Let op. Deze wet is vervallen op 1 juli 2007. U leest nu de tekst die gold op 30 juni 2007.

Kaderbesluit rechtspositie VO

Uitgebreide informatie
Besluit van 25 juli 1995, houdende vaststelling van het Kaderbesluit rechtspositie VO
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, gedaan mede namens Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, van 17 maart 1995, nr. 95004629, directie Arbeidsvoorwaarden en Beroepskwaliteit;
Gelet op artikel 38 a , tweede en derde lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs;
De Raad van State gehoord (advies van 7 juli 1995, nr. W05.95.014);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, uitgebracht mede namens Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, van 13 juli 1995, nr. 95018398, directie Arbeidsvoorwaarden en Beroepskwaliteit;
Hebben goedgevonden en verstaan:
1.
Tenzij anders vermeld, wordt in dit besluit verstaan onder:
a. school: een openbare of uit de openbare kas bekostigde school voor voorbereidend wetenschappelijk onderwijs, school voor hoger algemeen voortgezet onderwijs, school voor middelbaar algemeen voortgezet onderwijs of school voor voorbereidend beroepsonderwijs, dan wel een scholengemeenschap bestaande uit twee of meer van deze schoolsoorten;
b. [vervallen;]
c. [vervallen;]
d. betrokkene: een lid van het door het bevoegd gezag benoemde personeel;
e. Onze minister: Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen en, voor wat betreft het landbouwonderwijs, Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit;
f. bevoegd gezag: wat betreft:
1°. een openbare school:
het college van burgemeester en wethouders, voor zover de raad niet anders bepaalt, en, indien de raad dit besluit, met inachtneming van door hem te stellen regels;
het krachtens de desbetreffende gemeenschappelijke regeling bevoegde orgaan;
de openbare rechtspersoon, bedoeld in artikel 42a van de Wet op het voortgezet onderwijs; dan wel
2°. Een bijzondere school: het schoolbestuur;
g. normbetrekking: de betrekking waarvan de omvang gelijk is aan die van de door het bevoegd gezag vastgestelde volledige weektaak;
h. benoeming: de benoeming bij het bijzonder onderwijs en de aanstelling bij het openbaar onderwijs;
i. functie: het samenstel van werkzaamheden door de betrokkene te verrichten krachtens en overeenkomstig hetgeen hem door het bevoegd gezag is opgedragen.
1.
De algemene arbeidsduur bestaat uit de componenten werktijd en verlof.
2.
De werktijd van de betrokkene die is benoemd in een normbetrekking bedraagt 1659 uur per jaar, aangevuld met 51 uur verlof, waarbij de gemiddelde weektaak op jaarbasis gelijk is aan 36,86 uur.
3.
In afwijking van het tweede lid kan de algemene arbeidsduur van de betrokkene die is benoemd in een normbetrekking ten hoogste 1790 uur per jaar bedragen, waarbij het aantal uren verlof gelijk is aan die arbeidsduur verminderd met 1659 uur. De eerste volzin vindt slechts toepassing mits hieruit geen verdringing van ander personeel voortvloeit.
4.
De verlofuren, bedoeld in het tweede en derde lid, kunnen ofwel in de vorm van een jaarverlof ofwel als meerjarig spaarverlof worden opgenomen.
1.
Het bevoegd gezag stelt de formatie voor de school vast. De formatie omvat het geheel van functies in aantallen en niveaus voor het personeel van de school.
2.
Aard en niveau van de functie worden bepaald aan de hand van taakkarakteristieken en functietyperingen, die door het bevoegd gezag worden vastgesteld, volgens het door het bevoegd gezag te hanteren functiewaarderingssysteem, daarbij uitgaande van het bepaalde in de artikelen 4 en 5. Het bevoegd gezag stelt een bezwarencommissie functiewaardering in.
3.
Het bevoegd gezag stelt ingevolge het tweede lid voor elke functie een salarisschaal vast waarbij het gebruik maakt van de in de bijlage 1A bij dit besluit vermelde reeks van genummerde salarissen, behorende bij een normbetrekking.
4.
Het bevoegd gezag stelt regels vast omtrent de wijze waarop de betrokkene het maximumsalaris van de bij zijn functie behorende schaal bereikt, waarbij het gebruik maakt van de in de bijlagen 1A , 1C of 1D vermelde salarisbedragen en stelt regels vast met betrekking tot de in bijlage 1E vermelde toeslagen.
1.
Voor het functiewaarderingssysteem gelden voor de functie van leraar als uitgangspunten de schalen LB, LC en LD afhankelijk van de zwaarte van de functie.
2.
De in het eerste lid genoemde salarisschalen zijn de schalen genoemd in bijlage 1C .
1.
Voor het functiewaarderingssysteem gelden voor de functie van directeur en voorzitter centrale directie als uitgangspunten de schalen 12 tot en met 16, afhankelijk van de zwaarte van de functie. Bij de beoordeling van de zwaarte van de functie zijn in elk geval begrepen de omvang en complexiteit van de school en de door het bevoegd gezag opgedragen verantwoordelijkheid. De hoogst bereikbare schaal is 17.
2.
De in het eerste lid genoemde salarisschalen zijn de schalen genoemd in bijlage 1A .
1.
De betrokkene wordt benoemd in een van de functies die beschikbaar zijn ingevolge de door het bevoegd gezag vastgestelde formatie.
2.
Het bevoegd gezag stelt, met inachtneming van dit artikel en van artikel 3, regels vast met betrekking tot de wijze waarop het salaris van de betrokkene bij zijn indiensttreding wordt bepaald.
3.
Het salaris van de betrokkene met een onvolledige werktijd wordt vastgesteld op een evenredig deel van het salaris bij een volledige werktijd.
4.
In afwijking van het eerste lid kan een betrokkene in het in dat lid bedoelde geval worden benoemd in twee functies van het onderwijsondersteunend personeel dan wel in twee functies waarvan één van het onderwijzend personeel en één van het onderwijsondersteunend personeel, indien er een verschil is van meer dan drie schalen tussen de bij die functies behorende maximumschalen.
5.
In afwijking van het eerste en vierde lid kan een betrokkene met een arbeidsongeschiktheidspercentage van minder dan 35% worden benoemd in twee onderwijsondersteunende functies of een onderwijsondersteunende en een onderwijsgevende functie waarvan het verschil tussen de bij die functies behorende maximumschalen 3 of minder schalen is.
1.
In afwijking van artikel 3, derde lid, wordt het salaris van een betrokkene die de leeftijd van 19 jaar nog niet heeft bereikt, vastgesteld op het bedrag dat in de voor hem geldende schaal is opgenomen bij het salarisnummer bestaande uit de letter J en het getal dat overeenkomt met zijn leeftijd in jaren, voor zover de schaal in bijlage 1B dit aangeeft.
2.
Het salaris van de betrokkene die de leeftijd van 19 jaar bereikt wordt met ingang van de eerste dag van de maand waarin hij die leeftijd bereikt, vastgesteld op het bedrag dat in de voor hem van toepassing zijnde schaal is vermeld bij salarisnummer 0.
1.
Indien het salaris minder is dan het maandbedrag van het minimumloon als vermeld in bijlage 2 dat krachtens de artikelen 7, 8 en 14 van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag geldt voor werknemers van dezelfde leeftijd als betrokkene, wordt hem een toelage toegekend ten bedrage van het verschil.
2.
Voor de betrokkene met een onvolledige werktijd wordt het voor werknemers van dezelfde leeftijd geldende minimumloon geacht te zijn vastgesteld op een evenredig deel van het minimumloon bij een volledige werktijd.
Artikel 10. Algemene wijzigingen salarisbedragen
De salarisbedragen en toelagen, genoemd in de bijlagen bij dit besluit, kunnen worden gewijzigd bij ministeriële regeling.
1.
De betrokkene heeft aanspraak op een vakantie-uitkering voor de tijd gedurende welke hij als zodanig salaris heeft genoten. Voor de toepassing van de eerste volzin wordt onder tijd, gedurende welke salaris is ontvangen, niet begrepen tijd gedurende welke de betrokkene wegens verplichte militaire dienst, anders dan voor herhalingsoefeningen, niet verlof zijnde, slechts salaris heeft ontvangen tot een bedrag van het op hem te verhalen gedeelte van de pensioenbijdrage.
2.
Tenzij uit het derde en het vierde lid anders voortvloeit, bedraagt de vakantie-uitkering per kalendermaand 8% van het bedrag dat de betrokkene in die maand aan salaris heeft ontvangen. Voor de toepassing van de eerste volzin wordt in de gevallen, bedoeld in de artikelen 8 en 9, steeds uitgegaan van het volledige aan zijn betrekking verbonden salaris.
3.
Voor de betrokkene die in de van toepassing zijnde maand op grond van het eerste lid aanspraak heeft op een bedrag dat lager is dan het bedrag dat in bijlage 2 bij dat besluit bij zijn leeftijd is vermeld, wordt de vakantie-uitkering vastgesteld op laatstbedoeld bedrag.
4.
Het in het derde lid bedoelde bedrag wordt naar evenredigheid verminderd, indien:
a. de betrokkene is aangesteld in een betrekking met een omvang van minder dan een normbetrekking.
b. het salaris van de betrokkene op een andere dag dan de eerste dag van die maand is aangevangen dan wel indien hij in een deel van die maand geen salaris heeft ontvangen;
c. de betrokkene in de loop van die maand slechts een gedeelte van zijn salaris heeft ontvangen wegens verleend verlof, in verband met non-activiteit, bij wijze van disciplinaire straf of uit hoofde van schorsing.
5.
De vakantie-uitkering wordt aan de betrokkene eenmaal per jaar in de maand mei uitbetaald over de periode van twaalf maanden die eindigt met de maand mei. In afwijking hiervan vindt bij ontslag van de betrokkene de uitbetaling plaats over het tijdvak, gelegen tussen het einde van de laatst verstreken periode waarover de vakantie-uitkering werd uitbetaald en de datum van ontslag.
1.
Aan de betrokkene die in een kalenderjaar is benoemd of benoemd is geweest in een functie, wordt met inachtneming van het tweede tot en met het vijfde lid een eindejaarsuitkering toegekend.
2.
Bij ministeriële regeling stelt Onze Minister de hoogte en de berekeningswijze van de in het eerste lid bedoelde uitkering vast.
3.
De eindejaarsuitkering wordt eenmaal per jaar uitbetaald in de maand december over de periode van twaalf maanden die eindigt met de maand december.
4.
In afwijking van het derde lid vindt bij ontslag van de betrokkene de uitbetaling plaats over het tijdvak januari tot de datum van ontslag van het desbetreffende kalenderjaar.
5.
De uitkering maakt deel uit van het inkomen, bedoeld in het pensioenreglement, voor zover dat door Onze Minister in de ministeriële regeling, bedoeld in het tweede lid, wordt bepaald.
1.
Onze Minister kan bepalen dat aan de betrokkene, met inachtneming van het tweede lid, een eenmalige uitkering wordt toegekend.
2.
Bij ministeriële regeling stelt Onze Minister de hoogte, de berekeningswijze, de benaming en de mate waarin deze uitkering doorwerkt naar het inkomen, bedoeld in het pensioenreglement, vast.
1.
De betrokkene ontvangt maandelijks een inkomenstoelage als aangegeven in bijlage 2, onderdeel 3 , bij dit besluit.
2.
Bij ministeriële regeling stelt Onze Minister de berekeningswijze en de mate waarin deze uitkering doorwerkt naar het inkomen, bedoeld in het pensioenreglement, vast.
Artikel 13. Karakter bepalingen besluit
De bepalingen in dit besluit zijn regelen voor het openbaar onderwijs, tevens voorwaarden voor de bekostiging voor het bijzonder onderwijs.
1.
In dit artikel wordt onder «betrokkene» verstaan: degene die over het kalenderjaar 2005 een of meer tegemoetkomingen heeft ontvangen op grond van de Regeling ziektekostenvoorziening onderwijs en onderzoekpersoneel , zoals die regeling luidde op 31 december 2005, en die op die datum een pensioen of prepensioen ontvangt dan wel uitkeringsgenietende is van een uitkering via de Besluit Werkloosheid onderwijs- en onderzoekpersoneel , Besluit bovenwettelijke werkloosheidsregeling voor onderwijspersoneel primair- en voortgezet onderwijs , Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering of invaliditeitspensioen of invaliditeitspensioen op basis van een beëindigde betrekking aan een school.
2.
Onze minister kan bepalen dat aan de betrokkene eenmalig een uitkering wordt toegekend.
3.
Bij ministeriële regeling stelt Onze minister de benaming, de hoogte en de wijze van uitbetaling van de uitkering vast.
4.
Bij ministeriële regeling worden categorieën van personen, wier bezoldiging, uitkering of pensioen direct of indirect komt ten laste van de algemene middelen van het Rijk, aangewezen als betrokkene in de zin van dit artikel.
1.
Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 augustus 1996, met dien verstande dat artikel 12 vervalt met ingang van 1 augustus 1997.
Artikel 15. Citeertitel
Dit besluit wordt aangehaald als Kaderbesluit rechtspositie VO.
Lasten en bevelen dat dit besluit en de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
Ambolesi National Park Kenia, 25 juli 1995
De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen,
De Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij,
Uitgegeven de eerste augustus 1995
De Minister van Justitie,
Inhoudsopgave
+ Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
+ Hoofdstuk 2. Salarissen
+ Hoofdstuk 3. Overige bepalingen
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht
Jurisprudentie
Voorbeelden van het gebruik van deze artikel(en) in rechterlijke uitspraken