Let op. Deze wet is vervallen op 1 oktober 2006. U leest nu de tekst die gold op 30 september 2006.

Artikel 5.3 Introductie bodemtarief BPM per 1 mei 1998

Uitgebreide informatie
5.3. Afstoten van auto’s waarvoor teruggaaf is verleend
Voor voertuigen die zijn ingericht om te worden gebruikt door een invalide (artikel 15, eerste lid, onderdeel c, Wet BPM) en voor taxi’s (artikel 16, Wet BPM), geldt dat, indien zij worden afgestoten of worden aangewend voor andere doeleinden dan waarvoor de teruggaaf is verleend (hierna aangeduid als afstoten), ter zake van dat afstoten geen BPM verschuldigd wordt.
Voor de andere voertuigen, bedoeld in artikel 15, eerste lid, van de Wet BPM, geldt dat geen belasting verschuldigd wordt indien zij worden afgestoten na de in het Uitvoeringsbesluit BPM neergelegde termijn (drie, zes of acht jaar; zie de artikelen 6 tot en met 13 van het uitvoeringsbesluit). Indien deze voertuigen binnen deze termijnen worden afgestoten wordt alsnog BPM verschuldigd. In beginsel wordt de alsdan verschuldigde belasting berekend met inachtneming van de vermindering overeenkomstig artikel 10 van de Wet BPM.
Voor de belastingheffing dient – ingeval van afstoten binnen de voor een voertuig vastgestelde termijn – een onderscheid te worden gemaakt tussen de voertuigen waarvoor overeenkomstig artikel 10, tweede lid, Wet BPM een afwijkend verminderingsregime is vastgesteld en andere voertuigen.
Voor politie-, brandweerauto’s en voertuigen ingericht voor het vervoer van rolstoelgebruikers in groepsverband geldt een bijzondere (verhoogde) vermindering op grond van artikel 10, tweede lid, Wet BPM, juncto artikel 8 van de Uitvoeringsregeling BPM. Het in artikel 10, eerste lid, van de Wet BPM, neergelegde maximum van 90% van de vermindering is op deze voertuigen niet van toepassing. De afschrijving verloopt overeenkomstig de percentages genoemd in artikel 8 van de Uitvoeringsregeling en loopt op tot 100%.
Voor alle andere categorieën voertuigen (ambulances, lijkauto’s, auto’s voor gevangentransport, dierenambulances en auto’s voor geldtransport) is het bodemtarief in beginsel van invloed op de eventueel te heffen belasting indien het voertuig wordt afgestoten na 90 maanden na de registratie. Ik keur goed dat voorshands ook voor deze categorie voertuigen het bodemtarief buiten toepassing blijft, dat wil zeggen dat als zij worden afgestoten binnen de termijn van acht jaar, in de periode gelegen tussen de 91 maanden en de 96 maanden (acht jaar) na de teruggaaf alsdan de belasting telkens nog met 1% per maand wordt verminderd.
Inhoudsopgave
1. Inleiding
2. Motorrijwielen van 25 jaar en ouder
3. Personenauto’s die onder de overgangsmaatregel ombouw vallen
4. Overgangsmaatregel
4.1. Algemeen
4.2. Vergunninghouders ex artikel 8 Wet BPM
5. Bijzondere vervoermiddelen waarvoor teruggaaf geldt
5.1. Algemeen
5.2. Hoogte van de teruggaaf
5.3. Afstoten van auto’s waarvoor teruggaaf is verleend
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht