Let op. Deze wet is vervallen op 1 januari 2008. U leest nu de tekst die gold op -.

Invoeringswet stelselherziening sociale zekerheid

Uitgebreide informatie
Wet van 6 november 1986, houdende intrekking van de Werkloosheidswet, invoering van een nieuwe Werkloosheidswet en een aantal andere wetten, alsmede de in het kader van die intrekking en invoering te treffen overgangsregelingen en de daarmee verband houdende wijzigingen van een aantal wetten en regelingen
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is regels te stellen met betrekking tot de intrekking van de Werkloosheidswet, de invoering van de nieuwe Werkloosheidswet, de Toeslagenwet, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, de Wet, houdende nadere wijziging van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (nadere regeling in verband met verminderde gelegenheid tot het verkrijgen van arbeid), de Wet, houdende wijziging van de Algemene Bijstandswet met betrekking tot de gelijke behandeling van mannen en vrouwen en gelijkstelling van niet gehuwde personen met gehuwden en de Wet, houdende wijziging van de Algemene Ouderdomswet (gelijkstelling niet-gehuwde personen met gehuwden of echtgenoten), alsmede regels te stellen met betrekking tot het in het kader van die intrekking en invoering noodzakelijke overgangsrecht, en voorts een aantal wetten en regelingen in verband daarmee aan te passen;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
1.
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
b. Werkloosheidswet : de Werkloosheidswet ( Stb. 1967, 421) zoals die wet luidde op de dag, voorafgaande aan die waarop de nieuwe Werkloosheidswet in werking treedt;
c. Wet Werkloosheidsvoorziening: de Wet Werkloosheidsvoorziening ( Stb. 1964, 485) zoals die wet luidde op de dag, voorafgaande aan die waarop deze wet in werking treedt;
d. nieuwe Werkloosheidswet : het bij koninklijke boodschap van 17 oktober 1985 (kamerstukken II, 1985-1986, 19 261) ingediende voorstel van wet tot verzekering van werknemers tegen geldelijke gevolgen van werkloosheid, zoals dat tot wet wordt verheven;
e. Toeslagenwet : het bij koninklijke boodschap van 17 oktober 1985 (kamerstukken II, 1985-1986, 19 257) ingediende voorstel van wet tot verlening van toeslagen tot het relevante sociaal minimum aan uitkeringsgerechtigden op grond van de Werkloosheidswet , de Ziektewet , de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet , de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering en de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen, die een of meer personen tot hun financiële last hebben, zoals dat tot wet wordt verheven;
f. Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers : het bij koninklijke boodschap van 17 oktober 1985 (kamerstukken II, 1985-1986, 19 260) ingediende voorstel van wet tot het treffen van een inkomensvoorziening voor oudere werkloze werknemers van wie het recht op een uitkering op grond van de Werkloosheidswet is geëindigd, zoals dat tot wet wordt verheven;
g. Wijzigingswet AAW/WAO: het bij koninklijke boodschap van 17 oktober 1985 (kamerstukken II, 1985-1986, 19 256) ingediende voorstel van wet tot nadere wijziging van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering , zoals dat tot wet wordt verheven;
h. Wijzigingswet ABW: het bij koninklijke boodschap van 17 oktober 1985 (kamerstukken II, 1985-1986, 19 259) ingediende voorstel van wet tot wijziging van de Algemene Bijstandswet met betrekking tot de gelijke behandeling van mannen en vrouwen en gelijkstelling van niet gehuwde personen met gehuwden, zoals dat tot wet wordt verheven;
i. Wijzigingswet AOW: het bij koninklijke boodschap van 17 oktober 1985 (kamerstukken II, 1985-1986, 19 258) ingediende voorstel van wet tot wijziging van de Algemene Ouderdomswet (gelijkstelling niet-gehuwde personen met gehuwden of echtgenoten), zoals dat tot wet wordt verheven;
j. Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen: het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, genoemd in hoofdstuk 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen.
k. gemeentebestuur: burgemeester en wethouders.
2.
Voor de toepassing van deze wet en van de tot haar uitvoering genomen besluiten wordt gelijkgesteld met:
a. echtgenoot: geregistreerde partner;
b. gehuwd: als partner geregistreerd.
1.
De Werkloosheidswet wordt ingetrokken.
2.
De Werkloosheidswet en de daarop berustende bepalingen blijven van toepassing op de rechten, bevoegdheden en verplichtingen over tijdvakken gelegen voor de dag waarop de nieuwe Werkloosheidswet in werking treedt, voor zover in deze wet of de daarop berustende bepalingen niet anders is bepaald.
1.
Vanaf de dag waarop de nieuwe Werkloosheidswet in werking treedt ontstaat geen nieuw recht op uitkering op grond van de Wet Werkloosheidsvoorziening als bedoeld in de artikelen 9, eerste lid, 10, en hoofdstuk III a van die wet.
2.
Aanvragen om uitkering op grond van de Wet Werkloosheidsvoorziening terzake van rechten, ontstaan vóór de in het eerste lid bedoelde dag, kunnen slechts leiden tot toekenning van uitkering op grond van de Wet Werkloosheidsvoorziening als bedoeld in de artikelen 9, eerste lid, 10, en hoofdstuk III a van die wet, indien deze aanvragen zijn ingediend vóór de eerste dag van de zevende maand na de inwerkingtreding van de wet waarmee dit lid werd toegevoegd aan deze wet.
1.
De Werkloosheidswet en de daarop berustende bepalingen blijven van toepassing ten aanzien van de persoon die op de dag, voorafgaande aan die waarop de nieuwe Werkloosheidswet in werking treedt, recht op uitkering op grond van de Werkloosheidswet had, zo lang hij niet de maximum uitkeringsduur op grond van die wet heeft bereikt.
2.
Met de in het eerste lid bedoelde persoon wordt, zolang voor hem geen recht op uitkering op grond van de nieuwe Werkloosheidswet is ontstaan, gelijkgesteld, de persoon die op de dag, voorafgaande aan die waarop de nieuwe Werkloosheidswet in werking treedt, geen recht op uitkering op grond van de Werkloosheidswet had, omdat:
a. het recht op uitkering op grond van die wet was onderbroken door werkaanvaarding of omdat artikel 31, eerste en tweede lid, zo nodig in verbinding met artikel 39 van die wet op hem van toepassing was;
b. na het intreden van zijn werkloosheid zijn werkgever tijdens het voortbestaan van de dienstbetrekking het loon onverminderd doorbetaalde;
doch die, zodra de omstandigheid, bedoeld in onderdeel a of b , niet meer op hem van toepassing is vervolgens wel recht op uitkering op grond van die wet zou hebben gehad, indien die wet niet zou zijn ingetrokken.
3.
De Werkloosheidswet blijft van toepassing ten aanzien van de persoon:
a. wiens werkgever op de dag, voorafgaande aan die waarop de nieuwe Werkloosheidswet in werking treedt, in staat van faillissement was verklaard, surséance van betaling was verleend of in een toestand verkeerde als bedoeld in artikel 42 a , tweede lid, van de Werkloosheidswet en die in verband daarmee recht had op een betaling op grond van hoofdstuk III a van laatstgenoemde wet;
b. die op de dag, voorafgaand aan die waarop de nieuwe Werkloosheidswet in werking treedt, recht had op loonsuppletie op grond van hoofdstuk III b van de Werkloosheidswet;
voor de duur van de betaling of de duur van de loonsuppletie.
4.
Zolang de Werkloosheidswet op hem van toepassing blijft, wordt de uitkering van de in het eerste of tweede lid bedoelde persoon, wiens uitkering niet is berekend naar het minimumdagloon, bedoeld in artikel 12 a van die wet, voor de toepassing van de Toeslagenwet beschouwd als uitkering op grond van de nieuwe Werkloosheidswet .
5.
In afwijking van het eerste lid is artikel 26 van de Werkloosheidswet niet van toepassing op de uitkering van de in het eerste, het tweede of het derde lid bedoelde persoon. In dat geval wordt deze persoon voor de toepassing van de Ziektewet ( Stb. 1967, 473) en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering ( Stb. 1977, 492) als werknemer in de zin van de nieuwe Werkloosheidswet beschouwd, wordt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen als werkgever beschouwd en wordt deze uitkering voor de toepassing van artikel 3 a , tweede lid, van de Coördinatiewet Sociale Verzekering ( Stb. 1966, 64) als uitkering op grond van de nieuwe Werkloosheidswet aangemerkt.
6.
In aansluiting op het eindigen van het recht op uitkering, bedoeld in het eerste lid, heeft de in het eerste of tweede lid bedoelde persoon recht op uitkering op grond van de nieuwe Werkloosheidswet , tenzij die wet of deze wet dat verhindert.
1.
De Wet Werkloosheidsvoorziening en de daarop berustende bepalingen blijven van toepassing ten aanzien van de persoon die op de dag, voorafgaande aan die waarop de nieuwe Werkloosheidswet in werking treedt, recht had op uitkering op grond van de Wet Werkloosheidsvoorziening, zolang geen recht op uitkering op grond van de nieuwe Werkloosheidswet is ontstaan.
2.
Met de in het eerste lid bedoelde persoon wordt gelijkgesteld, de persoon die op de dag, voorafgaande aan die waarop de nieuwe Werkloosheidswet in werking treedt, geen recht op uitkering op grond van de Wet Werkloosheidsvoorziening had, omdat:
a. het recht op uitkering op grond van die wet was onderbroken door werkaanvaarding of door een omstandigheid als bedoeld in artikel 13, eerste lid, of artikel 14, eerste lid, van die wet;
b. na het intreden van zijn werkloosheid zijn werkgever tijdens het voortbestaan van de dienstbetrekking het loon onverminderd doorbetaalde;
doch die, zodra de omstandigheid, bedoeld in onderdeel a of b , niet meer op hem van toepassing is vervolgens wel recht op uitkering op grond van die wet heeft.
3.
In afwijking van het eerste en het tweede lid zijn de Wet Werkloosheidsvoorziening en de daarop berustende bepalingen niet meer op de in die leden bedoelde personen van toepassing, indien in de periode gelegen twee jaar na de dag waarop de nieuwe Werkloosheidswet in werking is getreden geen recht op uitkering bestaat, omdat dat recht is onderbroken door een omstandigheid als bedoeld in artikel 13, eerste lid, onderdeel e tot en met n, of artikel 14, eerste lid, van de Wet Werkloosheidsvoorziening.
4.
De persoon die in de periode gelegen twee jaar na de dag, bedoeld in het derde lid, geen recht op uitkering op grond van de Wet Werkloosheidsvoorziening heeft, omdat dat recht is onderbroken door een omstandigheid als bedoeld in artikel 13, eerste lid, onderdeel a tot en met d bis, van die wet, heeft na afloop van die onderbreking recht op uitkering op grond van de nieuwe Werkloosheidswet .
5.
Het eerste en tweede lid gelden niet, indien ten aanzien van de in die leden bedoelde persoon tevens artikel 4 van toepassing is.
1.
In afwijking van de artikelen 4, eerste lid, en 5, eerste lid, is ten aanzien van de persoon die op de eerste dag van werkloosheid 57,5 jaar of ouder was en op de dag, voorafgaande aan die waarop de nieuwe Werkloosheidswet in werking treedt, recht had op uitkering op grond van de Werkloosheidswet of de Wet Werkloosheidsvoorziening , de nieuwe Werkloosheidswet van toepassing.
2.
Artikel 4, tweede lid, en artikel 5, tweede lid, zijn van overeenkomstige toepassing met betrekking tot het eerste lid, met dien verstande dat voor de persoon op wie artikel 4, tweede lid, onderdeel b, of artikel 5, tweede lid, onderdeel b, van toepassing is, als eerste dag van werkloosheid wordt beschouwd de eerste dag dat hij recht op uitkering op grond van de Werkloosheidswet of vanaf het bereiken van de leeftijd van 58 jaar op grond van de Wet Werkloosheidsvoorziening zou hebben gehad.
3.
De arbeidsverhouding van de persoon, bedoeld in het eerste en tweede lid, aan wie door het Rijk ter zake van zijn arbeidsverhouding invaliditeitspensioen is verzekerd, wordt als dienstbetrekking in de zin van de nieuwe Werkloosheidswet beschouwd.
1.
De persoon die op de dag, voorafgaande aan die waarop de nieuwe Werkloosheidswet in werking treedt, recht had op uitkering op grond van de Werkloosheidswet of hoofdstuk III van de Wet Werkloosheidsvoorziening en op de eerste dag van werkloosheid 47,5 jaar of ouder is, heeft na afloop van de uitkeringsduur, bedoeld in artikel 17 of bedoeld in de Wet Werkloosheidsvoorziening , recht op uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, tenzij dat anders dan op grond van artikel 2, eerste lid, onderdeel a , sub 2° en 3°, van laatstgenoemde wet wordt verhinderd.
2.
De persoon die op de dag, voorafgaande aan die waarop de nieuwe Werkloosheidswet in werking treedt, recht had op uitkering op grond van hoofdstuk III b van de Wet Werkloosheidsvoorziening, heeft met ingang van de dag waarop de nieuwe Werkloosheidswet in werking treedt recht op uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, tenzij dat anders dan op grond van artikel 2, eerste lid, onderdeel a , sub 2° en 3°, van laatstgenoemde wet wordt verhinderd.
3.
Artikel 4, tweede lid, en artikel 5, tweede lid, zijn van overeenkomstige toepassing met betrekking tot het eerste lid, met dien verstande dat voor de persoon op wie artikel 4, tweede lid, onderdeel b, of artikel 5, tweede lid, onderdeel b, van toepassing is, als eerste dag van werkloosheid wordt beschouwd de eerste dag dat hij recht op uitkering op grond van de Werkloosheidswet of vanaf het bereiken van de leeftijd van 48 jaar op grond van Hoofdstuk III van de Wet Werkloosheidsvoorziening zou hebben gehad.
4.
Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op de persoon, bedoeld in het tweede lid, die op de dag, voorafgaande aan die waarop de nieuwe Werkloosheidswet in werking treedt, geen recht had op een uitkering op grond van hoofdstuk III b van de Wet Werkloosheidsvoorziening, omdat dat recht is onderbroken door werkaanvaarding of een omstandigheid als bedoeld in artikel 5, tweede lid, doch die na afloop van die onderbreking recht zou hebben gehad op deze uitkering, indien dat hoofdstuk niet zou zijn vervallen.
Artikel 8
Ter zake van werkloosheid ontstaan voor de dag waarop de nieuwe Werkloosheidswet in werking treedt en in verband met die werkloosheid de artikelen 4 tot en met 7 niet van toepassing zijn, ontstaat geen recht op uitkering op grond van de nieuwe Werkloosheidswet .
Artikel 9
Onze Minister is bevoegd met betrekking tot deze afdeling nadere en zo nodig afwijkende regels te stellen.
1.
Tot het tijdstip, aangewezen op grond van artikel 7, eerste lid, van de nieuwe Werkloosheidswet kunnen ten aanzien van degene die overheidswerknemer is, in de zin van artikel 1, onderdeel l, onder 1, van de Wet overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen, uit hoofde van zijn arbeidsverhouding tot de Stichting Pensioenfonds ABP of een lichaam als bedoeld in artikel 2 van de Wet privatisering ABP, niet zijnde het Rijk, een provincie, gemeente, waterschap, veenschap of veenpolder, bij algemene maatregel van bestuur voorschriften worden gegeven omtrent zijn ten laste van die stichting of dat lichaam komende aanspraken bij werkloosheid.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing op degene, die overheidswerknemer is uit hoofde van zijn arbeidsverhouding tot een lichaam als bedoeld in artikel 2, onderdelen b tot en met e, van de Wet privatisering ABP, mits zodanig lichaam krachtens subsidievoorwaarden voorschriften als bedoeld in het eerste lid toepast.
3.
Bij de in het eerste lid bedoelde algemene maatregel van bestuur kunnen voorschriften worden gegeven omtrent aanspraken bij werkloosheid ten laste van een lichaam als bedoeld in dat lid van degene, die op de dag, voorafgaande aan die waarop de nieuwe Werkloosheidswet in werking treedt, een aanspraak op uitkering ontleent aan de algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 6, derde lid, van de Werkloosheidswet.
Artikel 11
De personen, bedoeld in de artikelen 4 en 6, worden geacht te voldoen aan de voorwaarde, bedoeld in artikel 17 van de nieuwe Werkloosheidswet.
1.
De persoon die op de dag, onmiddellijk voorafgaande aan het intreden van zijn werkloosheid, werknemer in de zin van de nieuwe Werkloosheidswet was en die in de periode van 12 maanden, bedoeld in artikel 17 van die wet, in weken, gelegen vóór de dag, waarop die wet in werking treedt, arbeid heeft verricht als werknemer in de zin van de Werkloosheidswet of de Wet Werkloosheidsvoorziening, dan wel zijn militaire dienstplicht of in plaats daarvan vervangende dienst heeft vervuld, wordt met betrekking tot de weken waarin hij deze arbeid heeft verricht beschouwd als werknemer in de zin van de nieuwe Werkloosheidswet .
2.
De persoon die op de dag, onmiddellijk voorafgaande aan het intreden van zijn werkloosheid, werknemer in de zin van de nieuwe Werkloosheidswet was en die in de periode van 36 weken, bedoeld in artikel 17 van die wet, in weken vanaf de dag waarop die wet in werking treedt, arbeid heeft verricht in een arbeidsverhouding ter zake waarvan hem door het Rijk invaliditeitspensioen is verzekerd, wordt met betrekking tot de weken waarin hij deze arbeid heeft verricht beschouwd als werknemer in de zin van de nieuwe Werkloosheidswet .
3.
Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op de persoon die op de dag onmiddellijk voorafgaande aan het intreden van zijn werkloosheid werknemer in de zin van de Werkloosheidswet was en wiens werkloosheid begint op de dag waarop de nieuwe Werkloosheidswet in werking treedt.
4.
Artikel 17 a van de nieuwe Werkloosheidswet is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot het eerste, tweede en derde lid.
5.
Ten aanzien van de persoon die op de dag, voorafgaande aan die waarop de nieuwe Werkloosheidswet in werking treedt, recht had op een arbeidsongeschiktheidsuitkering als bedoeld in artikel 51 en die op het tijdstip waarop de arbeidsongeschiktheid intrad werknemer was in de zin van de Werkloosheidswet , zijn het eerste en het vierde lid van overeenkomstige toepassing.
6.
Onze Minister is bevoegd met betrekking tot dit artikel nadere en zo nodig afwijkende regels te stellen.
Artikel 13
In afwijking van artikel 22 van de nieuwe Werkloosheidswet stelt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen ambtshalve vast of de persoon, bedoeld in artikel 4, wiens recht op uitkering is geëindigd wegens het bereiken van de maximumuitkeringsduur op grond van de Werkloosheidswet of artikel 4, en de persoon, bedoeld in artikel 6, recht op uitkering op grond van de nieuwe Werkloosheidswet hebben.
1.
Indien ten aanzien van de persoon, bedoeld in artikel 4, op de dag, voorafgaande aan die waarop de nieuwe Werkloosheidswet op hem van toepassing wordt, artikel 31, eerste lid, onderdeel a tot en met f, zo nodig in verbinding met artikel 39 van de Werkloosheidswet van toepassing was en ten aanzien van de persoon, bedoeld in artikel 6, op dat tijdstip artikel 14 van de Wet Werkloosheidsvoorziening van toepassing was, wordt deze toepassing voortgezet, tenzij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen met gebruikmaking van zijn bevoegdheid, bedoeld in artikel 27, eerste en tweede lid, van de nieuwe Werkloosheidswet, anders beslist.
2.
Bij het gebruik maken van de bevoegdheid, bedoeld in artikel 27, eerste en tweede lid, van de nieuwe Werkloosheidswet, kan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen de uitkering niet verder weigeren en de uitkeringsduur niet verder beperken dan de mate waarin en de duur waarover uitsluiting of verlaging van de uitkering op grond van artikel 31, eerste lid, onderdeel a tot en met f, zonodig in verbinding met artikel 39 van de Werkloosheidswet of artikel 14 van de Wet Werkloosheidsvoorziening nog zou hebben plaatsgehad, indien de nieuwe Werkloosheidswet niet in werking was getreden.
Artikel 15
De artikelen 36 en 37 van de nieuwe Werkloosheidswet zijn van overeenkomstige toepassing op de uitkering op grond van de Werkloosheidswet .
Artikel 16
Indien aan een werknemer als bedoeld in artikel 5 of 6, uitkering op grond van de Wet Werkloosheidsvoorziening is toegekend over een periode, waarover recht op uitkering op grond van de nieuwe Werkloosheidswet bestaat, is het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen bevoegd de uitkering over die periode tot ten hoogste het bedrag van die toegekende uitkering, zonder machtiging van de werknemer, te betalen aan het betrokken gemeentebestuur.
1.
In afwijking van artikel 42, eerste en tweede lid, en artikel 49 van de nieuwe Werkloosheidswet is de uitkeringsduur voor de persoon, bedoeld in artikel 4 en artikel 5, vierde lid, die op de eerste dag van de werkloosheid:
a. jonger is dan 22,5 jaar, indien hij aantoont in de periode van drie jaar aan het intreden van zijn werkloosheid onmiddellijk voorafgaande, ten minste gedurende twee en een half jaar als werknemer in de zin van de Werkloosheidswet of de Wet Werkloosheidsvoorziening in een dienstbetrekking van 8 of meer uren per week te hebben gestaan: een half jaar;
b. 22,5 jaar of ouder is, doch jonger dan 29,5 jaar: één jaar;
c. 29,5 jaar of ouder is, doch jonger dan 34,5 jaar: anderhalf jaar;
d. 34,5 jaar of ouder is, doch jonger dan 57,5 jaar: twee jaar.
2.
Voor de werknemer, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a , b en c , wordt de uitkeringsduur verlengd met een half jaar, indien hij aantoont in de periode van vijf jaar aan het intreden van zijn werkloosheid onmiddellijk voorafgaande, ten minste gedurende drie jaar als werknemer in de zin van de Werkloosheidswet of de Wet Werkloosheidsvoorziening in een dienstbetrekking van 8 of meer uren per week te hebben gestaan.
3.
Perioden waarin de persoon, bedoeld in artikel 4:
a. voor de dag, waarop de nieuwe Werkloosheidswet in werking treedt ter zake van een geëindigde dienstbetrekking van 8 of meer uren per week recht had op een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering berekend naar een arbeidsongeschiktheid van 80% of meer;
b. voor of vanaf de dag, waarop de nieuwe Werkloosheidswet in werking treedt ter zake van een geëindigde dienstbetrekking van 8 of meer uren per week op grond waarvan hem door het Rijk invaliditeitspensioen was verzekerd, recht had op een arbeidsongeschiktheidsuitkering berekend naar een arbeidsongeschiktheid van 80% of meer;
c. voor de dag, waarop de nieuwe Werkloosheidswet in werking treedt, recht had op een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van hoofdstuk III van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen berekend naar een arbeidsongeschiktheid van 80% of meer;
d. voor de dag, waarop de nieuwe Werkloosheidswet in werking treedt, ter zake van een geëindigde dienstbetrekking van 8 of meer uren per week recht had op een uitkering op grond van de Ziektewet over de maximale duur, bedoeld in artikel 29, tweede lid, van die wet;
e. anders dan genoemd in onderdeel a tot en met d , voor of vanaf de dag, waarop de nieuwe Werkloosheidswet in werking treedt, recht had op een uitkering, die naar aard en strekking overeenkomt met een uitkering als bedoeld in onderdeel a of d ;
worden in aanmerking genomen voor de periode van twee en een half jaar, bedoeld in het eerste lid, en de periode van drie jaar, bedoeld in het tweede lid.
4.
Tijdens de duur op grond van dit artikel is artikel 34, vierde en vijfde lid, van de nieuwe Werkloosheidswet niet van toepassing. Tevens worden, in afwijking van artikel 34, zesde lid, van de nieuwe Werkloosheidswet, tijdens de duur op grond van dit artikel, inkomsten uit ouderdomspensioen niet op de uitkering in mindering gebracht, voor zover zij door de werknemer reeds vóór het intreden van zijn werkloosheid werden genoten naast de inkomsten uit het beroep, waaruit hij werkloos is.
5.
Artikel 42, vierde tot en met negende lid, van de nieuwe Werkloosheidswet is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot de periode van twee en een half jaar, bedoeld in het eerste lid, en de periode van drie jaar, bedoeld in het tweede lid.
6.
De artikelen 43 en 76 van de nieuwe Werkloosheidswet zijn van overeenkomstige toepassing met betrekking tot de uitkeringsduur, bedoeld in het eerste en het tweede lid.
Artikel 18
Indien het recht op uitkering op grond van de Werkloosheidswet van de persoon, bedoeld in artikel 4, eerste en tweede lid, door het verrichten van arbeid als werknemer is geëindigd en vervolgens na beëindiging van die arbeid op een tijdstip, gelegen binnen vijf jaar na inwerkingtreding van de nieuwe Werkloosheidswet , recht op uitkering is ontstaan op grond van de nieuwe Werkloosheidswet , zonder dat aan de voorwaarde, bedoeld in artikel 42, tweede lid, onderdeel a , van die wet wordt voldaan, wordt de duur van die uitkering voor zover de werknemer ter zake van het eerstbedoelde recht aan de in artikel 17, eerste en tweede lid, genoemde voorwaarden voldeed, verlengd met de duur, bedoeld in die leden.
Artikel 19
Indien het recht op uitkering op grond van de Wet Werkloosheidsvoorziening van de persoon, bedoeld in artikel 5, eerste en tweede lid, door het verrichten van arbeid als werknemer geheel of gedeeltelijk is geëindigd en vervolgens na beëindiging van die arbeid op een tijdstip, gelegen binnen vijf jaar na inwerkingtreding van de nieuwe Werkloosheidswet , recht op uitkering is ontstaan op grond van de nieuwe Werkloosheidswet , zonder dat aan de voorwaarde, bedoeld in artikel 42, tweede lid, onderdeel a , van die wet wordt voldaan, wordt de duur van die uitkering verlengd met de duur van de uitkering op grond van de Wet Werkloosheidsvoorziening , die de werknemer als gevolg van de eindiging van het recht op uitkering op grond van de Wet Werkloosheidsvoorziening niet heeft ontvangen.
Artikel 20
In afwijking van artikel 42, eerste en tweede lid, en artikel 49 van de nieuwe Werkloosheidswet, eindigt de uitkeringsduur voor de persoon, bedoeld in artikel 6, op de eerste dag van de maand waarin hij de leeftijd van 65 jaar bereikt. Het vierde lid van artikel 17 is van overeenkomstige toepassing.
1.
De persoon die op de dag, onmiddellijk voorafgaande aan het intreden van zijn werkloosheid, werknemer in de zin van de nieuwe Werkloosheidswet was, wordt voor de toepassing van de artikelen 17 , onderdeel b, en 17 b van die wet als werknemer in de zin van die wet beschouwd gedurende de periode waarin hij:
a. voor de dag, waarop de nieuwe Werkloosheidswet in werking treedt, als werknemer in de zin van de Werkloosheidswet of de Wet Werkloosheidsvoorziening in dienstbetrekking heeft gestaan dan wel zijn militaire dienstplicht of in plaats daarvan vervangende dienst heeft vervuld;
b. vanaf de dag, waarop de nieuwe Werkloosheidswet in werking treedt, een arbeidsverhouding had ter zake waarvan hem door het Rijk invaliditeitspensioen was verzekerd.
2.
Ten aanzien van de persoon, bedoeld in artikel 12, derde en vijfde lid, is het eerste lid, onderdeel a, van overeenkomstige toepassing.
3.
Met betrekking tot de periode voor de dag, waarop de nieuwe Werkloosheidswet in werking treedt, is artikel 17, derde lid, van overeenkomstige toepassing.
4.
Met betrekking tot de periode vanaf de dag, waarop de nieuwe Werkloosheidswet in werking treedt, is artikel 17, derde lid, onderdeel b en e, van overeenkomstige toepassing.
5.
Onze Minister is bevoegd met betrekking tot dit artikel nadere en zo nodig afwijkende regels te stellen.
1.
Ten aanzien van de persoon, bedoeld in de artikelen 4, 5, vierde lid, en 6, bedraagt de uitkering per dag 70% van het dagloon dat gold op de dag, voorafgaande aan die waarop de nieuwe Werkloosheidswet in werking treedt.
2.
Indien voor de persoon, bedoeld in de artikelen 4, 5, vierde lid, en 6, op de dag voorafgaande aan die waarop de nieuwe Werkloosheidswet op hem van toepassing wordt als dagloon het minimumdagloon in aanmerking werd genomen, blijft, zodra de nieuwe Werkloosheidswet op hem van toepassing wordt, het minimumdagloon voor hem gelden zolang hij voldoet aan de voorwaarden zoals deze op de dag voorafgaande aan die waarop de nieuwe Werkloosheidswet in werking treedt op grond van de Werkloosheidswet of de Wet Werkloosheidsvoorziening en de daarop berustende bepalingen zijn gesteld.
3.
Indien voor de persoon, bedoeld in de artikelen 4, 5, vierde lid, en 6, op de dag voorafgaande aan die waarop de nieuwe Werkloosheidswet op hem van toepassing wordt, het minimumdagloon in aanmerking werd genomen met toepassing van artikel 12 c , derde lid, van de Werkloosheidswet of 5 c , derde lid, van de Wet Werkloosheidsvoorziening, wordt voor het recht op toeslag op grond van de Toeslagenwet als dagloon aangemerkt 70% van het voor deze persoon in aanmerking genomen minimumdagloon.
In afwijking van de op grond van artikel 12 a van de Werkloosheidswet en artikel 5 a van de Wet Werkloosheidsvoorziening gestelde regels wordt het dagloon, bedoeld in artikel 22, herzien overeenkomstig artikel 46 van de nieuwe Werkloosheidswet .
Artikel 23
In afwijking van de op grond van artikel 12a van de Werkloosheidswet en artikel 5a van de Wet Werkloosheidsvoorziening gestelde regels wordt het dagloon, bedoeld in artikel 22, herzien overeenkomstig artikel 46 van de nieuwe Werkloosheidswet.
1.
De persoon die 21 jaar of ouder is, die voor de toepassing van de Toeslagenwet niet als gehuwd wordt aangemerkt en voor wie de algemene heffingskorting, bedoeld in artikel 22 van de Wet op de loonbelasting 1964, maar niet de alleenstaande-ouderkorting, bedoeld in artikel 8.15 van de Wet inkomstenbelasting 2001, van toepassing is en die recht heeft op uitkering op grond van de Werkloosheidswet of de nieuwe Werkloosheidswet die bij de aanvang van de werkloosheid is berekend naar een dagloon dat ten minste gelijk is aan 70% van het minimumloon, bedoeld in artikel 14, tweede lid, van de nieuwe Werkloosheidswet, heeft recht op een verhoging van zijn uitkering op grond van de Werkloosheidswet of hoofdstuk II van de nieuwe Werkloosheidswet, indien die uitkering per dag, indien hij 21 jaar, 22 jaar onderscheidenlijk 23 jaar of ouder is, minder bedraagt dan f 47,96, f 55,77 onderscheidenlijk f 65,50. [Red: per 1 juli 2007: €  € 30,05, € 35,71, onderscheidenlijk € 46,53.]
2.
De in het eerste lid bedoelde verhoging bedraagt het verschil tussen het bedrag, genoemd in het eerste lid, en de uitkering per dag op grond van de Werkloosheidswet of hoofdstuk II van de nieuwe Werkloosheidswet dan wel, indien tegelijkertijd recht bestaat op meerdere uitkeringen op grond van de nieuwe Werkloosheidswet , het totaalbedrag van die uitkeringen, doch ten hoogste het verschil tussen het bedrag, genoemd in het eerste lid, en 70% van het minimumloon, zijnde het minimumloon per maand, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag, gedeeld door 21,75, of, indien het een persoon jonger dan 23 jaar betreft, het minimumloon per maand dat voor zijn leeftijd geldt op grond van artikel 7, derde lid, en artikel 8, derde lid, van genoemde wet, gedeeld door 21,75.
3.
De bedragen, genoemd in het eerste lid, worden door Onze Minister herzien op dezelfde wijze en op hetzelfde tijdstip als waarop de bedragen genoemd in hoofdstuk 3 van de Wet werk en bijstand worden herzien, waarna de herziene bedragen voor de in het eerste lid genoemde bedragen in de plaats treden.
Artikel 26
Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen laat, op zijn verzoek, tot de vrijwillige werkloosheidsverzekering, bedoeld in hoofdstuk III van de nieuwe Werkloosheidswet, toe de persoon, jonger dan 65 jaar, die op de dag, waarop de nieuwe Werkloosheidswet in werking treedt:
a. buiten Nederland woont en aldaar een dienstbetrekking vervult en wiens werkgever binnen Nederland woont of gevestigd is; of
b. Nederlander is en die werkzaamheden verricht in een ontwikkelingsland.
1.
Het verzoek om toelating tot de vrijwillige werkloosheidsverzekering op grond van artikel 26, dient te worden ingediend binnen drie maanden na de dag, waarop de nieuwe Werkloosheidswet in werking treedt.
2.
Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen is bevoegd te verklaren dat een verzoek om toelating, ingediend na afloop van de in het eerste lid gestelde termijn, geacht wordt tijdig te zijn ingekomen, indien de persoon die het verzoek heeft gedaan, redelijkerwijs niet geacht kan worden in verzuim te zijn geweest.
Artikel 28
Met inachtneming van hetgeen in de Ziektewet met betrekking tot de vrijwillige verzekering op grond van die wet overigens is bepaald, laat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen de persoon, bedoeld in artikel 26, die niet op grond van de Ziektewet is verzekerd, tegelijkertijd tot die verzekering toe.
Artikel 29
Met betrekking tot het recht op uitkering, bedoeld in artikel 15 van de nieuwe Werkloosheidswet en de duur van de uitkering, bedoeld in de artikelen 42 en 49 van de nieuwe Werkloosheidswet, van de persoon, bedoeld in artikel 26, worden van de periode voorafgaande aan de dag, waarop de nieuwe Werkloosheidswet in werking treedt slechts in aanmerking genomen de weken waarin hij:
a. arbeid heeft verricht als werknemer in de zin van de Werkloosheidswet ;
b. arbeid heeft verricht in een arbeidsverhouding ter zake waarvan hem door het Rijk invaliditeitspensioen is verzekerd;
c. zijn militaire dienstplicht of in plaats daarvan vervangende dienst heeft vervuld;
d. arbeid heeft verricht als werknemer in de zin van de Wet Werkloosheidsvoorziening en voor werkzaamheden buiten Nederland is uitgezonden in het kader van ontwikkelingssamenwerking, of werkzaam is voor een volkenrechtelijke organisatie, waarvan Nederland lid is dan wel waarvan de werkzaamheden door Nederland worden ondersteund.
Artikel 30
Hoofdstuk III van de nieuwe Werkloosheidswet is, voor zover daarvan in deze afdeling niet is afgeweken, van overeenkomstige toepassing met betrekking tot de vrijwillige werkloosheidsverzekering van de persoon, bedoeld in artikel 26.
Artikel 31
Een wachtgeldfonds als bedoeld in artikel 102 van de nieuwe Werkloosheidswet respectievelijk het Algemeen Werkloosheidsfonds, bedoeld in artikel 103, van die wet is een voortzetting van een fonds als bedoeld in artikel 20, tweede lid, van de Werkloosheidswet respectievelijk een voortzetting van het fonds, bedoeld in hoofdstuk II van die wet, in de vorm van een afzonderlijk beheerd en geadministreerd onderdeel van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
1.
De persoon, bedoeld in artikel 6, is verzekerd bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
2.
Het gemeentebestuur waarvan de persoon, bedoeld in artikel 6, uitkering ontvangt, meldt die persoon aan bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
Artikel 33
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 34
Artikel 24 zoals dat luidde op de dag voor inwerkingtreding van artikel I, onderdeel A, van de Verzamelwet sociale verzekeringen 2007 blijft van toepassing met betrekking tot een recht op uitkering op grond van hoofdstuk IIa of IIb van de nieuwe Werkloosheidswet zoals die hoofdstukken luidden op de dag voor inwerkingtreding van artikel I, onderdeel J, van de Wet wijziging WW-stelsel, waarvan de eerste werkloosheidsdag is gelegen op of voor laatstbedoelde dag.
Artikel 35
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 36
Totdat het bij koninklijke boodschap van 4 mei 1983 ingediende voorstel van wet houdende algemene regeling van beslag op loon, sociale uitkeringen en andere periodieke betalingen (kamerstukken II, 1982/83, 17 897) tot wet is verheven en in werking is getreden, luiden artikel 40, eerste lid, van de nieuwe Werkloosheidswet , artikel 25, eerste lid, van de Toeslagenwet en artikel 25, eerste lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers als volgt:
1. De uitkering is:
a. onvervreemdbaar;
b. niet vatbaar voor verpanding of belening;
c. behoudens voor zover dit dient tot verhaal van levensonderhoud waartoe de betrokkene volgens de wet is gehouden, niet vatbaar voor executoriaal of conservatoir beslag, noch voor faillissementsbeslag.
1.
Vanaf de dag, waarop de nieuwe Werkloosheidswet in werking treedt, vindt geen vergoeding aan de gemeente plaats van de kosten, bedoeld in artikel 40, onderdeel e en f , van de Wet Werkloosheidsvoorziening .
2.
Het Rijk verstrekt gedurende vier perioden van twaalf maanden vanaf de dag waarop de nieuwe Werkloosheidswet in werking treedt, aan de gemeente een uitkering, die is gebaseerd op de kosten die over het dienstjaar 1984 op grond van artikel 40, onderdeel e en f , van de Wet Werkloosheidsvoorziening aan de gemeente zijn vergoed.
3.
De uitkering, bedoeld in het tweede lid, bedraagt gedurende de eerste tot en met de vierde periode van 12 maanden vanaf de dag waarop de nieuwe Werkloosheidswet in werking treedt, onderscheidenlijk 80%, 60%, 40% en 20% van de in het tweede lid bedoelde kosten.
4.
Vanaf 1 januari 1991 verstrekt het Rijk aan de gemeente een uitkering van f 1050,- per toegewezen aanvraag.
5.
Onze Minister is bevoegd de verstrekte uitkering, bedoeld in het tweede en het vierde lid, gedeeltelijk terug te vorderen of te verrekenen, indien het gemeentebestuur niet of in onvoldoende mate voldoet aan zijn verplichtingen, bedoeld in artikel 26, eerste lid, van de Wet Werkloosheidsvoorziening.
6.
Onze Minister is bevoegd met betrekking tot de wijze van verstrekking van de in dit artikel bedoelde uitkeringen nadere regels te stellen.
Artikel 38
Beslissingen en uitkeringen op grond van dit hoofdstuk of de daarop berustende bepalingen worden, voor zover de Werkloosheidswet of de Wet Werkloosheidsvoorziening en de op die wetten berustende bepalingen niet van toepassing blijven, voor de toepassing van wettelijke bepalingen beschouwd als beslissingen en uitkeringen op grond van de nieuwe Werkloosheidswet , onderscheidenlijk de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers .
Artikel 39
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 40
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 41
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 42
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
1.
Ten aanzien van de persoon, die op de dag, voorafgaande aan die waarop deze wet in werking treedt, recht had op een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet , berekend naar een grondslag als bedoeld in artikel 10, derde en vierde lid, van die wet , zoals die leden luidden op de dag, voorafgaande aan die waarop deze wet in werking treedt, worden de wijzigingen van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet als vervat in artikel 39, onderdeel D tot en met F en Q, geacht niet te hebben plaatsgevonden zolang de betrokkene voldoet aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 10, derde of vierde lid, in verbinding met artikel 10 a , tweede en derde lid, van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet, zoals die leden luidden op de dag, voorafgaande aan die waarop deze wet in werking treedt, doch uiterlijk tot een binnen een jaar na die dag gelegen tijdstip, waarop op grond van artikel 10 a , tweede en derde lid, van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet, zoals dat artikel luidde op de dag, voorafgaande aan die waarop deze wet in werking treedt, het inkomen opnieuw zou dienen te worden vastgesteld, indien de in voornoemd artikel 10 a bedoelde perioden op één jaar zouden zijn gesteld.
2.
Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de persoon, bedoeld in artikel V van de wet van 29 december 1982, Stb. 737, zoals dat artikel luidde op de dag, voorafgaande aan die waarop deze wet in werking treedt. Ten aanzien van de in de vorige volzin bedoelde persoon blijft de wijziging van de Wet van 29 december 1982 ( Stb. 737) als vervat in artikel 42, buiten toepassing tot het tijdstip, bedoeld in het eerste lid.
3.
Voor de persoon, bedoeld in het eerste of tweede lid, wordt de toeslag op grond van de Toeslagenwet vanaf de dag waarop de in het eerste dan wel tweede lid bedoelde wijzigingen op hem van toepassing worden, ten minste vastgesteld op het verschil tussen de arbeidsongeschiktheidsuitkering waarop recht zou hebben bestaan indien de wijzigingen van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet als vervat in artikel 39, onderdeel D en E, en de wijziging, bedoeld in artikel 42, niet zouden hebben plaatsgevonden, en de som van de uitkeringen op grond van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering .
4.
Het derde lid is van toepassing zolang de betrokkene voldoet aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 10, derde en vierde lid, in verbinding met artikel 10 a , tweede en derde lid, van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet, zoals die leden luidden op de dag, voorafgaande aan die waarop deze wet in werking treedt, doch uiterlijk tot het tijdstip waarop op grond van artikel 10 a , tweede en derde lid, van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet, zoals die leden luidden op de dag voorafgaande aan die waarop deze wet in werking treedt, het inkomen voor de eerste keer na inwerkingtreding van deze wet opnieuw zou dienen te worden vastgesteld.
5.
De in het eerste en tweede lid bedoelde persoon, wiens grondslag was vastgesteld, of zou zijn vastgesteld indien artikel 90, eerste lid, onderdeel a , van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet niet op hem van toepassing was geweest, met toepassing van artikel 10, derde lid, onderdeel b , onderscheidenlijk artikel 10, vierde lid, onderdeel b , van die wet , zoals dat artikel luidde op de dag, voorafgaande aan die waarop deze wet in werking treedt, wordt, zolang hij ongehuwd is en een eigen kind of pleegkind heeft dat jonger is dan 18 jaar, dat tot zijn huishouden behoort of grotendeels op zijn kosten wordt onderhouden, vanaf het in het eerste lid bedoelde tijdstip tot een bij algemene maatregel van bestuur te bepalen datum voor de toepassing van de Toeslagenwet als gehuwd aangemerkt.
6.
Het verschil tussen het bedrag aan arbeidsongeschiktheidsuitkering, dat op grond van het eerste en het tweede lid wordt uitbetaald en het bedrag aan arbeidsongeschiktheidsuitkering dat zou worden uitbetaald indien het eerste lid niet zou hebben gegolden, wordt volgens door Onze Minister te stellen regels door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, ten laste van het Toeslagenfonds, bedoeld in artikel 31 van de Toeslagenwet, ten gunste gebracht van het Algemeen Arbeidsongeschiktheidsfonds, bedoeld in artikel 34 van de Wet financiering volksverzekeringen, onderscheidenlijk het Arbeidsongeschiktheidsfonds, bedoeld in artikel 72 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering. Voor de toepassing van de eerste volzin wordt onder arbeidsongeschiktheidsuitkering verstaan zowel uitkering op grond van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet als uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering .
7.
Het bedrag aan arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, dat zou worden uitbetaald dan wel meer zou worden uitbetaald indien het eerste lid niet zou hebben gegolden, wordt volgens door Onze Minister te stellen regels door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, ten laste van het Arbeidsongeschiktheidsfonds, bedoeld in artikel 72 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, ten gunste gebracht van het Algemeen Arbeidsongeschiktheidsfonds, bedoeld in artikel 34 van de Wet financiering volksverzekeringen.
8.
Ten aanzien van de persoon, bedoeld in het eerste of tweede lid, blijft de Toeslagenwet buiten toepassing tot de dag waarop de in het eerste dan wel tweede lid bedoelde wijzigingen op hem van toepassing worden.
1.
Voor de persoon, bedoeld in artikel 43, tweede lid, wiens arbeidsongeschiktheidsuitkering op de dag voorafgaande aan de dag waarop de in artikel 43, tweede lid bedoelde wijziging op hem van toepassing wordt is verhoogd met toepassing van artikel 22 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, wordt de toeslag op grond van de Toeslagenwet vanaf laatstgenoemde dag doch niet eerder dan vanaf de dag waarop geen recht meer bestaat op de toeslag, bedoeld in artikel 43, derde lid, vastgesteld op het verschil tussen de arbeidsongeschiktheidsuitkering waarop op de dag voorafgaande aan dat tijdstip recht zou hebben bestaan indien de wijziging bedoeld in artikel 42 niet zou hebben plaatsgevonden en de uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering .
2.
Het eerste lid is van toepassing voor zolang de betrokkene gehuwd is dan wel een eigen kind of pleegkind heeft dat jonger is dan 18 jaar en dat tot zijn huishouden behoort of grotendeels op zijn kosten wordt onderhouden, doch uiterlijk zolang artikel 22 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering wordt toegepast of tot het tijdstip waarop de echtgenoot van betrokkene aanspraak verkrijgt op een ouderdomspensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet ( Stb. 1985, 181).
3.
Voor de toepassing van het tweede lid wordt:
a. als ongehuwd aangemerkt degene die duurzaam gescheiden leeft van de persoon met wie hij gehuwd is.
b. als pleegkind aangemerkt een kind dat als een eigen kind wordt onderhouden en opgevoed.
1.
Ten aanzien van de persoon, die op de dag voorafgaande aan die waarop deze wet in werking treedt, recht had op een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de A lgemene Arbeidsongeschiktheidswet , berekend met toepassing van artikel 10, vijfde lid, van die wet , zoals dat lid luidde op de dag voorafgaande aan die waarop deze wet in werking treedt, en wiens arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet op de dag waarop deze wet in werking treedt niet wordt berekend met toepassing van artikel 10, eerste lid, van die wet , wordt de voor hem geldende grondslag vermenigvuldigd met de factor 8/7.
2.
Indien toepassing van het eerste lid leidt tot een grondslag, die hoger is dan het bedrag van de grondslag, bedoeld in artikel 10, eerste lid, van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet , wordt in afwijking van het eerste lid de grondslag vastgesteld op dat bedrag.
1.
De uitkeringsgerechtigde op grond van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, die zowel op de dag, voorafgaande aan die waarop deze wet in werking treedt, als op de dag waarop deze wet in werking treedt, recht had op een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van een van die of van beide wetten, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65% of 65 tot 80%, heeft, zolang hij in dezelfde arbeidsongeschiktheidsklasse blijft ingedeeld, in afwijking van artikel 12, eerste lid, van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet , onderscheidenlijk artikel 21, tweede lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering die per dag, de zaterdagen en de zondagen niet meegerekend, bedraagt bij een arbeidsongeschiktheid van:
55-65%: 44% van de grondslag onderscheidenlijk van 100/108 maal het dagloon of het vervolgdagloon
65-80%: 57% van de grondslag onderscheidenlijk van 100/108 maal het dagloon of het vervolgdagloon.
2.
Voor de toepassing van het eerste lid wordt te rekenen vanaf 30 januari 1986 een herziening van een arbeidsongeschiktheidsuitkering als bedoeld in artikel 28 van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet of artikel 38 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, geacht niet te hebben plaatsgevonden, indien de uitkeringsgerechtigde binnen 48 weken na de herziening weer wordt ingedeeld in dezelfde arbeidsongeschiktheidsklasse als voor die herziening.
1.
De persoon, die zowel op de dag, voorafgaande aan die waarop deze wet in werking treedt, als op de dag, waarop deze wet in werking treedt, recht had op arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet en op laatstbedoelde dag de leeftijd van 23 jaar nog niet heeft bereikt, heeft, indien zijn arbeidsongeschiktheidsuitkering niet was berekend met toepassing van artikel 10, vijfde lid, van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet , zoals dat lid luidde op de dag, voorafgaande aan die waarop deze wet in werking treedt, zolang hij de leeftijd van 23 jaar niet heeft bereikt recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering berekend naar een grondslag, die voor een uitkeringsgerechtigde van 18 jaar f 62,63, van 19 jaar f 72,97, van 20 jaar f 83,31, en van 21 en 22 jaar f 93,64 bedraagt.
2.
Artikel 10, vijfde lid, van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet is op de grondslag, bedoeld in het eerste lid, van overeenkomstige toepassing.
Artikel 47
Voor de toepassing van artikel 6, eerste lid, onderdeel a , van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet , worden ten aanzien van de verzekerde, wiens arbeidsongeschiktheid is ingetreden voor de dag, waarop artikel 39 in werking treedt, de wijzigingen, vervat in de onderdelen C en D van dat artikel geacht niet te hebben plaatsgevonden.
1.
De persoon, die 21 jaar of ouder is, die voor de toepassing van de Toeslagenwet niet als gehuwd wordt aangemerkt en voor wie de algemene heffingskorting, bedoeld in artikel 22 van de Wet op de loonbelasting 1964, maar niet de alleenstaande-ouderkorting, bedoeld in artikel 8.15 van de Wet inkomstenbelasting 2001, van toepassing is en die recht heeft op uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen , de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering , de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen of de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten of meer van deze wetten gezamenlijk, in verband met een arbeidsongeschiktheid van 80% of meer, en berekend naar een dagloon als bedoeld in artikel 13 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogendan wel artikel 14 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering of een vervolgdagloon als bedoeld in artikel 21b van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, dat ten minste gelijk is aan 70% van het minimumloon, bedoeld in artikel 12, eerste lid, onderdeel b, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen en 13, tweede lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, of berekend naar een grondslag die ten minste gelijk is aan 70% van het minimumloon als bedoeld in artikel 8, zevende lid, van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, of artikel 7, tweede lid, van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten, heeft recht op en verhoging van zijn uitkering, indien zijn uitkering per dag, indien hij 21 jaar, 22 jaar, onderscheidenlijk 23 jaar of ouder is, minder bedraagt dan € 28,09, € 34,46, onderscheidenlijk € 44,25. [Red: per 1 juli 2007: €  € 30,05, € 35,71, onderscheidenlijk € 46,53.]
2.
De in het eerste lid bedoelde verhoging bedraagt het verschil tussen het voor betrokkene geldende bedrag, genoemd in het eerste lid, en de uitkering per dag, doch ten hoogste het verschil tussen het voor betrokkene geldende bedrag, genoemd in het eerste lid, en 70% van het minimumloon, zijnde het minimumloon per maand, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag, gedeeld door 21,75, of, indien het een persoon jonger dan 23 jaar betreft, het minimumloon per maand dat voor zijn leeftijd geldt op grond van artikel 7, derde lid, en artikel 8, derde lid van genoemde wet,, gedeeld door 21,75.
3.
Voor de toepassing van het eerste en tweede lid wordt onder uitkering verstaan het totaalbedrag aan uitkering per dag op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen , de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering , de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen en de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten .
4.
Bij ministeriële regeling worden regels gesteld inzake het aanmerken van de in het eerste lid bedoelde verhoging als een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen , de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering , de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen of de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten .
5.
De bedragen, genoemd in het eerste lid, worden door Onze Minister herzien op dezelfde wijze en op hetzelfde tijdstip als waarop de bedragen, genoemd in hoofdstuk 3 van de Wet werk en bijstand worden herzien, waarna de herziene bedragen voor de in het eerste lid genoemde bedragen in de plaats treden.
Artikel 49
De persoon ten aanzien van wie op de dag, voorafgaande aan die waarop artikel 39 in werking treedt, artikel 8 van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet van toepassing is en over die dag recht heeft op een uitkering op grond van die wet, aan wie die uitkering als gevolg van artikel 39, onderdeel D tot en met F, niet meer wordt betaald, wordt voor de toepassing van de Toeslagenwet geacht een tot uitbetaling komende uitkering op grond van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet te hebben, zolang die uitkering zou zijn betaald, indien artikel 39, onderdeel D tot en met F, niet in werking zou zijn getreden.
Artikel 51
In deze afdeling en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder arbeidsongeschiktheidsuitkering een uitkering op grond van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet of de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering of beide wetten.
1.
De artikelen 5 , 12, tweede tot en met vierde lid , en 23, van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet en de artikelen 18, 21, tweede tot en met vierde lid, en 32 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering , zoals die artikelen luidden op de dag, voorafgaande aan die waarop de Wijzigingswet AAW/WAO in werking treedt, blijven van toepassing op de persoon die op die dag recht had op een arbeidsongeschiktheidsuitkering en op die dag de leeftijd van 35 jaar heeft bereikt.
2.
De artikelen 5 , 12, tweede tot en met vierde lid , en artikel 23 van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet , zoals die artikelen luidden op de dag, voorafgaande aan die, waarop de Wijzigingswet AAW/WAO in werking treedt, blijven van toepassing op de persoon, die op die dag recht had op een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van artikel 6, eerste lid, onderdeel b , van die wet .
3.
Vanaf de datum dat de Wet terugdringing beroep op de arbeidsongeschiktheidsregelingen ( Stb. 1993, 412) in werking is getreden vinden de voorgaande leden nog slechts toepassing met betrekking tot personen die op die datum de leeftijd van 45 jaar hebben bereikt.
1.
De persoon die op de dag, voorafgaande aan die waarop de Wijzigingswet AAW/WAO in werking treedt, recht had op een arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van 80% of meer en op die dag de leeftijd van 35 jaar nog niet heeft bereikt, en wiens arbeidsongeschiktheid als gevolg van het bepaalde in de Wijzigingswet AAW/WAO met ingang van een later gelegen dag minder bedraagt dan 80%, heeft met ingang van die later gelegen dag recht op aanvullende uitkering.
2.
Geen recht op aanvullende uitkering heeft de persoon die niet voldoet aan de voorwaarden voor het recht op werkloosheidsuitkering, bedoeld in de artikelen 15 tot en met 17 van de nieuwe Werkloosheidswet, of op wie een uitsluitingsgrond als bedoeld in artikel 19 van die wet van toepassing is.
3.
De duur van de aanvullende uitkering is voor de persoon, die op de dag, waarop de Wijzigingswet AAW/WAO in werking treedt:
a. jonger is dan 23 jaar: één jaar;
b. 23 jaar of ouder is, doch jonger dan 30 jaar: twee jaar;
c. 30 jaar of ouder is, doch jonger dan 35 jaar: drie jaar.
4.
Indien de persoon die recht heeft op aanvullende uitkering gedurende de laatste vijf jaar voor de dag, waarop de Wijzigingswet AAW/WAO in werking treedt, recht had op een arbeidsongeschiktheidsuitkering berekend naar een arbeidsongeschiktheid van 80% of meer, is, in afwijking van het derde lid, de duur van de aanvullende uitkering vijf jaar.
5.
Het bedrag van de aanvullende uitkering wordt berekend met overeenkomstige toepassing van de artikelen 44 tot en met 47 van de nieuwe Werkloosheidswet.
6.
Dit artikel is slechts van toepassing indien de later gelegen dag, bedoeld in het eerste lid, niet later is gelegen dan binnen twee jaar na de dag, waarop de Wijzigingswet AAW/WAO in werking treedt en ten aanzien van de persoon, bedoeld in het derde lid, onderdeel c , niet eerder dan een jaar na de dag waarop de Wijzigingswet AAW/WAO in werking treedt. Onze Minister is bevoegd voor bepaalde categorieën personen andere tijdvakken dan als genoemd in de eerste volzin vast te stellen.
1.
De persoon die recht heeft op de aanvullende uitkering, bedoeld in artikel 53, heeft na het verstrijken van de daarvoor geldende uitkeringsduur aansluitend recht op aanvullende vervolguitkering gedurende een jaar, indien hij voldoet aan de voorwaarden, bedoeld in de artikelen 15 en 16, alsmede 42, tweede tot en met negende lid, of artikel 48, tweede lid, van de nieuwe Werkloosheidswet en op wie geen uitsluitingsgrond als bedoeld in artikel 19 van die wet van toepassing is.
2.
Het bedrag van de aanvullende vervolguitkering wordt berekend met overeenkomstige toepassing van de artikelen 51 en 52 van de nieuwe Werkloosheidswet.
1.
Met betrekking tot de aanvullende uitkering en de aanvullende vervolguitkering zijn de artikelen 20, 22 tot en met 40, 76, 128 en 129 van de nieuwe Werkloosheidswet van overeenkomstige toepassing.
2.
De persoon, die in verband met werkloosheid recht heeft op aanvullende uitkering of aanvullende vervolguitkering, heeft ter zake van dezelfde werkloosheid geen recht op uitkering op grond van de nieuwe Werkloosheidswet .
3.
De aanvullende uitkering en de aanvullende vervolguitkering worden, voor zover in deze wet of de daarop berustende bepalingen niet anders is bepaald, voor de toepassing van wettelijke bepalingen beschouwd als uitkering op grond van de nieuwe Werkloosheidswet .
4.
De aanvullende uitkering en de aanvullende vervolguitkering komen ten laste van het Algemeen Arbeidsongeschiktheidsfonds, bedoeld in artikel 34 van de Wet financiering volksverzekeringen en het Arbeidsongeschiktheidsfonds, bedoeld in artikel 72 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering.
5.
Onze Minister stelt regels met betrekking tot de verdeling van de lasten, bedoeld in het vierde lid, over de in dat lid genoemde fondsen.
1.
Indien het recht op aanvullende uitkering of aanvullende vervolguitkering op grond van artikel 20, eerste lid, onderdeel a, b, c of d van de nieuwe Werkloosheidswet geheel of gedeeltelijk is geëindigd, en vervolgens de omstandigheid die tot dat eindigen heeft geleid heeft opgehouden te bestaan, zonder dat een recht op uitkering als bedoeld in artikel 15 van die wet is ontstaan, herleeft het recht op aanvullende uitkering of aanvullende vervolguitkering met overeenkomstige toepassing van artikel 8 van die weten de op grond van artikel 21, tweede lid, van die wet gestelde regels.
2.
Telkens nadat het recht op aanvullende uitkering of aanvullende vervolguitkering na een gehele eindiging van dat recht is herleefd op grond van het eerste lid, eindigt het recht op die uitkering zoveel later dan de in artikel 53, derde of vierde lid, dan wel in artikel 54, eerste lid, genoemde periode als de periode tussen de eindiging en de herleving van het recht op die uitkering heeft geduurd.
1.
Indien het recht op aanvullende uitkering door het verrichten van arbeid geheel of gedeeltelijk is geëindigd en vervolgens na beëindiging van die arbeid een recht op uitkering is ontstaan als bedoeld in artikel 15 van de nieuwe Werkloosheidswet, herleeft het recht op aanvullende uitkering, voor zover geen recht op genoemde uitkering bestaat, met ingang van de dag waarop het recht op die uitkering is ontstaan, en overigens met ingang van de eerste dag na het verstrijken van de uitkeringsduur, bedoeld in artikel 42 van die wet.
2.
Het eerste lid is slechts van toepassing indien de in het eerste lid bedoelde dag is gelegen binnen een tijdvak van:
a. twee jaar ten aanzien van de persoon, bedoeld in artikel 53, derde lid, onderdeel a;
b. vier jaar ten aanzien van de persoon, bedoeld in artikel 53, derde lid, onderdeel b;
c. zes jaar ten aanzien van de persoon, bedoeld in artikel 53, derde lid, onderdeel c;
d. tien jaar ten aanzien van de persoon, bedoeld in artikel 53, vierde lid;
te rekenen vanaf de later gelegen dag, bedoeld in artikel 53, eerste lid.
3.
Indien het recht op aanvullende uitkering na een gehele eindiging van dat recht is herleefd op grond van het eerste lid, is de uitkeringsduur de duur van de aanvullende uitkering die betrokkene als gevolg van die eindiging van het eerdere recht niet heeft ontvangen, doch ten hoogste de duur van de periode beginnend op de dag, bedoeld in het eerste lid, en eindigend op de laatste dag van het voor betrokkene geldende tijdvak, bedoeld in het tweede lid.
Artikel 58
Ten aanzien van de persoon, bedoeld in artikel 53, is artikel 2, eerste lid, onderdeel c , van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers van overeenkomstige toepassing, met dien verstande, dat in plaats van de uitkeringsduur op grond van de nieuwe Werkloosheidswet in aanmerking wordt genomen de uitkeringsduur op grond van deze afdeling.
Artikel 59
Onze Minister is bevoegd in verband met het recht op aanvullende uitkering nadere en zo nodig afwijkende regels te stellen met betrekking tot de voorwaarden, bedoeld in artikel 53, tweede lid.
Artikel 60
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 61
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 62
De persoon, ten aanzien van wie op de dag, voorafgaande aan die waarop artikel 60 in werking treedt, op grond van artikel 17, eerste lid, van de Ziektewet het minimumdagloon in aanmerking werd genomen en die op de dag van inwerkingtreding van artikel 60 op grond van die bepaling voor het minimumdagloon in aanmerking zou zijn gekomen als artikel 17 van de Ziektewet niet was vervallen, wordt ten hoogste gedurende de eerste zes weken van de ongeschiktheid tot werken voor het minimumdagloon in aanmerking gebracht.
1.
De persoon, ten aanzien van wie op de dag voorafgaande aan die waarop artikel 60 in werking treedt, op grond van artikel 17, tweede en derde lid, van de Ziektewet , het minimumdagloon in aanmerking werd genomen en op de dag van inwerkingtreding van artikel 60 op grond van die bepaling voor het minimumdagloon in aanmerking zou zijn gekomen als artikel 17 van de Ziektewet niet was vervallen, wordt zolang hij onafgebroken uitkering op grond van de Ziektewet ontvangt voor het minimumdagloon in aanmerking gebracht. Voor de toepassing van de eerste volzin wordt de uitkering geacht niet te zijn onderbroken indien perioden waarover ziekengeld wordt uitgekeerd elkaar met een onderbreking van minder dan een maand opvolgen.
2.
Indien voor de in het eerste lid bedoelde persoon op de dag voorafgaande aan die waarop artikel 60 in werking treedt, het minimumdagloon in aanmerking werd genomen met toepassing van artikel 17, vierde lid, van de Ziektewet , wordt voor het recht op toeslag op grond van de Toeslagenwet als dagloon aangemerkt 70% van het voor deze persoon in aanmerking genomen minimumdagloon.
Artikel 64
Voor de toepassing van de artikelen 62 en 63 wordt onder minimumdagloon verstaan, het minimumdagloon dat zou zijn vastgesteld als artikel 16 van de Ziektewet, zoals dat artikel luidde op de dag, voorafgaande aan die waarop artikel 60 in werking treedt, niet was vervallen.
1.
De persoon die 21 jaar of ouder is, die voor de toepassing van de Toeslagenwet niet als gehuwd wordt aangemerkt en voor wie de algemene heffingskorting, bedoeld in artikel 22 van de Wet op de loonbelasting 1964, maar niet de alleenstaande-ouderkorting, bedoeld in artikel 8.15 van de Wet inkomstenbelasting 2001, van toepassing is en die recht heeft op uitkering op grond van de Ziektewet , berekend naar een dagloon dat ten minste gelijk is aan 70% van het minimumloon, heeft recht op een verhoging van zijn uitkering op grond van de Ziektewet , indien die uitkering per dag, indien hij 21 jaar, 22 jaar onderscheidenlijk 23 jaar of ouder is, minder bedraagt dan f 50,33, f 61,78, onderscheidenlijk f 79,-. [Red: per 1 juli 2007: €  € 30,05, € 35,71, onderscheidenlijk € 46,53.]
2.
De in het eerste lid bedoelde verhoging bedraagt het verschil tussen het bedrag, genoemd in het eerste lid, en de uitkering per dag op grond van de Ziektewet , doch ten hoogste het verschil tussen het voor betrokkene geldende bedrag, genoemd in het eerste lid, en 70% van het minimumloon, zijnde het minimumloon per maand, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag, gedeeld door 21,75, of, indien het een persoon jonger dan 23 jaar betreft, het minimumloon per maand dat voor zijn leeftijd geldt op grond van artikel 7, derde lid, en artikel 8, derde lid, van genoemde wet, gedeeld door 21,75.
3.
Onder het in het eerste lid bedoelde minimumloon wordt verstaan het minimumloon per maand, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag of, indien het een persoon jonger dan 23 jaar betreft, het minimumloon per maand dat voor zijn leeftijd geldt op grond van artikel 7, derde lid, en artikel 8, derde lid, van die wet, beide vermeerderd met de daarover berekende vakantiebijslag, bedoeld in artikel 15 van die wet, en vervolgens gedeeld door 21,75.
4.
De bedragen, genoemd in het eerste lid, worden door Onze Minister herzien op dezelfde wijze en op hetzelfde tijdstip als waarop de bedragen genoemd in hoofdstuk 3 van de Wet werk en bijstand worden herzien, waarna de herziene bedragen voor de in het eerste lid genoemde bedragen in de plaats treden.
Artikel 65
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
1.
De organen, die op grond van deze wet of de daarop berustende bepalingen zijn belast met de uitvoering van de Wet Werkloosheidsvoorziening , en het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen zijn gehouden in gezamenlijk overleg al datgene te verrichten, waardoor voor hun personeel mogelijke nadelige gevolgen van de invoering van de nieuwe Werkloosheidswet worden voorkomen.
2.
Onze Minister is bevoegd, na overleg met Onze Minister van Binnenlandse Zaken nadere regels te stellen met betrekking tot de overgang van personeel, belast met de uitvoering van de Wet Werkloosheidsvoorziening , naar het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in verband met de invoering van de nieuwe Werkloosheidswet .
Artikel 67
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 68
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 69
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 70
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 71
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 72
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 73
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 74
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 75
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 76
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 77
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 77a
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
1.
In de artikelen 36, eerste lid, van de nieuwe Werkloosheidswet, 48, eerste lid, van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet , 57, eerste lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, 33, eerste lid, van de Ziektewet , 1, onderdeel h , van de Organisatiewet Sociale Verzekering, 6, eerste lid, onderdeel e , van de Coördinatiewet Sociale Verzekering, 9, vierde lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers en 26, derde lid, onderdeel a , van de Wet op de studiefinanciering, zoals deze luiden op de dag, waarop deze wet in werking treedt, wordt na " Toeslagenwet " op de gebruikelijke wijze ingevoegd de jaargang en het nummer van het Staatsblad waarin de Toeslagenwet is geplaatst.
2.
In de artikelen 37, eerste lid, van de nieuwe Werkloosheidswet, 21, eerste lid, van de Toeslagenwet, 49, eerste lid, van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet , 57 a , eerste lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, 33 a , eerste lid, van de Ziektewet, en 26, derde lid, onderdeel a , van de Wet op de studiefinanciering, zoals deze luiden op de dag, waarop deze wet in werking treedt, wordt na " Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers " op de gebruikelijke wijze ingevoegd de jaargang en het nummer van het Staatsblad , waarin de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers is geplaatst.
3.
In de artikelen 2, eerste lid, onderdeel a , sub 3°, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, 1, eerste lid, onderdeel d , van de Toeslagenwet, zoals deze luiden op de dag, waarop deze wet in werking treedt, wordt na " Werkloosheidswet " op de gebruikelijke wijze ingevoegd de jaargang en het nummer van het Staatsblad waarin de nieuwe Werkloosheidswet is geplaatst.
1.
Waar in deze wet nummeringen van artikelen en van leden van artikelen en aanduidingen van onderdelen van artikelen worden aangehaald van:
a. de nieuwe Werkloosheidswet
b. de Toeslagenwet
c. de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers
d. de Wijzigingswet AAW/WAO
e. de Wijzigingswet ABW
worden deze door Onze Minister in overeenstemming gebracht met de nummering en de aanduiding, zoals deze komen te luiden indien de voorstellen van de onder a tot en met e bedoelde wetten tot wet zijn verheven.
2.
De tekst van deze wet, zoals die luidt na toepassing van het eerste lid, wordt door Onze Minister van Justitie in het Staatsblad geplaatst.
Artikel 80
Hetgeen nog ter uitvoering van deze wet nodig is, wordt door Onze Minister geregeld.
1.
Deze wet, met uitzondering van artikel 40, onderdeel S, de nieuwe Werkloosheidswet , de Toeslagenwet , de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers , de Wijzigingswet AAW/WAO, de Wijzigingswet ABW en de Wijzigingswet AOW treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende wetten en artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden gesteld.
2.
Artikel 40, onderdeel S, treedt in werking op 1 januari 1987.
Artikel 82
Deze wet kan worden aangehaald onder de titel "Invoeringswet stelselherziening sociale zekerheid".
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 6 november 1986
De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
Uitgegeven de achttiende november 1986
De Minister van Justitie,
Inhoudsopgave
+ Hoofdstuk I. Algemene bepalingen
+ Hoofdstuk II. De Werkloosheidswetten
+ Hoofdstuk III. De arbeidsongeschiktheidswetten
+ Hoofdstuk IV. De Ziektewet
+ Hoofdstuk V. De Organisatiewet Sociale Verzekering
+ Hoofdstuk VI. De Coördinatiewet Sociale Verzekering
+ Hoofdstuk VII. De Algemene Bijstandswet
+ Hoofdstuk VIII. Overige wetten
+ Hoofdstuk IX. Slotbepalingen
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht