Let op. Deze wet is vervallen op 1 maart 2012. U leest nu de tekst die gold op 28 februari 2012.

Inkomensbesluit Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten

Uitgebreide informatie
Besluit van 15 december 2009 tot vaststelling van nadere regels met betrekking tot het inkomen, bedoeld in artikel 2:6, eerste lid, Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten, de vaststelling van dat inkomen en de periode waarop die vaststelling betrekking heeft (Inkomensbesluit Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten)
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 8 juni 2009, nr. IVV/LZW/09/11164;
Gelet op artikel 2:6 van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten;
De Raad van State gehoord (advies van 1 juli 2009, no. W12.09.0198/III);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 9 december 2009, nr. IVV/LZW/2009/15651;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Artikel 1. Begripsbepalingen
In dit besluit wordt verstaan onder:
a. aangiftetijdvak: het tijdvak van vier weken dan wel een maand waarop de aangifte waarop de ingehouden loonbelasting wordt afgedragen, betrekking heeft;
b. verlof: een tussen werkgever en werknemer voor een gedeelte of het geheel van de arbeidstijd overeengekomen tijdvak, waarin de werknemer geen arbeid jegens de werkgever verricht;
c. werknemersverzekering: werknemersverzekering als bedoeld in artikel 2, onderdeel c, van de Wet financiering sociale verzekeringen en vrijwillige werknemersverzekering als bedoeld in artikel 2, onderdeel d, van die wet;
d. regeling voor vervroegde uittreding: regeling voor vervroegde uittreding als bedoeld in artikel 32ba van de Wet op de loonbelasting 1964 of artikel 18i van die wet, zoals dit artikel op 31 december 2004 luidde, pensioenregeling als bedoeld in artikel 18, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, van de Wet op de loonbelasting 1964, levensloopregeling als bedoeld in artikel 19g van de Wet op de loonbelasting 1964, prepensioenregeling als bedoeld in artikel 38a van de Wet op de loonbelasting 1964, zoals dat artikel luidde op 31 december 2004 of een regeling die naar aard en strekking daarmee overeenkomt.
1.
Onder inkomen als bedoeld in artikel 2:6 van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten wordt verstaan:
a. hetgeen onder loon wordt verstaan in artikel 16, eerste en tweede lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen, voor de werknemer, bedoeld in artikel 1, onderdeel o, van die wet, met dien verstande dat niet tot het inkomen worden gerekend:
1°. een toeslag op grond van de Toeslagenwet ;
2°. de aanvulling op een uitkering op grond van een werknemersverzekering van degene tot wie de werknemer in dienstbetrekking staat;
b. het loon, bedoeld in de artikelen 9 tot en met 13 van de Wet op de loonbelasting 1964, voor zover de jonggehandicapte niet als werknemer als bedoeld in onderdeel a inkomen verdient, met dien verstande dat niet tot het inkomen worden gerekend:
1°. hetgeen uit een vroegere dienstbetrekking als bedoeld in die wet wordt genoten;
2°. een vergoeding voor de inkomensafhankelijke bijdrage als bedoeld in artikel 46 van de Zorgverzekeringswet;
c. het belastbaar loon of het belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden, bedoeld in paragraaf 3.3.1 onderscheidenlijk paragraaf 3.4.1 van de Wet inkomstenbelasting 2001, behoudens voor zover het een werkzaamheid betreft als bedoeld in de artikelen 3.91, eerste lid, onderdelen a en b, en 3.92 van die wet, voor zover de jonggehandicapte geen werknemer is als bedoeld in onderdeel a;
d. de belastbare winst uit onderneming, bedoeld in paragraaf 3.2.1 van de Wet inkomstenbelasting 2001, vermeerderd met de ondernemersaftrek en de MKB-winstvrijstelling, bedoeld in de artikelen 3.74 en 3.79a van die wet, met dien verstande dat de bestanddelen van de winst, bedoeld in artikel 3.78, derde lid, van die wet, niet geacht worden te behoren tot die winst;
e. een uitkering op grond van hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf 2, van de Wet arbeid en zorg aan de zelfstandige of de beroepsbeoefenaar op arbeidsovereenkomst, bedoeld in artikel 3:17, eerste lid, onder a en b, van die wet;
f. een uitkering op grond van de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers ;
g. een uitkering op grond van een buitenlandse wettelijke sociale verzekeringsregeling of de wetgeving van een volkenrechtelijke organisatie die naar aard en strekking overeenkomt met een werknemersverzekering.
2.
Indien de vaststelling van het inkomen, bedoeld in het eerste lid, onderdelen c en d, leidt tot een negatief bedrag, dan wordt dat inkomen op nihil gesteld.
3.
Indien een uitkering als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, e, f of g, geheel of gedeeltelijk wordt geweigerd in verband met enig handelen of nalaten van de jonggehandicapte dat hem redelijkerwijs kan worden verweten, of het recht op loon, bedoeld in artikel 629 van boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, dan wel de bezoldiging of hetgeen daarmee overeenkomt, bedoeld in artikel 76a van de Ziektewet, gedeeltelijk ontbreekt dan wel de betaling daarvan is opgeschort door toepassing van het derde of zesde lid van artikel 629 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek onderscheidenlijk artikel 76b, eerste tot en met derde lid, of 76c van de Ziektewet, wordt voor de toepassing van dit besluit de uitkering in aanmerking genomen alsof die weigering niet heeft plaatsgevonden en het loon, de bezoldiging of hetgeen daarmee overeenkomt alsof die artikelleden niet zijn toegepast.
4.
Indien een uitkering als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, e, f of g, niet tot uitbetaling komt omdat deze niet is aangevraagd, wordt voor de toepassing van dit besluit de uitkering in aanmerking genomen als ware deze genoten.
5.
Indien de uitkering op grond van de Werkloosheidswet gedeeltelijk is geëindigd omdat de jonggehandicapte minder beschikbaar is voor arbeid dan het aantal arbeidsuren dat hij heeft verloren wordt voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen die uitkering in aanmerking genomen alsof die eindiging niet heeft plaatsgevonden.
1.
Gedurende de periode dat de jonggehandicapte met verlof is of uitkering ontvangt op grond van een regeling voor vervroegde uittreding, wordt als inkomen beschouwd het inkomen dat werd genoten in het aangiftetijdvak voorafgaand aan het aangiftetijdvak waarin het verlof of recht op de uitkering op grond van een regeling voor vervroegde uittreding aanving.
2.
Niet als inkomen wordt beschouwd het loon dat door de werknemer wordt genoten indien hij tegelijkertijd uit hoofde van dezelfde arbeidsrelatie inkomen als bedoeld in het eerste lid geniet.
1.
In afwijking van de artikelen 2 en 3 wordt vakantiebijslag niet als inkomen beschouwd.
2.
Indien over het inkomen, zoals vastgesteld op grond van de artikelen 2 en 3, geen aanspraak op vakantiegeld bestaat, wordt van dit inkomen slechts een deel in aanmerking genomen. Dit deel is gelijk aan het quotiënt van 100 en de som van 100 en het percentage van de vakantiebijslag, bedoeld in artikel 15, eerste lid, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag.
1.
Het inkomen, bedoeld in de artikelen 2 en 3, wordt herleid tot een bedrag per dag, waarbij het inkomen per maand wordt gedeeld door 21,75.
2.
Bij de toepassing van het eerste lid wordt het loon door de jonggehandicapte geacht te zijn genoten in het aangiftetijdvak waarover de werkgever of de inhoudingsplichtige van dat loon opgave heeft gedaan.
3.
Bij de toepassing van het eerste lid worden het belastbaar loon, het belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden, de belastbare winst uit onderneming en de uitkering, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdelen c, d en e, evenredig toegerekend aan 261 kalenderdagen.
4.
Bij een per kalendermaand wisselend inkomen kan op basis van een geschat inkomen een gemiddeld inkomen per kalenderdag worden vastgesteld, waarna per periode van zes kalendermaanden een herberekening plaatsvindt.
5.
Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan bij de vaststelling van het inkomen het loon dat door de jonggehandicapte is genoten in een aangiftetijdvak, toerekenen aan de dag waarop dat loon betrekking heeft.
1.
Indien het bij de toepassing van artikel 4 noodzakelijk is om niet in euro’s uitgedrukt inkomen om te rekenen in euro’s, geschiedt dat met behulp van de door de Europese Centrale Bank geadviseerde wisselkoersen.
2.
Een wijziging van een wisselkoers, als bedoeld in het eerste lid, beïnvloedt het vastgestelde inkomen niet, met dien verstande dat:
a. bij wijziging van het inkomen, anders dan ten gevolge van de koersmutaties, een omrekening plaatsvindt; en
b. ten minste eens per jaar een omrekening plaatsvindt.
artikel 39c van de Wet op de loonbelasting 1964 van Inkomensbesluit Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten">
Artikel 6a. Overgangsrecht in verband met keuzeregime artikel 39c van de Wet op de loonbelasting 1964
1.
Ingeval ter zake van het belastbare loon artikel 39c van de Wet op de loonbelasting 1964 wordt toegepast, wordt de voor toepassing van artikel 2, eerste lid, onderdeel b, onder 3°, onder eindheffingsbestanddelen als bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdelen b tot en met h, van de Wet op de loonbelasting 1964 verstaan eindheffingsbestanddelen als bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdelen b tot en met h, van die wet, zoals dat artikel luidde op 31 december 2010.
2.
Dit artikel vervalt met ingang van de dag waarop artikel 39c van de Wet op de loonbelasting 1964 vervalt.
Artikel 7. Inwerkingtreding
Dit besluit treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet van 3 december 2009 tot wijziging van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten in verband met het bevorderen van de participatie van jonggehandicapten door werk en arbeidsondersteuning (Stb. 580) in werking treedt.
Artikel 8. Citeertitel
Dit besluit wordt aangehaald als: Inkomensbesluit Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
’s-Gravenhage, 15 december 2009
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid ,
Uitgegeven de dertigste december 2009
De Minister van Justitie ,
Inhoudsopgave
Artikel 1. Begripsbepalingen
Artikel 2. Omschrijving inkomen
Artikel 3. Uitbreiding omschrijving inkomen
Artikel 4. Vakantiebijslag
Artikel 5. Vaststelling inkomen per dag van de jonggehandicapte
Artikel 6. Omrekening
Artikel 6a. Overgangsrecht in verband met keuzeregime artikel 39c van de Wet op de loonbelasting 1964
Artikel 7. Inwerkingtreding
Artikel 8. Citeertitel
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht