Let op. Deze wet is vervallen op 6 april 2005. U leest nu de tekst die gold op 5 april 2005.

Interimbesluit Duurzaam Veilig

Uitgebreide informatie
Besluit van 18 september 2001, houdende vaststelling van een jaarlijkse financiële bijdrage aan provincies en regionale openbare lichamen in het kader van regionaal en lokaal verkeersveiligheidsbeleid (Interimbesluit Duurzaam Veilig)
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 13 juli 2001, nr.CDJZ/WBI/2001–935, Centrale Directie Juridische Zaken;
Gelet op artikel 16, vijfde lid, van de Kaderwet bestuur in verandering en artikel 1 van de Wet van 24 april 1991, houdende regels met betrekking tot enkele specifieke uitkeringen aan provincies en gemeenten op het terrein van Verkeer en Waterstaat (Stb. 255);
De Raad van State gehoord van 23 augustus 2001, nr. W09.01.0364/V.
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 5 september 2001, CDJZ/WBI-2001–1131, Centrale Directie Juridische Zaken;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Artikel 1
In dit besluit wordt verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van Verkeer en Waterstaat;
b. regionaal openbaar lichaam: regionaal openbaar lichaam als bedoeld in artikel 1, onder d, van de Kaderwet bestuur in verandering;
c. EG-subsidie: een subsidie die door de Raad van de Europese Unie, het Europees Parlement en de Raad gezamenlijk of de Commissie van de Europese Gemeenschappen op grond van een vastgesteld programma rechtstreeks of middellijk wordt verstrekt.
1.
Onze Minister verstrekt vanaf het jaar 2001 jaarlijks een bijdrage aan provincies en regionale openbare lichamen, als tegemoetkoming in de kosten van regionaal en lokaal verkeersveiligheidsbeleid van provincies, regionale openbare lichamen, waterschappen en gemeenten. De bijdrage kan in ieder geval worden besteed aan de maatregelen die zijn opgenomen in de bijlage bij dit besluit.
2.
De bijdrage wordt verstrekt onder de voorwaarde dat voor het deel van de bijdrage dat ten laste van een nog niet vastgestelde begroting komt, voldoende gelden ter beschikking worden gesteld.
3.
De bijdrage dient niet tot gehele of gedeeltelijke bekostiging van projecten waarvoor reeds een EG-subsidie is verstrekt of waarvoor reeds een financiële bijdrage is verstrekt:
b. op grond van de Wet personenvervoer 2000 .
4.
De bijdrage dient niet tot bekostiging van algemene bestuurslasten.
5.
De bijdrage wordt besteed voor het einde van het derde kalenderjaar na de beschikking.
Artikel 3
De bijdrage wordt vastgesteld overeenkomstig de volgende percentages van het in de geldende begroting beschikbare bedrag:
a. provincie Drenthe 3,51%;
b. provincie Flevoland 1,31%;
c. provincie Friesland 3,16%;
d. provincie Gelderland 9,45%;
e. provincie Groningen 4,10%;
f. provincie Limburg 7,29%;
g. provincie Noord-Brabant 11,38%;
h. provincie Noord-Holland 7,18%;
i. provincie Overijssel 3,46%;
j. provincie Utrecht 2,50%;
k. provincie Zeeland 3,30%;
l. provincie Zuid-Holland 8,00%;
m. Regionaal Openbaar Lichaam Arnhem-Nijmegen 3,74%;
n. Regio Twente 4,96%;
o. Bestuur Regio Utrecht 5,04%;
p. Regionaal Orgaan Amsterdam 6,14%;
q. Stadsgewest Haaglanden 5,09%;
r. Samenwerkingsverband Regio Eindhoven 5,45%;
s. Stadsregio Rotterdam 4,94%.
1.
Over de besteding van de bijdrage treedt de provincie in overleg met de in de provincie gelegen gemeenten, met uitzondering van gemeenten die vertegenwoordigd zijn in een regionaal openbaar lichaam, en met de waterschappen die in de provincie wegen in beheer hebben.
2.
Over de besteding van de bijdrage treedt het regionaal openbaar lichaam in overleg met de provincie en de waterschappen die wegen in het betrokken gebied in beheer hebben.
1.
De bijdrage wordt uiterlijk in de maand juni van het betreffende kalenderjaar betaald.
2.
De bijdrage voor het jaar 2001 wordt betaald binnen acht weken na bekendmaking van de beschikking.
1.
De provincie onderscheidenlijk het regionaal openbaar lichaam brengt jaarlijks voor 15 november onderscheidenlijk voor 15 september, volgend op het jaar waarin de bijdrage is betaald, over het desbetreffende jaar verslag uit aan onze Minister, overeenkomstig het door Onze Minister vastgestelde model. Dit verslag omvat in ieder geval:
a. een rapportage over het in artikel 4 bedoelde overleg;
b. een rapportage over de voornemens tot besteding van de bijdrage in relatie tot de verkeersveiligheidsdoelstellingen;
c. een rapportage over de voortgang van de activiteiten waaraan de bijdrage is besteed;
d. een financieel overzicht van de aan de activiteiten besteedde middelen.
2.
Het verslag gaat vergezeld van een accountantsverklaring. In deze accountantsverklaring wordt het controleprotocol in acht genomen zoals dat door Onze Minister is vastgesteld.
3.
Het bedrag dat aan het eind van een jaar niet is besteed, wordt vermeerderd met de daarover verkregen rente en toegevoegd aan de bijdrage die in het volgend jaar op grond van dit besluit wordt verstrekt.
4.
Het bedrag en de toegevoegde rente, bedoeld in het derde lid, blijken uit de accountantsverklaring en het financiële gedeelte van het verslag bedoeld in het eerste lid, onderdeel d.
5.
Indien uit de accountantsverklaring blijkt, dat de bijdrage geheel of gedeeltelijk is besteed in strijd met artikel 2, kan de bijdrage voor dat deel door Onze Minister worden teruggevorderd. Artikel 4:57 van de Algemene wet bestuursrecht is van overeenkomstige toepassing.
6.
De provincie onderscheidenlijk het regionaal openbaar lichaam legt bij de verstrekking van een subsidie die wordt bekostigd uit de bijdrage bedoeld in artikel 2, de subsidieontvanger de verplichting op om:
a. in het jaar volgend op het jaar waarin het subsidiebedrag is betaald tijdig een financieel verslag uit te brengen over de besteding van de subsidie en dit vergezeld te doen gaan van een accountantsverklaring.
b. medewerking te verlenen aan een door of vanwege gedeputeerde staten onderscheidenlijk het dagelijks bestuur te verrichten onderzoek naar de besteding van de subsidie.
Artikel 7
De provincie onderscheidenlijk het regionaal openbaar lichaam verleent medewerking aan een door of vanwege Onze Minister te verrichten onderzoek naar de besteding van de bijdrage.
Artikel 8
Dit besluit treedt in werking met ingang van de zestigste dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst en vervalt vijf jaar na het tijdstip van inwerkingtreding.
Artikel 9
Dit besluit wordt aangehaald als: Interimbesluit Duurzaam Veilig.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
's-Gravenhage, 18 september 2001
De Minister van Verkeer en Waterstaat,
Uitgegeven vierde oktober 2001
De Minister van Justitie,
Inhoudsopgave
Artikel 1
Artikel 2
Artikel 3
Artikel 4
Artikel 5
Artikel 6
Artikel 7
Artikel 8
Artikel 9
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht