Wet van 9 november 2009 tot intrekking van enige wetten betreffende het waterbeheer, aanpassing van een aantal andere wetten, regeling van het overgangsrecht en aanvulling van de Waterwet, met het oog op de invoering van die wet (Invoeringswet Waterwet)
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het met het oog op de invoering van de Waterwet noodzakelijk is een aantal wetten, waaronder de Waterwet, aan te passen en enige andere wetten in te trekken, alsmede het overgangsrecht te regelen;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
Artikel 1.1
[Wijzigt de Algemene douanewet.]
Artikel 1.2
[Wijzigt de Algemene wet bestuursrecht.]
Artikel 1.3
[Wijzigt de Kaderwet subsidies Verkeer en Waterstaat.]
Artikel 1.4
[Wijzigt de Natuurbeschermingswet 1998.]
Artikel 1.4a
[Wijzigt de Ontgrondingenwet.]
Artikel 1.5
[Wijzigt de Planwet verkeer en vervoer.]
Artikel 1.6
[Wijzigt de Provinciewet.]
Artikel 1.7
[Wijzigt de Spoedwet wegverbreding.]
Artikel 1.8
[Wijzigt de Waterschapswet.]
Artikel 1.9
[Wijzigt de Waterstaatswet 1900.]
Artikel 1.10
[Wijzigt de Waterwet.]
Artikel 1.11
[Wijzigt de Wet beheer rijkswaterstaatswerken.]
Artikel 1.12
[Wijzigt de Wet belastingen op milieugrondslag.]
Artikel 1.13
[Wijzigt de Wet bodembescherming.]
Artikel 1.14
[Wijzigt de Wet op de economische delicten.]
Artikel 1.15
[Wijzigt de Goedkeurings- en uitvoeringswet Verdrag inzake de verzameling, afgifte en inname van afval in de Rijn- en binnenvaart.]
Artikel 1.16
[Wijzigt de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken.]
Artikel 1.17
[Wijzigt de Wet inzake de luchtverontreiniging.]
Artikel 1.18
[Wijzigt de Wet milieubeheer.]
Artikel 1.19
[Wijzigt de Wet rampen en zware ongevallen.]
Artikel 1.20
[Wijzigt de Wet voorkoming verontreiniging door schepen.]
2.
Ingetrokken worden:
a. de Grondwaterwet ,
b. de wet van 14 juli 1904 (Stb. 147), houdende bepalingen omtrent het ondernemen van droogmakerijen en indijkingen ;
c. de Wet verontreiniging oppervlaktewateren ;
d. de Wet verontreiniging zeewater ;
e. de Wet op de waterhuishouding en
f. de Wet op de waterkering .
Artikel 2.2
Het horen van gedeputeerde staten van de betrokken provincies en de beheerders alsmede de bevoegde autoriteiten van de andere staten in het stroomgebieddistrict, bedoeld in artikel 1.2, derde lid, van de Waterwet, blijft achterwege voor zover de in de maatregel vast te stellen grenzen gelijk zijn aan de grenzen die onmiddellijk voor het tijdstip van inwerkingtreding van dat artikel van kracht zijn ingevolge artikel 2a van de Wet op de waterhuishouding.
Artikel 2.3
[Vervallen]
Artikel 2.4
De leidraden die zijn tot stand gebracht ingevolge artikel 5 van de Wet op de waterkering worden gelijkgesteld met de leidraden, bedoeld in artikel 2.6 van de Waterwet.
Artikel 2.5
De door Onze Minister van Verkeer en Waterstaat ingevolge artikel 10, derde lid, van de Wet op de waterkering kosteloos verkrijgbaar gestelde kaart wordt voor de periode die loopt tot en met 31 december van het kalenderjaar, volgend op het kalenderjaar waarin artikel 2.7, tweede lid, van de Waterwet in werking treedt, gelijkgesteld met de peilkaart, bedoeld in laatstgenoemd artikel.
1.
De eerste rapportage van gedeputeerde staten, bedoeld in artikel 2.12, derde lid, van de Waterwet, wordt uitgebracht voor 16 januari 2011, met uitzondering van de rapportage over de verslagen van beheerders ingevolge artikel 2.12, tweede lid, van die wet, welke wordt uitgebracht voor 16 januari 2017.
2.
De eerste rapportage van de minister, bedoeld in artikel 2.12, derde lid, van de Waterwet, wordt uitgebracht voor 16 januari 2012.
Artikel 2.7
De eerste toezending van een verslag als bedoeld in artikel 2.13 van de Waterwet vindt plaats voor 16 januari 2018.
1.
De aanwijzingen van beheerders ingevolge artikel 3.2 van de Waterwet kunnen, voor zover die betrekking hebben op de vaarweg- of havenfunctie van onderdelen van watersystemen, uiterlijk zes jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van dat artikel worden vastgesteld.
2.
Tot het tijdstip van van kracht worden van een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid blijft de zorg voor de vaarweg- of havenfunctie berusten bij het overheidslichaam dat onmiddellijk voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 3.2 van de Waterwet die zorg behartigde met betrekking tot de desbetreffende vaarweg of haven.
Artikel 2.9
De ingevolge artikel 15, tweede lid, van de Wet op de waterkering vastgestelde alarmeringspeilen worden voor de periode die loopt tot en met 31 december van het kalenderjaar, volgend op het kalenderjaar waarin artikel 3.3, tweede lid, van de Waterwet in werking treedt, gelijkgesteld met de alarmeringspeilen, bedoeld in artikel 3.3, tweede lid, van de Waterwet.
1.
Besluiten die onmiddellijk voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 3.4 van de Waterwet van kracht zijn ingevolge artikel 15a, derde of vierde lid, van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren worden gelijkgesteld met besluiten ingevolge artikel 3.4, tweede onderscheidenlijk derde lid, van de Waterwet.
2.
Voorstellen als bedoeld in artikel 15a, derde lid, van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren die voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 3.4 van de Waterwet door het betrokken bestuur zijn ontvangen, worden gelijkgesteld met voorstellen ingevolge artikel 3.4, derde lid, van de Waterwet.
Artikel 2.11
Besluiten als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de Wet op de waterkering die onmiddellijk voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 3.9 van de Waterwet van kracht zijn, worden gelijkgesteld met besluiten als bedoeld in artikel 3.9, tweede lid, van de Waterwet.
1.
Een nota waterhuishouding, provinciaal plan voor de waterhuishouding of beheerplan voor de rijkswateren dan wel voor andere wateren dan rijkswateren, die of dat is vastgesteld overeenkomstig de Wet op de waterhuishouding en betrekking heeft op de planperiode die aanvangt op 22 december 2009, wordt gelijkgesteld met het nationaal waterplan, onderscheidenlijk het regionaal waterplan van de betrokken provincie of het beheerplan van de betrokken beheerder, een en ander als bedoeld in hoofdstuk 4 van de Waterwet.
2.
Indien onmiddellijk voor het tijdstip van inwerkingtreding van de Waterwet met toepassing van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht een nota of plan als bedoeld in het eerste lid in voorbereiding is, blijft de Wet op de waterhuishouding van toepassing op de verdere voorbereiding, vaststelling en goedkeuring daarvan. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op de aldus tot stand gebrachte nota en het aldus tot stand gebrachte plan.
Artikel 2.13
De eerste herziening van de plannen, bedoeld in artikel 4.8 van de Waterwet, wordt voltooid voor 22 december 2015.
1.
De leggers, bedoeld in artikel 5.1 van de Waterwet, worden, voor zover die geen betrekking hebben op waterkeringen, uiterlijk drie jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van dat artikel vastgesteld.
2.
Bij of krachtens provinciale verordening of algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat artikel 5.1, eerste lid, van de Waterwet gedurende een daarbij vast te stellen termijn niet van toepassing is op daarbij aan te wijzen waterkeringen of onderdelen daarvan die in beheer zijn bij een waterschap onderscheidenlijk het Rijk.
3.
Een legger, overzichtskaart of beheersregister met betrekking tot een primaire waterkering, vastgesteld overeenkomstig artikel 13 van de Wet op de waterkering, wordt gelijkgesteld met een legger, overzichtskaart of beheersregister als bedoeld in artikel 5.1 van de Waterwet.
Artikel 2.15
Peilbesluiten die onmiddellijk voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 5.2 van de Waterwet overeenkomstig artikel 16 van de Wet op de waterhuishouding van kracht waren worden gelijkgesteld met peilbesluiten als bedoeld in eerstgenoemd artikel.
1.
Artikel 5.4 van de Waterwet is niet van toepassing op de aanleg of wijziging van een waterstaatswerk waarvoor op het tijdstip van inwerkingtreding van dat artikel:
a. door de beheerder een beslissing is genomen als bedoeld in artikel 148 van de Waterschapswet die – voor zover vereist – is goedgekeurd door gedeputeerde staten, of
b. een koninklijk besluit als bedoeld in artikel 12, eerste of tweede lid, van de Waterstaatswet 1900 is vastgesteld.
2.
Indien onmiddellijk voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 5.4 van de Waterwet
a. nog goedkeuring door gedeputeerde staten benodigd is voor een beslissing als bedoeld in artikel 148 van de Waterschapswet, dan wel
b. met betrekking tot een beoogd koninklijk besluit als bedoeld in artikel 12, eerste of tweede lid, van de Waterstaatswet 1900 een kennisgeving als bedoeld in het derde lid van dat artikel is gedaan,
blijft de Waterschapswet van toepassing op die goedkeuring, onderscheidenlijk de Waterstaatswet 1900 op verdere voorbereiding, vaststelling en mededeling van dat besluit.
3.
Het eerste lid, aanhef en onderdeel a of b, is van overeenkomstige toepassing op een overeenkomstig het tweede lid goedgekeurde beslissing onderscheidenlijk tot stand gebracht koninklijk besluit.
1.
Een plan als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Wet op de waterkering, dat is vastgesteld vóór het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 5.4 van de Waterwet, wordt gelijkgesteld met een projectplan als bedoeld in laatstgenoemd artikel.
2.
Artikel 5.4 van de Waterwet is niet van toepassing op de aanleg, versterking of verlegging van een primaire waterkering ten aanzien waarvan voor het tijdstip van inwerkingtreding van dat artikel toepassing is gegeven aan afdeling 3.5 dan wel artikel 3.33, eerste lid, of artikel 3.35, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening.
1.
Het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 1.13, met uitzondering van de artikelen 76m tot en met 76o van de Wet bodembescherming, blijft van toepassing ten aanzien van saneringen van gevallen van verontreiniging in de bodem of oever van een oppervlaktewaterlichaam waarvoor vóór dat tijdstip een beschikking als bedoeld in artikel 29, eerste lid, van de Wet bodembescherming is gegeven waarbij ingevolge artikel 37, eerste lid, van de Wet bodembescherming is vastgesteld dat spoedige sanering noodzakelijk is. De eerste volzin is van toepassing tot het moment dat het bevoegde gezag overeenkomstig artikel 39c, tweede lid, van de Wet bodembescherming heeft ingestemd met het verslag van de sanering.
2.
Bevelen als bedoeld in artikel 30, tweede tot en met vierde lid, in samenhang met artikel 35, eerste lid, van de Wet bodembescherming, gegeven vóór het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 1.13, worden vanaf dat tijdstip aangemerkt als bevelen als bedoeld in artikel 30, tweede tot en met vierde lid, van de Wet bodembescherming in samenhang met artikel 5.15, tweede lid, van de Waterwet.
3.
Bevelen als bedoeld in artikel 43, eerste, derde of vierde lid, in samenhang met artikel 63a, eerste lid, van de Wet bodembescherming tot het verrichten van nader onderzoek of het treffen van tijdelijke beveiligingsmaatregelen, gegeven vóór het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 1.13, worden vanaf dat tijdstip aangemerkt als bevelen als bedoeld in artikel 5.16, eerste, tweede of derde lid, van de Waterwet tot het verrichten van onderzoek of het treffen van tijdelijke beveiligingsmaatregelen.
4.
Bevelen als bedoeld in artikel 43, eerste, derde of vierde lid, van de Wet bodembescherming tot het verrichten van nader onderzoek of het treffen van tijdelijke beveiligingsmaatregelen, dat betrekking heeft op de bodem of oever van een oppervlaktewaterlichaam, gegeven door gedeputeerde staten vóór het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 1.13, worden vanaf dat tijdstip aangemerkt als bevelen als bedoeld in artikel 5.16, eerste, tweede of derde lid, van de Waterwet tot het verrichten van onderzoek of het treffen van tijdelijke beveiligingsmaatregelen, gegeven door de beheerder, bedoeld in artikel 1.1 van die wet.
5.
Artikel 74 van de Wet bodembescherming blijft van toepassing ten aanzien van bevelen als bedoeld in artikel 30, derde of vierde lid, of artikel 49 juncto artikel 30, derde of vierde lid, van die wet, met betrekking tot de bodem of oever van een oppervlaktewaterlichaam, gegeven door gedeputeerde staten vóór het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 1.13.
6.
Artikel 75 van de Wet bodembescherming blijft van toepassing ten aanzien van het verhalen van de kosten van onderzoeksgevallen en van saneringsonderzoek en sanering van gevallen van ernstige verontreiniging van de bodem of oever van een oppervlaktewaterlichaam, voor zover die kosten zijn gemaakt dan wel tot het doen van onderzoek of het uitvoeren van een sanering opdracht is verstrekt vóór het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 1.13.
1.
Een gedoogplicht die onmiddellijk voor het tijdstip van inwerkingtreding van de artikelen 5.21 en 5.22 van de Waterwet voor een rechthebbende ten aanzien van gronden of wateren van kracht is ingevolge artikel 31 of  32 van de Grondwaterwet wordt gelijkgesteld met een gedoogplicht als bedoeld in artikel 5.21, onderscheidenlijk 5.22 van de Waterwet.
2.
Een gedoogplicht die onmiddellijk voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 5.24 van de Waterwet voor een rechthebbende ten aanzien van gronden of wateren van kracht is ingevolge een besluit als bedoeld in artikel 12 of 12a van de Waterstaatswet 1900 wordt gelijkgesteld met een gedoogplicht als bedoeld in artikel 5.24 van de Waterwet.
Artikel 2.19
Een onmiddellijk voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 5.29 van de Waterwet geldend calamiteitenplan als bedoeld in artikel 69 van de Waterstaatswet 1900 wordt gelijkgesteld met een calamiteitenplan als bedoeld in artikel 5.29 van de Waterwet.
Artikel 2.20
Maatregelen die onmiddellijk voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 5.30 van de Waterwet van kracht zijn ingevolge artikel 72 van de Waterstaatswet 1900 worden, zolang zij nog niet volledig ten uitvoer zijn gelegd, gelijkgesteld met maatregelen krachtens artikel 5.30 van de Waterwet. Een melding die overeenkomstig artikel 73 van de Waterstaatswet 1900 is gedaan met betrekking tot zodanige maatregelen wordt gelijkgesteld met een melding overeenkomstig artikel 5.30 van de Waterwet.
Artikel 2.21
Een opdracht krachtens artikel 74, eerste lid, of 75 van de Waterstaatswet 1900 die onmiddellijk voor de inwerkingtreding van artikel 5.31 van de Waterwet van kracht is, wordt gelijkgesteld met een aanwijzing krachtens artikel 5.31, eerste onderscheidenlijk derde lid, van de Waterwet.
1.
Een vergunning met betrekking tot een handeling als bedoeld in artikel 6.4 van de Waterwet, die onmiddellijk voor het tijdstip van inwerkingtreding van dat artikel van de Waterwet van kracht is overeenkomstig artikel 14 van de Grondwaterwet, wordt gelijkgesteld met een door gedeputeerde staten verleende watervergunning als bedoeld in de Waterwet voor de desbetreffende handeling.
2.
Een vergunning met betrekking tot het onttrekken van grondwater of het infiltreren van water in andere gevallen dan bedoeld in artikel 6.4 van de Waterwet, die onmiddellijk voor het tijdstip van inwerkingtreding van dat artikel van de Waterwet van kracht is overeenkomstig artikel 14 van de Grondwaterwet, wordt gelijkgesteld met een door het bestuur van het betrokken waterschap verleende watervergunning als bedoeld in de Waterwet voor de desbetreffende handeling, voor zover bij verordening van een waterschap dan wel bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 6.5 van die wet een vergunning of ontheffing voor die handeling wordt vereist.
1.
Een vergunning met betrekking tot een handeling als bedoeld in artikel 6.5, onderdeel c, van de Waterwet, die onmiddellijk voor het tijdstip van inwerkingtreding van dat artikel van kracht is overeenkomstig artikel 2 van de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, wordt gelijkgesteld met een door Onze Minister van Verkeer en Waterstaat verleende watervergunning als bedoeld in de Waterwet voor de desbetreffende handeling, voor zover deze krachtens artikel 6.5, onderdeel c, van die wet wordt vereist.
2.
Een verbod of beperking met betrekking tot een van de in artikel 1 van de Wet beheer rijkswaterstaatswerken bedoelde wateren, waterkeringen of daarin gelegen kunstwerken dat overeenkomstig artikel 6 van die wet onmiddellijk voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 6.10 van de Waterwet van kracht is, wordt gelijkgesteld met een verbod of beperking als bedoeld in laatstgenoemd artikel.
Wet droogmakerijen en indijkingen ) van Invoeringswet Waterwet">
Artikel 2.24. ( Wet droogmakerijen en indijkingen )
Een concessie voor een handeling als bedoeld in artikel 6.5, onderdeel c, van de Waterwet, die onmiddellijk voor het tijdstip van inwerkingtreding van dat artikel van kracht is overeenkomstig artikel 1 van de Wet van 14 juli 1904 (Stb. 147), houdende bepalingen omtrent het ondernemen van droogmakerijen en indijkingen, wordt gelijkgesteld met een door Onze Minister van Verkeer en Waterstaat verleende watervergunning als bedoeld in de Waterwet voor de desbetreffende handeling voor zover deze krachtens artikel 6.5, onderdeel c, van die wet wordt vereist.
1.
Een vergunning van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat dan wel het bestuur van een waterschap met betrekking tot een handeling als bedoeld in artikel 6.2 van de Waterwet, die onmiddellijk voor het tijdstip van inwerkingtreding van dat artikel van de Waterwet van kracht is krachtens artikel 1, eerste, tweede of derde lid, van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren, wordt gelijkgesteld met een door Onze Minister van Verkeer en Waterstaat onderscheidenlijk het bestuur van het waterschap verleende watervergunning als bedoeld in de Waterwet voor de desbetreffende handeling, tenzij ingevolge artikel 6.7 van die wet een vrijstelling van toepassing is.
2.
Een vergunning met betrekking tot lozen met behulp van een werk dat op een ander werk is aangesloten, die onmiddellijk voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 6.2 van de Waterwet van kracht is krachtens artikel 1, tweede lid, van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren, wordt, indien op dat lozen artikel 6.2 van de Waterwet niet van toepassing is, gelijkgesteld met:
a. indien het lozen plaatsvindt vanuit een inrichting als bedoeld in artikel 1.1, derde lid, van de Wet milieubeheer: een vergunning krachtens artikel 8.1 van die wet, verleend door het voor die inrichting bevoegde gezag ingevolge artikel 8.2 van die wet;
b. indien het lozen plaatsvindt anders dan vanuit een inrichting als bedoeld in artikel 1.1, derde lid, van de Wet milieubeheer: een ontheffing krachtens artikel 10.63, eerste lid, van die wet, verleend door burgemeester en wethouders.
3.
Het dagelijks bestuur van het waterschap draagt de archiefbescheiden die betrekking hebben op vergunningen als bedoeld in het tweede lid over aan:
a. in gevallen als bedoeld in onderdeel a van dat lid: het bevoegde gezag, bedoeld in dat onderdeel;
b. in gevallen als bedoeld in onderdeel b van dat lid: burgemeester en wethouders.
4.
Het derde lid geldt niet voor bescheiden die overeenkomstig de Archiefwet 1995 zijn overgebracht naar een archiefbewaarplaats.
1.
Tot het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 2.26 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, stelt het bevoegd gezag voor een vergunning als bedoeld in artikel 8.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer, waarbij vanuit een inrichting waartoe een gpbv-installatie behoort of vanuit een inrichting die behoort tot een aangewezen categorie van inrichtingen als bedoeld in artikel 8.1, tweede lid, van de Wet milieubeheer, afvalwater of andere afvalstoffen in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater worden gebracht, naar aanleiding van de aanvraag om die vergunning het dagelijks bestuur van het in artikel 3.4, eerste lid, van de Waterwet bedoelde waterschap of de beheerder van het oppervlaktewaterlichaam waarop het afvalwater vanuit die voorziening wordt gebracht, in de gelegenheid advies uit te brengen.
2.
Indien ten gevolge van de activiteit waarvoor vergunning wordt gevraagd:
a. de doelmatige werking van het zuiveringtechnisch werk zou worden belemmerd, of
b. de krachtens hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer gestelde grenswaarden voor de kwaliteit van het oppervlaktewater zouden worden overschreden,
kan het advies inhouden dat de daarin opgenomen voorschriften die nodig zijn om die gevolgen te voorkomen, aan de vergunning moeten worden verbonden. Indien die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, kan het advies inhouden dat de vergunning geheel of gedeeltelijk moet worden geweigerd.
Artikel 2.25b. (overgangsrecht verzoek handhaving indirecte lozingen)
Tot het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 5.20 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, kan in gevallen waarin vanuit een inrichting die behoort tot een categorie van inrichtingen als bedoeld in artikel 1.1, derde lid, van de Wet milieubeheer, van waaruit afvalwater of andere afvalstoffen in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater worden gebracht tengevolge waarvan:
a. de doelmatige werking van het zuiveringtechnisch werk wordt belemmerd, of
b. de krachtens hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer gestelde grenswaarden voor de kwaliteit van het oppervlaktewater worden overschreden,
het dagelijks bestuur van het in artikel 3.4, eerste lid, van de Waterwet bedoelde waterschap of de beheerder van het oppervlaktewaterlichaam waarop het afvalwater vanuit die voorziening wordt gebracht, voor zover dat nodig is om die gevolgen te beperken of weg te nemen, het voor die inrichting bevoegde bestuursorgaan een verzoek doen om een beschikking te geven tot oplegging van bestuursdwang, oplegging van een last onder dwangsom of intrekking van een vergunning of ontheffing. Het bevoegde bestuursorgaan geeft daaraan gevolg, voor zover dat niet in strijd is met het belang van de bescherming van het milieu.
Wet verontreiniging zeewater ) van Invoeringswet Waterwet">
Artikel 2.26. ( Wet verontreiniging zeewater )
Een ontheffing met betrekking tot een handeling als bedoeld in artikel 6.3 van de Waterwet, die onmiddellijk voor het tijdstip van inwerkingtreding van dat artikel van de Waterwet van kracht is overeenkomstig artikel 3 van de Wet verontreiniging zeewater, wordt gelijkgesteld met een door Onze Minister van Verkeer en Waterstaat verleende watervergunning als bedoeld in de Waterwet voor de desbetreffende handeling, tenzij ingevolge artikel 6.7 van die wet een vrijstelling van toepassing is.
Wet op de waterhuishouding ) van Invoeringswet Waterwet">
Artikel 2.27. ( Wet op de waterhuishouding )
Een vergunning met betrekking tot een handeling als bedoeld in artikel 6.5, onderdeel a, van de Waterwet, die onmiddellijk voor het tijdstip van inwerkingtreding van hoofdstuk 6 van de Waterwet van kracht is overeenkomstig artikel 24 van de Wet op de waterhuishouding, wordt gelijkgesteld met een watervergunning als bedoeld in de Waterwet voor de desbetreffende handeling, voor zover deze krachtens artikel 6.5, onderdeel a, van die wet dan wel een verordening van een waterschap wordt vereist.
Artikel 2.28. (keurvergunningen)
Een vergunning of ontheffing voor een handeling in een watersysteem of een beschermingszone die onmiddellijk voor het tijdstip van inwerkingtreding van hoofdstuk 6 van de Waterwet van kracht is overeenkomstig een verordening van een waterschap wordt gelijkgesteld met een door dat waterschap verleende watervergunning, voor zover na dat tijdstip ingevolge een zodanige verordening nog steeds een vergunning of ontheffing voor die handeling wordt vereist.
1.
Het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór het tijdstip van inwerkingtreding van paragraaf 6.2 van de Waterwet blijft van toepassing ten aanzien van de voorbereiding en vaststelling van een besluit op een voor die inwerkingtreding gedane aanvraag om een vergunning, ontheffing of concessie als bedoeld in:
g. een verordening van een waterschap als bedoeld in artikel 6.13 van de Waterwet, alsmede op de beslissing op een bezwaar of beroep, ingediend onderscheidenlijk ingesteld tegen een zodanig besluit.
2.
Een vergunning, ontheffing of concessie die overeenkomstig het eerste lid wordt verleend wordt, zodra deze onherroepelijk is geworden, gelijkgesteld met een door het betrokken bestuursorgaan verleende watervergunning voor de desbetreffende handeling, voor zover na de inwerkingtreding van paragraaf 6.2 van de Waterwet nog steeds een vergunning of ontheffing voor die handeling wordt vereist.
1.
Artikel 6.8 van de Waterwet is mede van toepassing op een ieder die vóór het tijdstip van inwerkingtreding van dat artikel handelingen heeft verricht als bedoeld in de artikelen 6 tot en met 11 van de Wet bodembescherming, zoals die luidden onmiddellijk vóór het tijdstip van inwerkingtreding van eerstgenoemd artikel 6.8, en die wist of redelijkerwijs had kunnen vermoeden dat door die handelingen de bodem of oever van een oppervlaktewaterlichaam kon worden verontreinigd of aangetast.
2.
Een aanwijzing als bedoeld in artikel 27, tweede lid, van de Wet bodembescherming, gegeven door Onze Minister van Verkeer en Waterstaat of gedeputeerde staten vóór het tijdstip, bedoeld in het eerste lid, die betrekking heeft op een verontreiniging of aantasting van de bodem of oever van een oppervlaktewaterlichaam ten gevolge van handelingen als bedoeld in het eerste lid, wordt gelijkgesteld met een aanwijzing als bedoeld in artikel 6.9, tweede lid, van de Waterwet, gegeven door de beheerder, bedoeld in artikel 1.1 van die wet.
3.
Een beschikking tot het toepassen van bestuursdwang of een last onder dwangsom, gegeven door Onze Minister van Verkeer en Waterstaat of gedeputeerde staten vóór het tijdstip, bedoeld in het tweede lid, ter zake van een overtreding van het in artikel 13 van de Wet bodembescherming bepaalde met betrekking tot de bodem of oever van een oppervlaktewaterlichaam, wordt gelijkgesteld met een beschikking tot het toepassen van bestuursdwang of een last onder dwangsom, gegeven door de beheerder, bedoeld in artikel 1.1 van de Waterwet.
1.
Na de inwerkingtreding van de artikelen 6.6, 6.7 en 10.1 van de Waterwet berust het Scheepsafvalstoffenbesluit Rijn- en binnenvaart op die artikelen, voor zover dat besluit voordien berustte op de artikelen 1, derde lid, en 2f van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren.
2.
Na de inwerkingtreding van artikel 1.15 berust het Scheepsafvalstoffenbesluit Rijn- en binnenvaart op artikel 39, 39e, 39g en 39i van de Binnenvaartwet, voor zover dat besluit voordien berustte op artikel 28c , 28e , 28i onderscheidenlijk 28k van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren .
Artikel 2.32. (verontreinigingsheffing)
Het bepaalde bij of krachtens hoofdstuk IV van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren, zoals dat luidde onmiddellijk vóór het tijdstip van inwerkingtreding van hoofdstuk 7 van de Waterwet, blijft van toepassing op belastingtijdvakken die zijn aangevangen voor dat tijdstip.
Artikel 2.33. (grondwaterheffing)
Het bepaalde bij of krachtens hoofdstuk VI van de Grondwaterwet, zoals dat luidde onmiddellijk vóór het tijdstip van inwerkingtreding van hoofdstuk 7 van de Waterwet, blijft van toepassing op belastingtijdvakken die zijn aangevangen voor dat tijdstip.
1.
De artikelen 7.14 tot en met 7.17 van de Waterwet zijn niet van toepassing indien de schade is veroorzaakt door een uitoefening van een taak of bevoegdheid die plaatsvond voor het tijdstip van inwerkingtreding van die artikelen.
2.
De artikelen 12b of  78 van de Waterstaatswet 1900, 9 van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren, 40 en 41 van de Wet op de waterhuishouding dan wel 41 en 42 van de Grondwaterwet, zoals die luidden onmiddellijk voor het tijdstip van inwerkingtreding van hoofdstuk 6 van de Waterwet, blijven van toepassing met betrekking tot een schade als bedoeld in het eerste lid, voor zover onderscheidenlijk onder die bepalingen vallend.
Artikel 2.35. (schadevergoeding)
De artikelen 7.18 en 7.20 van de Waterwet zijn niet van toepassing met betrekking tot schade als bedoeld in artikel 7.18 van die wet die is veroorzaakt voor het tijdstip van inwerkingtreding van dat artikel. Met betrekking tot een zodanige schade blijven de artikelen 35 en 36 van de Grondwaterwet, zoals die luidden onmiddellijk voor dat tijdstip, van toepassing.
Artikel 2.36. (schade aan waterstaatswerken)
Artikel 7.21 van de Waterwet is niet van toepassing indien schade als bedoeld in dat artikel is veroorzaakt voor het tijdstip van inwerkingtreding van dat artikel. Met betrekking tot een zodanige schade blijft voor waterstaatswerken in beheer bij het rijk artikel 9 van de Wet beheer rijkswaterstaatswerken dan wel, voor andere waterstaatswerken, artikel 12c van de Waterstaatswet 1900, zoals die artikelen luidden onmiddellijk voor dat tijdstip, van toepassing.
Artikel 2.37. (subsidies primaire waterkeringen)
Met betrekking tot subsidies die krachtens artikel 12 van de Wet op de waterkering zijn verleend blijft het bepaalde bij en krachtens genoemd artikel, zoals dat luidde onmiddellijk voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 7.23 van de Waterwet, van toepassing.
Artikel 2.38. (handhavingsbeschikkingen)
Het bestuursorgaan dat vóór het tijdstip van inwerkingtreding van hoofdstuk 8 van de Waterwet een beschikking tot toepassing van bestuursdwang, oplegging van een last onder dwangsom of intrekking van een vergunning of ontheffing heeft gegeven ter zake van een overtreding van een voorschrift dat door deze wet wordt ingetrokken, maar ingevolge § 2.2.6 van kracht blijft na die intrekking, blijft bevoegd met betrekking tot die beschikking.
1.
Hoofdstuk XIX van de Waterschapswet blijft van toepassing met betrekking tot besluiten en beslissingen die ingevolge dat hoofdstuk zijn onderworpen aan de goedkeuring van gedeputeerde staten, indien die zijn vastgesteld voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 1.8, onderdeel E.
2.
Hoofdstuk XX van de Waterschapswet blijft van toepassing met betrekking tot besluiten waartegen belanghebbenden ingevolge dat hoofdstuk administratief beroep kunnen instellen bij gedeputeerde staten, indien die zijn vastgesteld voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 1.8, onderdeel F.
1.
De tekst van de Waterwet wordt in het Staatsblad geplaatst.
2.
Voor de plaatsing in het Staatsblad stelt Onze Minister van Verkeer en Waterstaat de nummering van de hoofdstukken, paragrafen en artikelen van de Waterwet opnieuw vast en brengt hij de in deze wet voorkomende aanhalingen van de hoofdstukken, paragrafen en artikelen met de nieuwe nummering in overeenstemming.
Artikel 3.2
[Wijzigt de Waterwet.]
1.
De artikelen 1.3 en 1.8, onderdelen B, E en F, treden in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij worden geplaatst.
2.
De overige artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.
Artikel 3.4
Deze wet wordt aangehaald als: Invoeringswet Waterwet.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te
’s-Gravenhage, 9 november 2009
De Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat ,
De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer ,
Uitgegeven de vierentwintigste november 2009
De Minister van Justitie ,
Inhoudsopgave
+ Hoofdstuk 1. Wijziging van enige wetten
+ Hoofdstuk 2. Intrekking van wetten en overgangsrecht
+ Hoofdstuk 3. Slotbepalingen
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht