Let op. Deze wet is vervallen op 1 juli 2014. U leest nu de tekst die gold op 30 juni 2014.

Honden- en kattenbesluit 1999

Uitgebreide informatie
Besluit van 11 januari 1999, houdende regelen inzake bedrijfsmatige verkoop, aflevering en inbewaringneming van honden en katten (Honden- en kattenbesluit 1999)
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij van 17 juli 1998, no. J. 986550, Directie Juridische Zaken;
Gelet op de artikelen 3, eerste lid, onderdeel f, 38, 45, 55, 56, 65 en 96 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren;
De Raad van State gehoord (advies van 5 oktober 1998, no. W11.98.0346);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, van 4 januari 1999, nr. TRCJZ/1998/2204, Directie Juridische Zaken;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Artikel 1
In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. inrichting: bedrijfsinrichting, asiel of pension;
b. bedrijfsinrichting: een perceelsgebonden ruimte of ruimtes bestemd of gebruikt voor het houden van honden of katten ten behoeve van fokdoeleinden of voor het houden van honden of katten ten behoeve van verkoop of aflevering;
c. asiel: een perceelsgebonden ruimte of ruimtes bestemd of gebruikt voor het in bewaring houden van honden of katten die zwervend zijn aangetroffen, dan wel waarvan door de eigenaar permanent afstand is gedaan;
d. pension: een perceelsgebonden ruimte of ruimtes, niet zijnde een asiel, bestemd of gebruikt voor het in bewaring houden van honden of katten;
e. quarantaineruimte: een volledig afgescheiden onderdeel van een inrichting, bestemd voor het onderbrengen van dieren die mogelijk met een besmettelijke ziekte of parasiet zijn besmet, dat zodanig luchtdicht afsluitbaar is dat gasontsmetting kan worden uitgevoerd, dan wel op andere wijze deugdelijk gedesinfecteerd kan worden;
f. ziekenboeg: een onderdeel van een inrichting dat bestemd kan worden voor het onderbrengen van zieke dieren;
g. beheerder: degene die onmiddellijk leiding geeft aan de in artikel 2, eerste lid, bedoelde handelingen.
1.
Het is verboden honden of katten te verkopen, ten verkoop in voorraad te hebben, af te leveren of in bewaring te nemen, of te fokken ten behoeve van de verkoop of aflevering van de nakomelingen, tenzij daarbij wordt voldaan aan dit besluit.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing indien degene onder wiens verantwoordelijkheid de in het eerste lid bedoelde activiteiten worden verricht, aannemelijk maakt dat er bij de uitoefening van die activiteiten geen sprake is van bedrijfsmatig handelen.
1.
De in artikel 2, eerste lid, genoemde activiteiten worden verricht in een bij Onze Minister als zodanig aangemelde bedrijfsinrichting, asiel of pension.
2.
De honden of katten die worden gehouden ten behoeve van de in artikel 2, eerste lid, genoemde activiteiten worden in een inrichting als bedoeld in het eerste lid:
a. gehuisvest, voorzover van toepassing, overeenkomstig de artikelen 8 tot en met 16, en
b . verzorgd overeenkomstig de artikelen 17 en 18.
1.
De aanmelding van een inrichting, bedoeld in artikel 3, eerste lid, geschiedt door degene onder wiens verantwoordelijkheid in die inrichting de in artikel 2, eerste lid, bedoelde activiteiten worden verricht.
2.
De aanmelding geschiedt door middel van indiening bij Onze Minister van een volledig en naar waarheid ingevuld aanmeldingsformulier en bevat de volgende gegevens:
a. naam, geboortedatum en adres van degene onder wiens verantwoordelijkheid de in artikel 2, eerste lid, bedoelde activiteiten worden verricht, dan wel, indien die activiteiten worden verricht onder de verantwoordelijkheid van een rechtspersoon, naam, geboortedatum en adres van de leden van het bestuur van de rechtspersoon alsmede de naam en het adres van vestiging van de rechtspersoon;
b. adres van de bedrijfsinrichting, het asiel of pension;
c. naam, geboortedatum en adres van de beheerder, bedoeld in artikel 7, en het tijdstip waarop met de uitoefening van de activiteiten wordt gestart.
1.
Onze Minister registreert binnen 4 weken na ontvangst van het in artikel 4, tweede lid, bedoelde aanmeldingsformulier de inrichting als bedrijfsinrichting, asiel of pension. Bij de registratie wordt aan de inrichting een uniek nummer toegekend.
2.
De in het eerste lid bedoelde registratie alsmede de in artikel 4, tweede lid, bedoelde gegevens, worden door Onze Minister opgeslagen en beheerd in een centraal register.
3.
Binnen 4 weken nadat de in het tweede lid bedoelde registratie heeft plaatsgevonden, verstrekt Onze Minister aan degene die de inrichting heeft aangemeld een aanmeldingsbewijs, dat de volgende gegevens bevat:
a. naam, geboortedatum en adres van degene die de inrichting heeft aangemeld, dan wel, indien de aanmelding is gedaan door of namens het bestuur van een rechtspersoon, de naam en het adres van vestiging van de rechtspersoon;
b. tijdstip van aanmelding van de bedrijfsinrichting, het asiel of pension, en
c. het registratienummer van de inrichting.
1.
Bij wijziging van één of meerdere van de in artikel 4, tweede lid, bedoelde gegevens, wordt binnen 4 weken na het optreden daarvan aan Onze Minister melding gemaakt door de degene die na het intreden van die wijziging of wijzigingen op de inrichting verantwoordelijk is voor de in artikel 2, eerste lid, genoemde activiteiten.
2.
De in het eerste lid bedoelde wijziging of wijzigingen worden binnen 4 weken na de aanmelding daarvan door Onze Minister in het in artikel 5, tweede lid, bedoelde register verwerkt. Slechts indien een wijziging betrekking heeft op gegevens als bedoeld in artikel 5, derde lid, verstrekt Onze Minister binnen 4 weken nadat de registratie van de wijziging of de wijzigingen heeft plaatsgevonden aan betrokkene een aangepast aanmeldingsbewijs.
1.
Op de inrichting is een beheerder werkzaam die in bezit is van een, in het kader van het onderhavige besluit, door Onze Minister bij ministeriële regeling erkend bewijs van vakbekwaamheid.
2.
In afwijking van het eerste lid is het vanaf het tijdstip dat de beheerder, bedoeld in het eerste lid, niet meer of niet meer als zodanig op de inrichting werkzaam is, voor een periode van één jaar toegestaan dat op de inrichting geen beheerder als bedoeld in het eerste lid werkzaam is, mits daarvan binnen 4 weken na eerstgenoemd tijdstip aan Onze Minister melding wordt gemaakt door degene die op de inrichting verantwoordelijk is voor de in artikel 2, eerste lid, bedoelde activiteiten.
3.
Bij overlijden van de in het eerste lid bedoelde beheerder is het tweede lid van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat, indien de overleden beheerder tevens verantwoordelijk was voor de ingevolge artikel 2, eerste lid, bij Onze Minister aangemelde activiteiten die op de inrichting worden verricht, en die activiteiten onder verantwoordelijkheid van de erfgenaam of de erfgenamen van die beheerder op de inrichting worden voortgezet, in dat lid in plaats van «één jaar» wordt gelezen: drie jaar.
1.
De inrichting beschikt over binnenverblijven.
2.
Indien in de inrichting honden worden gehouden beschikt de inrichting over één of meerdere buitenverblijven of over een speelweide.
3.
Een binnen- of buitenverblijf voldoet aan de volgende eisen:
a. de vloer, de wanden, de hekken of de afrasteringen zijn vervaardigd van zodanige materialen dat de honden of katten zich er niet aan kunnen verwonden en zich er niet door kunnen vergiftigen;
b. de vloer is van vloeistofdicht en stroef materiaal;
c. het heeft rechtopstaande wanden, waarvan tenminste één zodanig is geconstrueerd dat de honden of katten buiten het verblijf kunnen kijken, en het kan worden afgesloten.
4.
een binnenverblijf voldoet voorts aan de volgende eisen:
a. het is vorstvrij, tochtvrij alsmede droog;
b. het kan op afdoende wijze worden geventileerd;
c. het kan door middel van een elektrische lichtinstallatie worden verlicht;
d. het is gedurende de periode dat daglicht beschikbaar is voldoende verlicht door middel van daglicht, en de temperatuur in het verblijf bedraagt ten hoogste 30 graden Celsius.
5.
Tenzij een buitenverblijf in een open verbinding staat met een binnenverblijf, is een buitenverblijf gedeeltelijk overdekt met een overkapping, die afdoende schuilmogelijkheid biedt tegen neerslag en voldoende schaduw biedt.
6.
Een speelweide voldoet aan de volgende eisen:
a. zij maakt deel uit van de inrichting;
b. de omheining daarvan is van zodanig materiaal dat de honden zich er niet aan kunnen verwonden en zich er niet door kunnen vergiftigen, en zij kan worden afgesloten.
7.
Indien de inrichting beschikt over één of meer buitenverblijven waarin katten worden gehuisvest, is het vijfde lid op het buitenverblijf van overeenkomstige toepassing.
1.
Een inrichting beschikt over één of meer ziekenboegen waarin één of meer binnenverblijven zijn aangebracht, die in totaal tenminste ruimte kunnen bieden aan een tiende van het aantal honden of katten dat in die inrichting is gehuisvest.
2.
Een ziekenboeg kan, ter voorkoming van besmetting, worden afgescheiden van overige binnenverblijven.
1.
Een asiel beschikt over één of meer quarantaineruimten waarin binnenverblijven zijn aangebracht, die in totaal tenminste ruimte kunnen bieden aan een tiende van het aantal honden of katten dat in die inrichting is gehuisvest.
2.
De quarantaineruimte is zodanig ingericht dat onderlinge besmetting van de daarin gehuisveste honden of katten worden voorkomen.
1.
Honden en katten worden niet bij elkaar in één binnen- of buitenverblijf gehuisvest.
2.
Indien meer dan één hond in de inrichting aanwezig is, worden tenminste twee en ten hoogste 20 honden bij elkaar in één binnen- of buitenverblijf gehuisvest.
3.
Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op de huisvesting van katten.
4.
Iedere hond of kat heeft in het binnen- of buitenverblijf, tenzij dit om gezondheidsredenen van de hond of kat niet verantwoord is, direct en voortdurend toegang tot een zindelijke drinkgelegenheid waar vers drinkwater voorradig is.
1.
Een binnen- of buitenverblijf waarin honden worden gehuisvest heeft een hoogte van tenminste 1,8 meter.
2.
De voor de honden beschikbare vloeroppervlakte in vierkante meters in het binnen- of buitenverblijf is voor honden met een schofthoogte:
a. tot 0,3 meter, tenminste gelijk aan het product van (1+n) en 1,0;
b. vanaf 0,3 meter tot 0,5 meter, tenminste gelijk aan het product van (1+n) en 1,2;
c. vanaf 0,5 meter, tenminste gelijk aan het product van (1+n) en 1,5,
d. waarbij de kortste zijde tenminste 1,0 meter is, voorzover het de honden als bedoeld in onderdeel a betreft, en tenminste 1,2 meter voorzover het de honden als bedoeld in de onderdelen b en c betreft en waarbij de letter n staat voor het aantal honden met de desbetreffende schofthoogte dat bij elkaar in het binnen- of buitenverblijf is gehuisvest. Indien honden van verschillende grootte bij elkaar worden gehuisvest, wordt voor de berekening van de beschikbare vloeroppervlakte de schofthoogte van de grootste hond gehanteerd.
3.
Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op:
a. de totale voor honden beschikbare vloeroppervlakte in een aan elkaar gekoppeld binnen- en buitenverblijf van een asiel of pension, indien er voor de honden een open verbinding is tussen het binnen- en buitengedeelte van het verblijf en de beschikbare vloeroppervlakte in het binnengedeelte van het verblijf tenminste 2,25 m 2 is;
b. de voor de honden beschikbare oppervlakte van de speelweide, bedoeld in artikel 8, tweede lid.
1.
De voor de katten beschikbare ruimte in het binnen- of buitenverblijf is tenminste:
a. 0,85 m 2 aan vloeroppervlakte indien twee katten bij elkaar worden gehuisvest, waarbij de kortste zijde tenminste 0,65 meter en de hoogte van het binnen- of buitenverblijf tenminste 0,6 meter is;
b. 3 m 2 aan vloeroppervlakte bij huisvesting van meer dan twee katten bij elkaar, vermeerderd met 0,6 m 2 voor iedere kat die het aantal van 5 in het verblijf te boven gaat, waarbij de kortste zijde tenminste 1 meter en de hoogte van het binnen- of buitenverblijf tenminste 1,8 meter is.
2.
In de binnenverblijven zijn vanaf 0,15 meter boven vloerniveau per kat afzonderlijke rustplanken met een lengte van tenminste 0,35 meter en een breedte van tenminste 0,20 meter aanbracht.
1.
In afwijking van artikel 11, tweede en derde lid, wordt:
a. een in een quarantaineruimte ondergebrachte hond of kat solitair gehuisvest;
b. een hond of kat solitair gehuisvest indien de gezondheid of het welzijn van de hond of kat of van de andere honden of katten dit vereist.
2.
In afwijking van artikel 12, tweede lid, is bij solitaire huisvesting de beschikbare ruimte voor een hond:
a. met een schofthoogte tot 0,3 meter tenminste 2 m 2 aan vloeroppervlakte, waarbij de kortste zijde tenminste 1 meter en de hoogte van het binnen- of buitenverblijf tenminste 1,8 meter is;
b. met een schofthoogte vanaf 0,3 meter tot 0,5 meter tenminste 2,4 m 2 aan vloeroppervlakte, waarbij de kortste zijde tenminste 1,2 meter en de hoogte van het binnen- of buitenverblijf tenminste 1,8 meter is;
c. met een schofthoogte vanaf 0,5 meter tenminste 3 m 2 aan vloeroppervlakte, waarbij de kortste zijde tenminste 1,2 meter en de hoogte van het binnen- of buitenverblijf tenminste 1,8 meter is.
3.
Bij solitaire huisvesting is de beschikbare ruimte voor een kat tenminste 0,47 m 2 aan vloeroppervlakte, waarbij de kortste zijde tenminste 0,65 meter en de hoogte van het binnen- of buitenverblijf tenminste 0,6 meter is.
4.
Bij solitaire huisvesting is de beschikbare ruimte voor een kater die voor fokdoeleinden gehouden wordt tenminste 6 m 2 , waarbij de kortste zijde tenminste 1 meter en de hoogte van het binnen- of buitenverblijf tenminste 1,8 meter is.
1.
Iedere drachtige of zogende hond of kat heeft in een binnenverblijf de beschikking over een nestruimte.
2.
De kortste zijde van de nestruimte, bedoeld in het eerste lid, heeft een lengte van tenminste 2 maal de schofthoogte van de hond of kat waarvoor de nestruimte bestemd is.
3.
Iedere hond heeft in een binnen- of buitenverblijf de beschikking over een schone en droge ligplaats die vanuit de bodem van het verblijf optrekkende kou isoleert.
Artikel 16
Voor de berekening van de beschikbare vloeroppervlakte voor de honden of katten, bedoeld in de artikelen 12 en 13, worden de niet gespeende honden of katten die zich bij hun moeder bevinden niet meegerekend.
Artikel 17
Een hond wordt in de gelegenheid gesteld om tenminste twee uur per dag in een buitenverblijf of op een speelweide als bedoeld in artikel 8, tweede lid, te vertoeven.
1.
Een inrichting wordt dagelijks gereinigd en regelmatig en deugdelijk ontsmet.
2.
In ruimten waarin honden en katten zijn ondergebracht worden geen kadavers bewaard.
1.
Een kat krijgt binnen een aaneengesloten periode van 12 maanden ten hoogste twee nesten, met dien verstande dat een kat binnen een aaneengesloten periode van 24 maanden ten hoogste 3 nesten krijgt.
2.
Een hond krijgt binnen een aaneengesloten periode van 12 maanden ten hoogste één nest.
1.
Binnen 5 werkdagen na ontvangst van een hond of kat in een bedrijfsinrichting of asiel wordt, voorzover dat nog niet is geschied, de hond ingeënt tegen parvovirusinfectie en hondenziekte (ziekte van Carré) en de kat tegen kattenziekte (infectieuze gastro-enteritis) en niesziekte.
2.
Binnen zeven weken na de geboorte van een hond of kat in een bedrijfsinrichting of asiel, doch in ieder geval 7 dagen vóór aflevering, wordt een hond of kat ingeënt tegen de in het eerste lid genoemde ziekten.
3.
In een asiel wordt een hond of kat waarvan het aannemelijk is dat deze niet tegen één of meerdere van de in het eerste lid genoemde ziekten is ingeënt, onmiddellijk na ontvangst in de quarantaineruimte geplaatst tot tenminste zeven dagen nadat de in het eerste lid bedoelde inentingen of ontbrekende inentingen hebben plaatsgevonden. De hond of kat mag het asiel gedurende die periode niet verlaten tenzij het de teruggave aan de eigenaar betreft.
4.
Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op honden of katten die op het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit in een bedrijfsinrichting of asiel worden gehouden en niet tegen één of meerdere van de in dat lid genoemde ziekten zijn ingeënt.
5.
Een door een dierenarts opgemaakt en afgegeven schriftelijk bewijs van inenting dat betrekking heeft op de inentingen die overeenkomstig het eerste of tweede lid zijn aangebracht en waarop diens naam en praktijkadres en de inentingsdatum staan vermeld, wordt gedurende de periode dat desbetreffende hond of kat in de bedrijfsinrichting of in het asiel verblijft in de inrichting bewaard; op dit bewijs worden tevens het registratienummer van de inrichting en het identificatienummer van de hond of kat vermeld.
6.
Met het in het vijfde lid bedoelde bewijs van inenting wordt gelijkgesteld een dierenpaspoort dat ingevolge het Honden- en Kattenbesluit 1981 voor desbetreffende hond of kat is afgegeven en dat is aangevuld met de gegevens die ingevolge dat lid op het bewijs van inenting moeten worden vermeld, voorzover die gegevens geen deel uitmaken van het dierenpaspoort.
Artikel 22
Bij de aflevering van een hond of kat vanuit een bedrijfsinrichting of asiel wordt aan de koper of de verwerver van de hond of kat het in artikel 21, vijfde lid, bedoelde bewijs van inenting verstrekt.
1.
Een hond of kat wordt slechts in een pension in bewaring genomen indien bij de afgifte van de hond of kat een door een dierenarts afgegeven schriftelijk bewijs van inenting wordt verstrekt, waarop diens naam en praktijkadres staan vermeld en waaruit blijkt dat tenminste 7 dagen vóór de inontvangstname:
a. de hond is ingeënt tegen parvovirusinfectie en hondenziekte (ziekte van Carré);
b. de kat is ingeënt tegen kattenziekte (infectieuze gastro-enteritis) en niesziekte.
2.
In afwijking van het eerste lid is het toegestaan een hond of kat in bewaring te nemen zonder dat daarbij het in dat lid bedoelde bewijs wordt verstrekt indien:
a. de hond of kat binnen 5 werkdagen na ontvangst, wordt ingeënt tegen de in het eerste lid genoemde ziekten, en
b. de hond of kat onmiddellijk na ontvangst in de quarantaineruimte wordt geplaatst tot tenminste zeven dagen nadat inenting heeft plaatsgevonden.
3.
Met het in het eerste lid bedoelde schriftelijke bewijs wordt gelijkgesteld een dierenpaspoort dat ingevolge het Honden- en Kattenbesluit 1981 voor desbetreffende hond of kat is afgegeven en dat is aangevuld met de gegevens die ingevolge dat lid op het bewijs van inenting moeten worden vermeld, voorzover die gegevens geen deel uitmaken van het dierenpaspoort.
1.
De gegevensverstrekking aan Onze Minister ingevolge de artikelen 4, tweede lid, 6, eerste lid, 7, tweede lid, en 23 geschiedt door gebruik van door Onze Minister daartoe vastgestelde formulieren.
2.
De onderscheiden formulieren, bedoeld in het eerste lid, worden door Onze Minister op aanvraag verstrekt.
3.
Onze Minister kan ter uitvoering van het eerste lid bij ministeriële regeling nadere regels stellen, waarbij onder meer kan worden bepaald dat het verstrekken van gegevens op een andere wijze geschiedt.
1.
Binnen 8 weken nadat aanmelding van de inrichting overeenkomstig dit besluit heeft plaatsgevonden, wordt door of namens degene die op de inrichting verantwoordelijk is voor de in artikel 2, eerste lid, genoemde activiteiten een register bijgehouden waarin de inentingsbewijzen van de in de inrichting aanwezige honden of katten, het aanmeldingsbewijs, bedoeld in artikel 5, derde lid, en een kopie van het bewijs van vakbekwaamheid van de beheerder van de inrichting worden opgenomen.
2.
Vanaf het tijdstip dat een hond of kat niet meer in de inrichting aanwezig is omdat de hond of kat is verkocht, afgeleverd, overleden of aan de eigenaar is teruggeven, wordt gedurende drie jaar na dat tijdstip een kopie van het inentingsbewijs van desbetreffende hond of kat in een afgescheiden onderdeel van het in het eerste lid bedoelde register bewaard.
Artikel 27
De artikelen 8, tweede en vierde lid, onderdeel d, 17, 21, 22 en 26 zijn niet van toepassing indien artikel 11a van de Wet op de dierproeven op de inrichting van toepassing is.
Artikel 28
Het is vanaf de inwerkingtreding van dit besluit voor een tijdvak van 2 maanden toegestaan de in artikel 2, eerste lid, bedoelde activiteiten te verrichten op een op het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit bestaande inrichting, mits degene die binnen dat tijdvak op de inrichting verantwoordelijk is voor de in artikel 2, eerste lid, bedoelde activiteiten binnen 2 maanden na de inwerkingtreding van dit besluit de inrichting overeenkomstig dit besluit aanmeldt.
1.
Mits vanaf de inwerkingtreding van dit besluit de honden of katten in binnenverblijven met passende afmetingen zijn gehuisvest, zijn de artikelen 8, tweede en derde lid, onderdeel c, vierde lid, onderdeel d, vijfde lid, 9, 11, tweede en derde lid, 12, 13, 14, tweede lid, 15, eerste en tweede lid, en 17 voor een tijdvak van 10 jaar vanaf de inwerkingtreding van dit besluit niet van toepassing op een inrichting, indien degene onder wiens verantwoordelijkheid de in artikel 2, eerste lid, bedoelde activiteiten op die inrichting worden verricht, aantoont dat:
a. de inrichting vóór het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit in gebruik is genomen en nadien niet is verbouwd of herbouwd, en
b. bij de aanmelding overeenkomstig artikel 28 tevens een ingevolge het Honden- en Kattenbesluit 1981 verleende vergunning is overgelegd, waarvan de geldigheid op het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit niet is verstreken en die betrekking heeft op de activiteiten die in de inrichting vanaf de inwerkingtreding van dit besluit worden verricht.
2.
De in het eerste lid bedoelde artikelen zijn voor een tijdvak van 3 jaar vanaf de inwerkingtreding van dit besluit niet van toepassing op een in het eerste lid bedoelde inrichting, indien bij de aanmelding overeenkomstig artikel 28 geen vergunning als bedoeld in het eerste lid is overgelegd.
3.
Onze Minister vermeldt op het aanmeldingsbewijs, bedoeld in artikel 5, derde lid, of bij de aanmelding overeenkomstig artikel 28 een vergunning als bedoeld in het eerste lid is overgelegd.
Artikel 30
Artikel 7, eerste lid, is voor een tijdvak van 3 jaar vanaf de inwerkingtreding van dit besluit niet op een inrichting van toepassing, indien degene onder wiens verantwoordelijkheid de in artikel 2, eerste lid, bedoelde activiteiten op die inrichting worden verricht, aantoont dat:
a. de inrichting vóór het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit in gebruik is genomen;
b. hij op de inrichting als beheerder werkzaam is en een opleiding volgt op grond waarvan deze in aanmerking kan komen voor de verkrijging van een bewijs van vakbekwaamheid als bedoeld in artikel 7, eerste lid, en
c. voorzover hij binnen het vermelde tijdvak verantwoordelijk blijft voor de in artikel 2, eerste lid, bedoelde activiteiten die op de inrichting worden verricht.
Artikel 31
Het Honden- en Kattenbesluit 1981 wordt ingetrokken.
Artikel 32
Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Laatstbedoeld besluit wordt niet genomen voordat 30 dagen zijn verstreken nadat het onderhavige besluit is overgelegd aan beide kamers der Staten-Generaal, en evenmin indien binnen die termijn door of namens een der kamers of door tenminste een vijfde van het grondwettelijk aantal leden van een der kamers de wens ter kennen wordt gegeven dat de inwerkingtreding van dit besluit bij wet wordt geregeld.
Artikel 33
Dit besluit wordt aangehaald als: Honden- en kattenbesluit met vermelding van het jaartal van het Staatsblad waarin het zal worden geplaatst.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad wordt geplaatst.
's-Gravenhage, 11 januari 1999
De Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij,
Uitgegeven de vierde februari 1999
De Minister van Justitie,
Inhoudsopgave
+ § 1. Begripsbepalingen
+ § 2. Het bedrijfsmatig verkopen, afleveren, in bewaring nemen of fokken van honden katten
+ § 3. Aanmelding en registratie van de inrichting en vakbekwaamheid van de beheerder
+ § 4. Huisvesting en verzorging
+ § 5. Fokken
+ § 6. Identificatie en inenting van in bedrijfsinrichtingen of asielen gehouden honden of katten
+ § 7. Voorschriften inzake verkoop en aflevering
+ § 8. Inbewaringneming in een pension
+ § 9. Overige bepalingen
+ § 10. Overgangsbepalingen
+ § 11. Slotbepalingen
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht