Let op. Deze wet is vervallen op 1 januari 2004. U leest nu de tekst die gold op -.

Invoeringswet herinrichting Algemene Bijstandswet

Uitgebreide informatie
Wet van 12 april 1995, houdende invoering van een nieuwe Algemene bijstandswet
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is regels te stellen met betrekking tot de intrekking van de Algemene Bijstandswet en de invoering van de nieuwe Algemene bijstandswet;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
Artikel 1
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
b. Algemene Bijstandswet: de Algemene Bijstandswet en de daarop berustende besluiten zoals deze luidden op de peildag;
c. nieuwe Algemene bijstandswet : de Algemene bijstandswet en de daarop berustende besluiten;
d. peilmaand: de kalendermaand voorafgaand aan de inwerkingtreding van de nieuwe Algemene bijstandswet ;
e. peildag: de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van de nieuwe Algemene bijstandswet .
Artikel 2
Het toezicht op de uitvoering van hoofdstuk II van deze wet berust bij Onze Minister. Artikel 130 van de nieuwe Algemene bijstandswet is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 3
De Algemene Bijstandswet wordt ingetrokken.
1.
De Algemene Bijstandswet blijft gedurende ten hoogste 12 maanden na de inwerkingtreding van de nieuwe Algemene bijstandswet van toepassing ten aanzien van degene die in de peilmaand recht had op algemene bijstand en wiens recht op de peildag niet is geëindigd.
2.
De in het eerste lid bedoelde toepassing van de Algemene Bijstandswet eindigt:
a. zodra burgemeester en wethouders in het betreffende geval naar aanleiding van het onderzoek als bedoeld in artikel 5, eerste lid, een nieuw besluit hebben getroffen;
b. zodra een wijziging van omstandigheden van de persoon of het gezin optreedt of is opgetreden die op grond van hoofdstuk IV, afdeling 1, paragraaf 2 en 3, van de nieuwe Algemene bijstandswet tot toepassing van een andere bijstandsnorm dient te leiden en burgemeester en wethouders in het betreffende geval een nieuw besluit inzake de verlening van algemene bijstand hebben getroffen; dan wel
c. zodra in het betreffende geval gedurende ten minste een kalendermaand geen recht op algemene bijstand heeft bestaan.
3.
Zolang het eerste lid van toepassing is blijven de besluiten inzake de verlening van bijstand die burgemeester en wethouders op grond van de Algemene Bijstandswet ten aanzien van de betrokkenen hebben genomen van kracht.
4.
Besluiten van burgemeester en wethouders op grond van de Algemene Bijstandswet inzake terugvordering of anderszins terugbetaling van reeds verleende bijstand, inzake verhaal van reeds verleende of nog te verlenen bijstand en inzake borgstelling, die op de peildag van kracht zijn, blijven van kracht tot het moment waarop zich in het betrokken geval een zodanige wijziging van de omstandigheden voordoet of heeft voorgedaan dat een herziening van het besluit dient plaats te vinden. Indien bijstand is verleend met toepassing van het bepaalde bij of krachtens artikel 7 a van de Algemene Bijstandswet blijven bij herziening van het besluit de aan de reeds gevestigde hypotheek verbonden verplichtingen en bedingen van kracht.
5.
Indien in een geval als bedoeld in het eerste lid bijstand is verleend met toepassing van het bepaalde bij of krachtens artikel 7 a van de Algemene Bijstandswet en op de peildag de hypotheek nog niet is gevestigd, wordt deze gevestigd met inachtneming van de krachtens artikel 20, zevende lid, van de nieuwe Algemene bijstandswet gestelde regels.
1.
Burgemeester en wethouders stellen tijdig ten aanzien van de in artikel 4, eerste lid, bedoelde persoon een onderzoek in naar de rechtsgevolgen waartoe de toepassing van de nieuwe Algemene bijstandswet zal leiden inzake het recht op bijstand en de daaraan verbonden verplichtingen.
2.
Op het onderzoek is het bepaalde bij of krachtens de artikelen 65, 66, eerste, tweede en derde lid, 69, 71, 121 en 122 van de nieuwe Algemene bijstandswet van overeenkomstige toepassing.
3.
Uiterlijk 12 maanden na de peildag nemen burgemeester en wethouders naar aanleiding van het onderzoek een besluit inzake de verlening van bijstand en de daaraan verbonden verplichtingen, onder vermelding in het besluit van de rechtsgevolgen waartoe de toepassing van de nieuwe Algemene bijstandswet in het betreffende geval leidt. Op dit besluit is artikel 70 van de nieuwe Algemene bijstandswet van overeenkomstige toepassing.
4.
Indien de in het derde lid bedoelde toepassing leidt tot wijziging van de hoogte van de algemene bijstand, wordt in het besluit vermeld dat genoemde wijziging ingaat op het tijdstip gelegen 12 maanden na de peildag. Tot dat tijdstip blijft, onverminderd de algemene periodieke aanpassing van de uitkeringshoogte en artikel 4, tweede lid, onderdelen b en c, de hoogte van de algemene bijstand gehandhaafd op het niveau waarop de belanghebbende onmiddellijk voorafgaande aan het onderzoek recht had.
5.
Indien uit het onderzoek, of bij een eerdere gelegenheid na de peildag, blijkt dat omtrent de verlening van bijstand, gelet op artikel 63 van de nieuwe Algemene bijstandswet , dient te worden beslist door burgemeester en wethouders van een andere gemeente, dragen burgemeester en wethouders zorg voor onverwijlde overdracht van het betreffende geval en van de daarop betrekking hebbende stukken aan burgemeester en wethouders van die gemeente, onder gelijktijdige melding hiervan aan de belanghebbende. Burgemeester en wethouders van de ontvangende gemeente nemen de verlening van bijstand onverwijld over en geven daarbij toepassing aan het eerste tot en met het vierde lid. Artikel 64 van de nieuwe Algemene bijstandswet is van overeenkomstige toepassing.
1.
Ten aanzien van degene, die in de peilmaand recht had op algemene bijstand en wiens recht op de peildag niet is geëindigd, en voor wie voor het eerst verplichtingen, gericht op inschakeling in de arbeid in dienstbetrekking, aan de uitkering worden verbonden, wordt uiterlijk 3 jaar na inwerkingtreding van de nieuwe Algemene bijstandswet een onderzoek verricht als bedoeld in artikel 66, vijfde lid, van die wet.
2.
Ten aanzien van degene, aan wiens uitkering op de peildag reeds voorwaarden tot inschakeling in de arbeid op grond van de Algemene Bijstandswet zijn verbonden, kan het onderzoek, gericht op de inschakeling in de arbeid, achterwege blijven, tenzij burgemeester en wethouders van oordeel zijn dat een dergelijk onderzoek alsnog dient plaats te vinden.
1.
Onze Minister kan op verzoek van burgemeester en wethouders van een gemeente de termijn, bedoeld in artikel 4, eerste lid, met ten hoogste 3 maanden verlengen, indien zij aannemelijk kunnen maken dat zij door bijzondere omstandigheden in redelijkheid niet in staat zijn binnen deze termijn uitvoering te geven aan deze paragraaf. Het verzoek dient binnen zes maanden na de peildag te zijn ingediend, vergezeld van een plan waarin wordt aangegeven op welke wijze burgemeester en wethouders uitvoering zullen geven aan het bepaalde in artikel 5, eerste lid.
2.
Ingeval van toepassing van het eerste lid wordt in het betreffende geval bij toepassing van artikel 4, eerste lid, en artikel 5, derde en vierde lid, in plaats van "12 maanden" telkens gelezen: 12 maanden vermeerderd met de verlenging op grond van het eerste lid.
1.
Onze Minister kan de verlening van bijstand aan een Nederlander die zich in het buitenland bevindt voortzetten ten aanzien van:
a. degene die in de peilmaand bijstand ontving op grond van artikel 82 of artikel 95 van de Algemene Bijstandswet, welke bijstand niet is geëindigd;
b. degene die op enig moment in de periode van 26 weken onmiddellijk voorafgaand aan de peildag bijstand ontving op grond van artikel 82 van de Algemene Bijstandswet, welke bijstand in die periode is geëindigd, indien belanghebbende binnen 26 weken na de peildag opnieuw bijstand aanvraagt.
2.
De in het eerste lid bedoelde bijstand wordt afgestemd op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de belanghebbende, rekening houdend met het niveau van de noodzakelijke kosten van het bestaan ter plaatse.
3.
De hoofdstukken II, III, VII en VIII, alsmede paragraaf 2 van hoofdstuk VI en het bepaalde bij of krachtens de artikelen 65, 66, eerste, tweede en derde lid, 69, 70, eerste en tweede lid, en 71 van de nieuwe Algemene bijstandswet zijn, voor zover de omstandigheden het toelaten, van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat Onze Minister in de plaats treedt van burgemeester en wethouders.
4.
Zodra ten minste 26 weken zijn verstreken nadat de bijstand die werd verleend op grond van het eerste lid werd beëindigd, is dat lid ten aanzien van het betreffende geval niet langer van toepassing.
Artikel 9
Ten aanzien van degenen voor wie in de peilmaand de verlening van bijstand ter voorziening in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan geschiedde met toepassing van artikel V, tweede of derde lid, van het Besluit houdende wijziging van het Bijstandsbesluit landelijke normering met betrekking tot de hoogte van de uitkering voor schoolverlaters van 21 tot 27 jaar en het stellen van nadere voorwaarden voor de hoogte van de uitkering op grond van dat besluit voor personen van 18 tot 21 jaar ( Stb. 1992, 240) blijven genoemde artikelleden van toepassing.
1.
Artikel 47, eerste lid, onderdeel b , van de nieuwe Algemene bijstandswet is niet van toepassing op de belanghebbende die in de peilmaand algemene bijstand ontving en voor wie voor de vaststelling van het recht op en de hoogte van de algemene bijstand het inkomen in beschouwing wordt genomen dat werd ontvangen in de periode voorafgaand aan de periode waarover het recht op bijstand wordt vastgesteld.
2.
Zodra in een geval als bedoeld in het eerste lid gedurende ten minste een kalendermaand geen recht op algemene bijstand heeft bestaan is het eerste lid ten aanzien van dat geval niet langer van toepassing.
1.
In afwijking van artikel 52 van de nieuwe Algemene bijstandswet wordt voor de belanghebbende die in de peilmaand algemene bijstand ontving en voor wie in die maand toepassing werd gegeven aan artikel 7, eerste lid, onderdeel a , van de Algemene Bijstandswet, eveneens niet tot het vermogen gerekend het voor opleiding bestemde vermogen, mits voldoende waarborgen bestaan dat het vermogen voor deze bestemming zal worden aangewend en de bestemming zelf, gelet op alle omstandigheden, verantwoord moet worden geacht.
2.
Zodra in een geval als bedoeld in het eerste lid gedurende ten minste een kalendermaand geen recht op algemene bijstand heeft bestaan is het eerste lid ten aanzien van dat geval niet langer van toepassing.
1.
Op een aanvraag tot het verlenen van bijstand die is ingediend voor of op de peildag en ten aanzien waarvan op die dag nog geen besluit is genomen, wordt beslist met toepassing van:
a. de Algemene Bijstandswet, behoudens artikel 7 a , indien het recht op bijstand ingaat voor of op de peildag;
b. de nieuwe Algemene bijstandswet , indien het recht op bijstand ingaat na de peildag.
2.
Ten aanzien van een geval als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a , zijn de artikelen 4 en 5 van toepassing.
3.
Ten aanzien van een geval als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a , waarin sprake is van bijstandverlening in de vorm van geldlening onder verband van hypotheek, is het bepaalde bij en krachtens artikel 20 van de nieuwe Algemene bijstandswet van toepassing.
1.
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd om, in afwijking van artikel 73, eerste lid, van de nieuwe Algemene bijstandswet, ten aanzien van de belanghebbende die in de peilmaand algemene bijstand ontving en aan wie deze bijstand werd uitbetaald over een kortere periode dan een kalendermaand of op een eerder tijdstip dan aan het einde van de kalendermaand de genoemde wijze van betalen voort te zetten.
2.
Zodra in een geval als bedoeld in het eerste lid gedurende ten minste een kalendermaand geen recht op algemene bijstand heeft bestaan is het eerste lid ten aanzien van dat geval niet langer van toepassing.
1.
Op een bezwaar- of beroepschrift dat voor of op de peildag is ingediend en waarop op die datum nog niet is beslist, alsmede op een bezwaar- of beroepschrift dat na de peildag is ingediend en dat betrekking heeft op bijstandverlening waarop ingevolge artikel 4 de Algemene Bijstandswet van toepassing is, wordt beslist met toepassing van de Algemene Bijstandswet.
2.
Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op verzoeken als bedoeld in artikel 45 van de Algemene Bijstandswet en verzoeken om een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht. Over de periode waarin ingevolge artikel 4 op de bijstandverlening de Algemene Bijstandswet van toepassing is, blijft artikel 74 van de nieuwe Algemene bijstandswet ten aanzien van de belanghebbende buiten toepassing.
1.
Ten aanzien van de vergoeding van kosten van algemene bijstand door het Rijk, alsmede het niet aanvaardbaar verklaren van kosten van algemene bijstand, over tijdvakken voor of op de peildag, blijft het bepaalde bij en krachtens hoofdstuk IV, paragraaf 1 en 2, en artikel 81 c van de Algemene Bijstandswet van toepassing.
2.
Hoofdstuk X van de nieuwe Algemene bijstandswet, zoals deze wet luidde voor de inwerkingtreding van de Wet financiering Abw, IOAW en IOAZ is van overeenkomstige toepassing op de kosten van algemene bijstand verleend op grond van deze wet.
Artikel 17
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 18
Ten aanzien van degene die in de peilmaand recht had op uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijke arbeidsongeschikte werkloze werknemers en wiens recht op de peildag niet is geëindigd zijn de artikelen 4 en 5 van deze wet van overeenkomstige toepassing.
Artikel 19
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 20
Ten aanzien van degene die in de peilmaand recht had op uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijke arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen en wiens recht op de peildag niet is geëindigd zijn de artikelen 4 en 5 van deze wet van overeenkomstige toepassing.
Artikel 21
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 22
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 23
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 24
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 25
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 26
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 27
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 28
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 29
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 30
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 31
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 32
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 33
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 34
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 35
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 36
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 37
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 38
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 39
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 40
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 41
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 42
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 44
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 45
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 46
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 47
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 48
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 49
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 50
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 51
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 52
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 53
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 54
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 55
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
1.
Onze Minister herziet met ingang van de datum van inwerkingtreding van de nieuwe Algemene bijstandswet de in Hoofdstuk IV van die wet genoemde bedragen en percentages op de in afdeling 4 van dat hoofdstuk voorgeschreven wijze voor zover de ontwikkeling van het netto minimumloon, de netto aanspraak op minimumvakantiebijslag, het prijsindexcijfer voor de gezinsconsumptie, het prijsindexcijfer voor het onderdeel energie daarvan, gerekend vanaf 1 januari 1992, daartoe aanleiding geeft.
2.
Onze Minister herziet met ingang van de datum van inwerkingtreding van de nieuwe Algemene bijstandswet de in artikel 4 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers en de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen genoemde bedragen op de in die wetten voorgeschreven wijze, voor zover de ontwikkeling van het netto minimumloon en het netto minimumjeugdloon gerekend vanaf 1 januari 1992 daartoe aanleiding geeft.
Artikel 57
De tekst van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers en de tekst van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen worden in het Staatsblad geplaatst. Voor de plaatsing van deze wetten stelt Onze Minister de nummering van de artikelen opnieuw vast en brengt hij de in deze wetten voorkomende aanhalingen van de artikelen met de nieuwe nummering in overeenstemming.
Artikel 58
In het belang van een goede uitvoering van het in deze wet bepaalde kan Onze Minister regels stellen.
Artikel 59
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 60
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 61
Deze wet treedt gelijktijdig met de nieuwe Algemene bijstandswet in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden gesteld.
Artikel 62
Deze wet kan worden aangehaald als: "Invoeringswet herinrichting Algemene Bijstandswet"
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 12 april 1995
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
Uitgegeven de dertiende april 1995
De Minister van Justitie a.i.,
Inhoudsopgave
+ Hoofdstuk I. Algemene bepalingen
+ Hoofdstuk II. Overgangsbepalingen
+ Hoofdstuk III. Wijziging van andere wetten
+ Hoofdstuk IV. Slotbepalingen
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht
Jurisprudentie
Voorbeelden van het gebruik van deze artikel(en) in rechterlijke uitspraken