling vastgelegde beschermingsniveau.
2.
Nadat een bezwaarprocedure is afgerond en de geografische aanduidingen van een overeenkomstsluitend Andesland in aanhangsel 1 van bijlage XIII (Lijsten van geografische aanduidingen) die door dat overeenkomstsluitende Andesland zijn geregistreerd, zijn onderzocht, beschermt de EU die geografische aanduidingen overeenkomstig het in deze afdeling vastgelegde beschermingsniveau.
1.
De partijen komen overeen dat nieuwe geografische aanduidingen kunnen worden toegevoegd aan aanhangsel 1 van bijlage XIII (Lijsten van geografische aanduidingen) nadat de bezwaarprocedure is afgerond en nadat de geografische aanduidingen zoals bedoeld in artikel 208 zijn onderzocht.
2.
Een partij die een nieuwe geografische aanduiding wenst toe te voegen aan haar lijst in aanhangsel 1 van bijlage XIII (Lijsten van geografische aanduidingen) dient binnen het kader van het subcomité Intellectuele eigendom bij een andere partij een verzoek daartoe in.
3.
De datum van het verzoek om bescherming is de datum waarop het verzoek aan een andere partij wordt verstuurd. Deze informatie-uitwisseling geschiedt in het kader van het subcomité Intellectuele eigendom.
1.
De geografische aanduidingen van een partij in aanhangsel 1 van bijlage XIII (Lijsten van geografische aanduidingen), en de aanduidingen die krachtens artikel 209 zijn toegevoegd, worden door een andere partij ten minste beschermd tegen:
a. commercieel gebruik van een dergelijke beschermde geografische aanduiding:
i. voor identieke of soortgelijke producten die niet voldoen aan de productspecificatie van de geografische aanduiding; of
ii. voor zover dit gebruik de reputatie van de geografische aanduiding exploiteert;
b. overig niet-geautoriseerd gebruik 66)[67] van verwarring scheppende geografische aanduidingen andere dan die voor wijnen, gearomatiseerde wijnen of gedistilleerde dranken, zelfs wanneer de naam vergezeld gaat van voor de consument verwarrende aanduidingen als stijl, type, imitatie en dergelijke; onverminderd dit punt breidt een partij, indien zij haar wetgeving wijzigt teneinde geografische aanduidingen andere dan die voor wijnen, gearomatiseerde wijnen en gedistilleerde dranken meer te beschermen dan in deze overeenkomst is vastgelegd, die bescherming uit tot de geografische aanduidingen in aanhangsel 1 van bijlage XIII (Lijsten van geografische aanduidingen);
c. wat geografische aanduidingen voor wijnen, gearomatiseerde wijnen of gedistilleerde dranken betreft, ten minste, voor producten van deze soort, wederrechtelijk, imiterend of suggestief gebruik, zelfs wanneer de werkelijke oorsprong van het product wordt vermeld of wanneer de geografische aanduiding in vertaling wordt gebruikt of vergezeld gaat van een formulering waarin een woord als „soort”, „type”, „methode” „zoals geproduceerd in”, „imitatie”, „smaak”, „-achtig” en dergelijke voorkomt;
d. elke andere valse of misleidende aanduiding met betrekking tot de herkomst, de oorsprong, de aard of de wezenlijke hoedanigheden van het product op de binnen- of buitenverpakking of in reclamemateriaal voor het betrokken product, die een valse indruk kunnen wekken ten aanzien van de oorsprong van het product;
e. elke andere praktijk die de consument ten aanzien van de werkelijke oorsprong van het product kan misleiden.
2.
Wanneer een partij in het kader van onderhandelingen met een derde land voorstelt om een geografische aanduiding van dat derde land te beschermen, en die benaming homoniem is met een geografische aanduiding van een andere partij, stelt zij deze partij in kennis van dit voornemen en biedt zij haar de gelegenheid opmerkingen te maken voordat de bescherming van de benaming van kracht wordt.
3.
De partijen stellen elkaar ervan in kennis wanneer een geografische aanduiding in het land van oorsprong niet langer wordt beschermd.
1.
De partijen weigeren de registratie of zorgen voor nietigverklaring van een handelsmerk dat overeenkomt met een van de in artikel 210, lid 1, bedoelde situaties met betrekking tot een beschermde geografische aanduiding voor identieke of soortgelijke producten, mits een aanvraag om het handelsmerk te registreren wordt ingediend na de datum van het verzoek om bescherming van de geografische aanduiding op hun grondgebied.
2.
Behoudens de in haar interne wetgeving vastgelegde redenen op grond waarvan de bescherming van geografische aanduidingen kan worden geweigerd, is geen enkele partij verplicht een geografische aanduiding te beschermen wanneer die bescherming in het licht van een bekend handelsmerk consumenten kan misleiden ten aanzien van de werkelijke identiteit van het product.
1.
De partijen kunnen in het subcomité Intellectuele eigendom aanvullende informatie uitwisselen over de technische specificaties van de producten die worden beschermd door de geografische aanduidingen in aanhangsel 1 van bijlage XIII (Lijst van geografische aanduidingen). Verder kunnen de partijen de uitwisseling van informatie over de controleorganen op hun grondgebied vergemakkelijken.
2.
Niets in deze afdeling verplicht een partij tot bescherming van een geografische aanduiding die niet of niet meer in het land van oorsprong wordt beschermd. De partij die het oorspronkelijke grondgebied is van een geografische aanduiding stelt de andere partijen ervan in kennis wanneer die geografische aanduiding niet langer in het land van oorsprong wordt beschermd.
3.
Een in deze afdeling bedoelde productspecificatie is een specificatie die is goedgekeurd door de instanties van de partij op het grondgebied waaruit het product van oorsprong is, met inbegrip van alle wijzigingen die eveneens zijn goedgekeurd.
1.
In het kader van het subcomité Intellectuele eigendom kan een partij zo nodig bij een andere partij informatie opvragen over de mate waarin producten met een krachtens deze afdeling beschermde geografische aanduiding voldoen aan de respectieve productspecificaties en wijzigingen daarop, alsmede over contactpunten voor het vergemakkelijken van controles.
2.
Met betrekking tot krachtens deze afdeling beschermde geografische aanduidingen van een andere partij kan elke partij de respectieve productspecificaties, of een samenvatting daarvan, evenals contactpunten voor het vergemakkelijken van controles openbaar maken.
Artikel 214 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
Deze afdeling laat de rechten die de partijen al in vrijhandelsovereenkomsten met derde landen hebben erkend, onverlet.
1.
De partijen beschermen de auteursrechten voor werken van letterkunde en kunst zo doeltreffend en uniform mogelijk. De partijen beschermen eveneens de rechten van uitvoerende kunstenaars, producenten van fonogrammen en omroeporganisaties, met betrekking tot respectievelijk hun uitvoeringen, fonogrammen en uitzendingen.
2.
De partijen leven de rechten en verplichtingen na die voortvloeien uit de Berner Conventie voor de bescherming van werken van letterkunde en kunst van 9 september 1886, hierna „de Berner Conventie” genoemd, het Verdrag van Rome inzake de bescherming van uitvoerende kunstenaars, producenten van fonogrammen en omroeporganisaties van 26 oktober 1961, hierna het „Verdrag van Rome” genoemd, het WIPO-verdrag inzake het auteursrecht van 20 december 1996, hierna het „WCT” genoemd, en het WIPO-verdrag inzake uitvoeringen en fonogrammen , ook van 20 december 1996, hierna het „WPPT” genoemd.
1.
Onafhankelijk van de economische rechten van de auteur, en zelfs nadat die rechten zijn overgedragen, heeft de auteur het recht om ten minste het auteurschap van het werk op te eisen en bezwaar te maken tegen elke vervorming, verminking of andere wijziging van, of andere schadelijke actie ten aanzien van dat werk, die afbreuk zou doen aan zijn of haar eer of reputatie.
2.
De rechten die krachtens lid 1 aan de auteur toekomen, blijven na zijn dood gehandhaafd, ten minste tot het vervallen van de economische rechten, en mogen worden uitgeoefend door de personen of instellingen die daartoe door de wetgeving van het land waar om bescherming wordt gevraagd, zijn gemachtigd.
3.
Onafhankelijk van de economische rechten van een uitvoerend kunstenaar, en zelfs nadat die rechten zijn overgedragen, heeft de uitvoerend kunstenaar met betrekking tot zijn of haar live uitgevoerde auditieve uitvoeringen, of uitvoeringen die zijn vastgelegd op fonogrammen, het recht om als uitvoerend kunstenaar van zijn of haar uitvoeringen te worden vermeld, behalve wanneer het weglaten van die vermelding wordt bepaald door de manier waarop de uitvoering wordt gebruikt, en bezwaar te maken tegen elke vervorming, verminking of andere wijziging van zijn of haar uitvoeringen, die afbreuk zouden doen aan zijn of haar eer of reputatie. Dit lid is onverminderd andere in de interne wetgeving erkende persoonlijkheidsrechten van toepassing.
4.
De rechtsmiddelen voor het vrijwaren van de krachtens dit artikel toegekende rechten worden geregeld door de wetgeving van de partij waar aanspraak op bescherming wordt gemaakt.
5.
Elke partij kan voorzien in een hogere mate van bescherming van persoonlijkheidsrechten dan die waarin in dit artikel wordt voorzien.
Artikel 217. Maatschappijen voor collectief beheer [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
De partijen erkennen het belang van maatschappijen voor collectief beheer voor auteursrechten en naburige rechten, teneinde een doelmatig beheer van de aan hen toevertrouwde rechten te waarborgen, en van een billijke verdeling van de verzamelde beloningen, die proportioneel zijn aan het gebruik van de werken, uitvoeringen of fonogrammen, in een context van transparantie en goede beheerspraktijken volgens de interne wetgeving van elke partij.
1.
Het auteursrecht op een werk van letterkunde of kunst in de zin van artikel 2 van de Berner Conventie geldt gedurende het leven van de auteur en tot zeventig jaar na zijn dood.
2.
Bij gezamenlijk auteurschap wordt de in lid 1 bedoelde beschermingsduur berekend vanaf de dood van de laatst levende auteur.
3.
Bij werken die anoniem of onder een pseudoniem tot stand komen, verstrijkt de krachtens deze overeenkomst toegekende beschermingsduur zeventig jaar nadat het werk op geoorloofde wijze voor het publiek toegankelijk is gemaakt. Wanneer het door de auteur aangenomen pseudoniem echter geen twijfel laat aan zijn identiteit, geldt de in lid 1 vastgestelde beschermingsduur. Indien de auteur van een werk dat anoniem of onder pseudoniem tot stand is gekomen, gedurende bovenbedoelde periode zijn identiteit onthult, is de in lid 1 bepaalde beschermingsduur van toepassing. De partijen zijn niet verplicht om een anoniem of onder pseudoniem tot stand gekomen werk te beschermen wanneer redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de auteur ervan al zeventig jaar dood is.
4.
Wanneer de beschermingsduur voor een werk, ander dan een fotografisch werk of werk van toegepaste kunst, op andere grondslag wordt berekend dan het leven van een natuurlijke persoon, is deze duur niet korter dan zeventig jaar na het einde van het kalenderjaar van toegestane publicatie, of, bij gebreke van zodanige toegestane publicatie binnen ten minste vijftig jaar na de totstandkoming van het werk, zeventig jaar na het eind van het kalenderjaar van de totstandkoming.
5.
De beschermingsduur voor cinematografische of audiovisuele werken is ten minste zeventig jaar nadat het werk met toestemming van de auteur voor het publiek toegankelijk is gemaakt, of bij gebreke daarvan binnen ten minste vijftig jaar vanaf de totstandkoming van een dergelijk werk, ten minste zeventig jaar na de totstandkoming ervan. Een partij kan in plaats daarvan vaststellen dat de beschermingsduur voor cinematografische of audiovisuele werken zeventig jaar na de dood van de laatste volgens de interne wetgeving als auteur aangewezen persoon verstrijkt.
1.
De beschermingsduur die krachtens deze overeenkomst wordt toegekend aan uitvoerende kunstenaars, geldt ten minste vijftig jaar na het eind van het jaar waarin de uitvoering werd vastgelegd.
2.
De beschermingsduur die krachtens deze overeenkomst wordt toegekend aan producenten van fonogrammen, geldt ten minste vijftig jaar na het eind van het jaar waarin het fonogram werd gepubliceerd, of bij gebreke van een dergelijke publicatie binnen vijftig jaar, ten minste vijftig jaar na het eind van het jaar waarin de vastlegging plaatsvond.
3.
De beschermingsduur die wordt toegekend aan omroeporganisaties geldt ten minste vijftig jaar na het eind van het kalenderjaar waarin de uitzending plaatsvond.
1.
Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:
„uitzending”: de draadloze transmissie van geluiden of van beelden en geluiden of van de weergaven daarvan voor ontvangst door het publiek; een dergelijke transmissie via satelliet wordt ook onder „uitzending” begrepen; de transmissie van gecodeerde signalen geldt als „uitzending” wanneer de middelen voor decodering aan het publiek worden geleverd door of met toestemming van de omroeporganisatie;
„mededeling aan het publiek” van een uitvoering of een fonogram: de overdracht aan het publiek door elk medium anders dan door uitzending, van geluiden van een uitvoering of de op een fonogram vastgelegde geluiden of weergaven van geluiden. Voor de toepassing van lid 3 wordt onder mededeling aan het publiek ook verstaan het voor het publiek hoorbaar maken van de op een fonogram vastgelegde geluiden of weergaven van geluiden.
2.
Uitvoerende kunstenaars hebben met betrekking tot hun uitvoeringen het exclusieve recht om toestemming te verlenen voor:
a. de uitzending en mededeling aan het publiek van hun niet vastgelegde uitvoeringen, behalve wanneer de uitvoering zelf al een uitgezonden uitvoering is;
b. het vastleggen van hun niet-vastgelegde uitvoeringen.
3.
Uitvoerende kunstenaars en producenten van fonogrammen hebben recht op een enkele billijke vergoeding voor het directe of indirecte gebruik van voor commerciële doeleinden gepubliceerde fonogrammen ten behoeve van uitzending of enigerlei mededeling aan het publiek. De partijen nemen in hun interne wetgeving de bepaling op dat de enkele billijke vergoeding door de gebruiker verschuldigd is aan de uitvoerend kunstenaar, aan de producent van een fonogram, of aan beiden. De partijen kunnen in hun interne wetgeving de voorwaarden bepalen volgens welke uitvoerende kunstenaars en producenten van fonogrammen de enkele billijke beloning moeten verdelen wanneer zij hierover geen overeenstemming hebben bereikt.
4.
Elke partij verleent uitvoerende kunstenaars het exclusieve recht om met betrekking tot hun vastgelegde uitvoeringen het volgende toe te staan of te verbieden:
a. directe of indirecte reproductie;
b. distributie door verkoop of andere overdracht van eigendom;
c. verhuur aan het publiek van het origineel en kopieën daarvan;
d. het openbaar maken via de kabel of draadloze transmissie, op zodanige manier dat leden van het publiek deze kunnen beluisteren op een plek en tijd die zij individueel kunnen kiezen.
5.
Wanneer uitvoerende kunstenaars het recht van toegankelijkmaking of van verhuur hebben overgedragen, kan een partij overeenkomstig haar interne wetgeving bepalen dat uitvoerende kunstenaars het niet voor afstand vatbare recht behouden een billijke vergoeding te ontvangen, die kan worden geïnd door een door de wet toegestane maatschappij voor collectieve belangenbehartiging.
6.
De partijen kunnen overeenkomstig hun interne wetgeving aan uitvoerende kunstenaars van audiovisuele werken een niet voor afstand vatbaar recht toekennen om een billijke vergoeding te ontvangen voor uitzending of mededeling aan het publiek van hun vastgelegde uitvoeringen, die kan worden geïnd door een door de wet toegestane maatschappij voor collectieve belangenbehartiging.
7.
In bepaalde speciale gevallen die niet tegenstrijdig zijn met de normale exploitatie van de uitvoeringen en die niet op onredelijke wijze afbreuk doen aan de legitieme belangen van de uitvoerende kunstenaars, kunnen de partijen in hun interne wetgeving voorzien in beperkingen of uitzonderingen op de rechten van uitvoerende kunstenaars van audiovisuele werken.
8.
Elke partij geeft omroeporganisaties het exclusieve recht om de hertransmissie van hun uitzendingen langs ten minste draadloze weg toe te staan of te verbieden.
1.
Onverminderd artikel 14 ter, onder 2), van de Berner Conventie geeft elke partij de auteur van een kunstwerk, en bij diens overlijden diens rechtsopvolgers, een onvervreemdbaar en niet voor afstand vatbaar recht op royalty’s op basis van de verkoopprijs die is verkregen voor de wederverkoop van het werk na de eerste overdracht van het werk door de auteur.
2.
Het in lid 1 bedoelde recht geldt overeenkomstig de interne wetgeving voor elke wederverkoop door middel van veilingen of via kunsthandelaren, zoals veilinglokalen, kunstgalerijen of andere kunsthandelaren.
Artikel 224. Internationale overeenkomsten [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
De partijen stellen, binnen redelijke grenzen, alles in het werk om toe te treden tot de Akte van Genève bij de Overeenkomst van ’s-Gravenhage betreffende de internationale inschrijving van tekeningen of modellen van nijverheid van 2 juli 1999.
1.
Elke partij voorziet in de bescherming van onafhankelijk ontworpen modellen die nieuw zijn. Indien de wetgeving van een partij dit bepaalt, kan ook worden geëist dat de modellen een individueel karakter hebben. In deze bescherming wordt voorzien door registratie, die overeenkomstig het bepaalde in deze afdeling de houders van het recht een exclusief recht verleent.
2.
Een model dat wordt toegepast op of verwerkt in een product dat onderdeel van een samengesteld product is, wordt alleen geacht krachtens lid 1 voor bescherming in aanmerking te komen als het onderdeel, nadat het is verwerkt in het samengestelde product 68)[69] , zichtbaar blijft bij normaal gebruik 69)[70] van dat samengestelde product, en voor zover die zichtbare kenmerken van het onderdeel zelf voldoen aan de voorwaarden om voor bescherming in aanmerking te komen.
1.
De eigenaar van een geregistreerd model heeft het exclusieve recht om ten minste derden die daartoe niet zijn toestemming hebben, te beletten artikelen die het beschermde model uiterlijk vertonen of waarin dit is verwerkt, te vervaardigen, op de markt aan te bieden, te verkopen, in of uit te voeren, op voorraad te hebben of te gebruiken wanneer deze handelingen voor commerciële doeleinden worden verricht.
2.
De eigenaar van een geregistreerd model heeft eveneens het recht om juridische stappen te nemen tegen eenieder die een product maakt of in de handel brengt waarvan het model slechts in geringe mate afwijkt van het beschermde model of waarvan de verschijningsvorm gelijk is aan het beschermde model.
Artikel 227. Beschermingsduur [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
De duur van de bescherming van een model van nijverheid bedraagt ten minste tien jaar vanaf de datum waarop de registratie wordt aangevraagd. De partijen mogen in hun interne wetgeving een langere beschermingstermijn opnemen.
1.
De partijen kunnen beperkte uitzonderingen op de bescherming van modellen vaststellen, mits deze uitzonderingen niet op onredelijke wijze strijdig zijn met de normale exploitatie van beschermde modellen en niet op onredelijke wijze de legitieme belangen van de eigenaar van het beschermde model schaden, rekening houdend met de legitieme belangen van derden.
2.
De bescherming van modellen strekt zich niet uit tot modellen waarvoor uitsluitend technische of functionele overwegingen bepalend zijn.
3.
Een modelrecht geldt niet voor de uiterlijke kenmerken van een product die noodzakelijkerwijs in precies dezelfde vorm en afmetingen gereproduceerd moeten worden om het product waarin het model is verwerkt of waarop het is toegepast, mechanisch met een ander voortbrengsel te kunnen verbinden of om het in, rond of tegen een ander product te kunnen plaatsen, zodat elk van beide producten zijn functie kan vervullen.
4.
Op een model kunnen geen rechten worden uitgeoefend wanneer dit strijdig is met de openbare orde of goede zeden.
Artikel 229. Relatie met auteursrechten [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
Het voorwerp van bescherming door een modelrecht kan bescherming genieten krachtens de auteursrechtenwetgeving, indien aan de voorwaarden voor een dergelijke bescherming wordt voldaan. Elke partij bepaalt de mate waarin en de voorwaarden waaronder een dergelijke bescherming wordt toegekend, inclusief de vereiste mate van originaliteit.
1.
De partijen houden zich aan de artikelen 2 tot en met 9 van het Verdrag van Boedapest inzake de internationale erkenning van het depot van micro-organismen ten dienste van de octrooiverlening van 28 april 1977, dat op 26 september 1980 is gewijzigd.
2.
De Europese Unie stelt, binnen redelijke grenzen, alles in het werk om te voldoen aan het Verdrag inzake octrooirecht , dat op 1 juni 2000 in Genève is gesloten, hierna het „PLT” genoemd. De overeenkomstsluitende Andeslanden stellen, binnen redelijke grenzen, alles in het werk om tot het PLT toe te treden.
3.
Wanneer voor het in de handel brengen van een farmaceutisch product of chemisch product voor de landbouw 70)[71] in een partij een vergunning van de ter zake bevoegde instanties vereist is, stelt elke partij alles in het werk om de desbetreffende aanvraag zo spoedig mogelijk te behandelen teneinde onredelijke vertragingen te voorkomen. De partijen werken samen en bieden elkaar bijstand om deze doelstelling te bereiken.
4.
Met betrekking tot onder een octrooi vallende farmaceutisch producten kan elke partij in overeenstemming met haar interne wetgeving een mechanisme beschikbaar stellen om de octrooihouder te compenseren voor onredelijke verkorting van het geldende octrooi als gevolg van de eerste vergunning voor het in de handel brengen van dat product in die partij. Een dergelijk mechanisme verleent alle exclusieve rechten van een octrooi behoudens dezelfde beperkingen en uitzonderingen die van toepassing waren op het oorspronkelijke octrooi.
1.
Elke partij beschermt niet openbaar gemaakte test- of andere gegevens met betrekking tot de veiligheid en doeltreffendheid van farmaceutische producten en chemische landbouwproducten 71)[72] overeenkomstig artikel 39 van de TRIPs-overeenkomst en haar interne wetgeving.
2.
In overeenstemming met lid 1 en onverminderd lid 4 verleent een partij die als voorwaarde voor het toelaten op de markt van farmaceutische producten of chemische producten voor de landbouw die nieuwe chemische eenheden bevatten, de overlegging van niet openbaar gemaakte test- of andere gegevens betreffende veiligheid en doeltreffendheid vereist, voor farmaceutische producten een exclusiviteitsperiode van gewoonlijk vijf jaar vanaf de datum waarop de vergunning voor het in de handel brengen op het grondgebied van die partij werd verleend, en voor chemische producten voor de landbouw een exclusiviteitsperiode tien jaar; gedurende die periode mag een derde partij het product op basis van die gegevens niet in de handel brengen, tenzij deze bewijs overlegt van de expliciete toestemming van de houder van de beschermde informatie of zijn of haar eigen testgegevens.
3.
Voor de toepassing van dit artikel wordt onder een „nieuwe chemische eenheid” een eenheid verstaan die nog niet eerder uit hoofde van de interne wetgeving op het grondgebied van de partij is goedgekeurd voor gebruik in een farmaceutisch product of chemisch product voor de landbouw. Dienovereenkomstig hoeven de partijen dit artikel niet toe te passen op farmaceutische producten die een chemische eenheid bevatten die eerder op het grondgebied van de partij is goedgekeurd.
4.
De partijen kunnen het volgende reguleren:
a. uitzonderingen op grond van het algemeen belang, nationale noodsituaties of omstandigheden van bijzonder dringende aard, wanneer het noodzakelijk is om toegang tot dergelijke gegevens toe te staan aan derden;
b. verkorte vergunningsprocedures voor het in de handel brengen op hun grondgebied, op basis van een vergunning voor het in de handel brengen die is afgegeven door een andere partij. In dat geval gaat de periode voor het exclusieve gebruik van de in samenhang met het verkrijgen van de vergunning ingediende gegevens in op de datum van de eerste vergunning voor het in de handel brengen, wanneer de vergunning binnen zes maanden na de indiening van een volledige aanvraag wordt verleend.
5.
Met betrekking tot chemische producten voor de landbouw kunnen de partijen voorzien in procedures waarmee het mogelijk wordt om te verwijzen naar de niet openbaar gemaakte informatie over veiligheid en doeltreffendheid met betrekking tot tests en onderzoeken waarbij gewervelde dieren betrokken zijn. Gedurende de periode van bescherming compenseert degene die geïnteresseerd is in het gebruik van dergelijke informatie de houder van de beschermde informatie. De kosten van die compensatie worden op eerlijke, billijke, transparante en niet-discriminatoire wijze bepaald. Het recht op deze compensatie geldt zolang de bescherming van de niet openbaar gemaakte informatie over veiligheid en doeltreffendheid duurt.
6.
Overeenkomstig de bepalingen van artikel 197, lid 5, belet de in dit artikel bedoelde bescherming een partij niet om maatregelen te treffen als reactie op het misbruik van intellectuele-eigendomsrechten of praktijken die de handel onredelijk belemmeren.
Artikel 232 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
De partijen werken samen om de bescherming van kwekersrechten op basis van het Internationaal Verdrag tot bescherming van kweekproducten , hierna het „UPOV-verdrag” genoemd, zoals herzien op 19 maart 1991, te bevorderen en te waarborgen, inclusief de facultatieve uitzondering op het kwekersrecht als bedoeld in artikel 15, lid 2, van dat verdrag.
1.
Elke partij verleent doeltreffende bescherming tegen oneerlijke concurrentie overeenkomstig artikel 10 bis van het Verdrag van Parijs . Hiertoe wordt elke handeling met betrekking tot industriële eigendom tijdens handel die in strijd met eerlijke handelsgebruiken is, in overeenstemming met de interne wetgeving van elke partij geacht oneerlijk te zijn.
2.
In overeenstemming met de interne wetgeving van elke partij kan dit artikel onverminderd de krachtens deze titel verleende bescherming worden toegepast.
1.
Onverminderd de rechten en verplichtingen krachtens de TRIPs-overeenkomst , en met name deel III hiervan, voorziet elke partij in maatregelen, procedures en rechtsmiddelen zoals vastgesteld in dit hoofdstuk, die noodzakelijk zijn om de handhaving van de intellectuele-eigendomsrechten, zoals gedefinieerd in artikel 196, lid 5, onder a) tot en met i), te waarborgen.
2.
Het bepaalde in dit hoofdstuk bevat maatregelen, procedures en rechtsmiddelen die snel, doeltreffend en evenredig zijn en verdere inbreuken ontmoedigen, en wordt zodanig toegepast dat het scheppen van belemmeringen voor rechtmatig handelsverkeer wordt vermeden en dat wordt voorzien in waarborgen tegen misbruik van deze procedures.
3.
Procedures voor de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten zijn eerlijk en billijk, niet onnodig ingewikkeld of duur en houden geen onredelijke termijnen of nodeloze vertragingen in.
4.
Dit hoofdstuk schept voor de partijen geen verplichting om een rechtsstelsel in te stellen voor de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten naast dat voor de rechtshandhaving in het algemeen, noch schept het een verplichting met betrekking tot de verdeling van middelen voor de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten en de rechtshandhaving in het algemeen.
Artikel 235 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
De artikelen 237, 239 en 240 zijn van toepassing met betrekking tot handelingen op commerciële schaal; indien dat volgens hun interne wetgeving is toegestaan, kunnen de partijen de in deze artikelen bedoelde maatregelen ook op andere handelingen toepassen.
Artikel 236. Rechthebbenden [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
Elke partij erkent dat de volgende personen en instanties gerechtigd zijn om toepassing van de in deze afdeling en in deel III van de TRIPs-overeenkomst bedoelde maatregelen te verzoeken, de daarin bedoelde procedures in te leiden en de daarin bedoelde rechtsmiddelen toe te passen:
a. houders van intellectuele-eigendomsrechten overeenkomstig haar toepasselijke wetgeving;
b. alle andere personen die gemachtigd zijn die rechten te gebruiken, in het bijzonder exclusieve en andere licentiehouders, voor zover toegestaan door en in overeenstemming met haar toepasselijke wetgeving;
c. maatschappijen voor collectief beheer voor intellectuele-eigendomsrechten die officieel erkend zijn als gerechtigd tot het vertegenwoordigen van houders van intellectuele-eigendomsrechten, voor zover toegestaan door en in overeenstemming met de bepalingen van haar toepasselijke wetgeving;
d. beroepsorganisaties die officieel erkend zijn als gerechtigd tot het vertegenwoordigen van houders van intellectuele-eigendomsrechten, voor zover toegestaan door en in overeenstemming met haar toepasselijke wetgeving.
Artikel 237. Bewijsmateriaal [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
Elke partij treft de nodige maatregelen teneinde de bevoegde rechterlijke instanties in staat te stellen om in voorkomend geval en op verzoek van een partij, in geval van een inbreuk op een intellectuele-eigendomsrecht op commerciële schaal, de wederpartij te gelasten relevante financiële, bank- of handelsdocumenten in haar macht te overleggen, mits de bescherming van vertrouwelijke informatie wordt gewaarborgd.
Artikel 238. Maatregelen ter bescherming van bewijsmateriaal [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
Elke partij zorgt ervoor dat de bevoegde rechterlijke instanties, al voordat een bodemprocedure is begonnen, op verzoek van een persoon die redelijkerwijs voldoende beschikbaar bewijsmateriaal heeft overgelegd tot staving van zijn beweringen dat er inbreuk op zijn intellectuele-eigendomsrecht is gemaakt of zal worden gemaakt, onmiddellijk afdoende en evenredige voorlopige maatregelen kunnen gelasten om het desbetreffende bewijsmateriaal in verband met de vermeende inbreuk te beschermen, mits de bescherming van vertrouwelijke informatie wordt gewaarborgd. Deze maatregelen kunnen onder andere de gedetailleerde beschrijving, met of zonder monsterneming, dan wel de fysieke inbeslagneming van de inbreuk makende goederen indien de interne wetgeving dit toestaat, en, in voorkomend geval, de bij de productie of distributie daarvan gebruikte materialen en werktuigen en de desbetreffende documenten omvatten. Die maatregelen worden met name genomen, zo nodig zonder dat de wederpartij wordt gehoord, wanneer het aannemelijk is dat uitstel de houder van het recht onherstelbare schade zal berokkenen, of indien er een aantoonbaar gevaar bestaat dat bewijsmateriaal wordt vernietigd.
1.
Elke partij ziet erop toe dat de bevoegde rechterlijke instanties in het kader van civiele procedures wegens inbreuk op een intellectuele-eigendomsrecht naar aanleiding van een met redenen omkleed en proportioneel verzoek van de eiser kunnen gelasten dat informatie over de oorsprong en het distributienetwerk van de goederen of diensten die een inbreuk op het intellectuele-eigendomsrecht vormen, wordt verstrekt door de inbreukmaker en/of iedere andere persoon die:
a. de inbreuk makende goederen op commerciële schaal in zijn bezit bleek te hebben;
b. de inbreuk makende diensten op commerciële schaal bleek te gebruiken;
c. op commerciële schaal diensten bleek te verlenen die bij inbreuk makende handelingen worden gebruikt; of
d. door een in de punten a), b) of c) bedoelde persoon werd aangewezen als zijnde betrokken bij de productie, vervaardiging of distributie van de goederen of bij het verlenen van de diensten in kwestie.
2.
De in lid 1 bedoelde informatie omvat, naar gelang van het geval:
a. de naam en het adres van de producenten, fabrikanten, distributeurs, leveranciers en andere eerdere bezitters van de goederen of diensten, alsmede van de beoogde groot- en detailhandelaren;
b. inlichtingen over de geproduceerde, vervaardigde, geleverde, ontvangen of bestelde hoeveelheden, alsmede over de voor de desbetreffende goederen of diensten verkregen prijs.
3.
De leden 1 en 2 gelden onverminderd andere wettelijke bepalingen waarbij:
a. de houder van het recht ruimere rechten op informatie worden toegekend;
b. het gebruik van de krachtens dit artikel medegedeelde informatie in civiele procedures of strafzaken wordt geregeld;
c. de aansprakelijkheid wegens misbruik van het recht op informatie wordt geregeld;
d. de mogelijkheid wordt geboden te weigeren gegevens te verstrekken die de in lid 1 bedoelde persoon zouden dwingen deelname door hemzelf of door naaste verwanten aan een inbreuk op een intellectuele-eigendomsrecht toe te geven; of
e. de bescherming van de vertrouwelijkheid van informatiebronnen of de verwerking van persoonsgegevens wordt geregeld.
1.
Overeenkomstig haar interne wetgeving ziet elke partij erop toe dat de rechterlijke instanties, op verzoek van de eiser, tegen een partij een voorlopig bevel kunnen uitvaardigen dat bedoeld is om een dreigende inbreuk op een intellectuele-eigendomsrecht te voorkomen of om, indien wenselijk en indien de interne wetgeving hierin voorziet, op straffe van een dwangsom tijdelijk voortzetting van de vermeende inbreuk op dat intellectuele-eigendomsrecht te verbieden, dan wel om aan voortzetting de voorwaarde te verbinden dat zekerheid wordt gesteld voor schadeloosstelling van de houder van het recht.
2.
Een voorlopig bevel kan ook worden uitgevaardigd om de inbeslagneming of terugtrekking te gelasten van goederen waarvan wordt vermoed dat zij inbreuk maken op een intellectuele-eigendomsrecht, teneinde te voorkomen dat zij in het handelsverkeer worden gebracht of zich daarin bevinden.
1.
Elke partij treft de nodige maatregelen om te waarborgen dat de bevoegde rechterlijke instanties op verzoek van de eiser, onverminderd de aan de houder van het recht wegens de inbreuk verschuldigde schadevergoeding en zonder schadeloosstelling van welke aard ook aan de inbreukmaker, het terugtrekken, de definitieve verwijdering uit het handelsverkeer of de vernietiging kunnen gelasten van de goederen waarvan zij hebben vastgesteld dat zij een inbreuk op een intellectuele-eigendomsrecht vormen. In voorkomend geval kunnen de bevoegde rechterlijke instanties ook de vernietiging gelasten van materialen en werktuigen die hoofdzakelijk worden gebruikt voor het ontwerpen of vervaardigen van die goederen.
2.
De rechterlijke instanties gelasten dat de in lid 1 genoemde maatregelen op kosten van de inbreukmaker worden uitgevoerd, tenzij bijzondere redenen dit beletten.
Artikel 242. Rechterlijke bevelen [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
Onverminderd de bepalingen van artikel 44, lid 2, van de TRIPs-overeenkomst zorgt elke partij ervoor dat, wanneer bij rechterlijke uitspraak een inbreuk op een intellectuele-eigendomsrecht is vastgesteld, de rechterlijke instanties een bevel tot staking van de inbreuk tegen de inbreukmaker kunnen uitvaardigen. Wanneer de interne wetgeving van een partij hierin voorziet, wordt bij niet-naleving van een rechterlijk bevel in voorkomend geval een dwangsom tot naleving van het bevel opgelegd 72)[73] .
Artikel 243. Alternatieve maatregelen [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
Elke partij kan overeenkomstig haar interne wetgeving bepalen dat de bevoegde rechterlijke instanties, in voorkomend geval en op verzoek van degene aan wie de in artikel 241 en/of 242 vastgelegde maatregelen kunnen worden opgelegd, kunnen gelasten dat aan de benadeelde partij een geldelijke schadeloosstelling wordt betaald in plaats van toepassing van de maatregelen van artikel 241 en/of 242, indien de betrokkene zonder opzet en zonder nalatigheid heeft gehandeld, indien uitvoering van de maatregelen hem onevenredige schade zou berokkenen en indien geldelijke schadeloosstelling van de benadeelde partij redelijkerwijs bevredigend lijkt.
1.
Elke partij ziet erop toe dat wanneer de rechterlijke autoriteiten een schadevergoeding vaststellen:
a. zij rekening houden met alle relevante aspecten, zoals de negatieve economische gevolgen, waaronder winstderving, die de benadeelde partij heeft ondervonden, de onrechtmatige winst die de inbreukmaker heeft genoten en, in voorkomend geval, andere elementen dan economische factoren, onder meer de morele schade die de houder van het recht door de inbreuk heeft geleden; of
b. zij als alternatief voor het bepaalde onder a) in voorkomend geval de schadevergoeding kunnen vaststellen als een vast bedrag, op basis van elementen zoals ten minste het bedrag aan royalty’s of vergoedingen dat verschuldigd was geweest indien de inbreukmaker toestemming had gevraagd om het intellectuele-eigendomsrecht in kwestie te gebruiken.
2.
De partijen kunnen erin voorzien dat de rechterlijke instanties invordering van winsten of betaling van een vooraf vastgestelde schadevergoeding kunnen gelasten indien de inbreukmaker niet wist of niet redelijkerwijs had moeten weten dat hij inbreuk maakte.
Artikel 245. Gerechtskosten [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
Elke partij zorgt ervoor dat, als algemene regel, redelijke en proportionele gerechtskosten en andere proceskosten, inclusief de kosten voor rechtsbijstand, die de in het gelijk gestelde partij heeft gemaakt, door de verliezende partij worden gedragen, tenzij de billijkheid of andere redenen zich overeenkomstig de interne wetgeving daartegen verzetten.
Artikel 246. Openbaarmaking van rechterlijke uitspraken [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
Elke partij neemt de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat in juridische procedures in verband met de inbreuk op een intellectuele-eigendomsrecht de rechterlijke instanties op verzoek van de eiser kunnen gelasten dat op kosten van de inbreukmaker passende maatregelen tot verspreiding van informatie over de uitspraak worden getroffen, met inbegrip van volledige of gedeeltelijke bekendmaking en publicatie van de uitspraak. De partijen kunnen voorzien in andere bijkomende vormen van bekendmaking die passend zijn in de omstandigheden van het geval, zoals opvallende publiciteit.
Artikel 247. Vermoeden van auteurschap of houderschap van rechten [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
Voor de toepassing van de maatregelen, procedures en rechtsmiddelen krachtens deze overeenkomst met betrekking tot het handhaven van auteursrechten en naburige rechten:
a. volstaat het om, tot bewijs van het tegendeel is geleverd, als auteur van een werk van letterkunde of kunst te worden beschouwd en derhalve het recht te hebben om een rechtsvordering wegens inbreuk in te stellen, dat de naam van de betrokkene op de gebruikelijke wijze op het werk is vermeld. Dit punt is ook van toepassing indien deze naam een pseudoniem is, wanneer het door de auteur aangenomen pseudoniem geen twijfel over zijn identiteit laat;
b. punt a) is van overeenkomstige toepassing op de houders van naburige rechten ten aanzien van hun beschermde materiaal.
Artikel 248. Administratieve procedures [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
Voor zover een civiel rechtsmiddel kan worden gelast als gevolg van een administratieve bodemprocedure, is deze procedure in overeenstemming met de beginselen die in wezen gelijkwaardig zijn aan de beginselen die zijn neergelegd in de relevante bepalingen van deze afdeling.
1.
Elke partij stelt, tenzij in dit artikel anders wordt bepaald, procedures 73)[74] vast om de houder van een recht, die geldige redenen heeft om te vermoeden dat goederen waarmee inbreuk wordt gemaakt op een auteursrecht of een recht op een handelsmerk 74)[75] , worden ingevoerd, uitgevoerd, of wederuitgevoerd, in staat te stellen bij de bevoegde instanties een schriftelijk verzoek in te dienen tot opschorting van het in het vrije verkeer brengen van deze goederen dan wel het vasthouden ervan door de douaneautoriteiten. De partijen evalueren de toepassing van deze maatregelen voor goederen waarvan wordt vermoed dat zij inbreuk maken op een geografische aanduiding.
2.
Elke partij ziet erop toe dat wanneer de douaneautoriteiten bij hun werkzaamheden voldoende redenen hebben om te vermoeden dat goederen inbreuk maken op een auteursrecht of recht op een handelsmerk, deze autoriteiten beroepshalve het vrijgeven van de goederen mogen opschorten of deze mogen vasthouden om de houder van het recht in staat te stellen krachtens de interne wetgeving van elke partij een juridische of administratieve procedure overeenkomstig lid 1 voor te stellen.
3.
Elk recht of elke verplichting, vastgesteld in deel III, afdeling 4, van de TRIPs-overeenkomst met betrekking tot de importeur, is eveneens van toepassing op de exporteur of ontvanger van de goederen.
Artikel 250. Gebruik van diensten van intermediairs [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
De partijen erkennen dat de diensten van intermediairs door derden voor inbreuk makende activiteiten kunnen worden gebruikt. Om het vrije verkeer van informatiediensten te waarborgen en terzelfder tijd auteursrechten en naburige rechten in de digitale omgeving te handhaven, voorziet elke partij in de in deze afdeling genoemde maatregelen voor aanbieders van intermediaire diensten, wanneer deze op generlei wijze betrokken zijn bij de doorgegeven informatie.
1.
Elke partij ziet erop toe dat, wanneer een dienst bestaat in het doorgeven in een communicatienetwerk van door een afnemer van de dienst verstrekte informatie, of in het verschaffen van toegang tot een communicatienetwerk, de aanbieder van de dienst niet aansprakelijk is voor de doorgegeven informatie, op voorwaarde dat:
a. het initiatief tot de doorgifte niet bij hem ligt;
b. hij de ontvanger van de doorgegeven informatie niet selecteert;
c. hij de doorgegeven informatie niet selecteert of wijzigt.
2.
Het doorgeven van informatie en het verschaffen van toegang in de zin van lid 1 omvat de automatische, tussentijdse en tijdelijke opslag van de doorgegeven informatie, voor zover deze uitsluitend dient om de doorgifte in het communicatienetwerk te bewerkstelligen en niet langer duurt dan redelijkerwijs voor het doorgeven nodig is.
3.
Deze afdeling belet niet dat een rechtbank of administratieve instantie in overeenstemming met het rechtsstelsel van elke partij kan verlangen dat de aanbieder van de dienst een inbreuk beëindigt of verhindert.
1.
Elke partij ziet erop toe dat, wanneer een dienst bestaat in het doorgeven in een communicatienetwerk van door een afnemer van de dienst verstrekte informatie, de aanbieder van de dienst niet aansprakelijk is voor de automatische, tussentijdse en tijdelijke opslag van die informatie, wanneer deze opslag enkel geschiedt om latere doorgifte van die informatie aan andere afnemers van de dienst op hun verzoek doeltreffender te maken, op voorwaarde dat de aanbieder van de dienst:
a. de informatie niet wijzigt;
b. de toegangsvoorwaarden voor de informatie in acht neemt;
c. de alom erkende en in de bedrijfstak gangbare regels betreffende de bijwerking van de informatie naleeft;
d. niets wijzigt aan het alom erkende en in de bedrijfstak gangbare rechtmatige gebruik van technologie voor het verkrijgen van gegevens over het gebruik van de informatie;
e. prompt handelt om de door hem opgeslagen informatie te verwijderen of de toegang ertoe onmogelijk te maken, zodra hij er daadwerkelijk kennis van heeft dat de informatie verwijderd werd van de plaats waar zij zich oorspronkelijk in het net bevond of de toegang ertoe onmogelijk werd gemaakt, of dat een rechtbank of administratieve autoriteit heeft gelast de informatie te verwijderen of de toegang daartoe onmogelijk te maken.
2.
Deze afdeling belet niet dat een rechtbank of administratieve instantie in overeenstemming met het rechtssysteem van elke partij kan verlangen dat de aanbieder van de dienst een inbreuk beëindigt of verhindert.
1.
Elke partij zier erop toe dat, wanneer een dienst bestaat in de opslag van de door een afnemer van de dienst verstrekte informatie, de aanbieder van de dienst niet aansprakelijk is voor de op verzoek van de afnemer van de dienst opgeslagen informatie, op voorwaarde dat de aanbieder van de dienst:
a. niet daadwerkelijk kennis heeft van de onwettige activiteit of informatie en, wanneer het een schadevergoedingsvordering betreft, geen kennis heeft van feiten of omstandigheden waaruit het onwettige karakter van de activiteit of informatie duidelijk blijkt; of
b. prompt handelt om de informatie te verwijderen of de toegang daartoe onmogelijk te maken zodra hij van het bovenbedoelde daadwerkelijk kennis heeft of besef krijgt.
2.
Lid 1 is niet van toepassing wanneer de afnemer van de dienst op gezag of onder toezicht van de aanbieder van de dienst handelt.
3.
Deze afdeling belet niet dat een rechtbank of administratieve instantie in overeenstemming met het rechtsstelsel van elke partij kan verlangen dat de aanbieder van een dienst een inbreuk beëindigt of voorkomt, en evenmin dat een partij procedures kan vaststellen om informatie te verwijderen of de toegang daartoe onmogelijk te maken.
1.
Een partij legt de aanbieders van diensten geen algemene verplichting op om bij het aanbieden van de in de artikelen 251, 252 en 253 bedoelde diensten toezicht te houden op de informatie die zij doorgeven of opslaan, noch om actief te gaan zoeken naar feiten of omstandigheden die op onwettige activiteiten duiden.
2.
De partijen kunnen aanbieders van diensten verplichten om de bevoegde overheidsinstanties onverwijld in kennis te stellen van vermeende onwettige activiteiten of informatie van de afnemers van hun dienst of om de bevoegde instanties op hun verzoek informatie te verstrekken die kan dienen tot de identificatie van afnemers van hun dienst waarmee zij een opslagovereenkomst hebben.
1.
De partijen komen overeen om ervaringen en informatie uit te wisselen over hun interne en internationale praktijk en beleid met betrekking tot de overdracht van technologie 75)[76] . Deze uitwisseling omvat in het bijzonder maatregelen om informatiestromen, zakelijke partnerschappen, de verlening van licenties en onderaanbesteding op vrijwillige basis te vergemakkelijken. Er wordt bijzondere aandacht besteed aan de voorwaarden die nodig zijn voor het scheppen van een voldoende gunstig klimaat voor de bevordering van duurzame banden tussen de wetenschappelijke gemeenschappen van de partijen, de intensivering van activiteiten ter bevordering van innovatie en van contacten en overdracht van technologie tussen de partijen, inclusief kwesties als het relevante rechtskader en de ontwikkeling van menselijk kapitaal.
2.
De partijen vergemakkelijken en stimuleren onderzoek, innovatie, activiteiten op het gebied van technologische ontwikkeling en de overdracht en verspreiding van technologie onderling, en richten zich daarbij onder meer op ondernemingen, overheidsinstellingen, universiteiten en onderzoeks- en technologische centra. De partijen bevorderen naar vermogen de opbouw van capaciteit en de uitwisseling en opleiding van personeel op dit gebied.
3.
De partijen stimuleren mechanismen voor de deelname van instellingen en deskundigen uit hun respectieve wetenschaps-, technologie- en innovatiesystemen aan projecten en gezamenlijke onderzoeks-, ontwikkelings- en innovatienetwerken, teneinde hun capaciteiten op wetenschappelijk, technologisch en innovatiegebied te versterken. Bij deze mechanismen kan het gaan om:
a. gezamenlijke ontwikkelingsactiviteiten op het gebied van onderzoek, innovatie en technologie, alsmede onderwijsprojecten;
b. bezoeken en uitwisselingen van wetenschappers, onderzoekers, stagiaires en technische deskundigen;
c. gezamenlijke organisatie van wetenschappelijke seminars, conferenties, symposia en workshops, alsmede de deelname van deskundigen aan deze activiteiten;
d. gezamenlijke onderzoeks-, ontwikkelings- en innovatienetwerken;
e. uitwisselen en delen van apparatuur en materiaal;
f. bevordering van de evaluatie van gezamenlijk werk en de verspreiding van resultaten;
g. andere door de partijen overeengekomen activiteiten.
4.
De partijen moeten overwegen om mechanismen op te zetten voor de uitwisseling van informatie over onderzoeks-, ontwikkelings- en innovatieprojecten die met openbare middelen worden gefinancierd.
5.
De EU vergemakkelijkt en bevordert het gebruik van stimulansen die worden toegekend aan instellingen en ondernemingen op haar grondgebied voor de overdracht van technologie aan instellingen en ondernemingen uit de overeenkomstsluitende Andeslanden, zodat deze in staat zijn een levensvatbare technologische basis tot stand te brengen.
6.
Elke partij stelt alles in het werk om te evalueren hoe de toegang tot haar grondgebied en het verlaten ervan voor gegevens en apparatuur die betrekking hebben op of gebruikt worden bij activiteiten op het gebied van onderzoek, innovatie en technologische ontwikkeling door de partijen krachtens dit artikel kunnen worden vergemakkelijkt, in overeenstemming met de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen, inclusief de regelingen met betrekking tot uitvoercontrole van producten voor tweeërlei gebruik en de wetgeving ter zake, die op het grondgebied van elke partij van toepassing zijn.
1.
De partijen komen overeen samen te werken ter ondersteuning van de tenuitvoerlegging van de verbintenissen en verplichtingen uit hoofde van deze titel.
2.
Onverminderd het bepaalde in titel XIII (Technische bijstand en opbouw van handelscapaciteit) omvatten de samenwerkingsgebieden onder meer de volgende activiteiten:
a. uitwisseling van informatie over het rechtskader met betrekking tot intellectuele-eigendomsrechten en de regels om deze te beschermen en te handhaven, alsmede uitwisseling van ervaringen tussen de EU en elk overeenkomstsluitend Andesland met betrekking tot de vooruitgang op wetgevingsgebied;
b. uitwisseling van ervaringen tussen de EU en elk overeenkomstsluitend Andesland over de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten;
c. capaciteitsopbouw en uitwisseling en opleiding van personeel;
d. bevordering en verspreiding van informatie over intellectuele-eigendomsrechten, onder meer in zakenkringen en het maatschappelijk middenveld, alsmede voorlichting van consumenten en houders van een recht;
e. uitbreiding van institutionele samenwerking, bijvoorbeeld tussen bureaus voor intellectuele eigendom;
f. actieve voorlichting aan en scholing van het grote publiek over het beleid inzake intellectuele eigendom.
1.
De partijen richten een subcomité Intellectuele eigendom op voor het toezicht op de tenuitvoerlegging van het bepaalde in deze titel. Het subcomité komt ten minste één keer per jaar bijeen, tenzij de partijen anders overeenkomen. Deze bijeenkomsten kunnen via alle overeengekomen middelen plaatsvinden.
2.
Het subcomité Intellectuele eigendom neemt haar besluiten bij consensus. Het kan haar eigen reglement van orde vaststellen. Het subcomité Intellectuele eigendom is verantwoordelijk voor het beoordelen van de in artikel 209 bedoelde informatie en voor het voorstellen van wijzigingen van aanhangsel 1 van bijlage XIII (Lijsten van geografische aanduidingen) betreffende geografische aanduidingen aan het Handelscomité.
1.
Voor de toepassing van deze titel wordt verstaan onder:
„mededingingswetgeving”:
a. voor de EU, de artikelen 101, 102 en 106 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, Verordening (EG) nr. 139/2004 van 20 januari 2004 betreffende de controle op concentraties van ondernemingen en de uitvoeringsverordeningen en wijzigingen daarvan;
b. voor Colombia en Peru, de volgende wetgeving, indien van toepassing:
i. interne wetgeving inzake mededinging die overeenkomstig artikel 260 wordt vastgesteld of gehandhaafd, en de uitvoeringsverordeningen en wijzigingen daarvan; en/of
ii. wetgeving van de Andesgemeenschap die in Colombia of Peru van toepassing is, en de uitvoeringsverordeningen en wijzigingen daarvan;
„mededingingsautoriteit” en „mededingingsautoriteiten”:
a. voor de EU, de Europese Commissie; en
b. voor Colombia en Peru, hun respectieve nationale mededingingsautoriteiten.
2.
Niets in dit artikel doet afbreuk aan de bevoegdheden die de partijen aan hun respectieve regionale en nationale instanties hebben toegekend voor een doeltreffende en coherente tenuitvoerlegging van hun respectieve mededingingswetgeving.
1.
De partijen passen hun respectieve mededingingsbeleid en -wetgeving toe in het besef dat vrije mededinging belangrijk is en dat met de mededinging strijdige praktijken in potentie een goede marktwerking kunnen verstoren, de economische en sociale ontwikkeling, economische efficiëntie en het welzijn van de consument nadelig kunnen beïnvloeden, en de voordelen die voortvloeien uit de tenuitvoerlegging van deze overeenkomst kunnen ondermijnen.
2.
De partijen zijn het erover eens dat de volgende praktijken niet in overeenstemming met deze overeenkomst zijn, voor zover deze de handel en investeringen tussen de partijen kunnen beïnvloeden:
a. overeenkomsten, besluiten, aanbevelingen of onderling afgestemde feitelijke gedragingen die overeenkomstig hun respectieve mededingingswetgeving als doel of gevolg hebben de mededinging te belemmeren, te beperken of te verstoren;
b. misbruik van een machtspositie overeenkomstig hun respectieve mededingingswetgeving;
c. concentraties tussen ondernemingen die aanzienlijke hinder veroorzaken voor een doeltreffende mededinging, in het bijzonder als gevolg van de totstandbrenging of versterking van een machtspositie overeenkomstig hun respectieve mededingingswetgeving.
3.
De partijen erkennen het belang van samenwerking en coördinatie tussen hun respectieve mededingingsautoriteiten, teneinde een doeltreffend mededingingsbeleid en een efficiënte rechtshandhaving te bevorderen; daartoe behoren ook kennisgevingen op grond van artikel 262, overleg, uitwisseling van informatie, technische bijstand en bevordering van mededinging.
4.
De partijen ondersteunen en bevorderen maatregelen om de mededinging in hun respectieve jurisdicties overeenkomstig de doelstellingen van deze overeenkomst te versterken.
1.
Elke partij handhaaft mededingingswetgeving ter bestrijding van de in artikel 259, lid 2, genoemde praktijken en neemt passende maatregelen met betrekking daartoe.
2.
Elke partij richt mededingingsautoriteiten op of handhaaft deze, die verantwoordelijk en toereikend uitgerust zijn voor een doeltreffende handhaving van hun respectieve mededingingswetgeving.
3.
De partijen erkennen dat het belangrijk is dat hun respectieve mededingingswetgeving op transparante, tijdige en niet-discriminatoire wijze wordt toegepast, met inachtneming van het beginsel van behoorlijke rechtsgang en het recht van verweer.
4.
Elke partij behoudt haar autonomie om haar respectieve mededingingsbeleid vast te stellen, te ontwikkelen en ten uitvoer te leggen.
1.
De partijen stellen alles in het werk om via hun mededingingsautoriteiten samen te werken in verband met de tenuitvoerlegging van de mededingingswetgeving.
2.
De mededingingsautoriteit van een partij kan de mededingingsautoriteit van een andere partij vragen om samen te werken met betrekking tot handhavingsmaatregelen. Deze samenwerking belet de betrokken partijen niet om onafhankelijk besluiten te nemen.
3.
De mededingingsautoriteiten kunnen informatie uitwisselen om de doeltreffende toepassing van hun respectieve mededingingswetgeving te vergemakkelijken.
4.
Wanneer mededingingsautoriteiten krachtens dit artikel informatie uitwisselen, houden ze rekening met de door hun respectieve wetgeving opgelegde beperkingen.
5.
Indien een partij van mening is dat een op het grondgebied van een andere partij verrichte met de mededinging strijdige praktijk, zoals gedefinieerd in artikel 259, lid 2, een negatief gevolg heeft op het grondgebied van beide partijen of voor de handelsbetrekkingen tussen die partijen, kan die partij verzoeken dat die andere partij de in haar wetgeving vastgelegde handhavingsmaatregelen inleidt.
6.
De mededingingsautoriteiten kunnen de samenwerking in overeenstemming met hun belangen en capaciteit verder door middel van passende middelen of instrumenten versterken.
1.
De mededingingsautoriteit van een partij stelt, indien de administratieve middelen dat toelaten, de mededingingsautoriteit van een andere partij in kennis van de maatregelen tot handhaving van de mededingingswetgeving die naar oordeel van de kennisgevende mededingingsautoriteit van invloed zijn op zwaarwegende belangen 76)[77] van die andere partij.
2.
De kennisgeving krachtens lid 1 wordt zo spoedig mogelijk gedaan, voor zover dit niet indruist tegen de mededingingswetgeving van de partij die de kennisgeving doet, of van invloed is op een lopend onderzoek.
1.
Niets in deze overeenkomst belet een partij om overeenkomstig haar wetgeving 77)[78] overheidsmonopolies, particuliere monopolies of staatsondernemingen op te richten of in stand te houden.
2.
Elke partij zorgt ervoor dat staatsondernemingen en toegewezen monopolies onder haar mededingingswetgeving vallen, voor zover de toepassing van die wetgeving, wettelijk of feitelijk, geen belemmering vormt voor de uitvoering van de specifieke aan hen toegewezen openbare taken.
3.
Geen van de partijen neemt of handhaaft met betrekking tot staatsondernemingen en toegewezen monopolies maatregelen die in strijd zijn met het bepaalde in deze titel en die de handel en investeringen tussen de partijen verstoren.
1.
Teneinde de in deze titel beschreven doelstellingen te bereiken, erkennen de partijen het belang van technische bijstand en bevorderen zij initiatieven om een mededingingscultuur te ontwikkelen.
2.
Initiatieven uit hoofde van lid 1 zijn onder andere gericht op het versterken van de technische en institutionele capaciteit ten aanzien van de uitvoering van het mededingingsbeleid en de handhaving van de mededingingswetgeving, het opleiden van mensen en het uitwisselen van ervaringen.
1.
Teneinde het begrip tussen de partijen te stimuleren of specifieke uit deze titel voortvloeiende aangelegenheden aan te pakken, aanvaardt een partij dat op verzoek van een andere partij overleg wordt geopend, zonder dat dit haar belet in overeenstemming met haar mededingingswetgeving maatregelen te treffen en in volledige autonomie een definitieve beslissing te nemen over de aangelegenheden waarover overleg is gevraagd.
2.
De partij die krachtens lid 1 om overleg vraagt, geeft aan hoe de aangelegenheid van invloed is op de goede werking van de markt, en op consumenten en handel en investeringen tussen de partijen. De partij tot wie het verzoek om overleg gericht is, neemt de zorgen van de verzoekende partij zoveel mogelijk in aanmerking.
Artikel 266. Geschillenbeslechting [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
Geen van de partijen kan een beroep doen op de beslechting van geschillen uit hoofde van titel XII (Geschillenbeslechting) voor kwesties die in het kader deze titel naar voren komen.
1.
Indachtig de Verklaring van Rio over milieu en ontwikkeling en de Agenda 21 die op 14 juni 1992 door de Conferentie van de Verenigde Naties over milieu en ontwikkeling werden aangenomen, de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling die in september 2000 werden vastgesteld, de Verklaring van Johannesburg over duurzame ontwikkeling en het bijbehorende uitvoeringsplan, die op 4 september 2002 werden aangenomen, en de Ministeriële verklaring over volledige werkgelegenheid en fatsoenlijk werk, die in september 2006 door de Economische en Sociale Raad van de VN werd aangenomen, herbevestigen de partijen hun verbintenis om zich in te zetten voor duurzame ontwikkeling en voor het welzijn van huidige en toekomstige generaties. De partijen komen in dit verband overeen om de internationale handel zodanig te bevorderen dat een bijdrage wordt geleverd aan het doel van duurzame ontwikkeling en om ernaar te streven dit doel in hun handelsbetrekkingen te integreren en tot uiting te laten komen. Zij benadrukken met name dat het voordelig is handelsgerelateerde vraagstukken op het gebied van arbeid 78)[79] en milieu te beschouwen als onderdeel van een wereldwijde aanpak van handel en duurzame ontwikkeling.
2.
In het licht van lid 1 zijn de doelstellingen van deze titel onder meer:
a. bevordering van dialoog en samenwerking tussen de partijen om de tenuitvoerlegging van deze titel te vergemakkelijken en beleid en praktijk op het gebied van handel, arbeid en milieu nauwer op elkaar af te stemmen;
b. betere naleving van de arbeids- en milieuwetgeving van elke partij, alsmede van de verbintenissen uit hoofde van de in de artikelen 269 en 270 genoemde internationale afspraken en overeenkomsten, als belangrijk factor om de bijdrage van de handel aan duurzame ontwikkeling te vergroten;
c. grotere rol van de handel en het handelsbeleid bij het bevorderen van het behoud en het duurzame gebruik van biologische diversiteit en natuurlijke hulpbronnen, en bij het verminderen van verontreiniging overeenkomstig het doel van duurzame ontwikkeling;
d. grotere inzet voor arbeidsbeginselen en -rechten overeenkomstig het bepaalde in deze titel, als belangrijke factor om de bijdrage van de handel aan duurzame ontwikkeling te vergroten;
e. bevordering van overheidsdeelname aan de onder deze titel vallende aangelegenheden.
3.
De partijen herbevestigen hun vaste voornemen om aan hun verbintenissen krachtens deze titel te voldoen, rekening houdend met hun eigen capaciteit, en met name hun technische en financiële capaciteit.
4.
De partijen wijzen opnieuw op hun verbintenis om, in overeenstemming met het beginsel van gemeenschappelijke doch onderscheiden verantwoordelijkheden, wereldwijde milieu-uitdagingen aan te gaan.
5.
Deze titel mag niet worden uitgelegd of gebruikt als middel tot willekeurige of ongerechtvaardigde discriminatie tussen de partijen of als verkapte handels- of investeringsbeperking.
Artikel 268. Regelgevingsrecht en beschermingsniveaus [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
De partijen erkennen het soevereine recht van elke partij om in overeenstemming met de in de artikelen 269 en 270 bedoelde internationaal erkende normen en overeenkomsten eigen intern beleid en eigen prioriteiten inzake duurzame ontwikkeling, alsmede eigen niveaus van milieu- en arbeidsbescherming vast te stellen, en om hiertoe dienovereenkomstig wet- en regelgeving en beleid aan te nemen of te wijzigen; elke partij streeft ernaar te waarborgen dat haar wetgeving en beleid ter zake een hoog niveau van milieu- en arbeidsbescherming bieden en stimuleren.
1.
De partijen erkennen internationale handel, productieve werkgelegenheid en fatsoenlijk werk voor iedereen als hoofdelementen voor het beheer van het mondialiseringsproces, en herbevestigen hun verbintenis om de ontwikkeling van de internationale handel zodanig te bevorderen dat deze tot productieve werkgelegenheid en fatsoenlijk werk voor iedereen leidt.
2.
De partijen zullen waar nodig een dialoog aangaan en samenwerken op het gebied van handelsgerelateerde arbeidsvraagstukken van wederzijds belang.
3.
Elke partij verbindt zich ertoe om internationaal erkende fundamentele arbeidsnormen zoals vervat in de fundamentele overeenkomsten van de Internationale Arbeidsorganisatie, hierna „ILO” genoemd, op haar hele grondgebied te bevorderen en op doeltreffende wijze in haar wetgeving en praktijk ten uitvoer te leggen:
a. de vrijheid van vereniging en de daadwerkelijke erkenning van het recht op collectieve arbeidsovereenkomsten;
b. de uitbanning van alle vormen van dwangarbeid of verplichte arbeid;
c. de daadwerkelijke afschaffing van kinderarbeid;
d. de uitbanning van discriminatie met betrekking tot werk en beroep.
4.
De partijen wisselen informatie uit over hun respectieve situatie en vooruitgang met betrekking tot de ratificatie van de prioritaire ILO-overeenkomsten, alsmede van andere overeenkomsten die door de ILO als bijgewerkt zijn geclassificeerd.
5.
De partijen benadrukken dat arbeidsnormen niet mogen worden gebruikt voor protectionistische handelsdoeleinden en dat bovendien het comparatieve voordeel van een partij in geen geval ter discussie mag worden gesteld.
1.
De partijen erkennen de waarde van internationale governance en overeenkomsten op milieugebied als antwoord van de internationale gemeenschap op mondiale of regionale milieuproblemen en benadrukken de noodzaak de wederzijdse ondersteuning van handel en milieu te versterken. In deze context gaan de partijen waar nodig een dialoog aan en werken ze samen met betrekking tot handelsgerelateerde milieuvraagstukken van wederzijds belang.
2.
De partijen herbevestigen hun verbintenis om de volgende multilaterale milieuovereenkomsten daadwerkelijk in hun wetgeving en praktijk ten uitvoer te leggen: het Protocol van Montreal betreffende stoffen die de ozonlaag afbreken van 16 september 1987, het Verdrag van Bazel inzake de beheersing van de grensoverschrijdende overbrenging van gevaarlijke afvalstoffen en de verwijdering ervan van 22 maart 1989, het Verdrag van Stockholm inzake persistente organische verontreinigende stoffen van 22 mei 2001, de Overeenkomst inzake de internationale handel in bedreigde in het wild levende dier- en plantensoorten van 3 maart 1973, hierna „CITES” genoemd, het Verdrag inzake biologische diversiteit , het Protocol van Cartagena inzake bioveiligheid bij het Verdrag inzake biologische diversiteit van 29 januari 2000, het Protocol van Kyoto bij het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering van 11 december 1997, hierna „Kyotoprotocol” genoemd, en het Verdrag van Rotterdam inzake de procedure met betrekking tot voorafgaande geïnformeerde toestemming ten aanzien van bepaalde gevaarlijke chemische stoffen en pesticiden in de internationale handel van 10 september 1998 79)[80] .
3.
Het Handelscomité kan aanbevelen de toepassing van lid 2 op voorstel van het subcomité Handel en duurzame ontwikkeling uit te breiden naar andere multilaterale milieuovereenkomsten.
4.
Niets in deze overeenkomst beperkt het recht van een partij om maatregelen vast te stellen of te handhaven teneinde de in lid 2 genoemde overeenkomsten uit te voeren. Deze maatregelen worden niet zodanig toegepast dat zij een middel tot willekeurige of ongerechtvaardigde discriminatie tussen de partijen of een verkapte beperking van de handel vormen.
1.
De partijen herbevestigen dat handel duurzame ontwikkeling moet bevorderen. Zij erkennen eveneens het positieve effect dat fundamentele arbeidsnormen en fatsoenlijk werk kunnen hebben op economische efficiëntie, innovatie en productiviteit, en de waarde van een grotere coherentie tussen het handelsbeleid enerzijds en het arbeidsbeleid anderzijds.
2.
De partijen streven ernaar handel en buitenlandse directe investeringen in milieugoederen en -diensten te vergemakkelijken en te bevorderen.
3.
De partijen komen overeen om goede zakelijke praktijken met betrekking tot maatschappelijk verantwoord ondernemen te bevorderen.
4.
De partijen erkennen dat flexibele, vrijwillige en op stimulansen gebaseerde mechanismen kunnen bijdragen aan de samenhang tussen handelspraktijken en de doelstellingen van duurzame ontwikkeling. In dit licht, en overeenkomstig haar respectieve wetgeving en beleid, stimuleert elke partij de ontwikkeling en het gebruik van dergelijke mechanismen.
1.
De partijen erkennen het belang van het behoud en duurzame gebruik van biologische diversiteit en alle componenten daarvan als hoofdelement voor het bereiken van duurzame ontwikkeling. De partijen bevestigen hun verbintenis tot het behoud en duurzame gebruik van biologische diversiteit uit hoofde van het Verdrag inzake biologische diversiteit en andere relevante overeenkomsten waarbij de partijen partij zijn.
2.
De partijen zullen blijven werken aan het bereiken van hun internationale doelen, zijnde het vaststellen en handhaven van een uitgebreid, doeltreffend beheerd en ecologisch representatief nationaal en regionaal systeem van beschermde land- en zeegebieden in respectievelijk 2010 en 2012, als fundamentele hulpmiddelen voor het behoud en duurzame gebruik van biologische diversiteit. De partijen erkennen ook het belang van beschermde gebieden voor het welzijn van de populaties die zich in die gebieden en hun bufferzones hebben gevestigd.
3.
De partijen zullen streven naar gezamenlijke bevordering van de ontwikkeling van praktijken en programma’s die gericht zijn op het stimuleren van passende economische opbrengsten uit het behoud en duurzame gebruik van biologische diversiteit.
4.
De partijen erkennen hun verplichting uit hoofde van het Verdrag inzake biologische diversiteit om, met inachtneming van hun interne wetgeving, te zorgen voor de eerbiediging, bescherming en instandhouding van de kennis, vernieuwingen en gebruiken van autochtone en lokale gemeenschappen, waarop tradities zijn gebaseerd die van belang zijn voor het behoud en het duurzame gebruik van de biologische diversiteit en voor de bevordering van de toepassing daarvan op grotere schaal, met de voorafgaande geïnformeerde instemming van de dragers van die kennis, vernieuwingen en gebruiken, alsmede voor de stimulering van de eerlijke en billijke verdeling van de voordelen van de toepassing van die kennis, vernieuwingen en gebruiken.
5.
Indachtig artikel 15 van het Verdrag inzake biologische diversiteit erkennen de partijen de soevereine rechten van staten over hun natuurlijke hulpbronnen, alsmede dat de bevoegdheid tot het bepalen van toegang tot genetische bronnen bij de nationale overheid ligt en door de interne wetgeving wordt geregeld. Voorts erkennen de partijen dat zij streven naar het scheppen van voorwaarden om de toegang tot genetische hulpbronnen voor vanuit milieuoogpunt verantwoord gebruik te vergemakkelijken, en trachten geen beperkingen op te leggen die in strijd zijn met de doelstellingen van het Verdrag inzake biologische diversiteit , alsmede dat de toegang tot genetische hulpbronnen afhankelijk gesteld wordt van voorafgaande geïnformeerde toestemming van elke partij die dergelijke hulpbronnen verschaft, tenzij anders bepaald door die partij. De partijen nemen in overeenstemming met het Verdrag inzake biologische diversiteit passende maatregelen om de resultaten van onderzoek en ontwikkeling, en de voordelen die voortvloeien uit commercieel en ander gebruik van genetische hulpbronnen, op eerlijke en billijke wijze en op onderling overeengekomen voorwaarden te delen met de partij die dergelijke hulpbronnen verschaft.
6.
De partijen streven naar het versterken en vergroten van de capaciteit van nationale instellingen die verantwoordelijk zijn voor het behoud en duurzame gebruik van biologische diversiteit, door middel van instrumenten voor het versterken van de capaciteit en door technische bijstand.
Artikel 273. Handel in bosbouwproducten [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
Teneinde het duurzame beheer van het bosbestand te bevorderen, erkennen de partijen het belang van praktijken die in overeenstemming met interne wetgeving en procedures de rechtshandhaving en governance op het gebied van de bosbouw verbeteren en de handel in legale en duurzame bosbouwproducten bevorderen; daartoe kunnen de volgende praktijken behoren:
a. doeltreffende tenuitvoerlegging en benutting van CITES met betrekking tot houtsoorten die als bedreigd kunnen worden aangemerkt, overeenkomstig de criteria en in het kader van die overeenkomst;
b. ontwikkeling van systemen en mechanismen waarmee het mogelijk is de legale herkomst van houtproducten in de hele marketingketen te controleren;
c. bevordering van vrijwillige mechanismen voor boscertificering die op internationale markten worden erkend;
d. transparantie en bevordering van overheidsdeelname aan het beheer van het bosbestand voor houtproductie;
e. versterking van controlemechanismen voor houtproductie, met inbegrip van onafhankelijke toezichthoudende instanties, overeenkomstig het rechtskader van elke partij.
1.
De partijen erkennen de noodzaak om de visbestanden op verstandige en verantwoorde wijze in stand te houden en te beheren, teneinde de duurzaamheid ervan te waarborgen.
2.
De partijen erkennen de noodzaak om in het kader van regionale organisaties voor visserijbeheer waarvan zij deel uitmaken, samen te werken teneinde:
a. de visserijcapaciteit voor de visbestanden, inclusief overbeviste bestanden, te herzien en aan te passen om te waarborgen dat de visserij-inspanning evenredig is aan de beschikbare vangstmogelijkheden;
b. doeltreffende hulpmiddelen voor het toezicht en de controle, zoals waarnemersregelingen, toezichtsregelingen voor vaartuigen, toezicht op het overladen en havenstaatcontrole, vast te stellen om een volledige naleving van de toepasselijke instandhoudingsmaatregelen te waarborgen;
c. acties goed te keuren ter bestrijding van illegale, niet-aangegeven en niet-gereglementeerde visvangst; hiertoe komen de partijen overeen te waarborgen dat de visserijactiviteiten van vaartuigen die onder hun vlag varen in overeenstemming zijn met de in de regionale organisatie voor visserijbeheer vastgestelde voorschriften, en vaartuigen die zich niet aan deze voorschriften houden te bestraffen.
1.
Indachtig het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering , hierna het „UNFCCC” genoemd, en het Kyotoprotocol erkennen de partijen dat klimaatverandering een zaak van gemeenschappelijke en wereldwijde zorg is, die een zo groot mogelijke samenwerking van alle landen vergt, alsmede hun deelname aan een doeltreffend en toereikend internationaal antwoord ten gunste van huidige en toekomstige generaties van de mensheid.
2.
De partijen zijn vastbesloten om hun inspanningen met betrekking tot klimaatverandering, die worden geleid door ontwikkelde landen, te vergroten, mede door het bevorderen van intern beleid en geschikte internationale initiatieven om de klimaatverandering te matigen en zich hieraan aan te passen, op basis van gelijkheid en overeenkomstig hun gezamenlijke doch onderscheiden verantwoordelijkheden en respectieve capaciteiten en hun sociale en economische situatie, en met name rekening houdend met de behoeften, omstandigheden en grote kwetsbaarheid voor de negatieve gevolgen van klimaatverandering voor de partijen die ontwikkelingslanden zijn.
3.
De partijen erkennen eveneens dat de gevolgen van klimaatverandering van invloed kunnen zijn op hun huidige en toekomstige ontwikkeling, en benadrukken daarom dat het belangrijk is om aanpassingsinspanningen te vergroten en te ondersteunen, met name in de partijen die ontwikkelingslanden zijn.
4.
Gezien de wereldwijde doelstelling van een snelle overgang naar koolstofarme economieën bevorderen de partijen het duurzame gebruik van natuurlijke hulpbronnen en bevorderen zij handels- en investeringsmaatregelen die de toegang tot en de verdeling en het gebruik van de beste beschikbare technologieën voor de productie en het gebruik van schone energie en voor de matiging van en de aanpassing aan de klimaatverandering bevorderen en vergemakkelijken.
5.
De partijen komen overeen acties te overwegen die bijdragen aan de verwezenlijking van doelstellingen betreffende de matiging van en aanpassing aan de klimaatverandering door middel van hun handels- en investeringsbeleid, onder meer door:
a. de opheffing van handels- en investeringsbelemmeringen voor de toegang tot en voor de innovatie, ontwikkeling en inzet van goederen, diensten en technologieën die aan de matiging of aanpassing kunnen bijdragen, te vergemakkelijken, rekening houdend met de omstandigheden van ontwikkelingslanden;
b. maatregelen voor energie-efficiëntie en hernieuwbare energie in antwoord op economische en milieubehoeften te bevorderen en technische handelsbelemmeringen zoveel mogelijk te beperken.
Artikel 276. Migrerende werknemers [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
De partijen erkennen dat het belangrijk is om een gelijke behandeling met betrekking tot arbeidsomstandigheden te bevorderen, teneinde op dit gebied elke vorm van discriminatie van werknemers, inclusief migrerende werknemers die legaal op hun grondgebied werken, te elimineren.
1.
Geen van de partijen stimuleert de handel of investeringen door de beschermingsniveaus in hun milieu- en arbeidswetgeving te verlagen. Dienovereenkomstig ziet geen van de partijen af van toepassing van milieu- en arbeidswetgeving of wijkt zij anderszins daarvan af op een wijze die de door die wetgeving geboden bescherming vermindert, teneinde de handel en investeringen te stimuleren.
2.
Een partij doet geen afbreuk aan de daadwerkelijke handhaving van hun milieu- en arbeidswetgeving door een onafgebroken of herhaald handelen of nalaten, op een wijze die van invloed is op de handel of de investeringen tussen de partijen.
3.
De partijen erkennen het recht van elke partij op een redelijke discretionaire bevoegdheid met betrekking tot besluiten over de toekenning van middelen ten aanzien van onderzoek, controle en handhaving van interne milieu- en arbeidsvoorschriften en -normen, zonder dat afbreuk wordt gedaan aan de naleving van de verplichtingen uit hoofde van deze titel.
4.
Niets in deze titel wordt zodanig uitgelegd dat de instanties van een partij gemachtigd zijn op het grondgebied van een andere partij activiteiten in verband met de handhaving van arbeids- en milieuwetgeving te verrichten.
Artikel 278. Wetenschappelijke informatie [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
De partijen erkennen dat het belangrijk is om bij de opstelling en tenuitvoerlegging van maatregelen ter bescherming van de gezondheid en veiligheid op het werk of het milieu die van invloed zijn op de handel tussen de partijen, rekening te houden met wetenschappelijke en technische informatie en internationale normen, richtsnoeren of aanbevelingen ter zake, in het besef dat bij dreiging van ernstige of onherstelbare schade het gebrek aan volledige wetenschappelijke duidelijkheid niet mag worden gebruikt als reden om van beschermende maatregelen uit te stellen 80)[81] .
Artikel 279. Evaluatie van effecten op de duurzaamheid [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
Elke partij verbindt zich ertoe het effect van de tenuitvoerlegging van deze overeenkomst op arbeid en milieu naar eigen goeddunken te evalueren, te beoordelen en te volgen via haar respectieve interne en participatieprocessen.
1.
Elke partij wijst binnen haar diensten een bureau aan dat voor de andere partijen als contactpunt dient voor de uitvoering van handelsgerelateerde aspecten van duurzame ontwikkeling en voor het kanaliseren van alle aangelegenheden en communicatie die zich met betrekking tot deze titel kunnen voordoen.
2.
De partijen richten een subcomité Handel en duurzame ontwikkeling op. Het subcomité Handel en duurzame ontwikkeling bestaat uit vertegenwoordigers op hoog niveau uit de diensten van elke partij, die verantwoordelijk zijn voor arbeid, milieu- en handelszaken.
3.
In afwijking van lid 2 komt het subcomité Handel en duurzame ontwikkeling in zittingen met alleen de EU en een van de overeenkomstsluitende Andeslanden bijeen wanneer het onderwerp uitsluitend op de bilaterale betrekkingen tussen de EU en dat overeenkomstsluitende Andesland betrekking heeft, inclusief aangelegenheden die in het kader van het overleg op regeringsniveau van artikel 283 en de groep van deskundigen van artikel 284 worden behandeld.
4.
Het subcomité Handel en duurzame ontwikkeling komt binnen het eerste jaar na de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst bijeen, en vervolgens wanneer nodig, om toezicht te houden op de tenuitvoerlegging van deze titel, met inbegrip van de in artikel 286 bedoelde samenwerkingsactiviteiten, en om kwesties van gemeenschappelijk belang met betrekking tot deze titel te bespreken. Het subcomité stelt haar reglement van orde vast en neemt besluiten bij consensus.
5.
Het werk van het subcomité Handel en duurzame ontwikkeling is gebaseerd op dialoog, doeltreffende samenwerking, bevordering van verbintenissen en initiatieven krachtens deze titel en het streven naar wederzijds bevredigende oplossingen voor problemen die zich voordoen.
6.
Het subcomité Handel en duurzame ontwikkeling heeft de volgende taken:
a. follow-up in verband met deze titel en aanwijzen van acties om de doelstellingen van duurzame ontwikkeling te verwezenlijken;
b. aanbevelingen doen aan het Handelscomité voor een goede tenuitvoerlegging en een optimaal gebruik van deze titel, wanneer het dit dienstig acht;
c. aanwijzen van samenwerkingsgebieden en verifiëren of de samenwerking doeltreffend wordt uitgevoerd, onverminderd artikel 326;
d. het effect van de tenuitvoerlegging van deze overeenkomst op arbeid en milieu beoordelen, wanneer het dit dienstig acht;
e. oplossen van elke aangelegenheid binnen het toepassingsgebied van deze titel, onverminderd de mechanismen van de artikelen 283 tot en met 285.
7.
Het subcomité Handel en duurzame ontwikkeling bevordert transparantie en overheidsparticipatie in haar werk. Dienovereenkomstig worden besluiten van dit subcomité, evenals door hem opgestelde verslagen over aangelegenheden met betrekking tot de tenuitvoerlegging van deze titel, openbaar gemaakt, tenzij het subcomité anders besluit. Voorts staat het subcomité open voor de inbreng, opmerkingen of standpunten van het publiek aangaande zaken met betrekking tot deze titel, en zal zij deze in overweging nemen.
Artikel 281. Interne mechanismen [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
Elke partij raadpleegt interne commissies of groepen voor arbeid en milieu of duurzame ontwikkeling, of richt dergelijke commissies of groepen op wanneer ze niet bestaan. Deze commissies of groepen kunnen, al dan niet op eigen initiatief, via de respectieve interne kanalen van de partij standpunten indienen en aanbevelingen doen over de tenuitvoerlegging van deze titel. De procedures voor het oprichten en raadplegen van deze commissie of groepen, waarin representatieve organisaties op de hierboven genoemde gebieden op evenwichtige wijze vertegenwoordigd moeten zijn, zijn in overeenstemming met de interne wetgeving.
1.
Behoudens artikel 280, lid 3, komt het subcomité Handel en duurzame ontwikkeling, tenzij anders overeengekomen door de partijen, eenmaal per jaar bijeen met organisaties uit het maatschappelijke middenveld en met het publiek in het algemeen, teneinde aangelegenheden met betrekking tot de tenuitvoerlegging van deze titel te bespreken. De partijen bereiken uiterlijk een jaar na de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst overeenstemming over de procedure voor dergelijke bijeenkomsten met het maatschappelijke middenveld.
2.
Teneinde een evenwichtige vertegenwoordiging van de belangen ter zake te bevorderen, bieden de partijen alle belanghebbenden op de in artikel 281 bedoelde gebieden gelegenheid om aan deze bijeenkomsten deel te nemen. De samenvattingen van deze bijeenkomsten worden openbaar gemaakt.
1.
Een partij kan een andere partij om overleg verzoeken over elke aangelegenheid van wederzijds belang die voortvloeit uit deze titel, door bij het contactpunt van die partij een schriftelijk verzoek hiertoe in te dienen. De aangezochte partij geeft snel antwoord op het verzoek.
2.
De overleggende partijen stellen alles in het werk om de aangelegenheid op een wederzijds bevredigende wijze op te lossen door middel van dialoog en overleg. Waar van toepassing en onder voorbehoud van hun beider instemming, winnen zij informatie of standpunten in van elke persoon, organisatie of orgaan die aan het onderzoek van de desbetreffende aangelegenheid kan bijdragen, met inbegrip van de internationale organisaties of organen van de in de artikelen 269 en 270 genoemde overeenkomsten.
3.
Indien een overleggende partij van oordeel is dat de aangelegenheid verder moet worden besproken, kan zij door middel van een schriftelijk verzoek bij het contactpunt van de andere overleggende partij vragen dat het subcomité Handel en duurzame ontwikkeling bijeenkomt om over de aangelegenheid te beraadslagen. Het subcomité Handel en duurzame ontwikkeling komt onverwijld bijeen en probeert overeenstemming over een oplossing van de aangelegenheid te bereiken. Tenzij het subcomité anders besluit, worden de conclusies openbaar gemaakt.
4.
Het subcomité Handel en duurzame ontwikkeling publiceert met regelmatige tussenpozen verslagen waarin de resultaten van de voltooide overlegprocedures worden beschreven, en doet, wanneer het dit dienstig acht, verslag over lopend overleg.
1.
Tenzij de overleggende partijen anders overeenkomen, kan een overleggende partij na afloop van 90 dagen na de indiening van een verzoek om overleg, verzoeken dat een groep van deskundigen wordt bijeengeroepen om een aangelegenheid die tijdens het overleg op regeringsniveau krachtens artikel 283 niet op bevredigende wijze werd opgelost, te onderzoeken.
2.
De groep van deskundigen die overeenkomstig de procedures van de leden 3 en 4 wordt geselecteerd, bepaalt of een partij aan haar verplichtingen krachtens deze titel heeft voldaan.
3.
Bij de inwerkingtreding van deze overeenkomst dienen de partijen bij het Handelscomité een lijst van ten minste 15 personen in die deskundig zijn op het door deze titel bestreken gebied; ten minste vijf van deze personen, die beschikbaar zijn om als voorzitter van de groep van deskundigen te dienen, zijn geen onderdaan van een van de partijen. Die lijst wordt tijdens de eerste vergadering van het Handelscomité goedgekeurd. De deskundigen zijn onafhankelijk en aanvaarden geen instructies van een van de partijen.
4.
Elke partij bij een procedure 82)[83] selecteert binnen 30 dagen na de ontvangst van het verzoek om oprichting van een groep van deskundigen een deskundige uit de lijst van deskundigen. De partijen bij de procedure kunnen, wanneer zij dat nodig achten, overeenkomen om deskundigen te benoemen die niet op de lijst voor de groep van deskundigen staan. Indien een partij bij de procedure verzuimt haar deskundige binnen die periode te selecteren, selecteert de andere partij bij de procedure uit de lijst van deskundigen een onderdaan van de partij die verzuimd heeft een deskundige te selecteren. De twee geselecteerde deskundigen bereiken overeenstemming over een voorzitter, die geen onderdaan van een van de partijen bij de procedure mag zijn. In geval van onenigheid wordt de voorzitter door loting aangewezen. De groep van deskundigen wordt binnen 40 dagen na de datum van ontvangst van het verzoek om oprichting samengesteld.
5.
De partijen bij de procedure kunnen bij de groep van deskundigen stukken indienen. De groep van deskundigen kan schriftelijke stukken of andere informatie opvragen en ontvangen van organisaties, instellingen en personen met relevante informatie of gespecialiseerde kennis, inclusief schriftelijke stukken of informatie van de relevante internationale organisaties en organen, inzake aangelegenheden betreffende de in de artikelen 269 en 270 genoemde internationale verdragen en overeenkomsten.
6.
Bij de inwerkingtreding van deze overeenkomst dienen de partijen bij het Handelscomité een reglement van orde voor de groep van deskundigen in, dat tijdens zijn eerste vergadering wordt aangenomen.
1.
De groep van deskundigen legt binnen 60 dagen nadat de laatste deskundige is geselecteerd, aan de partijen bij de procedure een conceptverslag voor dat haar voorlopige conclusies over de aangelegenheid bevat. De partijen bij de procedure kunnen binnen 15 dagen na de voorlegging van het conceptverslag schriftelijke opmerkingen over dit verslag bij de groep van deskundigen indienen. Na bestudering van de schriftelijke opmerkingen, kan de groep van deskundigen het conceptverslag heroverwegen. Het eindverslag van de groep van deskundigen gaat in op alle argumenten die door de partijen bij de procedure in hun schriftelijke opmerkingen naar voren zijn gebracht.
2.
De groep van deskundigen biedt de partijen bij de procedure binnen 45 dagen na de datum waarop het conceptverslag overeenkomstig lid 1 is voorgelegd, haar eindverslag, met inbegrip van haar aanbevelingen, aan. Binnen 15 dagen na de aanbieding van het eindverslag maken de partijen bij de procedure een niet-vertrouwelijke versie ervan openbaar.
3.
De partijen bij de procedure kunnen overeenkomen om de termijnen van de leden 1 en 2 te verlengen.
4.
De partij bij de procedure stelt het subcomité Handel en duurzame ontwikkeling in kennis van haar voornemens met betrekking tot de aanbevelingen van de groep van deskundigen, met inbegrip van een actieplan om de aanbevelingen uit te voeren. Het subcomité Handel en duurzame ontwikkeling houdt toezicht op de tenuitvoerlegging van de maatregelen die door die partij zijn vastgesteld.
5.
Titel XII (Geschillenbeslechting) is niet op deze titel van toepassing.
Artikel 286. Samenwerking bij handel en duurzame ontwikkeling [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
Rekening houdend met de op samenwerking gebaseerde aanpak van deze titel en met het bepaalde in titel XIII (Technische bijstand en opbouw van handelscapaciteit) erkennen de partijen het belang van samenwerkingsactiviteiten die bijdragen aan de tenuitvoerlegging en het betere gebruik van deze titel, en met name aan de verbetering van beleid en praktijk met betrekking tot arbeids- en milieubescherming, als bedoeld in deze titel. Die samenwerkingsactiviteiten moeten activiteiten op gebieden van wederzijds belang omvatten, zoals:
a. activiteiten met betrekking tot de beoordeling van het effect van deze overeenkomst op milieu en arbeid, inclusief activiteiten om de methoden en indicatoren voor die beoordeling te verbeteren;
b. activiteiten met betrekking tot het onderzoek naar, het toezicht op en de doeltreffende tenuitvoerlegging van fundamentele ILO-overeenkomsten en multilaterale milieuovereenkomsten, inclusief handelsgerelateerde aspecten;
c. onderzoeken met betrekking tot niveaus en normen bij de arbeids- en milieubescherming en met betrekking tot mechanismen om op die niveaus toezicht te houden;
d. activiteiten met betrekking tot de aanpassing aan en de matiging van de klimaatverandering, inclusief activiteiten in verband met de reductie van emissies ten gevolge van ontbossing en bosdegradatie („REDD”);
e. activiteiten met betrekking tot aspecten van de internationale regeling inzake klimaatverandering die voor de handel van belang zijn, inclusief handels- en investeringsactiviteiten om bij te dragen aan de verwezenlijking van de UNFCCC -doelstellingen;
f. activiteiten met betrekking tot het behoud en duurzame gebruik van biologische biodiversiteit, zoals behandeld in deze titel;
g. activiteiten met betrekking tot de bepaling van de legale herkomst van bosbouwproducten, vrijwillige certificeringsregelingen voor de bosbouw en de traceerbaarheid van verschillende bosbouwproducten;
h. activiteiten om beste praktijken voor een duurzaam bosbeheer te stimuleren;
i. activiteiten met betrekking tot de handel in visserijproducten, zoals behandeld in deze titel;
j. uitwisseling van informatie en ervaringen met betrekking tot de bevordering en tenuitvoerlegging van goede praktijen met betrekking tot maatschappelijk verantwoord ondernemen;
k. activiteiten met betrekking tot handelsgerelateerde aspecten van het Programma voor fatsoenlijk werk van de ILO, inclusief de onderlinge verbanden tussen handel en productieve werkgelegenheid, fundamentele arbeidsnormen, sociale bescherming en sociale dialoog.
Artikel 287. Samenwerking om transparantie te bevorderen [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
De partijen werken samen in relevante bilaterale en multilaterale fora teneinde de transparantie in handelsgerelateerde aangelegenheden te vergroten.
1.
Elke partij waarborgt dat haar algemene maatregelen, inclusief wet- en regelgeving, rechterlijke uitspraken, procedures en administratieve beschikkingen met betrekking tot onder deze overeenkomst vallende aangelegenheden onmiddellijk worden gepubliceerd of anderszins aan belanghebbenden beschikbaar worden gesteld, zodat deze hiervan kunnen kennisnemen.
2.
Elke partij biedt, voor zover mogelijk, gelegenheid aan belanghebbenden om opmerkingen te maken over voorgestelde wet- en regelgeving, procedures of administratieve beschikkingen die betrekking hebben op onder deze overeenkomst vallende aangelegenheden, en onderzoekt deze opmerkingen mits deze relevant zijn.
3.
De in lid 1 van dit artikel genoemde informatie wordt geacht door een partij te zijn verstrekt wanneer de informatie beschikbaar is gemaakt middels een passende kennisgeving aan de WTO of wanneer de informatie beschikbaar is gemaakt op een officiële, openbare en vrij toegankelijke website van die partij.
Artikel 289. Vertrouwelijke informatie [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
Geen enkele bepaling van deze overeenkomst verplicht een partij tot verstrekking van vertrouwelijke informatie waarvan bekendmaking de rechtshandhaving zou belemmeren of anderszins strijdig zou zijn met het openbaar belang of schadelijk zou zijn voor de rechtmatige handelsbelangen van openbare of particuliere ondernemingen.
1.
Wanneer een andere partij daarom verzoekt, verstrekt een partij, voor zover de wettelijke mogelijkheid daartoe bestaat, via haar coördinator voor de overeenkomst informatie en beantwoordt zij onverwijld alle vragen over aangelegenheden die aanzienlijke gevolgen voor deze overeenkomst kunnen hebben.
2.
Wanneer een partij overeenkomstig deze overeenkomst aan een andere partij informatie verstrekt die zij als vertrouwelijk heeft aangemerkt, zal die partij die informatie als vertrouwelijk behandelen.
3.
Op verzoek van een partij geeft de coördinator voor de overeenkomst van een andere partij voor elke aangelegenheid die betrekking heeft op de tenuitvoerlegging van deze overeenkomst, aan welk bureau of welke ambtenaar verantwoordelijk is en verleent hij de nodige bijstand om de communicatie met de verzoekende partij te vergemakkelijken.
Artikel 291. Administratieve procedures [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
Elke partij beheert alle in artikel 288, lid 1, bedoelde algemene maatregelen op consequente, onpartijdige en redelijke wijze. Hiertoe ziet elke partij erop toe dat zij in specifieke gevallen bij de toepassing van die maatregelen op bepaalde personen, goederen of diensten van een andere partij:
a. personen voor wie een procedure rechtstreeks gevolgen heeft, waar mogelijk en overeenkomstig haar interne wetgeving, redelijke tijd vooraf in kennis stelt van de inleiding van een procedure, met daarbij een beschrijving van de aard van de procedure, een verklaring over de juridische instantie waar de procedure wordt ingeleid en een algemene beschrijving van de aangelegenheden waarover het geschil gaat;
b. waarborgt dat die personen een redelijke mogelijkheid krijgen om feiten en argumenten ter ondersteuning van hun standpunten naar voren te brengen voordat tot een definitief administratief optreden wordt overgegaan, voor zover de tijd, de aard van de procedure en het openbaar belang dit toelaten;
c. waarborgt dat haar procedures gebaseerd zijn op haar interne wetgeving en hiermee in overeenstemming zijn.
1.
Elke partij voert rechterlijke, semi-rechterlijke of administratieve instanties of procedures in of handhaaft deze, met het oog op een onverwijlde herziening en, indien gerechtvaardigd, correctie van het definitieve administratieve optreden met betrekking tot onder deze overeenkomst vallende handelsgerelateerde aangelegenheden. Die instanties of procedures zijn onafhankelijk van de dienst of de instantie die belast is met de administratieve handhaving en de verantwoordelijken ervoor zijn onpartijdig en hebben geen materieel belang bij de uitkomst van de aangelegenheid.
2.
Elke partij zorgt ervoor dat de partijen bij de procedure bij dergelijke instanties of procedures recht krijgen op:
a. een redelijke mogelijkheid om hun respectieve standpunten te staven of te verdedigen;
b. een beslissing die is gebaseerd op bewijsmateriaal en ingediende stukken, of, indien de interne wetgeving dat vereist, op het door de administratieve instantie samengestelde dossier.
3.
Elke partij zorgt ervoor dat, behoudens beroep of latere herziening overeenkomstig haar interne wetgeving, de beslissing ten uitvoer wordt gelegd door de dienst of de instantie die voor het administratieve optreden ter zake bevoegd is en dat die beslissing ook ten grondslag komt te liggen aan de praktijk van die dienst of instantie.
1.
Voor de toepassing van deze overeenkomst is een subsidie met betrekking tot de handel in goederen een maatregel die onder de definitie van artikel 1, lid 1, van de overeenkomst inzake subsidies valt en specifiek is in de zin van artikel 2 van die overeenkomst.
2.
Elke partij zorgt voor transparantie op het gebied van subsidies met betrekking tot de handel in goederen. Vanaf twee jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst dient elke partij om de twee jaar een verslag in bij de andere partijen over de rechtsgrond, de vorm, het bedrag of het budget en waar mogelijk ook de ontvanger van de door haar regering of een van haar overheidsorganen verleende subsidie. Dit verslag wordt geacht te zijn ingediend wanneer de relevante informatie beschikbaar is gesteld door de betreffende partij of namens haar op een openbaar toegankelijke website. Bij het uitwisselen van informatie houden de partijen rekening met de eisen van het beroeps- of zakengeheim.
3.
Het Handelscomité toetst regelmatig de door elke partij geboekte vooruitgang bij het ten uitvoer leggen van dit artikel.
4.
Dit artikel laat de rechten van de partijen onverlet om in overeenstemming met de desbetreffende WTO-bepalingen handelsmaatregelen toe te passen of een geschillenbeslechtingsprocedure in te leiden, of een andere passende maatregel te treffen.
5.
De partijen komen overeen om op verzoek van een partij informatie uit te wisselen over aangelegenheden met betrekking tot de handel in diensten en binnen een jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst voor het eerst hierover van gedachten te wisselen.
6.
Dit artikel valt niet onder titel XII (Geschillenbeslechting).
Artikel 294. Specifieke regels [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
Deze titel geldt onverminderd specifieke regels die in andere titels van deze overeenkomst zijn vastgesteld.
1.
Niets in deze overeenkomst wordt zodanig uitgelegd dat:
a. een partij verplicht wordt gegevens te verstrekken of toegang tot gegevens te bieden wanneer zij openbaarmaking van die gegevens in strijd acht met haar wezenlijke veiligheidsbelangen; of
b. een partij belet wordt maatregelen te nemen die zij ter bescherming van haar wezenlijke veiligheidsbelangen noodzakelijk acht en die:
i. betrekking hebben op overheidsopdrachten die onontbeerlijk zijn voor de nationale veiligheid of voor de nationale defensie;
ii. betrekking hebben op splijt- en fusiestoffen of op grondstoffen waaruit deze kunnen worden vervaardigd;
iii. verband houden met de productie van, overheidsopdrachten voor of de handel in wapens, munitie en oorlogsmaterieel, en betrekking hebben op de handel in andere goederen en materialen en op de levering van diensten of vestiging die direct of indirect de bevoorrading van een militaire inrichting ten doel hebben;
iv. in tijden van oorlog of ernstige internationale spanningen worden genomen; of
c. een partij belet wordt de nodige maatregelen te nemen om haar verplichtingen met het oog op de handhaving of het herstel van de internationale vrede en veiligheid na te komen.
2.
Het Handelscomité wordt zo volledig mogelijk ingelicht over maatregelen die door een partij krachtens lid 1, onder b) en c), worden genomen en over de beëindiging van die maatregelen.
1.
Deze overeenkomst is alleen van toepassing op belastingmaatregelen wanneer dat nodig is om de bepalingen van deze overeenkomst uit te voeren.
2.
Niets in deze overeenkomst is van invloed op de rechten en verplichtingen van een partij uit hoofde van belastingverdragen 84)[85] tussen een EU-lidstaat en een overeenkomstsluitend Andesland. In geval van strijdigheid tussen deze overeenkomst en een dergelijk verdrag heeft dat verdrag voorrang voor zover het de strijdige bepalingen betreft. Bij belastingverdragen tussen een lidstaat van de Europese Unie en een overeenkomstsluitend Andesland zijn alleen de krachtens dat verdrag bevoegde instanties bevoegd om vast te stellen of deze overeenkomst strijdig is met dat verdrag.
3.
Niets in deze overeenkomst wordt zodanig uitgelegd dat een partij wordt belet maatregelen vast te stellen of toe te passen die:
a. tot doel hebben te waarborgen dat directe belastingen op doeltreffende en billijke wijze worden geheven en geïnd;
b. bij de toepassing van de desbetreffende bepalingen van de interne belastingwetgeving, inclusief die welke tot doel hebben te waarborgen dat heffingen worden geheven en geïnd, onderscheid maken tussen belastingbetalers die niet in dezelfde situatie verkeren, in het bijzonder met betrekking tot hun verblijfplaats of de plaats waar hun kapitaal is geïnvesteerd;
c. tot doel hebben belastingontwijking of -ontduiking te voorkomen in overeenstemming met de fiscale bepalingen van verdragen inzake voorkoming van dubbele belastingheffing, andere belastingovereenkomsten of interne belastingwetgeving; of
d. strijdig zijn met een meestbegunstigingsverplichting krachtens deze overeenkomst, mits het verschil in behandeling het gevolg is van een belastingverdrag.
4.
De belastingvoorwaarden of -concepten die niet in deze overeenkomst zijn gedefinieerd, worden vastgesteld volgens de belastingdefinities en -concepten, dan wel gelijkwaardige of soortgelijke definities en concepten van het interne recht van de partij die de maatregel neemt.
1.
In geval van ernstige problemen of dreigende ernstige problemen op het gebied van de buitenlandse financiële positie of de betalingsbalans mag een partij beperkende maatregelen ten aanzien van de handel in goederen, de handel in diensten en de vestiging, inclusief betalingen of overdrachten met betrekking tot dergelijke transacties, vaststellen of handhaven.
2.
Beperkende maatregelen die krachtens lid 1 worden vastgesteld of gehandhaafd, zijn niet-discriminerend en van beperkte duur en gaan niet verder dan wat nodig is om de betalingsbalanspositie recht te zetten en zijn, naargelang van het geval, in overeenstemming met de voorwaarden van de WTO-overeenkomst en de statuten van het Internationaal Monetair Fonds 85)[86] .
3.
De partijen trachten het opleggen van beperkende maatregelen als bedoeld in lid 1 te vermijden. Wanneer een partij dergelijke maatregelen toch invoert of wijzigt, stelt zij de andere partijen onverwijld daarvan in kennis en legt zij hen zo spoedig mogelijk een tijdschema voor de opheffing van de maatregelen voor.
4.
In het Handelscomité vindt onverwijld overleg plaats. Tijdens dit overleg worden de betalingsbalanspositie van de partij die in het kader van dit artikel beperkende maatregelen vaststelt of handhaaft evenals de maatregelen zelf beoordeeld, waarbij onder meer rekening wordt gehouden met de volgende factoren:
a. de aard en omvang van de moeilijkheden met betrekking tot de betalingsbalans en de buitenlandse financiële positie;
b. de economische positie en de handelssituatie ten opzichte van het buitenland;
c. andere corrigerende maatregelen die genomen kunnen worden.
Het overleg heeft betrekking op de verenigbaarheid van de beperkende maatregelen met de leden 2 en 3. Alle door het Internationaal Monetair Fonds verstrekte bevindingen van statistische en andere aard met betrekking tot deviezen, monetaire reserves en de betalingsbalans worden aanvaard, en de conclusies worden gebaseerd op het oordeel van het Internationaal Monetair Fonds over de betalingsbalanspositie en externe financiële positie van de partij die de maatregelen vaststelt.
Artikel 298. Doelstelling [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
Deze titel heeft tot doel geschillen tussen de partijen betreffende de interpretatie en toepassing van deze overeenkomst te voorkomen en te beslechten, en waar mogelijk een wederzijds bevredigende oplossing te vinden voor kwesties die de werking van deze overeenkomst kunnen beïnvloeden. Indien geen onderling overeengekomen oplossing kan worden bereikt, is het eerste doel van deze titel doorgaans te waarborgen dat de desbetreffende maatregelen, indien wordt vastgesteld dat deze niet in overeenstemming met de bepalingen van deze overeenkomst zijn, worden ingetrokken.
1.
Tenzij anders bepaald in deze overeenkomst zijn de bepalingen van deze titel van toepassing op elk geschil betreffende de interpretatie en toepassing van deze overeenkomst, met name wanneer een van de partijen van mening is dat een door een andere partij genomen maatregel niet in overeenstemming is of zou kunnen zijn met haar verplichtingen krachtens deze overeenkomst.
2.
Deze titel is niet van toepassing op geschillen tussen overeenkomstsluitende Andeslanden.
Artikel 300. Definities [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
Voor de toepassing van deze titel wordt verstaan onder „partij bij het geschil” of „partij bij een geschil” en „partijen bij het geschil” of „partijen bij een geschil” een partij of partijen bij deze overeenkomst die partij zijn bij een procedure ter beslechting van een geschil krachtens deze titel.
1.
De partijen streven ernaar elk geschil over een in artikel 299 bedoelde aangelegenheid op te lossen door te goeder trouw overleg te plegen om tot een onderling overeengekomen oplossing te komen.
2.
Een partij verzoekt een andere partij schriftelijk om overleg, met kopie aan het Handelscomité, waarbij zij aangeeft om welke maatregel het gaat en wat de rechtsgrond voor de klacht is.
3.
De partij tot wie het verzoek om overleg gericht is, beantwoordt dit verzoek binnen tien dagen na ontvangst ervan, met kopie aan het Handelscomité. In dringende gevallen wordt die periode tot vijf dagen verkort.
4.
De partijen bij het geschil kunnen overeenkomen het overleg krachtens dit artikel achterwege te laten en rechtstreeks over te gaan tot de arbitragepanelprocedure van artikel 302. Een dergelijk besluit wordt uiterlijk vijf dagen voor het verzoek om instelling van een arbitragepanel schriftelijk medegedeeld aan het Handelscomité.
5.
Tenzij de partijen bij het overleg anders overeenkomen, wordt het overleg binnen dertig dagen na de datum van ontvangst van het verzoek door de partij tot wie het verzoek gericht is, gehouden en wordt het na deze periode geacht te zijn afgesloten; het vindt plaats op het grondgebied van de partij tot wie het verzoek gericht is. Met instemming van de partijen bij het geschil kan het overleg plaatsvinden via elk beschikbaar technologisch hulpmiddel. Het overleg en alle tijdens het overleg verstrekte informatie zijn vertrouwelijk.
6.
In dringende gevallen, zoals wanneer de zaak betrekking heeft op bederfelijke waren of anderszins op goederen of diensten die snel hun handelswaarde verliezen, zoals seizoensgebonden goederen of diensten, begint het overleg binnen vijftien dagen na de datum van ontvangst van het verzoek door de partij tot wie het verzoek gericht is, en wordt het binnen vijftien dagen geacht te zijn afgesloten.
7.
Tijdens het overleg verstrekt elke partij bij het overleg voldoende feitelijke informatie, zodat volledig kan worden onderzocht op welke wijze de geldende of voorgestelde maatregel, of een andere aangelegenheid, van invloed kan zijn op de werking en toepassing van deze overeenkomst.
8.
Tijdens het overleg krachtens dit artikel ziet elke partij bij het overleg erop toe dat personeelsleden van haar bevoegde overheidsinstanties met relevante kennis over de aangelegenheid die het voorwerp van het overleg is, aan het overleg deelnemen.
9.
Tenzij anders o