Besluit van 4 juni 1959, houdende instelling van een bedrijfschap voor de industrie van en de groothandel in koolzuurhoudende alcoholvrije dranken en de groothandel in bier
Wij JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.
Op voordracht van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken, Bezitsvorming en Publiekrechtelijke Bedrijfsorganisatie en van Onze Ministers van Economische Zaken, van Sociale Zaken en Volksgezondheid a.i. en van Landbouw, Visserij en Voedselvoorziening a.i. van 12 februari 1959, no. U 2278, afdeling Publiekrechtelijke Bedrijfsorganisatie;
Overwegende, dat het wenselijk is overeenkomstig het door de Sociaal-Economische Raad op 10 mei 1957 uit eigen beweging daartoe uitgebrachte advies en het op 12 december 1958 uitgebrachte nadere advies over te gaan tot instelling van een bedrijfschap, als bedoeld in de Wet op de Bedrijfsorganisatie ( Stb. 1950, K 22), voor ondernemingen op het gebied van de industrie van en de groothandel in koolzuurhoudende alcoholvrije dranken en de groothandel in bier;
Gelet op genoemde wet;
De Raad van State gehoord (advies van 3 maart 1959, no. 19);
Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Algemene Zaken en van Onze Ministers van Economische Zaken, van Sociale Zaken en Volksgezondheid en van Landbouw en Visserij van 29 mei 1959, no. U 2498, afdeling Publiekrechtelijke Bedrijfsorganisatie;
Hebben goedgevonden en verstaan:
1.
Er is een bedrijfschap voor de industrie van en de groothandel in frisdranken en waters en de groothandel in bier, genaamd bedrijfschap frisdranken en waters.
2.
Het bedrijfschap heeft zijn zetel te Rotterdam.
1.
Het bedrijfschap is ingesteld voor de ondernemingen, waarin wordt uitgeoefend het bedrijf van het vervaardigen van frisdranken en waters of de groothandel in bier of frisdranken en waters, al dan niet tezamen met
a. het kopen en het verkopen van vruchtendranken, gearomatiseerde zuiveldranken, limonadesiroop, koolzuur of ruw ijs of
b. de uitvoerhandel in bier of frisdranken en waters.
2.
Dit besluit verstaat onder:
groothandel in bier of frisdranken en waters: het bedrijf van het kopen van bier of frisdranken en waters en het verkopen daarvan aan in het binnenland gevestigde wederverkopers, personen die het gekochte in een door hen gedreven onderneming aanwenden, of instellingen;
frisdranken: alle alcoholvrije dranken als bedoeld in het krachtens de Warenwet vastgestelde Frisdranken- en Siropenbesluit (Besluit van 24 februari 1987, Stb. 137);
waters: mineraal- en bronwaters als bedoeld in het krachtens de Warenwet vastgestelde Natuurlijke Mineraal- en Bronwaterbesluit (Besluit van 26 juni 1985, Stb. 422), alsmede andere verpakte waters bestemd voor menselijke consumptie;
wet: Wet op de Bedrijfsorganisatie ( Stb. 1950, K22).
1.
Aan het bedrijfschap is overgelaten de regeling of nadere regeling van de volgende onderwerpen:
a. de prijzen, waartegen hier te lande vervaardigde koolzuurhoudende alcoholvrije dranken door degenen, die een onderneming drijven, waarvoor het bedrijfschap is ingesteld, in het binnenlandse verkeer mogen worden aangeboden;
b. de verkoops-, leverings- en betalingsvoorwaarden bij de verkoop van koolzuurhoudende alcoholvrije dranken;
c. het berekenen aan de afnemers van statiegeld voor flessen en ander verpakkingsmateriaal;
d. het maken van reklame voor verpakkingen van koolzuurhoudende alcoholvrije dranken en waters, die in het binnenlands verkeer worden aangeboden.
e. de lonen en de andere arbeidsvoorwaarden;
f. fondsen en andere instellingen in het belang van de bedrijfsgenoten;
g. de registratie van ondernemingen, waarvoor het bedrijfschap is ingesteld, en van de in die ondernemingen werkzame personen;
h. het verstrekken van de voor de vervulling van de taak van het bedrijfschap nodige gegevens;
i. de in verband met de voorbereiding of het toezicht op de naleving van verordeningen nodige inzage van boeken en bescheiden van ondernemingen, waarvoor het bedrijfschap is ingesteld, voor zover strekkend ter verkrijging van gegevens, welke degenen, die deze ondernemingen drijven, niet desgevraagd hebben verstrekt, of ter verificatie van gegevens, waarvan zij de juistheid niet hebben doen staven door een verklaring van een deskundige, die aan door het bestuur van het bedrijfschap te stellen eisen voldoet.
j. de kwaliteit van de geproduceerde frisdranken en waters;
k. de rationalisatie van verpakkingen en daarmee verband houdende produktie-technieken en logistieke systemen, mede met het oog op het leveren van een bijdrage aan de milieuzorg.
2.
Verordeningen betreffende de in het eerste lid, onder a, b, c, d, j en k genoemde onderwerpen worden niet vastgesteld, dan nadat een door het bestuur van het bedrijfschap in te stellen commissie in de gelegenheid is gesteld over het ontwerp der verordening van advies te dienen. Ten minste één maand vóór de instelling van de commissie maakt het bestuur zijn voornemen daartoe bekend in het Mededelingenblad Bedrijfsorganisatie. Het bestuur draagt zorg, dat de verschillende groepen afnemers van de ondernemingen, waarvoor het bedrijfschap is ingesteld, voor zover zij bij de voorgenomen regeling zijn betrokken, in de commissie zijn vertegenwoordigd. Van een afwijkend gevoelen van een minderheid in de commissie wordt in het advies desverlangd melding gemaakt. Bij het inzenden van een verordening ter goedkeuring wordt het advies overgelegd.
3.
Verordeningen betreffende het in het eerste lid, onder a , genoemde onderwerp hebben een geldingsduur van ten hoogste twee jaren.
Artikel 4
Overtredingen van een op grond van artikel 93, eerste lid, van de wet vastgestelde verordening kunnen bij die verordening worden aangewezen als strafbare feiten.
Artikel 5
Op overtreding van een op grond van artikel 93, eerste lid, van de wet vastgestelde verordening kunnen, ook indien de overtreding als strafbaar feit is aangewezen, bij die verordening tuchtrechtelijke maatregelen worden gesteld.
1.
De door het bedrijfschap krachtens artikel 126, eerste lid, van de wet op te leggen heffingen kunnen voor verschillende in de heffingsverordening aangewezen groepen van ondernemingen verschillend zijn.
2.
Onverminderd het in het derde lid bepaalde worden de heffingen vastgesteld naar de grondslag van de in de betrokken ondernemingen bij de uitoefening van de in artikel 2 bedoelde bedrijven bereikte, naar geldswaarde of hoeveelheid berekende omzet; boven of in de plaats van zodanige heffing kan een bedrag worden geheven, dat voor alle betrokken ondernemingen gelijk is.
3.
Heffingen, waarvan de opbrengst een bijzondere bestemming heeft, kunnen worden opgelegd naar een grondslag, welke het bestuur van het bedrijfschap in verband met die bestemming passend acht.
Artikel 7
Dit besluit kan worden aangehaald als: Instellingsbesluit bedrijfschap frisdranken en waters.
Artikel 8
Dit besluit treedt in werking op een door Ons te bepalen tijdstip.
Onze Minister van Algemene Zaken, van Economische Zaken, van Sociale Zaken en Volksgezondheid en van Landbouw en Visserij zijn belast met de uitvoering van dit besluit, hetwelk in het Staatsblad zal worden geplaatst en waarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State.
Soestdijk, 4 juni 1959
De Staatssecretaris van Algemene Zaken,
De Minister van Economische Zaken,
De Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid,
De Minister van Landbouw en Visserij,
Uitgegeven de zesentwintigste juni 1959.
De Minister van Justitie,
Inhoudsopgave
Artikel 1
Artikel 2
Artikel 3
Artikel 4
Artikel 5
Artikel 6
Artikel 7
Artikel 8
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht