1.
Het is een ieder verboden hetgeen hem uit of in verband met enige werkzaamheid bij de uitvoering van deze wet over de persoon of zaken van een ander blijkt of wordt meegedeeld, verder bekend te maken dan noodzakelijk is voor de uitvoering van deze wet of voor de heffing van enige rijksbelasting (geheimhoudingsplicht).
2.
De geheimhoudingsplicht geldt niet indien:
a. enig wettelijk voorschrift tot de bekendmaking verplicht;
b. bij regeling van Onze Minister is bepaald dat bekendmaking noodzakelijk is voor de goede vervulling van een publiekrechtelijke taak van een bestuursorgaan;
c. bekendmaking plaatsvindt aan degene op wie de gegevens betrekking hebben voorzover deze gegevens door of namens hem zijn verstrekt.
3.
In andere gevallen dan bedoeld in het tweede lid kan Onze Minister ontheffing verlenen van de geheimhoudingsplicht.
1.
Ter bevordering van een doelmatige invordering van de uit een belastingwet voortvloeiende schuld of van een op grond van deze wet of een belastingwet op te leggen bestuurlijke boete kan de ontvanger afwijken van het overigens bij of krachtens deze wet bepaalde, indien:
a. de belastingschuldige instemt met deze wijze van invorderen, en
b. de invordering niet leidt tot voldoening van een lagere schuld dan de schuld die voortvloeit uit de belastingwet of tot voldoening van een lagere bestuurlijke boete dan de op grond van deze wet of de belastingwet opgelegde bestuurlijke boete.
2.
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld voor de toepassing van dit artikel.
3.
In afwijking van artikel 2, eerste lid, onderdeel k, wordt voor de toepassing van dit artikel mede verstaan onder belastingschuldige: degene die zonder toepassing van artikel 64 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen een belastingschuldige als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel k, zou zijn.
Artikel 68
De verzending en de betekening van de stukken betreffende de invordering van de schenk- en erfbelasting kan plaatsvinden aan de ingevolge artikel 43 van de Successiewet 1956 gekozen woonplaats dan wel aan de werkelijke woonplaats of plaats van vestiging.
Artikel 69
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld ter uitvoering van deze wet.
Artikel 70
Artikel 22, derde lid, vervalt op 1 januari 1993, tenzij voordien een wetsvoorstel, houdende een definitieve regeling omtrent het fiscaal bodemrecht bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal is ingediend, dan wel een wetsvoorstel houdende een verlenging van de geldigheidsduur van voornoemde bepaling voor een tijd van niet langer dan een jaar.
Inhoudsopgave
+ Hoofdstuk I. Algemene bepalingen
+ Hoofdstuk II. Invordering in eerste aanleg
+ Hoofdstuk III. Dwanginvordering
+ Hoofdstuk IV. Bijzondere bepalingen
+ Hoofdstuk V. Betalingskorting en invorderingsrente
+ Hoofdstuk VI. Aansprakelijkheid
+ Hoofdstuk VII. Verplichtingen ten behoeve van de invordering
+ Hoofdstuk VIIa. Bestuurlijke boeten
+ Hoofdstuk VIII. Strafrechtelijke bepalingen
- Hoofdstuk IX. Aanvullende regelingen
+ Hoofdstuk X. Slot- en overgangsbepalingen
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht
Jurisprudentie
Voorbeelden van het gebruik van deze artikel(en) in rechterlijke uitspraken