Let op. Deze wet is vervallen op 1 januari 2013. U leest nu de tekst die gold op -.

Invorderingswet 1990; bedrijfsopvolging

Uitgebreide informatie
Invorderingswet 1990; bedrijfsopvolging
Inleiding
De Invorderingswet 1990 (verder: de Invorderingswet) bevatte tot en met 31 december 2001 een bedrijfsopvolgingsregeling waardoor onder voorwaarden uitstel van betaling en kwijtschelding van verschuldigde schenkings- of successierechten kon worden verkregen. Deze regeling was opgenomen in de artikelen 25, elfde en twaalfde lid, en 26, vierde tot en met elfde lid, van de Invorderingswet. De regeling was nader uitgewerkt in de artikelen 6 en 6a van de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990.
Vanaf 1 januari 2002 is een nieuwe bedrijfsopvolgingsregeling in de Successiewet 1956 opgenomen. Naar aanleiding van een gebleken behoefte uit de praktijk is voor de bedrijfsopvolgingsregeling in de Successiewet 1956 door de staatssecretaris van Financiën een vraag- en antwoordbesluit genomen (Besluit van 16 maart 2004, nr. CPP 2003/1717M). Gebleken is dat er ook ten aanzien van de bedrijfsopvolgingsregeling zoals die in de Invorderingswet was opgenomen nog enkele vragen bestaan. In dit besluit worden deze vragen beantwoord. Bij beantwoording is uitgegaan van de wetteksten en de tekst van de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990 (verder: de Uitvoeringsregeling) zoals deze van kracht waren op 31 december 2001. De antwoorden op de vragen A1, B2, B6, B7, C1, C2, C5 en F hebben een goedkeurend karakter.
Dit besluit geldt met ingang van de in het hoofd van dit besluit genoemde dag.
Dit besluit laat de betreffende beschikkingen successie- en schenkingsrecht inzake de bedrijfsopvolging die op bedoelde dag onherroepelijk waren, onverlet.
De hiervoren bedoelde vragen zijn ingedeeld in de volgende categorieën.
A. Bezitstermijn schenker
B. Ondernemingsvermogen
C. Voortzetten onderneming
D. Verdeling nalatenschap en huwelijksgoederengemeenschap
E. Bedrijfsopvolging bij personenvennootschappen
F. Bedrijfsopvolging bij holding-werkmaatschappij structuur
A. Bezitstermijn schenker
Dit onderdeel bevat een aantal kwesties over de periode van vijf jaren voorafgaand aan de schenking van ondernemingsvermogen respectievelijk aanmerkelijk belangaandelen. Voor de toepasselijkheid van de bedrijfsopvolgingsregeling dient de schenker gedurende deze periode van vijf jaren de te schenken onderneming voor zijn rekening te hebben gedreven respectievelijk de te schenken aanmerkelijk belangaandelen in zijn bezit te hebben gehad (artikel 26, zevende lid, van de Invorderingswet).
Vraag
A houdt sinds 1990 alle aandelen in BV A. In BV A wordt een materiële onderneming gedreven. In februari 2001 wordt, met toepassing van artikel 14c van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, de vennootschap ontbonden en wordt de onderneming aansluitend door A voor zijn rekening voortgezet. In december 2001 schenkt A, op dat moment zestig jaar oud, zijn onderneming aan B. Voldoet A aan de bezitstermijn van artikel 26, zevende lid, van de Invorderingswet, zodat de bedrijfsopvolgingsregeling van toepassing is op deze schenking?
Antwoord
Ja. Als de bezitstermijn bij de schenker van zowel de aanmerkelijk belangaandelen als de voor eigen rekening gedreven onderneming samen minimaal vijf jaar bedraagt, wordt goedgekeurd dat op de schenking van de onderneming de bedrijfsopvolgingsregeling van de Invorderingswet van toepassing is. Ook het spiegelbeeld van bovengeschetste casus kan zich voordoen: binnen de bezitstermijn van vijf jaar wordt aanvankelijk een onderneming voor rekening van de schenker gedreven. Vervolgens wordt deze onderneming tegen uitreiking van aandelen in een BV ingebracht, waarbij de aandelen bij de schenker tot een aanmerkelijk belang behoren. Ook in dit geval is de bedrijfsopvolgingsregeling van toepassing.
Vraag
Artikel 26, zevende lid, onderdeel b, van de Invorderingswet eist dat bij schenking van aandelen deze tenminste vijf jaren bij de schenker tot een aanmerkelijk belang in de zin van de Wet inkomstenbelasting 2001 hebben behoord. Telt voor deze eis de periode mee gedurende welke een lichaam, waarin het aanmerkelijk belang wordt gehouden, geen materiële onderneming heeft gedreven?
Antwoord
Nee. Artikel 26, zevende lid, onderdeel b, van de Invorderingswet verwijst naar het vierde lid, onderdeel b, van dat artikel. Daar is geregeld dat de bedrijfsopvolgingsregeling alleen ziet op de verkrijging van aandelen in een lichaam waarin een materiële onderneming wordt gedreven. De vijfjaarseis heeft ten doel alleen reële bedrijfsopvolgingen te faciliëren. Het onderwerp van schenking moet dan ook een onderneming zijn die de schenker, al dan niet in de vorm van een rechtspersoon, tenminste vijf jaren heeft gedreven.
B. Ondernemingsvermogen
Dit onderdeel bevat een aantal kwesties waarin de vraag speelt of er sprake is van verkrijging van ondernemingsvermogen.
Vraag
Natuurlijk persoon A houdt alle aandelen in de besloten vennootschappen B en C. De enige bezitting van BV C bestaat uit een bedrijfspand dat BV C verhuurt aan BV B. BV B oefent in dat bedrijfspand een onderneming uit. A schenkt de aandelen van beide vennootschappen aan natuurlijk persoon D. Heeft de bedrijfsopvolgingsregeling ook betrekking op de schenking van de aandelen in BV C?
Antwoord
Nee. BV C oefent geen onderneming uit maar is een beleggingslichaam. Gelet op de artikelen 25, elfde lid, onderdeel b, en 26, vierde lid, onderdeel b, van de Invorderingswet is de bedrijfsopvolgingsregeling niet van toepassing op de verkrijging van aandelen in een beleggingsmaatschappij.
Vraag
In de praktijk komt het voor dat een onderneming wordt overgedragen tegen betaling van een koopsom en dat deze koopsom uit vrijgevigheid geheel of gedeeltelijk wordt kwijtgescholden. Is in een dergelijke situatie de bedrijfsopvolgingsregeling van de Invorderingswet van toepassing?
Antwoord
Tijdens de parlementaire behandeling van de bedrijfsopvolgingsregeling van de Invorderingswet is een tegemoetkoming in de uitvoeringssfeer toegezegd voor die gevallen waarin formeel geen sprake is van een schenking van ondernemingsvermogen maar materieel wel. Deze tegemoetkoming houdt in dat die gevallen waarin de onverbrekelijkheid tussen de overdracht van de onderneming (of aanmerkelijk belangaandelen) en de kwijtschelding van de koopsom kan worden aangetoond, materieel gelijk kunnen worden gesteld met een schenking van ondernemingsvermogen (of aanmerkelijk belangaandelen). Zoals uit de parlementaire behandeling kan worden afgeleid, geldt de vorengenoemde tegemoetkoming niet indien geen ‘nauwe relatie’ tussen verkoop van het ondernemingsvermogen (of aanmerkelijk belangaandelen) en kwijtschelding van de koopsom bestaat.
Van een ‘nauwe relatie’ is bijvoorbeeld sprake als bij één notariële akte zowel de overdracht van de onderneming als de kwijtschelding van de koopsom wordt geregeld.
Als de kwijtschelding van de koopsom dus plaatsvindt na verloop van tijd is de bedrijfsopvolgingsregeling van de Invorderingswet niet van toepassing.
Vraag
Een onderneming wordt, zonder de grond waarop deze onderneming wordt uitgeoefend, aan de voortzetter in eigendom overgedragen. De grond wordt aan de voortzetter verpacht. De bedrijfsopvolgingsregeling is van toepassing op het overgedragen ondernemingsvermogen. Enkele jaren later draagt de verpachter de grond waarop de onderneming wordt uitgeoefend alsnog over aan de voortzetter. Is op de overdracht van de verpachte grond de bedrijfsopvolgingsregeling van de Invorderingswet van toepassing?
Antwoord
Nee, de bedrijfsopvolgingsregeling is niet van toepassing op de latere levering van de grond. De bedrijfsopvolgingsregeling van de Invorderingswet 1990 voorziet in uitstel van betaling respectievelijk voorwaardelijke kwijtschelding van het recht dat kan worden toegerekend aan de verkrijging van het vermogen van een onderneming. Als gevolg van de in de bedrijfsopvolgingsregeling opgenomen voorwaarden kan de regeling niet worden toegepast ten aanzien van het verschuldigde recht dat betrekking heeft op de waarde van de grond die door de eigenaar op een later tijdstip aan de pachter in eigendom wordt overgedragen. Ter zake van de grond wordt immers niet voldaan aan de voorwaarde dat het vermogen van een onderneming moet worden overgedragen. De eigenaar van de verpachte grond draagt weliswaar aan degene die de onderneming heeft voortgezet een activum over maar dat activum (i.c. de grond) behoort op het moment van de overdracht niet meer tot het vermogen van een onderneming. De bedrijfsopvolgingsregeling is dus niet van toepassing op de latere levering van de grond.
Vraag
Kwalificeert een legaat van ondernemingsvermogen tegen inbreng van de waarde voor de bedrijfsopvolgingsregeling?
Antwoord
Ja. De bedrijfsopvolgingsregeling van de Invorderingswet ziet op de waarde van het in de verkrijging begrepen ondernemingsvermogen. Deze regeling gaat derhalve uit van de waarde van het verkregen ondernemingsvermogen. Als er wordt verkregen tegen een tegenprestatie of onder een last, dan worden ingevolge artikel 26, zesde lid, laatste volzin, van de Invorderingswet de faciliteiten van artikel 26, vijfde lid, toegepast op de waarde van de onderneming zonder daarop de tegenprestatie of last in mindering te brengen.
Vraag
Een vader is vennoot in een vennootschap onder firma met zijn zoon. Het firmacontract kent de bepaling dat wanneer vader de hoedanigheid van vennoot opgeeft of verliest, diens aandeel aan zijn zoon verblijft, die daarvoor de helft van de boekwaarde moet vergoeden. In zijn testament heeft vader bepaald dat zijn zoon en zijn echtgenote voor gelijke delen erven. Hoe wordt de bedrijfsopvolgingsregeling toegepast indien vader bij leven de firma verlaat, dan wel indien de firma eindigt door overlijden van vader?
Antwoord
Bij leven
Het firmacontract bevat een voorwaardelijke schenking. Als vader uittreedt op het moment dat de vennootschap onder firma met de zoon nog bestaat, wordt de voorwaarde vervuld. Er is sprake van een gift (voorheen een materiële bevoordeling) waarop de bedrijfsopvolgingsregeling van toepassing is. Op grond van artikel 26, zesde lid, van de Invorderingswet worden de faciliteiten van artikel 26, vijfde lid, toegepast op de waarde van het verkregen ondernemingsvermogen zonder dat daarop de tegenprestatie in mindering te brengen. Zie ook het antwoord op vraag B4.Bii overlijden
Indien de firma wordt ontbonden door het overlijden van vader is op grond van artikel 11 Successiewet 1956 sprake van een fictieve erfrechtelijke verkrijging door de zoon. De bedrijfsopvolgingsregeling van de Invorderingswet vindt onder de gebruikelijke voorwaarden toepassing.
Vraag
A en B zijn in gemeenschap van goederen getrouwd. Ze hebben twee kinderen. A is vennoot in een personenvennootschap welke een onderneming drijft. B overlijdt zonder testament te hebben gemaakt. Op grond van het civiele recht behoort tot de nalatenschap van B een vordering op A ter grootte van de helft van de waarde van het ondernemingsvermogen. Is op de verkrijging door A van de vordering de bedrijfsopvolgingsregeling van de Invorderingswet van toepassing?
Antwoord
Ja, ondanks dat A geen ondernemingsvermogen verkrijgt en ook niet verkrijgt van een ondernemer. De verkregen vordering hangt zo nauw samen met het ondernemingsvermogen dat wordt goedgekeurd dat de bedrijfsopvolgingsregeling hier van toepassing is. Indien de kinderen ter zake een onderbedelingsvordering op A krijgen, kan daarop de uitstelregeling van artikel 25, elfde lid, onderdeel c, van de Invorderingswet worden toegepast.
Vraag
A en B zijn in gemeenschap van goederen getrouwd. Zij hebben twee kinderen. A is enig aandeelhouder van de besloten vennootschap Y, welke een onderneming drijft. B overlijdt zonder een testament te hebben gemaakt. Op grond van het civiele recht behoren de aandelen tot de huwelijksgoederengemeenschap. Tot de nalatenschap van B behoort daarom de onverdeelde helft van de aandelen. Is op de verkrijging van de vordering door A de bedrijfsopvolgingsregeling van de Invorderingswet van toepassing?
Antwoord
Ja. In dit geval zijn beide echtelieden aanmerkelijk belanghouder voor de Wet inkomstenbelasting 2001. Er wordt daarom voldaan aan het vereiste genoemd in de artikelen 25, elfde lid, onderdeel b en 26, vierde lid, onderdeel b, van de Invorderingswet. Indien de kinderen ter zake een onderbedelingsvordering op A krijgen, kan daarop de uitstelregeling van artikel 25, elfde lid, onderdeel c, van de Invorderingswet worden toegepast.
Vraag
A en B zijn buiten gemeenschap van goederen getrouwd. Zij hebben samen één kind C. Bij huwelijkse voorwaarden zijn de echtelieden een finaal verrekenbeding overeengekomen. Dit finaal verrekenbeding houdt in dat bij overlijden van één van de echtgenoten, er wordt afgerekend alsof zij in gemeenschap van goederen waren gehuwd. A’s enige bezit is een pakket aanmerkelijk belang aandelen, B heeft geen vermogen. B overlijdt zonder testament te hebben gemaakt. Als gevolg van het overlijden van B wordt de waarde van de aandelen verrekend, waardoor tot de nalatenschap van B een vordering behoort ter grootte van de helft van de waarde van de aandelen. Deze vordering vererft op de aanmerkelijkbelanghouder A, kind C verkrijgt een vordering op A. Is op de verkrijging van de vordering de bedrijfsopvolgingsregeling van de Invorderingswet van toepassing?
Antwoord
Ja, voor de vordering die vererft naar A. Ondanks dat in dit geval geen ondernemingsvermogen wordt verkregen, wordt goedgekeurd dat in verband met de nauwe samenhang tussen de aandelen en de vordering de faciliteiten wel van toepassing zijn. Kind C kan ter zake van zijn onderbedelingsvordering een beroep doen op de uitstelfaciliteit van artikel 25, elfde lid, onderdeel c, van de Invorderingswet.
C. Voortzetten onderneming
Kernvoorwaarde bij de bedrijfsopvolgingsregeling is dat de (middellijk) verkregen bestaande onderneming wordt voortgezet gedurende een periode van vijf (bij verkrijging krachtens erfrecht) respectievelijk tien jaar (bij verkrijging krachtens schenking). In dit onderdeel wordt een aantal aspecten daarvan besproken.
Vraag
Op 12 december 1999 heeft A door middel van schenking zijn landbouwbedrijf aan B overgedragen. Op deze overdracht was de bedrijfsopvolgingsregeling van toepassing. B moet de onderneming dan gedurende een periode van tien jaar voortzetten. Op 1 juli 2004 moet B door overheidsingrijpen zijn onderneming staken. Hij heeft wel het voornemen om op een andere plaats weer opnieuw te beginnen met een landbouwbedrijf. Wat zijn de gevolgen voor de bedrijfsopvolgingsregeling van de Invorderingswet?
Antwoord
Aangezien B zijn onderneming door overheidsingrijpen dient te staken, blijft op verzoek van B de faciliteit in stand indien de waarde van het vermogen van de gestaakte onderneming met toepassing van artikel 3.64 van de Wet inkomstenbelasting 2001 binnen de in dat artikel bedoelde periode wordt geherinvesteerd in een nieuwe onderneming.
In artikel 25, vierde lid, van de Invorderingswet is geregeld dat uitstel van betaling kan worden verleend voor de conserverende aanslag inkomstenbelasting die in verband met het van toepassing zijn van artikel 3.64 van de Wet inkomstenbelasting 2001 is opgelegd. Wordt door de ontvanger het uitstel van artikel 25, vierde lid, van de Invorderingswet beëindigd op grond van één van de redenen genoemd in de tweede volzin van dat artikel, dan wordt de uitstelfaciliteit respectievelijk de voorwaardelijke kwijtschelding ook beëindigd c.q. ingetrokken.
Vraag
In 2000 heeft A door middel van een schenking zijn aanmerkelijk belangaandelen in BV A aan B overgedragen. De bedrijfsopvolgingsregeling van de Invorderingswet was op deze overdracht van toepassing en aan B is uitstel respectievelijk voorwaardelijke kwijtschelding verleend. B wenst in 2004 de vennootschap te ontbinden en, met toepassing van artikel 14c van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, de onderneming aansluitend voor zijn rekening voort te zetten. Wat zijn de gevolgen voor de door B genoten faciliteiten?
Antwoord
Goedgekeurd wordt dat het aan B verleende uitstel respectievelijk de voorwaardelijke kwijtschelding niet wordt beëindigd c.q. ingetrokken en dat de onderneming geacht wordt nog steeds te zijn voortgezet. Indien B aan de overige voorwaarden van de bedrijfsopvolgingsregeling blijft voldoen, eindigt het verleende uitstel in 2010. In dat jaar wordt ook de voorwaardelijke kwijtschelding in een definitieve kwijtschelding omgezet.
Het spiegelbeeld van bovengeschetste casus is geregeld in de artikelen 6, achtste lid, en 6a, vijfde lid, van de Uitvoeringsregeling.
Vraag
Wat zijn de gevolgen als de bedrijfsopvolger binnen vijf c.q. tien jaar na de verkrijging van de onderneming respectievelijk de aandelen, dus binnen de voortzettingsperiode, overlijdt?
Antwoord
Bedrijfsopvolger was ondernemer (niet ab-houder)
In de artikelen 6, zevende lid, onderdeel a, en 6a, vierde lid, onderdeel a, van de Uitvoeringsregeling is geregeld dat deze gebeurtenis niet leidt tot beëindiging van het verleende uitstel of vermindering van het bedrag waarvoor voorwaardelijke kwijtschelding is verleend.
Het aan de ondernemer-bedrijfsopvolger verleende uitstel respectievelijk voorwaardelijke kwijtschelding wordt gecontinueerd en gaat onder voorwaarden over op zijn erfgenamen. De erfgenamen krijgen dus het recht op de faciliteiten, onder de verplichting de resterende duur van de voortzettingstermijn die bij het overlijden van de ondernemer-bedrijfsopvolger nog liep, vol te maken. Het is voldoende dat één van de erfgenamen de onderneming gedurende die tijd voortzet. Indien de erfgenamen de onderneming niet voortzetten, wordt het uitstel respectievelijk de voorwaardelijke kwijtschelding beëindigd respectievelijk ingetrokken.
Daarnaast kan een voortzettende erfgenaam ter zake van zijn erfrechtelijke verkrijging van ondernemingsvermogen ook uit eigen hoofde een beroep doen op de bedrijfsopvolgingsregeling. Hiervoor gaat een nieuwe termijn van vijf jaar lopen.Bedrijfsopvolger was aandeelhouder (ab-houder)
Bij overlijden van de aandeelhouder is sprake van een fictieve vervreemding. Echter, deze vervreemding wordt op grond van de artikelen 6, zevende lid, onderdeel b, en 6a, vierde lid, onderdeel b, van de Uitvoeringsregeling juncto artikel 25, tiende lid, van de Invorderingswet niet aangemerkt als een vervreemding die leidt tot beëindiging van het verleende uitstel of vermindering van het bedrag waarvoor voorwaardelijke kwijtschelding is verleend.
Het aan de aanmerkelijk belanghouder-bedrijfsopvolger verleende uitstel respectievelijk voorwaardelijke kwijtschelding wordt gecontinueerd en gaat over op zijn erfgenamen. De erfgenamen krijgen dus onder voorwaarden het recht op de faciliteiten, onder de verplichting de resterende duur van de voortzettingstermijn die bij het overlijden van de aanmerkelijk belanghouder-bedrijfsopvolger nog liep, vol te maken. Het is voldoende dat één van de erfgenamen aanmerkelijk belanghouder wordt en de termijn volmaakt. Indien de erfgenamen de aandelen binnen de nog resterende termijn vervreemden, wordt het uitstel respectievelijk de voorwaardelijke kwijtschelding beëindigd respectievelijk ingetrokken.
Daarnaast kan een erfgenaam die aandelen erft ter zake van die verkrijging ook in die hoedanigheid een beroep op de bedrijfsopvolgingsregeling doen. Hiervoor gaat een nieuwe termijn van vijf jaar lopen.
Vraag
BV X heeft 50 geplaatste aandelen. A heeft de aandelen 1 tot en met 25 en B heeft de aandelen 26 tot en met 50. A schenkt zijn aandelen aan B. De bedrijfsopvolgingsregeling van de Invorderingswet is van toepassing. Twee jaar later verkoopt B de aandelen 32 tot en met 39 aan C. Wordt het uitstel c.q. de voorwaardelijke kwijtschelding als gevolg van deze vervreemding herzien?
Antwoord
Nee. De artikelen 6, zevende lid, onderdeel b en 6a, vierde lid, onderdeel b, van de Uitvoeringsregeling bepalen dat ter zake van een verkrijging als bedoeld in artikel 25, elfde lid, onderdeel b, respectievelijk 26, vierde lid, onderdeel b, van de Invorderingswet de tot die verkrijging behorende aandelen niet mogen worden vervreemd op straffe van beëindiging van het verleende uitstel c.q. intrekking van de voorwaardelijke kwijtschelding. Daaronder vallen niet de aandelen van B waarop de bedrijfsopvolgingsregeling geen betrekking heeft.
Vraag
A heeft in 2000 zijn onderneming aan B overgedragen. Op deze overdracht is de bedrijfsopvolgingsregeling van toepassing en B dient de onderneming dan ook gedurende een periode van tien jaren voort te zetten. In 2004 wil B zijn onderneming inbrengen in een vennootschap onder firma. Wat zijn de gevolgen voor de bedrijfsopvolgingsregeling?
Antwoord
De inbreng van een onderneming in een maatschap of een vennootschap onder firma heeft tot gevolg dat de onderneming gedeeltelijk wordt gestaakt. In principe eindigt de genoten faciliteit in het kader van de bedrijfsopvolgingsregeling dan ook voor het gestaakte gedeelte.
Bij een gedeeltelijke staking van de onderneming dient er te worden afgerekend over de winst die met of bij de staking is behaald. Er zijn mogelijkheden om die afrekening vooralsnog te voorkomen, bijvoorbeeld door de stille reserves die zijn begrepen in de activa en passiva op het moment van inbreng voor te behouden. In die situaties, waarbij dit voorbehoud wordt gemaakt, eindigt de genoten faciliteit in het kader van de bedrijfsopvolgingsregeling niet. Zie ook het antwoord op vraag E onder b.
Vraag
Bij de verdeling van de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap wordt het daartoe behorende ondernemingsvermogen geheel aan de nalatenschap toebedeeld. Vervolgens wordt bij de verdeling van de nalatenschap het ondernemingsvermogen aan één of enkele van de erven toebedeeld. Is de bedrijfsopvolgingsregeling van de Invorderingswet van toepassing op het volledig verkregen ondernemingsvermogen?
Antwoord
Ja. In de artikelen 25, elfde lid, en 26, vierde lid, van de Invorderingswet ligt besloten dat het volledig verkregen ondernemingsvermogen bij de berekening van het uitstel respectievelijk de voorwaardelijke kwijtschelding in aanmerking wordt genomen en niet slechts dat gedeelte van het ondernemingsvermogen dat op grond van het huwelijksvermogensrecht aan de nalatenschap kan worden toegerekend.
E. Bedrijfsopvolging bij personenvennootschappen
Bedrijfsopvolging kan zich gefaseerd voordoen. Daarbij kan gebruik worden gemaakt van personenvennootschappen. Hierna wordt ingegaan op een aantal daaraan verbonden aspecten
Vraag
Is de bedrijfsopvolgingsregeling van de Invorderingswet van toepassing indien onderscheidenlijk:
a. A zijn onderneming inbrengt in een vennootschap onder firma met B en A uit vrijgevigheid hiervoor geen adequate vergoeding bedingt;
b. A zijn onderneming inbrengt in een vennootschap onder firma met B, A zich de stille reserves tot op dat moment voorbehoudt en alleen een adequate vergoeding voor de boekwaarde bedingt;
c. A en B enige tijd na het aangaan van de vennootschap onder firma de overeengekomen (winst)gerechtigdheid wijzigen zodat de gerechtigdheid van B stijgt, waarvoor A uit vrijgevigheid geen adequate vergoeding bedingt;
d. A uit de vennootschap onder firma treedt en B de onderneming als eenmanszaak voortzet, waarvoor A uit vrijgevigheid geen adequate vergoeding bedingt;
e. tegelijk met het uittreden van A, C in diens plaats toetreedt tot de vennootschap onder firma. A bedingt uit vrijgevigheid geen adequate vergoeding van C;
f. Hoe wordt de bedrijfsopvolgingsregeling toegepast als B zijn aandeel in de personenvennootschap overdraagt aan C, indien dat gebeurt binnen 10 jaar na het aangaan van de personenvennootschap tussen A en B?
a. Ja. De artikelen 25, elfde lid, onderdeel a, en 26, vierde lid, onderdeel a, van de Invorderingswet verwijzen voor het begrip onderneming naar de Wet inkomstenbelasting 2001. De inbreng van een onderneming in een personenvennootschap heeft voor de inkomstenbelasting de volgende twee gevolgen. A staakt als inbrenger een evenredig deel van zijn onderneming en B verkrijgt als medevennoot een zelfstandig gedeelte van een onderneming. Aangezien B een zelfstandig deel van een onderneming verkrijgt en deze voortzet, is de bedrijfsopvolgingsregeling voor dat deel van toepassing.
b. Nee. Ook hier verkrijgt B een zelfstandig gedeelte van een onderneming. Indien A en B een zakelijke vergoeding in de vorm van bijvoorbeeld een rentevergoeding over de voorbehouden stille reserves of een hoger winstaandeel overeenkomen, is er geen sprake van een gift, zodat de bedrijfsopvolgingsfaciliteit om die reden niet van toepassing is. Indien A en B geen zakelijke vergoeding overeenkomen, is wel sprake van een gift. B geniet dan een vruchtgebruik in de zin van artikel 18 Successiewet van het voorbehouden bedrag. Hij heeft immers (samen met A) het genot van bedrijfsmiddelen met een hogere waarde dan waarmee bij de winstverdeling rekening wordt gehouden. Omdat dit vruchtgebruik zelf geen ondernemingsvermogen betreft, is de bedrijfsopvolgingsregeling niet van toepassing op deze bevoordeling.
c. Ja. Hiervoor geldt het gestelde onder a. A draagt immers nader een evenredig deel van zijn onderneming (zijn aandeel in de vennootschap onder firma neemt af) over aan B, die dat deel bij diens subjectieve onderneming voegt.
d. Ja. Hiervoor geldt het gestelde onder a. A draagt zijn resterende subjectieve onderneming over aan B die dat bij diens subjectieve onderneming voegt.
e. Ja. Hiervoor geldt het gestelde onder a. A draagt zijn subjectieve onderneming (zijn aandeel in de personenvennootschap) over aan C. Dat gedeelte vormt voor C diens hele onderneming zodat er sprake is van voortzetting van de door A gedreven onderneming.
f. C neemt de plaats in van B in de personenvennootschap met A. Voor B geldt dat hij zijn onderneming niet langer voortzet. Dat is een gebeurtenis als bedoeld in de artikelen 6, zevende lid, onderdeel a, en 6, vierde lid, onderdeel a, van de Uitvoeringsregeling. Voor B geldt dat het bij het aangaan van de personenvennootschap verleende uitstel wordt beëindigd en de voorwaardelijke kwijtschelding wordt ingetrokken.
F. Bedrijfsopvolgingsregeling bij holding-werkmaatschappij structuur
De bedrijfsopvolgingsregeling in de Invorderingswet is geredigeerd vanuit de idee dat er ondernemingsvermogen of aandelen in een ondernemingdrijvende vennootschap wordt verkregen. In de praktijk kan er sprake zijn van meer indirecte vormen van verkrijging, bijvoorbeeld bij een holding- werkmaatschappij structuur. In beginsel kwalificeren aandelen in een holdingmaatschappij niet voor de bedrijfsopvolgingsregeling van de Invorderingswet. Echter, in sommige situaties wordt goedgekeurd dat het verschuldigde recht met betrekking tot de schenking of vererving van een aanmerkelijk belang in een holdingmaatschappij in aanmerking kan komen voor de bedrijfsopvolgingsregeling. De holdingmaatschappij moet dan het beleid in de werkmaatschappij bepalen c.q. mede bepalen. Er mag tevens geen sprake zijn van een holdingmaatschappij waarvan de feitelijke werkzaamheid bestaat in het, onmiddellijk of middellijk, beleggen van vermogen of daarmee overeenkomende werkzaamheid. Voor het beoordelen van een concrete situatie dienen de activiteiten van de holdingmaatschappij en de werkmaatschappij geconsolideerd te worden bezien.
Hieronder wordt een aantal voorbeelden waarbij sprake is van een holding-werkmaatschappij structuur uitgewerkt.
Vraag
A is enig aandeelhouder van BV X. BV X is enig aandeelhouder van BV Y. BV Y drijft een materiële onderneming en BV X bepaalt het beleid in BV Y. Is de bedrijfsopvolgingsregeling van de Invorderingswet van toepassing indien:
Situatie 1: A zijn aandelen in BV X om niet overdraagt aan B?
Situatie 2: BV X haar aandelen in BV Y om niet overdraagt aan B?
Situatie 3: A zijn aandelen BV X om niet overdraagt aan BV C waarvan B 100% aandeelhouder is?
Situatie 4: BV X haar aandelen in BV Y om niet overdraagt aan voornoemde BV C?
Antwoord
Situatie 1
Ja. Aangezien BV X het beleid bepaalt in BV Y worden voor de toepassing van de bedrijfsopvolgingsregeling de bezittingen en schulden van BV Y beschouwd bezittingen en schulden te zijn van BV X. De voortzettingseis houdt in dat B tien jaar zijn aandelen in BV X niet geheel of gedeeltelijk mag vervreemden, dat BV X op haar beurt de aandelen in BV Y niet geheel of gedeeltelijk mag vervreemden en dat BV Y tien jaar lang de materiële onderneming die zij ten tijde van de bevoordeling dreef, niet geheel of gedeeltelijk mag staken.Situatie 2
Ja. De overdracht van de aandelen BV Y aan B brengt de volgende gevolgen teweeg. BV X verricht een winstuitdeling aan A ter grootte van de waarde van de aandelen BV Y. A verricht voor hetzelfde bedrag een schenking aan B. Hoewel dit formeel geen schenking van aandelen is, ontmoet het geen bezwaar om in casu op de schenking van A aan B de bedrijfsopvolgingsregeling toe te passen. De voortzettingseis houdt in casu het volgende in. B mag zijn aandelen in BV Y gedurende tien jaar niet geheel of gedeeltelijk vervreemden. Verder mag gedurende deze periode BV Y de materiële onderneming die zij ten tijde van de bevoordeling dreef, niet geheel of gedeeltelijk staken.Situatie 3
Ja. De overdracht van de aandelen BV X aan BV C brengt de volgende fiscale gevolgen teweeg. A verricht een schenking aan B ter grootte van de waarde van de aandelen BV X. Vervolgens verricht B een informele kapitaalstorting voor hetzelfde bedrag in BV C. Hoewel de schenking van A aan B formeel geen schenking van aandelen is, ontmoet het geen bezwaar om in casu op de schenking van A aan B de bedrijfsopvolgingsregeling toe te passen. De voortzettingseis houdt in casu het volgende in. B mag gedurende tien jaar zijn aandelen in BV C niet geheel of gedeeltelijk vervreemden. Hetzelfde geldt voor BV C voor de aandelen in BV X. BV X mag op haar beurt de aandelen in BV Y gedurende deze tien jaar ook niet geheel of gedeeltelijk vervreemden. Ten slotte mag BV Y tien jaar lang de materiële onderneming die zij ten tijde van de bevoordeling dreef, niet geheel of gedeeltelijk staken.Situatie 4
Ja. Deze situatie is een combinatie van de situaties 2 en 3 die hiervoor zijn besproken, zodat voor de motivering van de toepasselijkheid van de bedrijfsopvolgingsregeling en de gevolgen voor de voortzettingseis naar die twee situaties wordt verwezen.
Inhoudsopgave
Inleiding
A. Bezitstermijn schenker
A1. Bezitstermijn schenker en ondernemingsvorm
Vraag
Antwoord
A2. Vijfjaarseis en middellijk gehouden aandelen
Vraag
Antwoord
B. Ondernemingsvermogen
B1. Verhuur pand aan zustermaatschappij
Vraag
Antwoord
B2. Verkoop onderneming en kwijtschelding van de koopsom
Vraag
Antwoord
B3. Gefaseerde overgang van een onderneming
Vraag
Antwoord
B4. Legaat tegen inbreng van de waarde
Vraag
Antwoord
B5. Verblijvingsbeding
Vraag
Antwoord
B6. Overlijden echtgenoot van de deelnemer in een personenvennootschap
Vraag
Antwoord
B7. Overlijden echtgenoot van een a.b. houder
Vraag
Antwoord
B8. Finaal verrekenbeding
Vraag
Antwoord
C. Voortzetten onderneming
C1. Staking door overheidsingrijpen
Vraag
Antwoord
C2. Voortzettingseis en ondernemingsvorm
Vraag
Antwoord
C3. Overlijden bedrijfsopvolger
Vraag
Antwoord
C4. Vervreemding van niet gefacilieerd verkregen aandelen
Vraag
Antwoord
C5. Oprichting personenvennootschap en voortzettingseis
Vraag
Antwoord
D. Verdeling nalatenschap en huwelijksgoederengemeenschap
Vraag
Antwoord
E. Bedrijfsopvolging bij personenvennootschappen
Vraag
Antwoord
F. Bedrijfsopvolgingsregeling bij holding-werkmaatschappij structuur
Vraag
Antwoord
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht