Wet van 25 maart 2010 tot vaststelling van overgangsrecht en wijziging van diverse wetten ten behoeve van de invoering van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Invoeringswet Wet algemene bepalingen omgevingsrecht)
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is met het oog op de invoering van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in overgangsrecht te voorzien en een groot aantal wetten aan te passen;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
Artikel 1.1
[Wijzigt de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.]
1.
Een vergunning of ontheffing als bedoeld in:
b. artikel 40 van de Mijnbouwwet die niet van toepassing is op het continentaal plat,
c. artikel 11, tweede lid, van de Monumentenwet 1988 die niet van toepassing is op archeologische monumenten,
g. artikel 40 van de Woningwet,
die onmiddellijk voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 2.1, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van kracht en onherroepelijk is, wordt voorzover voor de betrokken activiteit een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 1.1 van die wet is vereist, gelijkgesteld met een omgevingsvergunning voor de betrokken activiteit.
2.
Het recht zoals dat gold onmiddellijk voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 2.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht blijft van toepassing op:
a. de voorbereiding en vaststelling van de beschikking op een aanvraag om een vergunning of ontheffing als bedoeld in het eerste lid of een aanvraag om een beschikking tot wijziging of intrekking daarvan, indien voor dat tijdstip een aanvraag is ingediend,
b. de voorbereiding en vaststelling van een ambtshalve te geven beschikking tot wijziging of intrekking van een vergunning of ontheffing als bedoeld in het eerste lid, indien voor dat tijdstip een ontwerpbesluit ter inzage is gelegd, of
c. een vergunning of ontheffing als bedoeld in het eerste lid of een beschikking tot wijziging of intrekking daarvan, die nog niet onherroepelijk is.
3.
In gevallen als bedoeld in het tweede lid wordt:
a. een vergunning of ontheffing gelijkgesteld met een omgevingsvergunning voor de betrokken activiteit;
b. een beschikking tot wijziging van een vergunning of ontheffing gelijkgesteld met een beschikking tot wijziging van een omgevingsvergunning,
op het tijdstip waarop de betrokken beschikking onherroepelijk is geworden.
4.
Beperkingen waaronder een beschikking als bedoeld in het eerste of derde lid is verleend, worden gelijkgesteld met aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften.
5.
In afwijking van het vierde lid vervalt een beperking of een voorschrift waarbij krachtens artikel 8.17, tweede lid, van de Wet milieubeheer is bepaald dat de betrokken vergunning slechts geldt voor een bepaalde termijn.
1.
Artikel 1.2, eerste lid, is van overeenkomstige toepassing op een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer die onmiddellijk voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 2.1, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht onherroepelijk is, maar in verband met het bepaalde in artikel 20.8 van de Wet milieubeheer nog niet in werking is getreden.
2.
In gevallen als bedoeld in het eerste lid, alsmede in gevallen waarin sprake is van een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer waarop artikel 1.2, tweede en derde lid, van toepassing is, treedt de betrokken omgevingsvergunning niet eerder in werking dan nadat vergunning is verleend voor de betrokken bouwactiviteit.
3.
In gevallen als bedoeld in het eerste en tweede lid is artikel 2.7, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht niet van toepassing ten aanzien van activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a en e, van die wet.
1.
Een omgevingsvergunning voor een activiteit met betrekking tot een inrichting als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht geldt tevens voor veranderingen van de betrokken inrichting of van de werking daarvan, waarvoor een besluit inhoudende een verklaring als bedoeld in artikel 8.19, eerste lid, onder c, van de Wet milieubeheer is genomen die onmiddellijk voor het tijdstip van inwerkingtreding van het eerstgenoemde artikel van kracht en onherroepelijk is.
2.
Het recht zoals dat gold onmiddellijk voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 2.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht blijft van toepassing op:
a. de voorbereiding en vaststelling van het besluit inzake een verklaring als bedoeld in het eerste lid indien voor dat tijdstip met betrekking tot de voorgenomen verandering een melding als bedoeld in artikel 8.19, eerste lid, onder b, van de Wet milieubeheer is gedaan;
b. een besluit inzake een verklaring als bedoeld in het eerste lid die nog niet onherroepelijk is.
Vanaf het tijdstip waarop het betrokken besluit onherroepelijk is geworden is met betrekking tot dat besluit het eerste lid van overeenkomstige toepassing.
Artikel 1.2c
Een ontheffing als bedoeld in artikel 3.23, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening die met toepassing van artikel 4.1.1, eerste lid, onderdeel j, en tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening is verleend voor het gebruik van een recreatiewoning voor bewoning en op grond van artikel 1.2 met een omgevingsvergunning wordt gelijkgesteld, geldt slechts voor de termijn gedurende welke degene aan wie de vergunning is verleend de recreatiewoning onafgebroken bewoont.
1.
Indien voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 2.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht een aanvraag om bouwvergunning eerste fase als bedoeld in artikel 56a van de Woningwet is ingediend en op dat tijdstip nog geen sprake is van zowel een onherroepelijke bouwvergunning eerste fase als een onherroepelijke bouwvergunning tweede fase, blijft het onmiddellijk voor dat tijdstip geldende recht van toepassing op:
a. de indiening van een aanvraag om bouwvergunning tweede fase;
b. de indiening van een gewijzigde aanvraag om bouwvergunning eerste fase als bedoeld in artikel 56a, achtste lid, van de Woningwet ;
c. de voorbereiding en vaststelling van een beschikking op een aanvraag of een gewijzigde aanvraag om bouwvergunning eerste fase en een aanvraag om bouwvergunning tweede fase;
d. de bouwvergunning eerste fase en de bouwvergunning tweede fase.
2.
De bouwvergunning eerste fase en de bouwvergunning tweede fase worden gelijkgesteld met een omgevingsvergunning voor de betrokken activiteit, op het tijdstip waarop beide beschikkingen onherroepelijk zijn geworden.
1.
Een vergunning of ontheffing voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht die onmiddellijk voor het tijdstip van inwerkingtreding van dat artikel van kracht en onherroepelijk is, wordt gelijkgesteld met een omgevingsvergunning voor de betrokken activiteit.
2.
Artikel 1.2, tweede tot en met vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
1.
Een projectbesluit als bedoeld in artikel 3.10, eerste lid, 3.27, eerste lid, of  3.29, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening of een besluit als bedoeld in artikel 3.40, eerste lid, 3.41, eerste lid, of  3.42, eerste lid, van die wet dat onmiddellijk voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 2.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van kracht en onherroepelijk is, wordt gelijkgesteld met een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van die wet.
2.
Artikel 1.2, tweede tot en met vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
1.
In afwijking van artikel 1.2, tweede lid, onder c, wordt een beslissing omtrent een aanvraag om:
c. een ontheffing van de regels die zijn gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening,
die op het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 2.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is genomen, maar nog niet onherroepelijk is, voor zover die beslissing ziet op een bouwactiviteit waarvoor onmiddellijk voor dat tijdstip nog geen aanvraag om bouwvergunning als bedoeld in artikel 40 van de Woningwet is ingediend, gelijkgesteld met een beschikking van het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, met betrekking tot de eerste fase van een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.5 van die wet voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van die wet.
2.
Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een beslissing als bedoeld in dat lid die voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 2.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is aangevraagd, maar nog niet is genomen, op het moment dat die beslissing wordt genomen.
3.
Indien op de voorbereiding van de beschikking met betrekking tot de tweede fase van een omgevingsvergunning die verband houdt met een beslissing als bedoeld in het eerste of tweede lid, op grond van artikel 2.5, tweede lid, tweede volzin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht de reguliere voorbereidingsprocedure, bedoeld in paragraaf 3.2 van die wet, van toepassing is, is in afwijking daarvan niettemin de uitgebreide voorbereidingsprocedure, bedoeld in paragraaf 3.3 van die wet, van toepassing, indien de beslissing, bedoeld in het eerste of tweede lid, is voorbereid met toepassing van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht.
4.
Voor de mogelijkheid van beroep wordt een beslissing die ingevolge het eerste of tweede lid is gelijkgesteld met een beschikking met betrekking tot de eerste fase van een omgevingsvergunning met de beschikking met betrekking tot de tweede fase van die omgevingsvergunning als één besluit aangemerkt.
1.
In afwijking van artikel 9.1.10 van de Invoeringswet Wet ruimtelijke ordening wordt een vrijstelling als bedoeld in dat artikel, die op het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 2.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is verleend, maar nog niet onherroepelijk is, voor zover die vrijstelling ziet op een bouwactiviteit waarvoor onmiddellijk voor dat tijdstip nog geen aanvraag om bouwvergunning als bedoeld in artikel 40 van de Woningwet is ingediend, gelijkgesteld met een beschikking van het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, met betrekking tot de eerste fase van een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.5 van die wet voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van die wet.
2.
Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een vrijstelling als bedoeld in dat lid die voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 2.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is aangevraagd, maar nog niet is verleend, op het moment dat de vrijstelling wordt verleend.
3.
Artikel 1.5a, derde en vierde lid, is op een vrijstelling die ingevolge het eerste of tweede lid is gelijkgesteld met een beschikking met betrekking tot de eerste fase van een omgevingsvergunning van overeenkomstige toepassing.
1.
Indien voor het tijdstip waarop de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in werking treedt met betrekking tot een activiteit als bedoeld in die wet een beschikking tot toepassing van bestuursdwang of oplegging van een last onder dwangsom of tot gehele of gedeeltelijke intrekking van een vergunning is gegeven, blijft het onmiddellijk voor dat tijdstip ten aanzien van een zodanige beschikking geldende recht van toepassing tot het tijdstip waarop de beschikking onherroepelijk wordt.
2.
Een beschikking als bedoeld in het eerste lid wordt, nadat deze onherroepelijk is geworden, gelijkgesteld met een beschikking krachtens de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht .
1.
Het recht zoals dat gold op het tijdstip onmiddellijk voor het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht blijft van toepassing ten aanzien van een beschikking tot vergoeding van kosten of schade ten gevolge van een beschikking met betrekking tot een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e of f, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht indien voor dat tijdstip een verzoek om een beschikking tot vergoeding van kosten of schade is ingediend.
2.
Een beschikking die overeenkomstig het eerste lid wordt verleend wordt, nadat deze onherroepelijk is geworden, gelijkgesteld met een beschikking krachtens artikel 4.2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.
Artikel 1.7a
Na het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 2.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht wordt, voor zover in een voor dat tijdstip vastgesteld bestemmingsplan, exploitatieplan, inpassingsplan of voorbereidingsbesluit of in een voor dat tijdstip vastgestelde beheersverordening op grond van artikel 3.3, 3.6, eerste lid, onder c, 3.7, derde of vierde lid, 3.26, tweede lid, 3.28, tweede lid, 3.38, derde of vierde lid, 4.1, derde of vijfde lid, 4.2, derde lid, 4.3, derde of vierde lid, 4.4, derde lid, of 6.13, tweede lid, onder e, van de Wet ruimtelijke ordening, zoals die luidde voor dat tijdstip, is bepaald dat een vergunning is vereist of een ontheffing kan worden verleend, onder een zodanige vergunning respectievelijk een zodanige ontheffing een omgevingsvergunning verstaan.
1.
Na de inwerkingtreding van deze wet berusten algemene maatregelen van bestuur en ministeriële regelingen, voor zover deze op het tijdstip onmiddellijk voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet berustten op artikel 8.15 van de Wet milieubeheer, op artikel 4.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.
2.
Na de inwerkingtreding van deze wet berusten algemene maatregelen van bestuur, voor zover deze op het tijdstip onmiddellijk voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet berustten op:
3.
Na de inwerkingtreding van deze wet berusten provinciale milieuverordeningen, voor zover deze op het tijdstip onmiddellijk voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet berustten op artikel 8.46, eerste lid, van de Wet milieubeheer, op artikel 1.3c van de Wet milieubeheer.
4.
Artikel 21.6, zesde lid, van de Wet milieubeheer blijft na de inwerkingtreding van deze wet van overeenkomstige toepassing op wijzigingen van de Regeling stortplaatsen voor baggerspecie op land .
Artikel 1.9
Na de inwerkingtreding van deze wet berusten besluiten of regelingen, voor zover deze op het tijdstip onmiddellijk voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet berustten op:
Artikel 1.10
Het recht zoals dat gold op het tijdstip onmiddellijk voor het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht blijft van toepassing ten aanzien van aanwijzingen als bedoeld in de Wet voorkeursrecht gemeenten waarbij gronden zijn aangewezen op grondslag van een projectbesluit, met dien verstande dat de aanwijzing vijf jaar na dagtekening van dat besluit van rechtswege vervalt.
Artikel 2.1
[Wijzigt de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur.]
Artikel 2.2
[Wijzigt de Wet algemene regels herindeling.]
Artikel 3.1
[Wijzigt de Mijnbouwwet.]
Artikel 3.2
[Wijzigt de Uitvoeringswet verdrag chemische wapens.]
Artikel 4.1
[Wijzigt de Wet belastingen op milieugrondslag.]
Artikel 4.2
[Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001.]
Artikel 4.3
[Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964.]
Artikel 4.4
[Wijzigt de Wet op de omzetbelasting 1968.]
Artikel 4.5
[Wijzigt de Wet op de vennootschapsbelasting 1969.]
Artikel 4.6
[Wijzigt de Wet waardering onroerende zaken.]
Artikel 5.1
[Wijzigt de Algemene wet bestuursrecht.]
Artikel 5.2
[Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 6 en het Burgerlijk Wetboek Boek 7.]
Artikel 5.3
[Wijzigt de Onteigeningswet.]
Artikel 5.4
[Wijzigt de Wet op de economische delicten.]
Artikel 6.1
[Wijzigt de Flora- en faunawet.]
Artikel 6.2
[Wijzigt de Natuurbeschermingswet 1998.]
Artikel 6.3
[Wijzigt de Meststoffenwet.]
Artikel 6.4
[Wijzigt de Reconstructiewet concentratiegebieden.]
Artikel 7.1
[Wijzigt de Monumentenwet 1988.]
Artikel 8.1
[Wijzigt de Ontgrondingenwet.]
Artikel 8.2
[Wijzigt de Spoedwet wegverbreding.]
Artikel 8.3
[Wijzigt de Tracéwet.]
Artikel 8.4
[Wijzigt de Waterwet.]
Artikel 8.5
[Wijzigt de Wet bereikbaarheid en mobiliteit.]
Artikel 8.6
[Wijzigt de Wet kabelbaaninstallaties.]
Artikel 8.7
[Wijzigt de Wet luchtvaart]
Artikel 8.8
[Wijzigt de Wet aanvullende regels veiligheid wegtunnels.]
Artikel 9.1
[Wijzigt de Huisvestingswet.]
Artikel 9.2
[Wijzigt de Interimwet stad-en-milieubenadering.]
Artikel 9.3
[Wijzigt de Kernenergiewet.]
Artikel 9.4
[Wijzigt de Wet ammoniak en veehouderij.]
Artikel 9.5
[Wijzigt de Wet bescherming Antarctica.]
Artikel 9.6
[Wijzigt de Wet bodembescherming.]
Artikel 9.7
[Wijzigt de Wet geluidhinder]
Artikel 9.8
[Wijzigt de Wet geurhinder en veehouderij.]
Artikel 9.9
[Wijzigt de Wet inzake de luchtverontreiniging.]
Artikel 9.10
[Wijzigt de Wet milieubeheer.]
Artikel 9.11
[Wijzigt de Wet op de huurtoeslag.]
Artikel 9.12
[Wijzigt de Wet op het overleg huurders verhuurder.]
Artikel 9.13
[Wijzigt de Wet ruimtelijke ordening.]
Artikel 9.14
[Wijzigt de Wet voorkeursrecht gemeenten.]
Artikel 9.15
[Wijzigt de Woningwet.]
Artikel 9.16
[Wijzigt deze wet.]
Artikel 9.16
[Wijzigt deze wet.]
Artikel 9.17
[Wijzigt deze wet.]
Artikel 9.18
[Wijzigt deze wet.]
1.
Indien ingevolge enig wettelijk voorschrift:
a. over het ontwerp van een regeling of het voornemen tot het treffen van een regeling advies moet worden gevraagd of extern overleg moet worden gevoerd;
b. van het ontwerp van een regeling kennis moet worden gegeven;
c. een regeling niet eerder in werking kan treden dan nadat sedert haar vaststelling of bekendmaking een bepaalde termijn is verstreken;
d. door of namens een van de Kamers van de Staten-Generaal of een aantal leden daarvan kan worden verlangd dat het onderwerp of de inwerkingtreding van de regeling bij de wet wordt geregeld, of
e. de voordracht voor een algemene maatregel van bestuur moet worden gedaan door een andere minister dan Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,
geldt dat voorschrift niet ten aanzien van het Invoeringsbesluit Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of de Invoeringsregeling Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.
2.
Het eerste lid, onderdeel a, is niet van toepassing op het horen van de Raad van State.
Artikel 10.2
Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.
Artikel 10.3
Deze wet wordt aangehaald als: Invoeringswet Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te
’s-Gravenhage, 25 maart 2010
De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer
De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
Uitgegeven de eerste april 2010
De Minister van Justitie
Inhoudsopgave
+ Hoofdstuk 1. Wijzigingen in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en overgangsrecht
+ Hoofdstuk 2. Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
+ Hoofdstuk 3. Ministerie van Economische Zaken
+ Hoofdstuk 4. Ministerie van Financiën
+ Hoofdstuk 5. Ministerie van Justitie
+ Hoofdstuk 6. Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit
+ Hoofdstuk 7. Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
+ Hoofdstuk 8. Ministerie van Verkeer en Waterstaat
+ Hoofdstuk 9. Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke ordening en Milieubeheer
+ Hoofdstuk 10. Slotbepalingen
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht