Besluit van 20 april 1993, houdende regels met betrekking tot infiltratie van uit oppervlaktewater verkregen water in de bodem
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 28 oktober 1992, nr. MJZ 28092008, Centrale Directie Juridische Zaken, afdeling Wetgeving;
Gelet op artikel 13a van de Wet bodembescherming;
Gehoord de Centrale raad voor de milieuhygiëne, de Raad voor de Drinkwatervoorziening en de Technische commissie bodembescherming;
De Raad van State gehoord (advies van 14 januari 1993, nr. W08.92.0517);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 14 april 1993, nr. MJZ14493045, Centrale Directie Juridische Zaken, afdeling Wetgeving;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Artikel 1
In dit besluit wordt verstaan onder:
a. infiltreren van water: infiltreren van water als bedoeld in artikel 1.1 van de Waterwet;
b. oppervlaktewaterlichaam: oppervlaktewaterlichaam als bedoeld in artikel 1.1 van de Waterwet;
c. vergunning: vergunning als bedoeld in artikel 6.4 of 6.5, onderdeel b, van de Waterwet, dan wel een vergunning voor het infiltreren van water krachtens een verordening van een waterschap.
Artikel 2
Dit besluit is uitsluitend van toepassing op het infiltreren van water dat afkomstig is uit een oppervlaktewaterlichaam.
1.
Van gevaar voor verontreiniging van het grondwater als bedoeld in artikel 6.26, tweede lid, van de Waterwet is sprake, indien in het te infiltreren water stoffen voorkomen in hogere concentraties dan in bijlage 1 voor die stoffen is aangegeven, met dien verstande dat het bevoegd gezag bij de vergunningverlening voor een of meer stoffen hogere concentraties kan toestaan in een door hen aan te geven tijdvak, indien:
a. de bodemgesteldheid of de bodemsoort zodanig is dat er geen gevaar is voor verontreiniging van het grondwater, indien water wordt geïnfiltreerd waarin die stoffen voorkomen in die hogere concentraties of
b. gedeputeerde staten aan de vergunning zodanige voorschriften verbinden dat het gevaar voor verontreiniging van het grondwater, dat ontstaat door infiltratie van water waarin die stoffen voorkomen in die hogere concentraties, wordt opgeheven.
2.
Van gevaar voor verontreiniging van het grondwater is eveneens sprake, indien in het te infiltreren water stoffen voorkomen als bedoeld in bijlage 2 , voor zover deze stoffen niet zijn genoemd in bijlage 1 , en gedeputeerde staten constateren dat deze stoffen niet in zodanig geringe hoeveelheden en concentraties aanwezig zijn dat gevaar voor verslechtering van de kwaliteit van het grondwater is uitgesloten.
1.
Gedeputeerde staten verbinden aan de vergunning in ieder geval voorschriften ten aanzien van:
a. de kwaliteit van het te infiltreren water;
b. de beheersing van de hydrologische situatie;
c. de beëindiging van het infiltreren.
2.
Ten aanzien van de kwaliteit van het te infiltreren water worden ten minste zodanige voorschriften aan de vergunning verbonden dat geen gevaar bestaat voor verontreiniging van het grondwater.
3.
Ten aanzien van de beheersing van de hydrologische situatie worden ten minste zodanige voorschriften aan de vergunning verbonden dat verspreiding van het te infiltreren water zo veel mogelijk wordt beheerst, opdat het te infiltreren water grotendeels weer wordt onttrokken.
4.
Ten aanzien van de beëindiging van het infiltreren worden ten minste voorschriften aan de vergunning verbonden, inhoudende dat een evaluatie van de gevolgen van het infiltreren voor de kwaliteit van de bodem dient plaats te vinden, gevolgd door een planmatige aanpak van de beëindiging waarvan het opheffen van eventuele nadelige gevolgen deel uitmaakt.
Artikel 5
Dit besluit treedt in werking met ingang van de eerste dag van de tweede kalendermaand na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst.
Artikel 6
Dit besluit kan worden aangehaald als: Infiltratiebesluit bodembescherming.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
's-Gravenhage, 20 april 1993
De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,
Uitgegeven de negenentwintigste april 1993
De Minister van Justitie,
Inhoudsopgave
Artikel 1
Artikel 2
Artikel 3
Artikel 4
Artikel 5
Artikel 6
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht