Let op. Deze wet is vervallen op 28 september 2007. U leest nu de tekst die gold op 27 september 2007.

Landbouwkwaliteitsbesluit biologische produktiemethode

Uitgebreide informatie
Besluit van 26 november 1992, houdende Landbouwkwaliteitsbesluit biologische produktiemethode
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van de Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij van 17 juni 1992, no. J. 928199, Directie Juridische en Bedrijfsorganisatorische Zaken, gedaan mede namens de Minister van Economische Zaken;
Overwegende dat regels moeten worden gesteld ter uitvoering van de Verordening (EEG) 2092/91 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 24 juni 1991 ( PbEG 1991, L198), inzake de biologische produktiemethode en aanduidingen dienaangaande op landbouwprodukten en levensmiddelen;
Gelet op de artikelen 2, 3, 7, 8, 9 en 12 van de Landbouwkwaliteitswet ( Stb. 1971, 371);
Gehoord:
-. het Landbouwschap;
-. het Produktschap voor Groenten en Fruit;
-. het Produktschap voor Vee en Vlees;
-. het Produktschap voor Zuivel;
-. het Produktschap voor Pluimvee en Eieren;
-. het Hoofdproduktschap voor Akkerbouwprodukten;
-. de Consumentenbond;
-. het Konsumentenkontakt;
-. de Stichting Skal;
-. het Platform Biologische Landbouw en Voeding;
-. de Vereniging voor Biologisch-Dynamische Landbouw;
-. de Nederlandse Vereniging voor Ekologische Landbouw;
-. het Centraal Bureau Tuinbouwveilingen;
De Raad van State gehoord (advies van 28 juli 1992, no. W11.92.0273);
Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij van 17 november 1992, No. J. 9213960, Directie Juridische en Bedrijfsorganisatorische Zaken, uitgebracht mede namens Onze Minister van Economische Zaken;
Hebben goedgevonden en verstaan:
1.
In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
wet: Landbouwkwaliteitswet ( Stb. 1971, 371);
Onze Minister: Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij;
biologische produktiemethode: voortbrenging van plantaardige en dierlijke landbouwprodukten en houden van dieren overeenkomstig de bij of krachtens de Verordening (EEG) 2092/91 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 24 juni 1991 ( PbEG 1991, L198), zoals deze is of zal komen te luiden, gestelde voorschriften;
bereiding: alle handelingen van verwerking, verduurzaming en verpakking van landbouwprodukten;
ingrediënten: stoffen, met inbegrip van additieven, welke worden gebruikt voor de bereiding van produkten bestemd voor menselijke voeding en die, al dan niet in gewijzigde vorm, aanwezig blijven in het eindprodukt;
verhandelen: bedrijfsmatig in voorraad hebben, voorhanden hebben of te koop aanbieden, verkopen of afleveren;
invoer: invoer als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de In- en uitvoerwet;
derde landen: landen die geen deel uitmaken van de Europese Unie.
2.
Het bepaalde bij of krachtens dit besluit is niet van toepassing op goederen die op regelmatige wijze zijn aangebracht en aangegeven of op regelmatige wijze zijn aangebracht onder geleide van een document voor communautair douanevervoer en die nog niet zijn vrijgegeven voor een van de douaneregelingen als bedoeld in artikel 4, onderdeel 16, onder a, d of f, van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (PbEG L 302).
3.
Het bepaalde bij of krachtens dit besluit is slechts van toepassing met betrekking tot produkten waarvoor regels als bedoeld in artikel 2, eerste lid, zijn gesteld.
1.
Onze Minister kan nadere regels stellen ten aanzien van het aanmerken van bepaalde methoden voor de voortbrenging van produkten als biologische produktiemethoden.
2.
Onze Minister stelt regels vast voor het gebruik van aanduidingen en vermeldingen welke verwijzen naar de biologische produktiemethoden als bedoeld in het eerste lid en in het bijzonder voor het gebruik van de term "biologisch".
1.
Tenzij is voldaan aan het bij of krachtens dit besluit bepaalde, is het verboden bij het verhandelen van produkten en bij de reclame voor produkten, de term "biologisch" te bezigen, dan wel andere aanduidingen of vermeldingen te bezigen, welke verwijzen naar biologische produktiemethoden of die de koper van dergelijke produkten kunnen doen aannemen dat de betreffende produkten of ingrediënten daarvan zijn verkregen overeenkomstig de regels, bedoeld in artikel 2, eerste lid.
2.
Het is verboden de krachtens artikel 6 vastgestelde merken, tekenen of bewijsstukken te bezigen in strijd met het bepaalde bij of krachtens dit besluit.
3.
Het is verboden voor landbouwprodukten en levensmiddelen merken, tekenen of bewijsstukken te bezigen welke sterk gelijken op de in het tweede lid bedoelde merken, tekenen of bewijsstukken.
1.
Iedere in Nederland gevestigde natuurlijke of rechtspersoon die produkten, waarvoor aanduidingen of vermeldingen worden gebezigd die verwijzen naar biologische produktiemethoden of waarvan het in de bedoeling ligt om daarvoor dergelijke aanduidingen te bezigen, produceert, bereidt, opslaat, met het oog op verhandeling in Nederland invoert of in de handel brengt, dient zich aan te sluiten bij de in artikel 7 genoemde controle-instelling.
2.
De in artikel 7 genoemde controle-instelling stelt een reglement vast omtrent de inhoud en het verloop van de door haar uit te oefenen controles. Onze Minister kan nadere regels vaststellen omtrent de in dit reglement vast te leggen voorschriften.
1.
Onze Minister kan bepalen dat overeenkomstig de biologische produktiemethoden voortgebrachte produkten aan een keuring kunnen of moeten worden onderworpen.
2.
Onze Minister kan nadere regels stellen inzake de keuring.
1.
Onze Minister kan voor produkten, die zijn voortgebracht overeenkomstig het bij of krachtens dit besluit bepaalde, merken, tekenen of bewijsstukken als bedoeld in artikel 7 van de wet vaststellen. Het aanbrengen van deze merken, tekenen en bewijsstukken is uitsluitend toegestaan aan aangeslotenen bij de in artikel 7 genoemde controle-instelling.
2.
Onze Minister kan regelen vaststellen betreffende het vervaardigen, voorhanden en in voorraad hebben, zomede het afleveren en gebruiken van de in het eerste lid bedoelde merken, tekenen en bewijsstukken, en van de clichés, stempels en andere werktuigen tot het vervaardigen of aanbrengen van die merken, tekenen of bewijsstukken.
Artikel 7
De Stichting Skal te Zwolle is
a. belast met het toezicht op de naleving door de bij haar aangeslotenen van het bij of krachtens dit besluit bepaalde;
b. belast met de in artikel 5 bedoelde keuring van overeenkomstig de biologische produktiemethode voortgebrachte produkten;
c. bevoegd tot het uitreiken van de in artikel 6 bedoelde merken, tekenen en bewijsstukken aan de bij haar aangeslotenen.
Artikel 8
Indien de controle-instelling constateert dat met betrekking tot een produkt of produktpartij, waarvoor aanduidingen, vermeldingen of merken, tekenen en bewijsstukken worden gebezigd als bedoeld in artikel 2, tweede lid, en 6, eerste lid, het bepaalde bij of krachtens dit besluit door een bij haar aangeslotene niet wordt nageleefd, legt zij de betreffende aangeslotene de verplichting op om het merk dan wel de aanduidingen of vermeldingen van de betreffende produkten te verwijderen of te doen verwijderen.
1.
De voorzitter van de in artikel 7 genoemde controle-instelling wordt door Onze Minister telkens voor ten hoogste vier jaar benoemd. Hij is terstond weder benoembaar.
2.
Het bestuur van de in artikel 7 genoemde instelling doet aan Onze Minister een voordracht voor de benoeming.
3.
De voorzitter mag niet rechtstreeks betrokken zijn bij de produktie of verhandeling van produkten, welke via biologische produktiemethoden worden verkregen.
1.
Onze Minister kan vrijstelling en, op aanvrage, ontheffing verlenen van het bepaalde bij of krachtens dit besluit.
2.
Een vrijstelling als bedoeld in het eerste lid wordt slechts verleend voor zover dit geen strijd oplevert met het bepaalde in Verordening (EEG) 2092/91 van de Raad van de Europese Gemeenschappen ( PbEG 1991, L198) inzake biologische produktiemethoden en aanduidingen dienaangaande op landbouwprodukten en levensmiddelen.
3.
Onze Minister kan de bevoegdheid tot het verlenen van een vrijstelling of ontheffing als bedoeld in het eerste lid delegeren aan de in artikel 7 genoemde controle-instelling. Hij kan voorts bepalen dat een besluit, waarbij een zodanige vrijstelling wordt verleend, de goedkeuring behoeft van een door hem aangewezen autoriteit.
1.
Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 1993.
2.
Dit besluit kan worden aangehaald als Landbouwkwaliteitsbesluit biologische produktiemethode.
Lasten en bevelen dat dit besluit met daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State.
's-Gravenhage, 26 november 1992
De Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij,
De Minister van Economische Zaken,
Uitgegeven de tweeëntwintigste december 1992
De Minister van Justitie,
Inhoudsopgave
Artikel 1
Artikel 2
Artikel 3
Artikel 4
Artikel 5
Artikel 6
Artikel 7
Artikel 8
Artikel 9
Artikel 10
Artikel 11
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht