Wet van 7 december 2006 houdende invoering van de Pensioenwet (Invoerings- en aanpassingswet Pensioenwet)
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de invoering van de Pensioenwet en enkele daarmee samenhangende onderwerpen te regelen, zulks onder intrekking van de Pensioen- en spaarfondsenwet;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
1.
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
Pensioen- en spaarfondsenwet: de Pensioen- en spaarfondsenwet en de daarop berustende bepalingen zoals deze luidden op de peildatum;
peildatum: de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van artikel 1 van de Pensioenwet.
1.
Op een verzoek ingediend op grond van de Pensioen- en spaarfondsenwet , ten aanzien waarvan op de peildatum nog geen beslissing is genomen, blijft, in afwijking van artikel 2, de Pensioen- en spaarfondsenwet van toepassing, tenzij in deze wet anders wordt bepaald.
2.
Op een verzoek ingediend op grond van de Wet verplichte beroepspensioenregeling , zoals deze luidde op de peildatum, ten aanzien waarvan op de peildatum nog geen beslissing is genomen, blijft de Wet verplichte beroepspensioenregeling , zoals deze luidde op de peildatum, van toepassing, tenzij in deze wet anders wordt bepaald.
Artikel 3. Ondernemingspensioenfonds
Indien een onderneming die op de peildatum is aangesloten bij een ondernemingspensioenfonds als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel c, van de Pensioen- en spaarfondsenwet op de datum van inwerkingtreding van artikel 1 van de Pensioenwet geen deel uitmaakt van de groep waaraan dit ondernemingspensioenfonds, bedoeld in artikel 1 van de Pensioenwet, is verbonden, kan dit ondernemingspensioenfonds blijven optreden als pensioenuitvoerder voor deze onderneming.
1.
Indien een op de peildatum bestaand bedrijfstakpensioenfonds of ondernemingspensioenfonds als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel b onderscheidenlijk c, van de Pensioen- en spaarfondsenwet op de datum van inwerkingtreding van artikel 1 van de Pensioenwet niet voldoet aan de definitie van pensioenfonds, bedoeld in artikel 1 van de Pensioenwet, omdat het pensioenfonds slechts ten behoeve van één deelnemer, gewezen deelnemer of nabestaande werkzaam is, wordt dit pensioenfonds gelijkgesteld met een pensioenfonds in de zin van de Pensioenwet .
2.
In afwijking van het eerste lid wordt het in dat lid bedoelde pensioenfonds een jaar na inwerkingtreding van artikel 1 van de Pensioenwet gelijkgesteld met een pensioenfonds in de zin van de Pensioenwet , indien het pensioenfonds werkzaam is ten behoeve van een directeur-grootaandeelhouder waarop artikel 8, eerste en tweede lid, van deze wet van toepassing is.
Artikel 5. Pensioenfonds/spaarfonds
Indien op de peildatum een spaarfonds als bedoeld in artikel 3 van de Pensioen- en spaarfondsenwet werkzaam is, blijft in afwijking van artikel 2 op dit spaarfonds de Pensioen- en spaarfondsenwet van toepassing, met dien verstande dat vanaf een jaar na de datum van inwerkingtreding van artikel 1 van de Pensioenwet geen bijdragen meer aan het spaarfonds kunnen worden gedaan.
1.
Indien een pensioen in de zin van de Pensioen- en spaarfondsenwet niet voldoet aan de definitie van ouderdoms-, partner-, wezen- of arbeidsongeschiktheidspensioen, bedoeld in artikel 1 van de Pensioenwet, omdat er geen sprake is van een geldelijke, vastgestelde uitkering, wordt dit pensioen, indien het is verworven in de periode tot een jaar na de datum van inwerkingtreding van artikel 1 van de Pensioenwet, gelijkgesteld met een pensioen in de zin van de Pensioenwet .
2.
Indien een pensioen in de zin van de Wet verplichte beroepspensioenregeling , zoals deze luidde tot de datum van inwerkingtreding van deze wet, niet voldoet aan de definitie van ouderdoms-, partner-, wezen- of arbeidsongeschiktheidspensioen, bedoeld in artikel 1 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zoals dat komt te luiden na de datum van inwerkingtreding van deze wet, omdat er geen sprake is van een geldelijke, vastgestelde uitkering, wordt dit pensioen, indien het is verworven in de periode tot een jaar na de datum van inwerkingtreding van deze wet gelijkgesteld met een pensioen in de zin van de Wet verplichte beroepspensioenregeling .
3.
Indien op de peildatum een arbeidsongeschiktheidspensioen in de zin van de Wet verplichte beroepspensioenregeling , zoals deze luidde tot de datum van inwerkingtreding van deze wet, niet voldoet aan de definitie van arbeidsongeschiktheidspensioen, bedoeld in artikel 1 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zoals dat komt te luiden na de datum van inwerkingtreding van deze wet, omdat het arbeidsongeschiktheidspensioen is toegekend nadat de arbeidsongeschiktheid minder dan 104 weken heeft geduurd, wordt dit arbeidsongeschiktheidspensioen gelijkgesteld met een arbeidsongeschiktheidspensioen in de zin van de Wet verplichte beroepspensioenregeling .
1.
Indien een persoon die op de peildatum verbonden is aan een onderneming en pensioenaanspraken verwerft, op de datum van inwerkingtreding van artikel 1 van de Pensioenwet geen werknemer is als bedoeld in de Pensioenwet , wordt hij gelijkgesteld met een werknemer als bedoeld in die wet .
2.
Het eerste lid is niet van toepassing op de directeur-grootaandeelhouder, bedoeld in de Pensioenwet .
1.
Indien uiterlijk op de peildatum een pensioentoezegging als bedoeld in artikel 2 van de Pensioen- en spaarfondsenwet is gedaan aan een directeur-grootaandeelhouder, blijft gedurende een jaar na inwerkingtreding van artikel 1 van de Pensioenwet, in afwijking van artikel 2, de Pensioen- en spaarfondsenwet van toepassing op deze pensioentoezegging.
2.
De directeur-grootaandeelhouder, bedoeld in het eerste lid, wiens pensioentoezegging een jaar na de datum van inwerkingtreding van artikel 1 van de Pensioenwet is ondergebracht bij een pensioenuitvoerder als pensioen in de zin van de Pensioen- en spaarfondsenwet , wordt gelijkgesteld met een werknemer als bedoeld in de Pensioenwet .
3.
Indien de pensioentoezegging, bedoeld in het tweede lid, is ondergebracht bij een verzekeraar is er sprake van pensioen in de zin van de Pensioen- en spaarfondsenwet indien de directeur-grootaandeelhouder dit als zodanig heeft aangemerkt.
4.
De directeur-grootaandeelhouder, bedoeld in het eerste lid, wiens pensioentoezegging een jaar na inwerkingtreding van de Pensioenwet overeenkomstig artikel 2, derde lid, onderdeel c, van de Pensioen- en spaarfondsenwet niet is ondergebracht bij een pensioenuitvoerder wordt niet gelijkgesteld met een werknemer in de zin van de Pensioenwet .
5.
Indien de in het vierde lid bedoelde toezegging mede een toezegging omtrent partnerpensioen omvat en er uiterlijk een jaar na inwerkingtreding van artikel 1 van de Pensioenwet sprake is geweest van een scheiding, blijven, in afwijking van artikel 2, de artikelen 8a en 8c, tweede lid, van de Pensioen- en spaarfondsenwet van toepassing.
Artikel 9. Pensioen/vervroegde uittreding
Indien uiterlijk op de peildatum een geldelijke, vastgestelde uitkering is overeengekomen voor een gewezen werknemer die wordt gedaan bij wijze van inkomensvoorziening bij ouderdom in verband met vervroegde uittreding wordt deze gelijkgesteld met een uitkering als bedoeld in artikel 2, vierde lid, van de Pensioenwet.
Artikel 10. Pensioen/functioneel leeftijdontslag
Indien uiterlijk op de peildatum een geldelijke, vastgestelde uitkering is overeengekomen voor een gewezen werknemer die wordt gedaan bij wijze van inkomensvoorziening bij ouderdom en deze uitkering is gebaseerd op een regeling die leidt tot uitkeringen vanaf een bepaalde leeftijd aan werknemers die werkzaamheden verrichten die door de werkgever als substantieel bezwarend zijn aangemerkt, wordt deze gelijkgesteld met een uitkering als bedoeld in artikel 2, vijfde lid, van de Pensioenwet.
1.
Artikel 10 van de Pensioenwet is niet van toepassing op pensioenaanspraken die zijn verworven voor de datum van inwerkingtreding van genoemd artikel.
2.
Artikel 28 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zoals dat komt te luiden na de datum van inwerkingtreding van deze wet, is niet van toepassing op pensioenaanspraken die zijn verworven voor de datum van inwerkingtreding van genoemd artikel.
1.
Artikel 11 van de Pensioenwet is niet van toepassing op pensioenaanspraken die zijn verworven voor de datum van inwerkingtreding van genoemd artikel.
2.
Artikel 29 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zoals dat komt te luiden na de datum van inwerkingtreding van deze wet, is niet van toepassing op pensioenaanspraken die zijn verworven voor de datum van inwerkingtreding van genoemd artikel.
1.
Artikel 13 van de Pensioenwet is niet van toepassing op pensioenaanspraken die zijn verworven voor de datum van inwerkingtreding van genoemd artikel.
2.
Artikel 30 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zoals dat komt te luiden na de datum van inwerkingtreding van deze wet, is niet van toepassing op pensioenaanspraken die zijn verworven voor de datum van inwerkingtreding van genoemd artikel.
1.
Werknemers van 21 jaar of ouder die op de peildatum niet in de pensioenregeling van hun werkgever deelnemen, omdat zij jonger zijn dan de op basis van de pensioenregeling gehanteerde toegangsleeftijd, verwerven pensioenaanspraken vanaf de datum van inwerkingtreding van de artikelen 8, vijfde lid, en 14 van de Pensioenwet.
2.
Beroepsgenoten van 21 jaar of ouder die op de datum van inwerkingtreding van artikel 22 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zoals dat komt te luiden na inwerkingtreding van deze wet, niet in de pensioenregeling zijn opgenomen, omdat zij jonger zijn dan de op basis van de pensioenregeling gehanteerde toetredingsleeftijd, verwerven pensioenaanspraken vanaf de datum van inwerkingtreding van genoemd artikel.
1.
Artikel 15 van de Pensioenwet is niet van toepassing ten aanzien van pensioenaanspraken die zijn verworven voor de datum van inwerkingtreding van genoemd artikel.
2.
Artikel 31 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zoals dat komt te luiden na de datum van inwerkingtreding van deze wet, is niet van toepassing op pensioenaanspraken die zijn verworven voor de datum van inwerkingtreding van genoemd artikel.
1.
Indien een pensioenovereenkomst op de datum van inwerkingtreding van artikel 16 van de Pensioenwet voorziet in partnerpensioen, waarbij bij de vaststelling van pensioenaanspraken en pensioenrechten op partnerpensioen onderscheid gemaakt wordt tussen een echtgenoot en een geregistreerde partner enerzijds en een andere partner in de zin van de pensioenovereenkomst anderzijds, hebben wijzigingen in rechten en verplichtingen die ontstaan als gevolg van de gelijkstelling, bedoeld in genoemd artikel, uitsluitend betrekking op partnerpensioenaanspraken ten behoeve van een partner van degene die op de datum van inwerkingtreding van genoemd artikel deelnemer is.
2.
Indien een pensioenregeling op de datum van inwerkingtreding van artikel 32 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zoals dat komt te luiden na de datum van inwerkingtreding van deze wet, voorziet in partnerpensioen, waarbij echter bij de vaststelling van pensioenaanspraken en pensioenrechten op partnerpensioen onderscheid gemaakt wordt tussen een echtgenoot en een geregistreerde partner enerzijds en een andere partner in de zin van de pensioenregeling anderzijds, hebben wijzigingen in rechten en verplichtingen die ontstaan als gevolg van de gelijkstelling, bedoeld in genoemd artikel, uitsluitend betrekking op partnerpensioenaanspraken ten behoeve van een partner van degene die op de datum van inwerkingtreding van genoemd artikel deelnemer is.
1.
Artikel 21, eerste lid, van de Pensioenwet is niet van toepassing op pensioenovereenkomsten die zijn gesloten voor de datum van inwerkingtreding van genoemd artikellid.
2.
Tot de datum van inwerkingtreding van artikel 21, eerste lid, van de Pensioenwet blijft, in afwijking van artikel 2, artikel 17, eerste lid, van de Pensioen- en spaarfondsenwet van toepassing. Is de pensioenuitvoerder een verzekeraar dan is artikel 17, eerste lid, van de Pensioen- en spaarfondsenwet van overeenkomstige toepassing.
3.
Artikel 48, eerste lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zoals dat komt te luiden na de datum van inwerkingtreding van deze wet, is niet van toepassing op pensioenregelingen die zijn gesloten voor de datum van inwerkingtreding van genoemd artikel.
4.
Tot de datum van inwerkingtreding van artikel 48, eerste lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zoals dat komt te luiden na de datum van inwerkingtreding van deze wet, blijft artikel 25 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zoals dit luidde op de peildatum, van toepassing.
1.
De in artikel 23 van de Pensioenwet opgenomen verplichting tot het sluiten van een uitvoeringsovereenkomst geldt met ingang van een jaar na de datum van inwerkingtreding van artikel 1 van de Pensioenwet voor pensioenfondsen en met ingang van twee jaar na de datum van inwerkingtreding van artikel 1 van de Pensioenwet voor verzekeraars.
2.
In afwijking van artikel 2 blijft, tot het in het eerste lid bedoelde tijdstip, artikel 3a, eerste lid, van de Pensioen- en spaarfondsenwet van toepassing.
3.
De in artikel 23 opgenomen verplichting van een werkgever tot onderbrenging geldt niet ten aanzien van een pensioentoezegging als bedoeld in de Pensioen- en spaarfondsenwet , welke op grond van artikel 2, eerste lid, onderdeel c, en vierde lid, onderdeel c, van de Pensioen- en spaarfondsenwet al is ondergebracht bij een verzekeraar.
4.
Ten aanzien van de in het derde lid bedoelde pensioentoezegging is de Pensioenwet van toepassing, met uitzondering van de artikelen 23 tot en met 27 en 29, indien na de datum van inwerkingtreding van artikel 1 van de Pensioenwet nog verwerving van pensioen plaatsvindt.
5.
Ten aanzien van de in het derde lid bedoelde pensioentoezegging waarbij na de datum van inwerkingtreding van de Pensioenwet geen verwerving van pensioen meer plaatsvindt, blijven, in afwijking van artikel 2, de Pensioen- en spaarfondsenwet en hoofdstuk I en III van de Regelen verzekeringsovereenkomsten Pensioen- en spaarfondsenwet van toepassing.
artikel 2, derde lid, PSW van Invoerings- en aanpassingswet Pensioenwet">
Artikel 19. Onderbrengingsplicht werkgever na toepassing artikel 2, derde lid, PSW
In afwijking van artikel 2 blijft de Pensioen- en spaarfondsenwet van toepassing op een pensioentoezegging als bedoeld in artikel 2 van die wet, indien die pensioentoezegging op de peildatum niet is ondergebracht bij een pensioenuitvoerder op grond van:
c. een ontheffing die op grond van artikel 2, eerste lid, onderdeel c, van de Beleidsregels ontheffingen Pensioen- en spaarfondsenwet is verleend.
1.
De in artikel 28 van de Pensioenwet opgenomen informatieverplichting van een pensioenfonds jegens gewezen deelnemers heeft uitsluitend betrekking op degenen die na de datum van inwerkingtreding van genoemd artikel gewezen deelnemer zijn geworden en op de gewezen deelnemers die het pensioenfonds hebben geïnformeerd over hun adres.
2.
De in artikel 38 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zoals dat komt te luiden na de datum van inwerkingtreding van deze wet, opgenomen informatieverplichting van een beroepspensioenfonds jegens gewezen deelnemers heeft uitsluitend betrekking op degenen die na de datum van inwerkingtreding van genoemd artikel gewezen deelnemer zijn geworden en op de gewezen deelnemers die het beroepspensioenfonds hebben geïnformeerd over hun adres.
2.
Artikel 29 van de Pensioenwet is niet van toepassing op premies die zijn verschuldigd voor de datum van inwerkingtreding van genoemd artikel.
1.
Artikel 35 van de Pensioenwet geldt niet indien op de datum van inwerkingtreding van genoemd artikel in het kader van een pensioenregeling geen verwerving van pensioenaanspraken meer plaatsvindt.
2.
De pensioenuitvoerder is niet verantwoordelijk voor de inhoud van pensioenreglementen voor de datum van inwerkingtreding van artikel 35 van de Pensioenwet.
3.
Artikel 21 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zoals dat komt te luiden na de datum van inwerkingtreding van deze wet, geldt niet indien op de datum van inwerkingtreding van genoemd artikel in het kader van een pensioenregeling geen verwerving van pensioenaanspraken meer plaatsvindt.
4.
De pensioenuitvoerder is niet verantwoordelijk voor de inhoud van pensioenreglementen voor de datum van inwerkingtreding van artikel 21 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zoals dat komt te luiden na de datum van inwerkingtreding van deze wet.
2.
Tot de datum van inwerkingtreding van de artikelen 49 tot en met 56 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zoals deze komen te luiden na de datum van inwerkingtreding van deze wet, blijven de artikelen 26 tot en met 27 en 31 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zoals deze luidden op de peildatum, van toepassing.
3.
Na de datum van inwerkingtreding van artikel 38 van de Pensioenwet wordt door de pensioenuitvoerder bij de eerste informatieverstrekking op grond van genoemd artikel na de datum van inwerkingtreding van dat artikel aan de deelnemer informatie verstrekt over het karakter van de pensioenovereenkomst, bedoeld in artikel 10 van de Pensioenwet.
4.
Na de datum van inwerkingtreding van artikel 49 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zoals dat komt te luiden na de datum van inwerkingtreding van deze wet, wordt door de pensioenuitvoerder bij de eerste informatieverstrekking op grond van genoemd artikel na de datum van inwerkingtreding van dat artikel aan de deelnemer informatie verstrekt over het karakter van de pensioenregeling, bedoeld in artikel 28 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zoals dat komt te luiden na inwerkingtreding van deze wet.
5.
Artikel 40 van de Pensioenwet is van toepassing op degenen die na de datum van inwerkingtreding van genoemd artikel gewezen deelnemer zijn geworden en de gewezen deelnemers die zich bij de pensioenuitvoerder hebben gemeld met het verzoek om hen de in genoemd artikel bedoelde informatie te verstrekken.
6.
Artikel 51 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zoals dat komt te luiden na de datum van inwerkingtreding van deze wet, is van toepassing op degenen die na de datum van inwerkingtreding van genoemd artikel gewezen deelnemer zijn geworden en de gewezen deelnemers die zich bij de pensioenuitvoerder hebben gemeld met het verzoek om hen de in genoemd artikel bedoelde informatie te verstrekken.
7.
Artikel 42 van de Pensioenwet is van toepassing op degenen van wie de datum van scheiding ligt na de datum van inwerkingtreding van genoemd artikel.
8.
Artikel 53 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zoals dat komt te luiden na de datum van inwerkingtreding van deze wet, is van toepassing op degenen van wie de datum van scheiding ligt na de datum van inwerkingtreding van genoemd artikel.
9.
Ten aanzien van degenen van wie de datum van scheiding voor de datum van inwerkingtreding van artikel 42 van de Pensioenwet ligt, geldt de in genoemd artikel opgenomen verplichting van de pensioenuitvoerder alleen ten aanzien van degenen die zich bij de pensioenuitvoerder hebben gemeld met het verzoek om hen de in genoemd artikel bedoelde informatie te verstrekken.
10.
Ten aanzien van degenen van wie de datum van scheiding voor de datum van inwerkingtreding van artikel 53 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zoals dat komt te luiden na de datum van inwerkingtreding van deze wet, ligt, geldt de in genoemd artikel opgenomen verplichting van de pensioenuitvoerder alleen ten aanzien van degenen die zich bij de pensioenuitvoerder hebben gemeld met het verzoek om hen de in genoemd artikel bedoelde informatie te verstrekken.
11.
Artikel 43 van de Pensioenwet is van toepassing op degenen die na de datum van inwerkingtreding van genoemd artikel pensioengerechtigd geworden zijn.
12.
Artikel 54 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zoals dat komt te luiden na de datum van inwerkingtreding van deze wet, is van toepassing op degenen die na de datum van inwerkingtreding van genoemd artikel pensioengerechtigd geworden zijn.
1.
Artikel 52 van de Pensioenwet geldt met ingang van de datum van inwerkingtreding van genoemd artikel ten aanzien van de voor en na de datum van inwerkingtreding van genoemd artikel verworven en nog te verwerven pensioenaanspraken indien en zolang de deelnemer of de gewezen deelnemer beleggingsvrijheid heeft.
2.
Artikel 52 van de Pensioenwet is in het eerste jaar na inwerkingtreding van genoemd artikel niet van toepassing indien een werkgever de pensioenregeling voor de datum van inwerkingtreding van genoemd artikel bij een verzekeraar heeft ondergebracht.
3.
Op degene die gewezen deelnemer is geworden voor de datum van inwerkingtreding van artikel 52, tweede lid, van de Pensioenwet, is genoemd artikel van toepassing indien zijn adres bij de pensioenuitvoerder bekend is of hij zich bij de pensioenuitvoerder heeft gemeld.
4.
Artikel 63 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zoals dat komt te luiden na de datum van inwerkingtreding van deze wet, geldt met ingang van de datum van inwerkingtreding van genoemd artikel ten aanzien van de voor en na de datum van inwerkingtreding van genoemd artikel verworven en nog te verwerven pensioenaanspraken indien en zolang de deelnemer of de gewezen deelnemer beleggingsvrijheid heeft.
5.
Artikel 63 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zoals dat komt te luiden na de datum van inwerkingtreding van deze wet, is in het eerste jaar na inwerkingtreding van genoemd artikel niet van toepassing indien de beroepspensioenvereniging de pensioenregeling voor de datum van inwerkingtreding van genoemd artikel bij een verzekeraar heeft ondergebracht.
6.
Op degene die gewezen deelnemer is geworden voor de datum van inwerkingtreding van artikel 63, tweede lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zoals dat komt te luiden na de datum van inwerkingtreding van deze wet, is genoemd artikel van toepassing indien zijn adres bij de pensioenuitvoerder bekend is of hij zich bij de pensioenuitvoerder heeft gemeld.
1.
Indien een verzekeraar op de peildatum een vrijwillige voortzetting uitvoert die niet overeenkomstig artikel 54 van de Pensioenwet in de tijd beperkt wordt, kan de verzekeraar deze voortzetting voor de betreffende deelnemer blijven uitvoeren als pensioenregeling in de zin van de Pensioenwet .
2.
Indien een verzekeraar op de peildatum een vrijwillige voortzetting uitvoert die niet overeenkomstig artikel 65 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zoals dat komt te luiden na de datum van inwerkingtreding van deze wet, in de tijd beperkt wordt, kan de verzekeraar deze voortzetting voor de betreffende deelnemer blijven uitvoeren als pensioenregeling in de zin van de Wet verplichte beroepspensioenregeling .
1.
Artikel 55, vijfde lid, van de Pensioenwet is van toepassing indien de beëindiging van de deelneming plaats vindt na de datum van inwerkingtreding van genoemd artikellid.
2.
Artikel 66, vijfde lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zoals dat komt te luiden na de datum van inwerkingtreding van deze wet, is van toepassing indien de beëindiging van de deelneming plaats vindt na de datum van inwerkingtreding van genoemd artikellid.
3.
Artikel 56, van de Pensioenwet is van toepassing indien het opnemen van onbetaald verlof plaats vindt na de datum van inwerkingtreding van genoemd artikel.
4.
Artikel 67 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zoals dat komt te luiden na de datum van inwerkingtreding van deze wet, is van toepassing indien het opnemen van onbetaald verlof plaats vindt na de datum van inwerkingtreding van genoemd artikel.
1.
Artikel 57 van de Pensioenwet is van toepassing indien na de datum van inwerkingtreding van genoemd artikel een partnerrelatie van een deelnemer of een gewezen deelnemer eindigt door scheiding.
2.
In afwijking van het eerste lid is artikel 57 van de Pensioenwet niet van toepassing indien:
a. de partnerrelatie van een gewezen deelnemer met een partner in de zin van de pensioenovereenkomst eindigt na de datum van inwerkingtreding van genoemd artikel;
b. de gewezen deelnemer voor de datum van inwerkingtreding van genoemd artikel al gewezen deelnemer was geworden; en
c. de pensioenovereenkomst ten tijde van de datum van inwerkingtreding van genoemd artikel niet voorziet in een bijzonder partnerpensioen.
3.
Artikel 68 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zoals dat komt te luiden na de datum van inwerkingtreding van deze wet, is van toepassing indien na de datum van inwerkingtreding van genoemd artikel een partnerrelatie van een deelnemer of een gewezen deelnemer eindigt door scheiding.
4.
In afwijking van het derde lid is artikel 68 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zoals dat komt te luiden na de datum van inwerkingtreding van deze wet, niet van toepassing indien:
a. de partnerrelatie van een gewezen deelnemer met een partner in de zin van de pensioenregeling eindigt na de datum van inwerkingtreding van genoemd artikel;
b. de gewezen deelnemer voor de datum van inwerkingtreding van genoemd artikel al gewezen deelnemer was geworden; en
c. de pensioenregeling ten tijde van de datum van inwerkingtreding van genoemd artikel niet voorziet in een bijzonder partnerpensioen.
2.
Artikel 58 van de Pensioenwet is niet van toepassing op meeverzekerde stijgingen voor de datum van inwerkingtreding van genoemd artikel.
3.
Tot de datum van inwerkingtreding van artikel 69 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zoals dat komt te luiden na de datum van inwerkingtreding van deze wet, blijven de artikelen 44 en 45, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zoals deze luiden op de peildatum, van toepassing.
4.
Artikel 69 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zoals dat komt te luiden na de datum van inwerkingtreding van deze wet, is niet van toepassing op meeverzekerde stijgingen voor de datum van inwerkingtreding van genoemd artikel.
3.
Artikel 58 van de Pensioenwet is niet van toepassing op meeverzekerde stijgingen na de datum van inwerkingtreding van genoemd artikel, voor zover de meeverzekerde stijging betrekking heeft op een premievrije voortzetting en het recht op de premievrije voortzetting is ontstaan voor de datum van inwerkingtreding van genoemd artikel.
1.
Artikel 61 van de Pensioenwet is van toepassing op pensioenaanspraken die zijn opgebouwd na de datum van inwerkingtreding van genoemd artikel, tenzij in de pensioenovereenkomst is overeengekomen dat dit keuzerecht ook betrekking heeft op pensioenaanspraken die voor de datum van inwerkingtreding van genoemd artikel zijn opgebouwd.
2.
Artikel 73 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zoals dat komt te luiden na de datum van inwerkingtreding van deze wet, is van toepassing op pensioenaanspraken die zijn opgebouwd na de datum van inwerkingtreding van genoemd artikel, tenzij in de pensioenregeling is overeengekomen dat dit keuzerecht ook betrekking heeft op pensioenaanspraken die voor de datum van inwerkingtreding van genoemd artikel zijn opgebouwd.
1.
Artikel 64 van de Pensioenwet is van toepassing indien vervreemding of een andere handeling als bedoeld in dat artikel plaats vindt na de datum van inwerkingtreding van genoemd artikel.
2.
Artikel 76 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zoals dat komt te luiden na de datum van inwerkingtreding van deze wet, is van toepassing indien vervreemding of een andere handeling als bedoeld in dat artikel plaats vindt na de datum van inwerkingtreding van genoemd artikel.
1.
Artikel 66 van de Pensioenwet is van toepassing indien de deelneming eindigt na de datum van inwerkingtreding van genoemd artikel.
2.
Indien de deelneming is geëindigd voor de datum van inwerkingtreding van artikel 66 van de Pensioenwet, heeft de pensioenuitvoerder het recht om op zijn vroegst twee jaar na de beëindiging van de deelneming of per de eerdere reguliere ingangsdatum van het ouderdomspensioen overeenkomstig genoemd artikel pensioenaanspraken af te kopen, indien de uitkering van het ouderdomspensioen op jaarbasis op de reguliere ingangsdatum, getoetst per 1 januari van dat jaar lager is dan het op grond van genoemd artikel vastgestelde bedrag per jaar, tenzij de gewezen deelnemer of gepensioneerde hiertegen bezwaar maakt.
3.
In afwijking van het eerste lid is artikel 66 van de Pensioenwet van toepassing, indien de deelneming is geëindigd voor de datum van inwerkingtreding van genoemd artikel, maar het verzoek tot afkoop in verband met emigratie wordt gedaan na de datum van inwerkingtreding van genoemd artikel.
4.
Indien de pensioenuitvoerder door toepassing van het tweede lid wil afkopen op of na de reguliere ingangsdatum van het ouderdomspensioen, en het moment waarop de pensioenuitvoerder wil afkopen, ligt voor of op de datum waarop het ouderdomspensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet ingaat, dan heeft de gewezen deelnemer het recht ervoor te kiezen dat het ouderdomspensioen waarop de afkoop betrekking heeft, ingaat op de eerste dag van de maand volgend op de datum waarop het ouderdomspensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet ingaat. De pensioenuitvoerder koopt af op het moment dat het ouderdomspensioen waarop de afkoop betrekking heeft ingaat. Artikel 62, eerste lid, van de Pensioenwet is van overeenkomstige toepassing.
5.
Artikel 78 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zoals dat komt te luiden na de datum van inwerkingtreding van deze wet, is van toepassing indien de deelneming eindigt na de datum van inwerkingtreding van genoemd artikel.
6.
Indien de deelneming is geëindigd voor de datum van inwerkingtreding van artikel 78 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zoals dat komt te luiden na de datum van inwerkingtreding van deze wet, heeft de pensioenuitvoerder het recht om op zijn vroegst twee jaar na de beëindiging van de deelneming of per de eerdere reguliere ingangsdatum van het ouderdomspensioen overeenkomstig genoemd artikel een ouderdomspensioen af te kopen, indien de uitkering van het ouderdomspensioen op jaarbasis op de reguliere ingangsdatum, getoetst per 1 januari van dat jaar lager is dan het op grond van genoemd artikel vastgestelde bedrag per jaar, tenzij de gewezen deelnemer of gepensioneerde hiertegen bezwaar maakt.
7.
In afwijking van het vierde lid is artikel 78 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zoals dat komt te luiden na de datum van inwerkingtreding van deze wet, van toepassing, indien de deelneming is geëindigd voor de datum van inwerkingtreding van genoemd artikel, maar het verzoek tot afkoop in verband met emigratie wordt gedaan na de datum van inwerkingtreding van genoemd artikel.
8.
Indien de pensioenuitvoerder door toepassing van het zesde lid wil afkopen op of na de reguliere ingangsdatum van het ouderdomspensioen, en het moment waarop de pensioenuitvoerder wil afkopen ligt voor of op de datum waarop het ouderdomspensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet ingaat, dan heeft de gewezen deelnemer het recht ervoor te kiezen dat het ouderdomspensioen waarop de afkoop betrekking heeft, ingaat op de eerste dag van de maand volgend op de datum waarop het ouderdomspensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet ingaat. De pensioenuitvoerder koopt af op het moment dat het ouderdomspensioen waarop de afkoop betrekking heeft ingaat. Artikel 74, eerste lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling is van overeenkomstige toepassing.
1.
Artikel 67 van de Pensioenwet is van toepassing indien het partnerpensioen ingaat na de datum van inwerkingtreding van genoemd artikel.
2.
Indien het partnerpensioen is ingegaan voor de datum van inwerkingtreding van artikel 67 van de Pensioenwet, heeft de pensioenuitvoerder het recht om overeenkomstig genoemd artikel het partnerpensioen af te kopen indien de uitkering van het partnerpensioen op jaarbasis, getoetst op het tijdstip van ingang minder bedraagt dan het op grond van artikel 66 van de Pensioenwet vastgestelde bedrag per jaar en de partner hiermee instemt.
3.
Artikel 79 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zoals dat komt te luiden na de datum van inwerkingtreding van deze wet, is van toepassing indien het partnerpensioen ingaat na de datum van inwerkingtreding van genoemd artikel.
4.
Indien het partnerpensioen is ingegaan voor de datum van inwerkingtreding van artikel 79 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zoals dat komt te luiden na de datum van inwerkingtreding van deze wet, heeft de pensioenuitvoerder het recht om overeenkomstig genoemd artikel het partnerpensioen af te kopen indien de uitkering van het partnerpensioen op jaarbasis, getoetst op het tijdstip van ingang minder bedraagt dan het op grond van artikel 78 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zoals dat komt te luiden na de datum van inwerkingtreding van deze wet, vastgestelde bedrag per jaar en de partner hiermee instemt.
1.
Artikel 68 van de Pensioenwet is van toepassing indien de aanspraak op bijzonder partnerpensioen op grond van artikel 57 van de Pensioenwet ontstaat als gevolg van een scheiding na de datum van inwerkingtreding van eerstgenoemd artikel.
2.
Indien de scheiding plaatsvindt voor de datum van inwerkingtreding van artikel 68 van de Pensioenwet, heeft de pensioenuitvoerder het recht om overeenkomstig genoemd artikel het bijzonder partnerpensioen af te kopen, indien de uitkering van het partnerpensioen op jaarbasis, getoetst op het tijdstip van de scheiding, minder bedraagt dan het op grond van artikel 66 van de Pensioenwet vastgestelde bedrag per jaar en de gewezen partner hiermee instemt.
3.
Artikel 80 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zoals dat komt te luiden na de datum van inwerkingtreding van deze wet, is van toepassing indien de aanspraak op bijzonder partnerpensioen op grond van artikel 68 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zoals dat komt te luiden na de datum van inwerkingtreding van deze wet, ontstaat als gevolg van een scheiding na de datum van inwerkingtreding van eerstgenoemd artikel.
4.
Indien de scheiding plaatsvindt voor de datum van inwerkingtreding van artikel 80 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zoals dat komt te luiden na de datum van inwerkingtreding van deze wet, heeft de pensioenuitvoerder het recht om overeenkomstig genoemd artikel het bijzonder partnerpensioen af te kopen, indien de uitkering van het partnerpensioen op jaarbasis, getoetst op het tijdstip van de scheiding, minder bedraagt dan het op grond van artikel 78 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zoals dat komt te luiden na de datum van inwerkingtreding van deze wet, vastgestelde bedrag per jaar en de gewezen partner hiermee instemt.
1.
De artikelen 71 tot en met 74 van de Pensioenwet zijn van toepassing indien de verwerving van pensioenaanspraken, bedoeld in artikel 71, derde lid, van de Pensioenwet op grond van de pensioenregeling van een nieuwe werkgever begint na de datum van inwerkingtreding van laatstgenoemd artikel.
2.
In afwijking van het eerste lid geldt dat wanneer de ontvangende pensioenuitvoerder de uitvoerder is van een beroepspensioenregeling de artikelen 71 tot en met 74 van de Pensioenwet van toepassing zijn wanneer de beëindiging van de dienstbetrekking dan wel de beëindiging van de deelneming plaatsvindt na de datum van inwerkingtreding van artikel 71 van de Pensioenwet.
3.
Indien op grond van het tweede lid geen plicht tot waardeoverdracht bestaat, geldt een bevoegdheid tot waardeoverdracht mits wordt voldaan aan de in artikel 71, eerste lid, onderdeel a, b en c en vierde lid, van de Pensioenwet genoemde voorwaarden.
4.
De artikelen 82 tot en met 85 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zoals deze komen te luiden na de datum van inwerkingtreding van deze wet, zijn van toepassing indien de verwerving van pensioenaanspraken als bedoeld in artikel 82, derde lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zoals dat komt te luiden na de datum van inwerkingtreding van deze wet, begint na de datum van inwerkingtreding van laatstgenoemd artikel.
5.
In afwijking van het vierde lid geldt dat wanneer de ontvangende pensioenuitvoerder de uitvoerder is van een pensioenregeling de artikelen 82 tot en met 85 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zoals deze komen te luiden na inwerkingtreding van deze wet, van toepassing zijn wanneer de beëindiging van de deelneming plaatsvindt na de datum van inwerkingtreding van artikel 82 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zoals dat komt te luiden na de datum van inwerkingtreding van deze wet.
6.
Indien op grond van het vijfde lid geen plicht tot waardeoverdracht bestaat, geldt een bevoegdheid tot waardeoverdracht mits wordt voldaan aan de in artikel 82, eerste lid, onderdeel a, b en c en vierde lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zoals dat komt te luiden na de datum van inwerkingtreding van deze wet, genoemde voorwaarden.
Artikel 33. Waardeoverdracht bij andere pensioenovereenkomst met dezelfde werkgever
De artikelen 76, 77 en 78 van de Pensioenwet zijn van toepassing bij beëindiging van de deelneming na de datum van inwerkingtreding van artikel 76 van de Pensioenwet.
1.
Artikel 80 van de Pensioenwet is van toepassing indien de in het eerste lid van genoemd artikel bedoelde pensioendatum is gelegen na de datum van inwerkingtreding van genoemd artikel.
2.
Artikel 88 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zoals dat komt te luiden na de datum van inwerkingtreding van deze wet, is van toepassing indien de in het eerste lid van genoemd artikel bedoelde pensioendatum is gelegen na de datum van inwerkingtreding van genoemd artikel.
3.
Onder pensioendatum als bedoeld in het eerste en tweede lid wordt verstaan: de reguliere pensioendatum.
1.
Artikel 83 van de Pensioenwet is van toepassing indien het verzoek van de werkgever, bedoeld in het eerste lid van genoemd artikel, wordt gedaan na de datum van inwerkingtreding van genoemd artikel.
2.
Artikel 91 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zoals dat komt te luiden na de datum van inwerkingtreding van deze wet, is van toepassing indien het verzoek van de beroepspensioenvereniging, bedoeld in het eerste lid van genoemd artikel, wordt gedaan na de datum van inwerkingtreding van genoemd artikel.
1.
Artikel 84 van de Pensioenwet is van toepassing indien een pensioenuitvoerder wordt ontbonden na de datum van inwerkingtreding van genoemd artikel.
2.
Artikel 92 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zoals dat komt te luiden na de datum van inwerkingtreding van deze wet, is van toepassing indien een pensioenuitvoerder wordt ontbonden na de datum van inwerkingtreding van genoemd artikel.
1.
Artikel 85 van de Pensioenwet is van toepassing wanneer de dienstbetrekking dan wel de deelneming eindigt na de datum van inwerkingtreding van genoemd artikel.
2.
Artikel 93 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zoals dat komt te luiden na de datum van inwerkingtreding van deze wet, is van toepassing wanneer de deelneming eindigt na de datum van inwerkingtreding van genoemd artikel.
1.
Artikel 86 van de Pensioenwet is van toepassing indien de verwerving van pensioenaanspraken bij een van de Europese Gemeenschappen begint na de datum van inwerkingtreding van genoemd artikel.
2.
Artikel 94 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zoals dat komt te luiden na de datum van inwerkingtreding van deze wet, is van toepassing indien de verwerving van pensioenaanspraken bij een van de Europese Gemeenschappen begint na de datum van inwerkingtreding van genoemd artikel.
1.
Artikel 87 van de Pensioenwet is van toepassing indien een verzoek, bedoeld in het eerste lid van genoemd artikel, wordt gedaan na de datum van inwerkingtreding van genoemd artikel.
2.
Artikel 95 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zoals dat komt te luiden na de datum van inwerkingtreding van deze wet, is van toepassing indien een verzoek, bedoeld in het eerste lid van genoemd artikel, wordt gedaan na de datum van inwerkingtreding van genoemd artikel.
1.
Artikel 88 van de Pensioenwet is van toepassing indien een verzoek, bedoeld in genoemd artikel, wordt gedaan na de datum van inwerkingtreding van genoemd artikel.
2.
Artikel 96 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zoals dat komt te luiden na de datum van inwerkingtreding van deze wet, is van toepassing indien een verzoek, bedoeld in genoemd artikel, wordt gedaan na de datum van inwerkingtreding van genoemd artikel.
1.
Artikel 89 van de Pensioenwet is van toepassing indien de in genoemd artikel bedoelde pensioendatum is gelegen na de datum van inwerkingtreding van genoemd artikel.
2.
Artikel 97 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zoals dat komt te luiden na de datum van inwerkingtreding van deze wet, is van toepassing indien de in genoemd artikel bedoelde pensioendatum is gelegen na de datum van inwerkingtreding van genoemd artikel.
3.
Onder pensioendatum als bedoeld in het eerste en tweede lid wordt in dit verband verstaan: de reguliere pensioendatum.
1.
Artikel 90, eerste lid, van de Pensioenwet is van toepassing indien het verzoek van de werkgever, bedoeld in genoemd artikel, wordt gedaan na de datum van inwerkingtreding van genoemd artikel.
2.
Artikel 98, eerste lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zoals dat komt te luiden na de datum van inwerkingtreding van deze wet, is van toepassing indien het verzoek van de beroepspensioenvereniging, bedoeld in genoemd artikel, wordt gedaan na de datum van inwerkingtreding van genoemd artikel.
1.
Artikel 91 van de Pensioenwet is van toepassing indien een verzoek, bedoeld in genoemd artikel, wordt gedaan na de datum van inwerkingtreding van genoemd artikel.
2.
Artikel 99 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zoals dat komt te luiden na de datum van inwerkingtreding van deze wet, is van toepassing indien een verzoek, bedoeld in genoemd artikel, wordt gedaan na de datum van inwerkingtreding van genoemd artikel.
1.
Artikel 92 van de Pensioenwet is van toepassing indien een verzoek, bedoeld in het eerste lid van genoemd artikel, wordt gedaan na de datum van inwerkingtreding van genoemd artikel.
2.
Artikel 100 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zoals dat komt te luiden na de datum van inwerkingtreding van deze wet, is van toepassing indien een verzoek, bedoeld in het eerste lid van genoemd artikel, wordt gedaan na de datum van inwerkingtreding van genoemd artikel.
1.
Artikel 95, tweede lid, van de Pensioenwet is niet van toepassing op informatieverstrekking die heeft plaatsgevonden voor de datum van inwerkingtreding van genoemd artikellid.
2.
Artikel 103, tweede lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zoals dat komt te luiden na de datum van inwerkingtreding van deze wet, is niet van toepassing op informatieverstrekking die heeft plaatsgevonden voor de datum van inwerkingtreding van genoemd artikellid.
Artikel 48. Vrijwillige aansluiting bij een bedrijfstakpensioenfonds
Indien een werkgever zich uiterlijk op de peildatum heeft aangesloten bij een bedrijfstakpensioenfonds, blijft deze aansluiting in stand, ook als niet wordt voldaan aan de in artikel 121 van de Pensioenwet genoemde voorwaarden.
1.
Een aanwijzing die is gegeven met betrekking tot een overtreding van een voorschrift gesteld bij of krachtens de Pensioen- en spaarfondsenwet wordt na de datum van inwerkingtreding van artikel 1 van de Pensioenwet aangemerkt als een aanwijzing als bedoeld in artikel 171 van de Pensioenwet.
2.
De toezichthouder kan na de datum van inwerkingtreding van artikel 1 van de Pensioenwet, onder toepassing van het op de peildatum geldende recht, een aanwijzing geven met betrekking tot een, voor de inwerkingtreding van artikel 1 van de Pensioenwet, begane overtreding van een voorschrift gesteld bij of krachtens de Pensioen- en spaarfondsenwet .
3.
Een aanwijzing die is gegeven met betrekking tot een overtreding van een voorschrift gesteld bij of krachtens de Wet verplichte beroepspensioenregeling , zoals die luidde voor de datum van inwerkingtreding van deze wet, wordt na de datum van inwerkingtreding van deze wet aangemerkt als een aanwijzing als bedoeld in artikel 166 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling.
4.
De toezichthouder kan na de datum van inwerkingtreding van deze wet, onder toepassing van het voor de inwerkingtreding van deze wet geldende recht, een aanwijzing geven met betrekking tot een, voor de inwerkingtreding van deze wet, begane overtreding van een voorschrift gesteld bij of krachtens de Wet verplichte beroepspensioenregeling , zoals deze luidde voor de datum van inwerkingtreding van deze wet.
1.
Een besluit tot benoeming van een of meer personen als curator op grond van artikel 23l van de Pensioen- en spaarfondsenwet, wordt na de datum van inwerkingtreding van artikel 1 van de Pensioenwet aangemerkt als een besluit als bedoeld in artikel 172 van de Pensioenwet.
2.
De toezichthouder kan na de datum van inwerkingtreding van artikel 1 van de Pensioenwet besluiten een of meer personen als curator ten aanzien van alle of bepaalde organen van een pensioenfonds te benoemen nadat door een pensioenfonds binnen de gestelde termijn niet of niet volledig gevolg is gegeven aan een aanwijzing op grond van de Pensioen- en spaarfondsenwet .
3.
Een besluit tot benoeming van een of meer personen als curator op grond van artikel 82 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zoals deze luidde voor de datum van inwerkingtreding van deze wet, wordt na de datum van inwerkingtreding van deze wet aangemerkt als een besluit als bedoeld in artikel 167 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling.
4.
De toezichthouder kan na de datum van inwerkingtreding van deze wet besluiten een of meer personen als curator ten aanzien van alle of bepaalde organen van een beroepspensioenfonds te benoemen nadat door een beroepspensioenfonds binnen de gestelde termijn niet of niet volledig gevolg is gegeven aan een aanwijzing op grond van de Wet verplichte beroepspensioenregeling , zoals deze luidde voor de datum van inwerkingtreding van deze wet.
1.
Een bewindvoerder die is aangesteld door de ondernemingskamer van het gerechtshof Amsterdam op grond van artikel 23m van de Pensioen- en spaarfondsenwet wordt na de datum van inwerkingtreding van artikel 1 van de Pensioenwet aangemerkt als een bewindvoerder die is aangesteld op grond van artikel 173 van de Pensioenwet.
2.
Een bewindvoerder die is aangesteld door de ondernemingskamer van het gerechtshof Amsterdam op grond van artikel 83 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zoals die wet luidde tot de datum van inwerkingtreding van deze wet, wordt na de datum van inwerkingtreding van deze wet aangemerkt als een bewindvoerder die is aangesteld op grond van artikel 168 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling.
1.
Een last onder dwangsom die is opgelegd terzake van overtreding van een voorschrift gesteld bij of krachtens de Pensioen- en spaarfondsenwet wordt na de datum van inwerkingtreding van artikel 1 van de Pensioenwet aangemerkt als een last onder dwangsom als bedoeld in artikel 175 van laatstgenoemde wet.
2.
Een bestuurlijke boete die is opgelegd terzake van overtreding van een voorschrift gesteld bij of krachtens de Pensioen- en spaarfondsenwet wordt na de datum van inwerkingtreding van artikel 1 van de Pensioenwet aangemerkt als een bestuurlijke boete als bedoeld in artikel 176 van laatstgenoemde wet.
3.
De toezichthouder kan na de datum van inwerkingtreding van artikel 1 van de Pensioenwet tot drie jaar na de dag waarop een overtreding is begaan een last onder dwangsom of een boete opleggen terzake van overtreding van een voorschrift gesteld bij of krachtens de Pensioen- en spaarfondsenwet .
4.
Een last onder dwangsom die is opgelegd terzake van overtreding van een voorschrift gesteld bij of krachtens de Wet verplichte beroepspensioenregeling , zoals die luidde voor de datum van inwerkingtreding van deze wet, wordt na de datum van inwerkingtreding van deze wet aangemerkt als een last onder dwangsom als bedoeld in artikel 170 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling.
5.
Een bestuurlijke boete die is opgelegd terzake van overtreding van een voorschrift gesteld bij of krachtens de Wet verplichte beroepspensioenregeling , zoals die luidde voor de datum van inwerkingtreding van deze wet, wordt na de datum van inwerkingtreding van deze wet aangemerkt als een bestuurlijke boete als bedoeld in artikel 171 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling.
6.
De toezichthouder kan na de datum van inwerkingtreding van deze wet tot drie jaar na de dag waarop een overtreding is begaan een last onder dwangsom of een boete opleggen terzake van overtreding van een voorschrift gesteld bij of krachtens de Wet verplichte beroepspensioenregeling , zoals deze luidde voor de datum van inwerkingtreding van deze wet.
7.
Op het opleggen van een last onder dwangsom of bestuurlijke boete als bedoeld in het derde en zesde lid blijft het recht van toepassing dat gold op de peildatum respectievelijk op de datum voor inwerkingtreding van deze wet.
1.
De in artikel 188 van de Pensioenwet opgenomen mogelijkheid tot openbaarmaking en de in artikel 191 opgenomen verplichting tot openbaarmaking heeft uitsluitend betrekking op feiten die plaatsvinden na de datum van inwerkingtreding van artikel 1 van de Pensioenwet.
2.
De in artikel 183 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zoals dat komt te luiden na de datum van inwerkingtreding van deze wet, opgenomen mogelijkheid tot openbaarmaking en de in artikel 186 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zoals dat komt te luiden na de datum van inwerkingtreding van deze wet, opgenomen verplichting tot openbaarmaking heeft uitsluitend betrekking op feiten die plaatsvinden na de datum van inwerkingtreding van deze wet.
1.
Een vergunning als bedoeld in artikel 32i van de Pensioen- en spaarfondsenwet die is verleend op grond van artikel 32j van de Pensioen- en spaarfondsenwet, berust vanaf de datum van inwerkingtreding van de Pensioenwet op artikel 192 van laatstgenoemde wet.
2.
Voorschriften die zijn verbonden en beperkingen die zijn gesteld aan een vergunning die is verleend op grond van de Pensioen- en spaarfondsenwet berusten vanaf de datum van inwerkingtreding van artikel 1 van de Pensioenwet op de Pensioenwet .
1.
Vanaf de datum van inwerkingtreding van deze wet vormt het register, bedoeld in artikel 20, tweede lid, van de Pensioen- en spaarfondsenwet het register, bedoeld in artikel 210 van de Pensioenwet.
2.
Vanaf de datum van inwerkingtreding van deze wet vormt het register, bedoeld in artikel 71a van de Wet verplichte beroepspensioenregeling , zoals dit luidde tot de datum van inwerkingtreding van deze wet, het register, bedoeld in artikel 204 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zoals deze luidt na inwerkingtreding van deze wet.
1.
Een ontheffing die is verleend van de artikelen 3, 5, eerste lid, en 8b van de Pensioen- en spaarfondsenwet op grond van artikel 29 van de Pensioen- en spaarfondsenwet vervalt een jaar na de datum van inwerkingtreding van artikel 1 van de Pensioenwet.
2.
Een ontheffing die is verleend van artikel 6 van de Pensioen- en spaarfondsenwet op grond van artikel 29 van de Pensioen- en spaarfondsenwet blijft van kracht.
3.
Een ontheffing die is verleend van artikel 6a van de Pensioen- en spaarfondsenwet op grond van artikel 29 van de Pensioen- en spaarfondsenwet vervalt een jaar na de datum van inwerkingtreding van artikel 1 van de Pensioenwet.
4.
Een ontheffing die is verleend van artikel 9b, tweede lid, van de Pensioen- en spaarfondsenwet op grond van artikel 29 van de Pensioen- en spaarfondsenwet blijft van kracht tot 23 september 2010, tenzij een pensioenfonds bijdragen ontvangt van een werkgever uit een andere lidstaat.
5.
Een ontheffing die is verleend van artikel 10b, eerste tot en met derde lid, van de Pensioen- en spaarfondsenwet op grond van artikel 29 van de Pensioen- en spaarfondsenwet wordt vanaf de datum van inwerkingtreding van artikel 1 van de Pensioenwet aangemerkt als een ontheffing die is verleend van artikel 147 van de Pensioenwet op grond van artikel 212 van de Pensioenwet.
6.
Een ontheffing die is verleend van artikel 53, eerste lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zoals die luidde voor de datum van inwerkingtreding van deze wet, op grond van artikel 84 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zoals die luidde voor de datum van inwerkingtreding van deze wet, vervalt een jaar na inwerkingtreding van deze wet.
7.
Een ontheffing die is verleend van artikel 63, eerste tot en met derde lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zoals die luidde voor de datum van inwerkingtreding van deze wet, op grond van artikel 84 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zoals die luidde voor de datum van inwerkingtreding van deze wet, wordt vanaf de datum van inwerkingtreding van deze wet aangemerkt als een ontheffing die is verleend van artikel 142 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zoals dat komt te luiden vanaf de datum van inwerkingtreding van deze wet, op grond van artikel 206 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zoals dat komt te luiden vanaf de datum van inwerkingtreding van deze wet.
8.
Voorschriften die zijn verbonden en beperkingen die zijn gesteld aan een ontheffing die is verleend op grond van de Pensioen- en spaarfondsenwet respectievelijk de Wet verplichte beroepspensioenregeling , zoals deze luidde voor de datum van inwerkingtreding van deze wet, berusten vanaf de datum van inwerkingtreding van artikel 1 van de Pensioenwet respectievelijk vanaf de datum van inwerkingtreding van deze wet op de Pensioenwet respectievelijk de Wet verplichte beroepspensioenregeling .
Artikel 60. Strafrechtelijk sanctioneren
In afwijking van artikel 2 blijft ten aanzien van overtredingen van artikel 32, vierde en vijfde lid, en artikel 32ba van de Pensioen- en spaarfondsenwet die zijn begaan voor de datum van inwerkingtreding van artikel 1 van de Pensioenwet, artikel 30 van de Pensioen- en spaarfondsenwet van toepassing.
Artikel 61. Bevoegde rechter en procedurele bepalingen
Ten aanzien van de op de peildatum bij de rechter aanhangige beroepen tegen besluiten op grond van de Pensioen- en spaarfondsenwet blijft, in afwijking van artikel 2, artikel 33a van de Pensioen- en spaarfondsenwet van toepassing.
Artikel 62. Afschaffen klachtrecht
Een klacht die op grond van artikel 6d van de Pensioen- en spaarfondsenwet bij De Nederlandsche Bank N.V. is ingediend voor de datum van inwerkingtreding van artikel 1 van de Pensioenwet wordt door De Nederlandsche Bank beoordeeld overeenkomstig artikel 6d van de Pensioen- en spaarfondsenwet.
1.
In afwijking van artikel 2 blijven de artikelen 1, eerste lid, onderdeel g, en 8, tweede, derde en vierde lid, van de Pensioen- en spaarfondsenwet en artikel 1, eerste lid, onderdeel d, van de Wet betreffende verplichte deelneming in een bedrijfspensioenfonds, zoals deze luidden op 31 december 1999, van toepassing ten aanzien van pensioenuitvoerders die aan die bepalingen voordien toepassing gaven, en wel in de gevallen en gedurende de termijn die daarvoor al waren vastgesteld, doch in elk geval niet langer dan gedurende tien jaar na 1 januari 2000 en met dien verstande dat de financiering ingevolge die bepalingen ten minste in gelijke delen per kalenderjaar plaatsvindt.
2.
De Nederlandsche Bank N.V. kan toestaan dat, in afwijking van het eerste lid, een pensioenuitvoerder gedurende een langere periode dan daar bedoeld, maar niet langer dan gedurende vijftien jaar, toepassing geeft aan de daar genoemde bepalingen, voor zover dat noodzakelijk is ter voorkoming van onaanvaardbare financiële gevolgen voor het betrokken pensioenfonds of de betrokken werkgever.
3.
Paragraaf 7.1 en de artikelen 171 en 172 van de Pensioenwet zijn van overeenkomstige toepassing op het eerste en tweede lid.
1.
Indien een overdragend pensioenfonds een pensioenuitvoerder is als bedoeld in artikel 63 van deze wet, geldt in afwijking van artikel 72, onderdeel a, van de Pensioenwet geen plicht tot waardeoverdracht indien de financiele toestand van het pensioenfonds dat naar het oordeel van De Nederlandsche Bank N.V. niet toelaat.
2.
De plicht tot waardeoverdracht van het overdragende pensioenfonds herleeft overeenkomstig artikel 74 van de Pensioenwet wanneer de financiele toestand van het pensioenfonds dat naar het oordeel van De Nederlandsche Bank N.V. op een later tijdstip wel toelaat.
3.
Indien een overdragend beroepspensioenfonds een pensioenuitvoerder is als bedoeld in artikel 214, derde lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zoals dat komt te luiden na de datum van inwerkingtreding van deze wet, geldt in afwijking van artikel 83, onderdeel a, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zoals dat komt te luiden na de datum van inwerkingtreding van deze wet, geen plicht tot waardeoverdracht indien de financiele toestand van het beroepspensioenfonds dat naar het oordeel van De Nederlandsche Bank N.V. niet toelaat.
4.
De plicht tot waardeoverdracht van het overdragende beroepspensioenfonds herleeft overeenkomstig artikel 85 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zoals dat komt te luiden na de datum van inwerkingtreding van deze wet, wanneer de financiele toestand van het beroepspensioenfonds dat naar het oordeel van De Nederlandsche Bank N.V. op een later tijdstip wel toelaat.
1.
Een geldelijke, vastgestelde uitkering die op basis van artikel 4 van het Uitvoeringsbesluit pensioenaspecten Sociaal Akkoord 2004 wordt overeengekomen is geen pensioen als bedoeld in de Pensioenwet of de Wet verplichte beroepspensioenregeling voor zover deze nog niet is gefinancierd.
2.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot het eerste lid.
3.
Na inwerkingtreding van dit artikel berust het Uitvoeringsbesluit pensioenaspecten Sociaal Akkoord 2004 mede op het tweede lid.
1.
Een pensioenuitvoerder is bevoegd de pensioenaanspraken, opgebouwd ten behoeve van pensioen in de periode voorafgaand aan de datum waarop de deelnemer of gewezen deelnemer de leeftijd van 65 jaar bereikt, af te kopen, mits het verzoek van de deelnemer of gewezen deelnemer tot afkoop uiterlijk binnen twee maanden na het ontvangen van de in artikel 17, zesde lid, van de Pensioen- en spaarfondsenwet bedoelde opgave wordt gedaan en mits de afkoopsom:
a. wordt berekend overeenkomstig bij algemene maatregel van bestuur te stellen regels;
b. wordt aangewend ten behoeve van een levensloopregeling als bedoeld in artikel 19g van de Wet op de loonbelasting 1964; en
c. rechtstreeks wordt overgedragen aan de uitvoerder van de levensloopregeling als bedoeld in artikel 19g, derde lid, van de Wet op de loonbelasting 1964.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing voor zover de echtgenoot ter zake van de pensioenaanspraken een recht op uitbetaling heeft als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding.
3.
Na de datum van inwerkingtreding van dit artikel berust het Uitvoeringsbesluit pensioenaspecten Sociaal Akkoord 2004 mede op het eerste lid, onderdeel a, van dit artikel.
Artikel 67. Goede invoering
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen met het oog op de goede invoering van de Pensioenwet en deze wet regels worden gesteld waarbij zo nodig kan worden afgeweken van het bepaalde bij of krachtens voornoemde wet of deze wet.
1.
Voor de plaatsing in het Staatsblad stelt Onze Minister de nummering van de artikelen van de Pensioenwet opnieuw vast en brengt hij de in de Pensioenwet voorkomende aanhalingen van de artikelen met de nieuwe nummering in overeenstemming.
2.
De tekst van de Wet verplichte beroepspensioenregeling , zoals deze komt te luiden na inwerkingtreding van deze wet, wordt in het Staatsblad geplaatst. Voor de plaatsing in het Staatsblad stelt Onze Minister de nummering van de artikelen opnieuw vast en brengt hij de in de Wet verplichte beroepspensioenregeling voorkomende aanhalingen van de artikelen met de nieuwe nummering in overeenstemming.
3.
Voor de plaatsing van deze wet in het Staatsblad brengt Onze Minister de aanhalingen van de artikelen in deze wet van de Wet verplichte beroepspensioenregeling en van de Pensioenwet in overeenstemming met de vastgestelde nummering van die wetten.
Artikel 75. Burgerlijk Wetboek
[Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 3 en Boek 7.]
Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 van Invoerings- en aanpassingswet Pensioenwet">
Artikel 91. Overgangsbepaling in verband met de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993
Als de uitoefening van het bedrijf van levensverzekeraar of het bedrijf van schadeverzekeraar wordt niet beschouwd:
a. het sluiten of afwikkelen van levensverzekeringen onderscheidenlijk schadeverzekeringen voor eigen rekening door bijdragende ondernemingen in de zin van artikel 1, eerste lid, onderdeel m, van de Pensioen- en spaarfondsenwet, zoals deze luidde voor de datum van inwerkingtreding van deze wet, of pensioeninstellingen die voor eigen rekening geen andere levensverzekeringen of schadeverzekeringen sluiten of afwikkelen dan die welke dienen ter uitvoering van toezeggingen als bedoeld in artikel 19; en
b. het handelen van een ondernemingsspaarfonds in de zin van artikel 1, eerste lid, onderdeel d, van de Pensioen- en spaarfondsenwet, zoals deze luidde voor de datum van inwerkingtreding van deze wet, ter uitvoering van een door een werkgever getroffen regeling tot sparen voor een uitkering bij wijze van oudedagsvoorziening zolang sprake is van een spaarfonds als bedoeld in artikel 5.
1.
Als de uitoefening van het bedrijf van levensverzekeraar of het bedrijf van schadeverzekeraar wordt niet beschouwd:
a. het sluiten of afwikkelen van levensverzekeringen onderscheidenlijk schadeverzekeringen voor eigen rekening door ondernemingen of pensioeninstellingen die voor eigen rekening geen andere levensverzekeringen of schadeverzekeringen sluiten of afwikkelen dan die welke dienen ter uitvoering van toezeggingen als bedoeld in artikel 19; en
b. het handelen van een ondernemingsspaarfonds ter uitvoering van een door een werkgever getroffen regeling tot sparen voor een uitkering bij wijze van oudedagsvoorziening zolang sprake is van een spaarfonds als bedoeld in artikel 5.
2.
De Wet op het financieel toezicht is, met uitzondering van het Algemeen Deel en het Deel Gedragstoezicht financiële markten, niet van toepassing zolang sprake is van spaarfondsen als bedoeld in artikel 5 en van:
a. het verlenen van financiële diensten door ondernemingsspaarfondsen voorzover zij die financiële diensten verlenen aan de onderneming waarmee zij zijn verbonden; en
b. het beheren van individuele vermogens ten behoeve van ondernemingsspaarfondsen als bedoeld in onderdeel a of daaraan gelieerde fondsen door personen die zijn verbonden aan het fonds waaraan deze financiële dienst wordt verleend.
Wet op het financieel toezicht van Invoerings- en aanpassingswet Pensioenwet">
Artikel 96a. Aanpassing in verband met hernummering Wet op het financieel toezicht
Onze Minister brengt voor de plaatsing van deze wet in het Staatsblad de in deze wet voorkomende verwijzingen naar artikelen uit de Wet op het financieel toezicht in overeenstemming met de op grond van artikel 7:1 van die wet opnieuw vastgestelde nummering.
1.
De artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.
2.
Bij de vaststelling van het in het eerste lid bedoelde tijdstip van inwerkingtreding kan onderscheid gemaakt worden tussen pensioenuitvoerders.
Artikel 98. Citeertitel
Deze wet wordt aangehaald als: Invoerings- en aanpassingswet Pensioenwet.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te ’s-Gravenhage, 7 december 2006
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid ,
Uitgegeven de tweeëntwintigste december 2006
De Minister van Justitie ,
Inhoudsopgave
+ Hoofdstuk 1. Definities
+ Hoofdstuk 2. Overgangsrecht
+ Hoofdstuk 3. Wijziging van andere wetten
+ Hoofdstuk 4. Overgangs- en slotbepalingen
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht
Jurisprudentie
Voorbeelden van het gebruik van deze artikel(en) in rechterlijke uitspraken