Let op. Deze wet is vervallen op 1 januari 2011. U leest nu de tekst die gold op -.

Inkomens- en samenloopbesluit Anw

Uitgebreide informatie
Besluit van 10 juni 1996 tot vaststelling van regels met betrekking tot het inkomen van de nabestaande (Inkomens- en samenloopbesluit Anw)
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 17 juli 1995, Directie Sociale Verzekeringen Nr. SV/VP/95/3496;
Gelet op de artikelen 10, tweede lid, en 20 van de Algemene nabestaandenwet;
De Raad van State gehoord (advies van 15 augustus 1995);
Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 6 juni 1996, Directie Sociale Verzekeringen, Nr. SV/VP/96/2142;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Artikel 1
In dit besluit wordt verstaan onder
a. de wet: de Algemene nabestaandenwet ;
b. een loondervingsuitkering: een uitkering krachtens de verplichte verzekering op grond van de Werkloosheidswet , de Ziektewet , de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering , de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen en de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen , alsmede een uitkering of inkomensvoorziening krachtens de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen , krachtens hoofdstuk 3, afdeling 2, van de Wet arbeid en zorg, de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten en de Wet inkomensvoorziening oudere werklozen ;
c. een stamrecht: een recht op periodieke uitkeringen ter vervanging van gederfd of te derven loon.
Artikel 2
Voor de toepassing van artikel 10, eerste lid, van de wet wordt onder inkomen uit arbeid in het bedrijfs- en beroepsleven verstaan:
a. opbrengst van arbeid;
b. winst uit bedrijf en zelfstandig uitgeoefend beroep.
1.
Onder opbrengst van arbeid als bedoeld in artikel 2, onderdeel a, wordt, voorzover bedoelde arbeid door een werknemer in de zin van de Wet financiering sociale verzekeringen wordt verricht, verstaan het loon in de zin van die wet.
2.
In afwijking van het eerste lid wordt niet als opbrengst van arbeid beschouwd:
a. een aanspraak om na verloop van tijd of onder een voorwaarde een of meer uitkeringen of verstrekkingen te ontvangen, voor zover deze niet wordt gedekt door stortingen van de werknemer;
b. een loondervingsuitkering;
c. vakantie-uitkering.
3.
In afwijking van het tweede lid, onderdeel b , worden voor zolang de dienstbetrekking voortduurt, uitkeringen op grond van de verplichte verzekering van de Ziektewet , op grond van hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf 1, van de Wet arbeid en zorg aan de werknemer of gelijkgestelde, bedoeld in artikel 3:6, eerste lid, van die wet en op grond van de verplichte verzekering van de Werkloosheidswet als opbrengst van arbeid beschouwd.
1.
Onder opbrengst van arbeid als bedoel in artikel 2, onderdeel a, worden, voor zover bedoelde arbeid in dienstbetrekking wordt verricht doch niet door een werknemer in de zin van de Wet financiering sociale verzekeringen , verstaan de gelden en alle andere voordelen die als beloning voor die arbeid worden genoten.
2.
Ten aanzien van de gelden en alle andere voordelen uit de dienstbetrekking, bedoeld in het eerste lid, is het bepaalde bij of krachtens artikel 16 van de Wet financiering sociale verzekeringen van overeenkomstige toepassing.
3.
In afwijking van het tweede lid wordt niet als opbrengst van arbeid beschouwd:
a. een uitkering, die naar aard en strekking met een loondervingsuitkering overeenkomt;
b. vakantie-uitkering.
4.
In afwijking van het derde lid, onderdeel a, worden voor zolang de dienstbetrekking voortduurt, uitkeringen terzake van werkloosheid als opbrengst van arbeid beschouwd.
1.
Onder opbrengst van arbeid als bedoeld in artikel 2, onderdeel a, wordt, voorzover bedoelde arbeid niet in dienstbetrekking wordt verricht, verstaan het belastbaar loon uit tegenwoordige arbeid of belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden, bedoeld in hoofdstuk 3 en 7 van de Wet inkomstenbelasting 2001, behoudens voorzover het een werkzaamheid betreft als bedoeld in de artikelen 3.91, eerste lid, onderdelen a en b, en 3.92 van die wet.
2.
Het bij of krachtens artikel 13 van de Wet op de loonbelasting 1964 bepaalde is met betrekking tot het eerste lid van overeenkomstige toepassing.
3.
Voor zover over de opbrengst van arbeid, zoals vastgesteld op grond van het eerste en tweede lid, geen aanspraak op vakantie-uitkering bestaat, wordt van dit inkomen slechts een deel in aanmerking genomen. Dit deel is gelijk aan het quotiënt van 100 en de som van 100 en het percentage van de vakantiebijslag, bedoeld in artikel 15, eerste lid, van de Wet Minimumloon en minimumvakantiebijslag.
1.
Onverminderd de artikelen 3, 4 en 5 wordt tevens onder opbrengst van arbeid verstaan:
a. een uitkering op grond van een particuliere verzekering wegens derving van inkomen, welke ten behoeve van de werknemer in het kader van een individuele of collectieve arbeidsovereenkomst is afgesloten;
b. een uitkering op grond van een pensioenregeling met uitzondering van een weduwen-, weduwnaars- en partnerpensioen;
c. een uitkering op grond van een regeling voor vervroegde uittreding of een regeling, die naar aard en strekking daarmee overeenkomt;
d. een uitkering op grond van een regeling voor functioneel leeftijdsontslag of op grond van de Uitkeringswet gewezen militairen ;
e. loon dat uit vroegere dienstbetrekking van de nabestaande wordt genoten.
2.
In afwijking van het eerste lid, wordt niet onder opbrengst van arbeid verstaan:
a. een aanspraak om na verloop van tijd of onder een voorwaarde een of meer uitkeringen of verstrekkingen te ontvangen, voor zover deze niet worden gedekt door stortingen van degene die het betreffende inkomen geniet;
b. een eenmalige uitkering die na beëindiging van de dienstbetrekking aan een werknemer in verband met die beëindiging wordt betaald;
c. vakantie-uitkering, over de in het eerste lid genoemde inkomensbestanddelen;
d. een vakantie-bon, vertrekt naast een loondervingsuitkering, voor zover niet begrepen onder c;
e. periodieke uitkeringen uit hoofde van een stamrecht, dat is verkregen uit een eenmalige uitkering welke na beëindiging van de dienstbetrekking aan de werknemer in verband met die beëindiging is toegekend, mits de werknemer aantoont dat de eenmalige uitkering door de werkgever betaalbaar is gesteld om naar eigen inzicht van de werknemer te besteden.
3.
Voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel b, wordt onder pensioenregeling verstaan hetgeen daaronder wordt verstaan voor de toepassing van de Wet op de loonbelasting 1964 .
4.
Voor zover over een inkomen, genoemd in het eerste lid, geen aanspraak op vakantieuitkering bestaat, wordt dit inkomen slechts voor een deel in aanmerking genomen. De laatste volzin van artikel 5, derde lid, is voor het vaststellen van dit deel van overeenkomstige toepassing.
1.
Onder winst als bedoeld in artikel 2, onderdeel b, wordt verstaan de belastbare winst uit onderneming, bedoeld in paragraaf 3.2.1 van de Wet inkomstenbelasting 2001, vermeerderd met de ondernemersaftrek, bedoeld in paragraaf 3.2.4 van die wet, en de MKB-winstvrijstelling, bedoeld in paragraaf 3.2.5 van die wet, met dien verstande dat de bestanddelen van de winst, bedoeld in artikel 3.78, derde lid, onderdelen a, b en c, van die wet, niet geacht worden te behoren tot die winst.
2.
Indien de berekening van de in het eerste lid bedoelde winst leidt tot een negatief bedrag, wordt die winst op nihil gesteld.
3.
Van de winst uit bedrijf en zelfstandig uitgeoefend beroep, zoals vastgesteld op grond van het eerste en tweede lid, wordt slechts een deel in aanmerking genomen. De laatste volzin van artikel 5, derde lid, is voor het vaststellen van dit deel van overeenkomstige toepassing.
1.
Voor de toepassing van artikel 10, eerste lid, van de wet wordt onder inkomen in verband met arbeid in het bedrijfs- of beroepsleven verstaan:
a. een loondervingsuitkering alsmede uitkeringen die naar aard en strekking daarmee overeenkomen, met uitzondering van de uitkeringen die op grond van artikel 3, derde lid, en artikel 4, vierde lid, als opbrengst van arbeid worden beschouwd;
b. een basisbeurs en een aanvullende beurs op grond van de Wet studiefinanciering 2000 alsmede een beurs, die naar aard en strekking daarmee overeenkomt;
c. een bedrijfsbeëindigingsvergoeding van de door Onze Minister van Economische Zaken opgerichte Stichting ontwikkeling en sanering midden- en kleinbedrijf;
d. een maandelijkse bedrijfsbeëindigingsvergoeding van de door Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij opgerichte Stichting ontwikkelings- en saneringsfonds voor de Landbouw.
e. een uitkering ingevolge de wetgeving van Aruba, Curaçao, Sint Maarten of van Nederland ten behoeve van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius of Saba, een volkenrechtelijke organisatie of een andere Mogendheid, die naar aard en strekking overeenkomt met een uitkering als bedoeld in dit lid, voorzover niet al begrepen onder a , met uitzondering van een uitkering, die naar aard en strekking overeenkomt met een uitkering op grond van de Algemene Kinderbijslagwet of met zorg waarop aanspraak bestaat ingevolge een zorgverzekering als bedoeld in artikel 1, onderdeel d, van de Zorgverzekeringswet of op grond van artikel 6 van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten; en
f. het bedrag van de uitkering bedoeld in onderdeel e , waarop recht bestaat, maar die niet wordt uitbetaald, omdat onder de toepasselijke wetgeving gebruik is gemaakt van het daarin voorziene recht af te zien van het recht op die uitkering of de uitbetaling daarvan.
2.
In afwijking van het eerste lid, wordt niet als inkomen in verband met arbeid beschouwd:
b. vakantie-uitkering, over de in het eerste lid lid genoemde inkomensbestanddelen;
c. een vakantie-bon, verstrekt naast een loondervingsuitkering, voorzover niet begrepen onder b;
d. een uitkering die naar aard en strekking overeenkomt met een loondervingsuitkering, toegekend aan een directeur-grootaandeelhouder, die niet als werknemer in de zin van de Wet financiering sociale verzekeringen wordt beschouwd.
3.
Voor zover over een inkomen, genoemd in het eerste lid, geen aanspraak op vakantieuitkering bestaat, wordt dit inkomen slechts voor een deel in aanmerking genomen. De laatste volzin van artikel 5, derde lid is voor het vaststellen van dit deel van overeenkomstige toepassing.
4.
Indien een uitkering als bedoeld in het eerste lid, gekort of geweigerd is op grond van een bestuurlijke boete of maatregel, wordt voor de toepassing van dit besluit als inkomen beschouwd de uitkering zonder deze korting of weigering.
1.
Het inkomen uit of in verband met arbeid uit het bedrijfs- of beroepsleven wordt vastgesteld op het tot een bedrag per maand herleide inkomen, bedoeld in de artikelen 3 tot en met 7, dat de uitkeringsgerechtigde in de maand waarover het recht op uitkering wordt vastgesteld, verwerft.
2.
Voor de toepassing van het eerste lid wordt de maand gesteld op 21,75 dagen.
3.
Bij per maand wisselende inkomsten kan op basis van een geschat inkomen een gemiddeld inkomen per maand worden bepaald, waarna per periode van zes maanden een herberekening plaatsvindt.
1.
De bij de toepassing van de voorgaande artikelen noodzakelijke omrekening in euro van het niet in euro uitgedrukte inkomen uit of in verband met arbeid geschiedt met behulp van de door de Europese Centrale Bank geadviseerde wisselkoersen.
2.
Een wijziging van de in het eerste lid bedoelde koers beïnvloedt het op grond van artikel 8 vastgestelde inkomen niet, met dien verstande dat:
a. bij wijziging van het inkomen uit of in verband met arbeid, anders dan ten gevolge van de koersmutaties, een omrekening plaatsvindt; en
b. tenminste eens per jaar een omrekening plaatsvindt.
Artikel 10
Het bepaalde in dit besluit ten aanzien van de onderscheiden inkomensbestanddelen is van overeenkomstige toepassing op de overhevelingstoeslag, bedoeld in de Wet overhevelingstoeslag opslagpremies voorzover die inkomensbestanddelen met die overhevelingstoeslag zijn vermeerderd.
1.
Een op grond van de wetgeving van Aruba, Curaçao, Sint Maarten of van Nederland ten behoeve van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius of Saba, een volkenrechtelijke organisatie of een andere Mogendheid toegekende uitkering, waaronder mede begrepen een verhoging van een uitkering, die naar aard en strekking overeenkomt met een uitkering als bedoeld in artikel 14, een uitkering als bedoeld in artikel 22 of een uitkering als bedoeld in artikel 26 van de wet anders dan op grond van de vrijwillige verzekering, wordt op de uitkering, bedoeld in artikel 14 respectievelijk op de uitkering bedoeld in artikel 22 of op de uitkering bedoeld in artikel 26 in mindering gebracht.
2.
Indien bij de vaststelling van de hoogte van een toegekende uitkering als bedoeld in het eerste lid, die naar aard en strekking overeenkomt met een uitkering als bedoeld in artikel 14 van de wet, rekening wordt gehouden met tot het gezin van de nabestaande behorende kinderen, worden voor de toepassing van het eerste lid, de uitkeringen bedoeld in artikel 14 en artikel 22 van de wet samengeteld en als één uitkering beschouwd.
3.
Indien een op grond van de wetgeving van Aruba, Curaçao, Sint Maarten of van Nederland ten behoeve van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius of Saba, een volkenrechtelijke organisatie of een andere Mogendheid toegekende uitkering als bedoeld in het eerste en tweede lid gekort of geweigerd is op grond van een bestuurlijke boete of maatregel, wordt voor de toepassing van het eerste en tweede lid als uitkering beschouwd, de uitkering zonder deze korting of weigering.
4.
Indien een uitkering waarop recht bestaat op grond van de wetgeving van Aruba, Curaçao, Sint Maarten of van Nederland ten behoeve van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius of Saba, een volkenrechtelijke organisatie of een andere Mogendheid, niet wordt uitbetaald omdat onder de toepasselijke wetgeving gebruik is gemaakt van het daarin voorziene recht af te zien van het recht op die uitkering of de uitbetaling daarvan, wordt voor de toepassing van het eerste en tweede lid uitgegaan van het bedrag van de uitkering indien geen gebruik zou zijn gemaakt van het recht af te zien van het recht op uitkering of de uitbetaling daarvan.
Artikel 12
Artikel 9 is van overeenkomstige toepassing op de noodzakelijke omrekening van de in een buitenlandse munteenheid uitgedrukte uitkering, bedoeld in artikel 11.
Artikel 13
Indien de toepassing van artikel 8, eerste lid, of artikel 11 van dit besluit tot een kennelijk onredelijk resultaat leidt, bepaalt de Sociale verzekeringsbank het inkomen, of de wijze waarop een uitkering als bedoeld in artikel 11 op een uitkering als bedoeld in artikel 14, artikel 22 of artikel 26 in mindering wordt gebracht, op andere wijze.
Artikel 14
Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag waarop de Algemene nabestaandenwet in werking treedt.
Artikel 15
Dit besluit wordt aangehaald als: Inkomens- en samenloopbesluit Anw.
Lasten en bevelen dat dit besluit met daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
's-Gravenhage, 10 juni 1996
De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
Uitgegeven de vijfentwintigste juni 1996
De Minister van Justitie,
Inhoudsopgave
+ § 1. Begripsbepalingen
+ § 2. Inkomen uit arbeid
+ § 3. Inkomen in verband met arbeid
+ § 4. Bepaling van het inkomen
+ § 5. Samenloop met buitenlandse uitkeringen aan nagelaten betrekkingen
+ § 6. Slotbepalingen
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht