Let op. Deze wet is vervallen op 1 maart 2012. U leest nu de tekst die gold op 28 februari 2012.

Inkomensbesluit Wet inkomensvoorziening oudere werklozen

Uitgebreide informatie
Besluit van 25 november 2009 tot vaststelling van wat in artikel 10, vierde en vijfde lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere werklozen onder inkomen uit arbeid en overig inkomen wordt verstaan (Inkomensbesluit Wet inkomensvoorziening oudere werklozen)
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 14 september 2009, Directie Inkomensverzekeringen en -voorzieningen, nr. IVV/I/2009/20369;
Gelet op artikel 10, zesde lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere werklozen;
De Raad van State gehoord (advies van 14 oktober 2009, nr. W12.09.0364/III);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 19 november 2009, Directie Inkomensverzekeringen en -voorzieningen, nr. IVV/I/2009/23738;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Artikel 1. Begripsbepalingen
In dit besluit wordt verstaan onder:
a. aangiftetijdvak: het tijdvak van vier weken dan wel een maand waarop de aangifte waarop de ingehouden loonbelasting wordt afgedragen, betrekking heeft;
b. verlof: een tussen werkgever en werknemer voor een gedeelte of het geheel van de arbeidstijd overeengekomen tijdvak, waarin de werknemer geen arbeid jegens de werkgever verricht;
c. werknemersverzekering: werknemersverzekering, bedoeld in artikel 2, onderdeel c, van de Wet financiering sociale verzekeringen;
d. stamrecht: een recht op periodieke uitkeringen ter vervanging van gederfd of te derven loon.
1.
Onder inkomen uit arbeid als bedoeld in artikel 10, vierde lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere werklozen, wordt verstaan:
a. hetgeen onder loon wordt verstaan in artikel 16, eerste en tweede lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen, voor de werknemer, bedoeld in artikel 1, onderdeel o, van die wet, met dien verstande dat niet tot het inkomen worden gerekend uitkeringen op grond van een werknemersverzekering, al dan niet vermeerderd met een toeslag op grond van de Toeslagenwet en de aanvullingen daarop van degene tot wie de werknemer in dienstbetrekking staat;
b. het loon, bedoeld in de artikelen 9 tot en met 13 van de Wet op de loonbelasting 1964, voor zover de werknemer niet als werknemer als bedoeld in onderdeel a inkomen verdient, met dien verstande dat niet tot het inkomen worden gerekend:
1°. hetgeen uit een vroegere dienstbetrekking als bedoeld in die wet wordt genoten;
2°. een vergoeding voor de inkomensafhankelijke bijdrage als bedoeld in artikel 46 van de Zorgverzekeringswet;
c. het belastbaar loon of het belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden, bedoeld in paragraaf 3.3.1 onderscheidenlijk paragraaf 3.4.1 van de Wet inkomstenbelasting 2001, behoudens voor zover het een werkzaamheid betreft als bedoeld in de artikelen 3.91, eerste lid, onderdelen a en b, en artikel 3.92 van die wet, voor zover de uitkeringsgerechtigde geen werknemer is als bedoeld in de onderdelen a en b;
d. de belastbare winst uit onderneming, bedoeld in paragraaf 3.2.1 van de Wet inkomstenbelasting 2001, vermeerderd met de ondernemersaftrek en de MKB-winstvrijstelling, bedoeld in de artikelen 3.74 en 3.79a van die wet, met dien verstande dat de bestanddelen van de winst, bedoeld in artikel 3.78, derde lid, van die wet, niet geacht worden te behoren tot de winst;
e. een uitkering op grond van hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf 2 van de Wet arbeid en zorg aan de zelfstandige of de beroepsbeoefenaar op arbeidsovereenkomst, bedoeld in artikel 3:17, eerste lid, onder a en b, van die wet;
f. een uitkering op grond van artikel 29, tweede lid, onderdelen e tot en met g, van de Ziektewet, indien tevens sprake is van een arbeidsovereenkomst in de zin van boek 7 van het Burgerlijk Wetboek .
2.
Indien de vaststelling van het inkomen, bedoeld in het eerste lid, onderdelen c en d, leidt tot een negatief bedrag, dan wordt dat inkomen op nihil gesteld.
3.
Indien de doorbetaling van loon als bedoeld in artikel 629 van boek 7 van het Burgerlijk Wetboek of de doorbetaling van bezoldiging op grond van artikel 76a van de Ziektewet geheel of gedeeltelijk is geweigerd, dan wel de betaling daarvan geheel of gedeeltelijk is opgeschort door toepassing van artikel 629 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek onderscheidenlijk artikel 76b, eerste tot en met derde lid, of 76c van de Ziektewet, wordt voor de toepassing van dit besluit het loon of de bezoldiging in aanmerking genomen als ware de doorbetaling niet geheel of gedeeltelijk geweigerd of de betaling niet geheel of gedeeltelijk opgeschort.
1.
Gedurende de periode dat de werknemer recht heeft op:
a. een uitkering als bedoeld in hoofdstuk IV van de Werkloosheidswet;
b. een uitkering als bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de Werkloosheidswet;
c. een uitkering in verband met werkloosheid die uitsluitend het gevolg is van verkorting van de werktijd, waarvoor op grond van artikel 8, derde lid, van het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945 ontheffing is verleend,
of met verlof is, wordt tevens als inkomen uit arbeid beschouwd het inkomen dat werd genoten in het aangiftetijdvak voor het aangiftetijdvak waarin:
1°. het recht ontstond op een uitkering als bedoeld in de onderdelen a tot en met c.
2°. het verlof aanving.
2.
Niet als inkomen wordt beschouwd het loon dat door de werknemer wordt genoten indien hij tegelijkertijd uit hoofde van dezelfde arbeidsrelatie inkomen als bedoeld in het eerste lid geniet.
1.
Onder overig inkomen als bedoeld in artikel 10, vijfde lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere werklozen, wordt verstaan:
a. een uitkering op grond van de Werkloosheidswet met uitzondering van de uitkeringen, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdelen a tot en met c;
b. een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering ;
c. een uitkering op grond van de Wet Werk en inkomen naar arbeidsvermogen ;
d. een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen ;
e. een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten ;
f. een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen ;
g. een uitkering op grond van de Ziektewet als bedoeld in artikel 29, tweede lid, van die wet, tenzij artikel 2, onderdeel f, van toepassing is;
h. een uitkering die naar aard en strekking overeenkomt met een uitkering als bedoeld in de onderdelen a tot en met g;
i. een uitkering op grond van een regeling voor vervroegde uittreding als bedoeld in artikel 32ba van de Wet op de loonbelasting 1964, op grond van een pensioenregeling als bedoeld in artikel 18, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, van de Wet op de loonbelasting 1964, op grond van een levensloopregeling als bedoeld in artikel 19g van de Wet op de loonbelasting 1964, op grond van een prepensioenregeling als bedoeld in artikel 38a van de Wet op de loonbelasting 1964, zoals dat artikel luidde op 31 december 2004 of op grond van een regeling die naar aard en strekking daarmee overeenkomt;
j. een uitkering als bedoeld in onderdeel h, waarop recht bestaat, maar die niet wordt uitbetaald, omdat onder de toepasselijke wetgeving gebruik is gemaakt van het daarin voorziene recht af te zien van het recht op die uitkering of de uitbetaling daarvan;
k. loon dat uit een vroegere dienstbetrekking wordt genoten.
2.
In afwijking van het eerste lid wordt niet als overig inkomen beschouwd:
a. het bedrag waarmee de uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering , de Wet Werk en inkomen naar arbeidsvermogen , de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen en de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten is verhoogd wegens hulpbehoevendheid op grond van artikel 22 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, de artikelen 53 of 63 van de Wet Werk en inkomen naar arbeidsvermogen, artikel 10 van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, artikel 9 van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten of een combinatie van deze artikelen;
b. een eenmalige uitkering welke na beëindiging van de dienstbetrekking aan een werknemer in verband met die beëindiging wordt betaald en
c. periodieke uitkeringen uit hoofde van een stamrecht, dat is verkregen uit een eenmalige uitkering welke na beëindiging van de dienstbetrekking aan de werknemer in verband met die beëindiging is toegekend, mits de werknemer aantoont dat de eenmalige uitkering door de werkgever betaalbaar is gesteld om naar eigen inzicht van de werknemer te besteden.
3.
Indien een uitkering als bedoeld in het eerste lid, geheel of gedeeltelijk wordt geweigerd in verband met enig handelen of nalaten van betrokkene dat hem redelijkerwijs kan worden verweten, wordt voor de toepassing van dit besluit de uitkering in aanmerking genomen als ware deze niet geheel of gedeeltelijk geweigerd.
1.
In afwijking van de artikelen 2, 3 en 4 wordt vakantiebijslag niet als inkomen uit arbeid of als overig inkomen beschouwd.
2.
Indien over het inkomen uit arbeid of overig inkomen geen aanspraak op vakantiebijslag bestaat, wordt van dit inkomen slechts een deel in aanmerking genomen. Dit deel is gelijk aan het quotiënt van 100 en de som van 100 en het percentage van de vakantiebijslag, bedoeld in artikel 15, eerste lid, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag.
1.
Het inkomen, bedoeld in de artikelen 2, 3 en 4 wordt herleid tot een bedrag per kalendermaand.
2.
Bij de toepassing van het eerste lid wordt het loon door de uitkeringsgerechtigde geacht te zijn genoten in het aangiftetijdvak waarover de werkgever of de inhoudingsplichtige van dat loon opgave heeft gedaan.
3.
Bij de toepassing van het eerste lid worden betalingen van het overig inkomen toegerekend aan de perioden waarin hierop recht bestaat.
4.
Bij de toepassing van het eerste lid worden het belastbaar loon, het belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden, de belastbare winst uit onderneming en de uitkering, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdelen c, d en e, evenredig toegerekend aan de betreffende kalendermaanden in het boek- of kalenderjaar.
5.
Bij een per kalendermaand wisselend inkomen kan op basis van een geschat inkomen een gemiddeld inkomen per kalendermaand worden bepaald, waarna per periode van ten hoogste twaalf maanden een herberekening plaatsvindt.
6.
Het UWV kan bij de vaststelling van het inkomen het loon dat door de uitkeringsgerechtigde is genoten in een aangiftetijdvak, toerekenen aan de dag waarop dat loon betrekking heeft.
7.
Het UWV kan bij de vaststelling van het inkomen artikel 3, eerste lid, van het Besluit dagloonregels werknemersverzekeringen overeenkomstig toepassen ten aanzien van loon dat het karakter heeft van een extra periodiek salaris, waarbij in plaats van een refertejaar, kalendermaand wordt gelezen.
1.
Indien het bij de toepassing van artikel 6 noodzakelijk is om niet in euro’s uitgedrukt inkomen om te rekenen in euro’s, geschiedt dat met behulp van de door de Europese Centrale Bank geadviseerde wisselkoersen.
2.
Een wijziging van een wisselkoers als bedoeld in het eerste lid beïnvloedt het vastgestelde inkomen niet, met dien verstande dat:
a. bij wijziging van het inkomen, anders dan ten gevolge van de koersmutaties, een omrekening plaatsvindt; en
b. ten minste eens per jaar een omrekening plaatsvindt.
artikel 39c van de Wet op de loonbelasting 1964 van Inkomensbesluit Wet inkomensvoorziening oudere werklozen">
Artikel 7a. Overgangsrecht in verband met keuzeregime artikel 39c van de Wet op de loonbelasting 1964
1.
Ingeval ter zake van het belastbare loon artikel 39c van de Wet op de loonbelasting 1964 wordt toegepast, wordt voor de toepassing van artikel 2, eerste lid, onderdeel b, onder 3°, onder eindheffingsbestanddelen als bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdelen b tot en met h, van de Wet op de loonbelasting 1964 verstaan eindheffingsbestanddelen als bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdelen b tot en met h, van die wet, zoals dat artikel luidde op 31 december 2010.
2.
Dit artikel vervalt met ingang van de dag waarop artikel 39c van de Wet op de loonbelasting 1964 vervalt.
Artikel 8. Inwerkingtreding
Dit besluit treedt in werking op het tijdstip waarop artikel 10, zesde lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere werklozen in werking treedt.
Artikel 9. Citeertitel
Dit besluit wordt aangehaald als: Inkomensbesluit Wet inkomensvoorziening oudere werklozen.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
’s-Gravenhage, 25 november 2009
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
Uitgegeven de achtste december 2009
De Minister van Justitie,
Inhoudsopgave
Artikel 1. Begripsbepalingen
Artikel 2. Omschrijving inkomen uit arbeid
Artikel 3. Uitbreiding omschrijving inkomen uit arbeid
Artikel 4. Omschrijving overig inkomen
Artikel 5. Vakantiebijslag
Artikel 6. Vaststelling inkomen per kalendermaand van de uitkeringsgerechtigde
Artikel 7. Omrekening
Artikel 7a. Overgangsrecht in verband met keuzeregime artikel 39c van de Wet op de loonbelasting 1964
Artikel 8. Inwerkingtreding
Artikel 9. Citeertitel
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht