Let op. Deze wet is vervallen op 1 januari 2007. U leest nu de tekst die gold op -.

Landelijke landbouwnormen

Uitgebreide informatie
Landelijke landbouwnormen
Voorwoord
De Belastingdienst heeft in onderhandeling met het landbouwbedrijfsleven de landelijke landbouwnormen 2005 voorbereid. Aan het overleg is deelgenomen door de Vereniging van Accountants- en Belastingadviesbureaus VLB, Land- en Tuinbouworganisatie (LTO) Nederland, Tuinbouw Accountants Administratie Kantoren (TAAK) en de Koninklijke Algemeene Vereeniging voor Bloembollencultuur (KAVB).
Het resultaat is dat nu voor het veertiende jaar voor de meest gangbare kostenposten en voor bepaalde bedrijfsmiddelen en voorraden in de akkerbouw, veehouderij en tuinbouw normbedragen zijn vastgesteld. De vele bronnen die voor de berekening van deze bedragen zijn gebruikt, worden vermeld in de bijlage. De normen voor de bedrijfsopvolgingsregeling in de Successiewet worden in een apart Besluit gepubliceerd.
De tekst van de landbouwnormen wordt vastgesteld in de vorm van een Besluit. Met ingang van belastingjaar 2005 wordt geen papieren versie opgemaakt en toegezonden. De tekst van de landbouwnormen is raadpleegbaar via internet: www.belastingdienst.nl.
Als u vragen of opmerkingen heeft naar aanleiding van de Landelijke landbouwnormen, dan kunt u dit schriftelijk kenbaar maken aan:
Belastingdienst/Oost-Brabant/kantoor Helmond
Platform Landelijke landbouwnormen
T.a.v. A.A.M. van den Bliek
Postbus 965
5700 AZ Helmond.
Belastingdienst/Oost/kantoor Winterswijk
Platform Landelijke landbouwnormen,

Mr. P.L.F. Seegers
voorzitter
1. Inleiding
De in deze publicatie genoemde normen en normbedragen gelden voor de gehele Belastingdienst voor berekening van de jaarwinst. Ze gelden dan ook voor alle belastingplichtige ondernemers in de agrarische sector. Alleen in uitzonderlijke gevallen mag van de normen worden afgeweken. Wie zich op zo’n bijzondere situatie beroept, moet duidelijk motiveren waarom de norm niet wordt gehanteerd. Bij enkele onderdelen, waaronder het privé-gedeelte van energie- en telefoonkosten, is er geen sprake van een norm, maar van een richtlijn. Van de richtbedragen mag worden afgeweken, mits aannemelijk kan worden gemaakt waarom.Vermelding omzetbelasting
Alle geldbedragen worden vermeld inclusief omzetbelasting. De geldbedragen exclusief omzetbelasting staan tussen haakjes of apart in een tabel.Schapen
Met ingang van 2005 is voor de waardering van schapen een andere indeling van diersoorten opgenomen. U vindt deze in paragraaf 3.4.Landbouwmachines
Met ingang van 2005 zijn de afschrijvingsperioden van een aantal landbouwmachines, zoals vermeld in hoofdstuk 8, gewijzigd.Geldigheid
Voor de inkomstenbelasting en de vennootschapsbelasting gelden de normen voor het kalenderjaar 2005 en voor het gebroken boekjaar dat aanvangt in 2005 en eindigt in 2006 (bijvoorbeeld een boekjaar vanaf 1 mei 2005 tot en met 30 april 2006). Bij een gebroken boekjaar zijn de normen dus ook van toepassing voor de aangifte inkomstenbelasting 2006 en de aangifte vennootschapsbelasting 2005.
2. Onttrekkingen
In dit hoofdstuk worden normbedragen gegeven voor het eigen verbruik van de meest gangbare agrarische producten. Daarna wordt ingegaan op het privé-gedeelte van de kosten van verwarming, overige energie, telefoon, accountantskosten en het houden van paarden.Vermelding omzetbelasting
Alle geldbedragen worden vermeld inclusief omzetbelasting. De geldbedragen exclusief omzetbelasting staan tussen haakjes of apart in een tabel.
2.1. Eigen verbruik
Het volgende overzicht geeft normbedragen voor de meeste agrarische producten. Voor niet-genoemde producten moet zelf de waarde van het eigen verbruik worden aangegeven.
Product Norm
Melk Algemeen: € 24,75 (€ 23,35) per persoon Bij betaling superheffing: nihil
Eieren € 4,20 (€ 3,96) per persoon
Aardappelen € 4,45 (€ 4,20) per persoon
Groenten geteeld onder glas Bij één teelt: € 9,08 (€ 8,57) per persoon Bij diverse teelten tegelijkertijd: € 18,15 (€ 17,12) per persoon
Fruit € 21,00 (€ 19,81) per persoon
Snijbloemen geteeld onder glas € 31,76 (€ 29,96) per huishouden
Vleeskuikens € 1,50 (€ 1,42) per stuk
Slachtkippen (leghennen) € 0,11 (€ 0,10) per stuk
Vleeskalkoenen Gewicht x dagprijs Indicatie: hennen 9,5 kg; hanen 18,5 kg Indien geen prijs bekend: € 1,05 (€ 0,99) per kg
Vleesvarkens Waarde volgens slachtafrekening (gewicht x dagprijs) Indien geen gewicht bekend: € 115,00 (€ 108,49) per varken
Rundvee Waarde volgens slachtafrekening (gewicht x dagprijs) Indien geen prijs bekend: € 2,60 (€ 2,45) per kg geslacht gewicht
Vleesstieren Waarde volgens slachtafrekening (gewicht x dagprijs) Indien geen prijs bekend: € 2,75 (€ 2,59) per kg geslacht gewicht
Toelichting
Voor de meeste genoemde producten wordt hierna kort aangegeven wat de belangrijkste uitgangspunten zijn geweest bij het bepalen van de normbedragen. Ook wordt toegelicht hoe een aantal normbedragen moet worden toegepast.Melk
Bij het vaststellen van het normbedrag is uitgegaan van een verbruik van 75 liter per persoon per jaar. Met leeftijdscategorieën wordt geen rekening gehouden. Het verbruik wordt gewaardeerd tegen de gemiddelde fabrieksprijs. Bij betaling van superheffing wordt het verbruik op nihil gewaardeerd.Eieren
Het normverbruik is gesteld op 136 eieren per persoon per jaar. Met leeftijdscategorieën wordt geen rekening gehouden. Het verbruik wordt gewaardeerd tegen de gemiddelde gecorrigeerde LEI-kiloprijs (57, 59, 61 en 64 gram).Aardappelen
Er is uitgegaan van een normverbruik van 60 kg per persoon per jaar. Met leeftijdscategorieën wordt geen rekening gehouden. Uitgangspunt voor de berekening van het eigen verbruik is de gemiddelde marktnotering op de beurs in Rotterdam gedurende het vierde kwartaal van het vorig jaar (Bintje).Groenten geteeld onder glas
Bij twee teelten geldt als norm € 18,15 (€ 17,12) per persoon. Van een tweede teelt is sprake wanneer gelijktijdig twee verschillende producten worden geteeld. Als twee teelten na elkaar plaatsvinden, bedraagt de norm € 9,08 (€ 8,57) per persoon.Fruit
Het gebruik is gerelateerd aan het gemiddelde fruitgebruik in Nederland. Daarbij wordt uitgegaan van een zelfvoorzieningsgraad van 60%.Snijbloemen geteeld onder glas
Wanneer meerdere leden van het huishouden deel uitmaken van de objectieve onderneming (firma), wordt het normbedrag van € 31,76 (€ 29,96) voor snijbloemen gedeeld door het aantal leden.Pluimvee
Het eigen verbruik van pluimvee moet de ondernemer zelf in aantallen aangeven. De prijzen voor slachtkippen (leghennen) en vleeskuikens zijn gebaseerd op het weekblad Pluimveehouderij.Vleesvarkens
Voor vleesvarkens is uitgegaan van de marktnoteringen uit het weekblad Boerderij.Rundvee
Voor rundvee is uitgegaan van de marktprijs. Het gewicht wordt ontleend aan de slachtnota. Als er geen prijs bekend is, wordt de prijs ontleend aan de gemiddelde marktnoteringen uit het weekblad Boerderij. Daarbij wordt het gemiddelde genomen van de eerste en tweede kwaliteit slachtvee.Vleesstieren
Voor vleesstieren is het uitgangspunt het gemiddelde van de slachterijnoteringen van de kwaliteiten R, O en U.
2.2. Privé-gedeelte kosten
Het verbruik van energie en het gebruik van de telefoon verschillen van gezin tot gezin. De hierna genoemde bedragen voor deze posten zijn dan ook niet bedoeld als normen, maar als richtbedragen. Ze zijn gebaseerd op een gezin bestaande uit twee volwassenen en twee kinderen. Bij het bepalen van de energie- en telefoonkosten moet rekening worden gehouden met de grootte van de woning en het leefpatroon van het gezin.
Als de privé-kosten van energie en telefoon aan de hand van rekeningen kunnen worden vastgesteld, moeten in de jaarstukken de werkelijke kosten worden verwerkt.
De kosten van gas kunnen alleen als bedrijfskosten worden aangemerkt indien en voorzover daadwerkelijk bedrijfsmatig gebruik plaatsvindt.
Wanneer een tuinder gas geleverd krijgt tegen grootverbruikerstarief, wordt het normbedrag bepaald door het normverbruik tegen dit tarief te verhogen met 6% OB.
Als het energiebedrijf een vast bedrag (forfait) voor privé-gebruik in rekening brengt, moet dit bedrag in zijn geheel bij de privé-kosten worden geboekt.Verwarming
Voor verwarming en koken moeten, afhankelijk van de wijze van verwarmen, de volgende richtbedragen inclusief vastrecht en energiebelasting worden gehanteerd:
Product Richtbedrag inclusief OB Richtbedrag exclusief OB
Gas 1.040 873,95
Olie 1.040 873,95

Bij het vaststellen van de richtbedragen is uitgegaan van een verbruik van 2.273 m 3 gas per jaar. Dit verbruik is omgerekend tegen een gemiddelde landelijke prijs.Overige energie
De richtbedragen voor het privé-verbruik van elektriciteit en water zijn hieronder weergegeven. Daarbij is rekening gehouden met vastrecht, energiebelasting, heffingskorting en belasting op leidingwater.
Product Richtbedrag inclusief OB Richtbedrag exclusief OB
1 Richtbedrag voor elektriciteit is inclusief € 52 M.E.P., waarover geen OB is verschuldigd.
Elektriciteit 1 580 495,70
Water 270 254,72

Voor elektriciteit is een normverbruik van 4.325 kWh per jaar aangehouden, voor water een normverbruik van 176 m 3 water per jaar. Deze hoeveelheden zijn omgerekend tegen een gemiddelde landelijke prijs.
Bij het bepalen van de richtbedragen is uitgegaan van een gezin bestaande uit twee volwassenen en twee kinderen. De bedragen zijn exclusief reinigingsrechten, zuiveringslasten en eventuele CAI-abonnementskosten.Telefoon
Voor telefoongebruik (gesprekskosten) is het richtbedrag gesteld op € 91 (€ 76,47) per jaar. In dit richtbedrag zijn niet de privé-gesprekskosten van mobiele telefoons opgenomen. De abonnementskosten zijn niet aftrekbaar.Accountantskosten
Voor het privé-gedeelte van de accountantskosten wordt met ingang van 2005 geen norm meer gegeven. Er wordt van uitgegaan, dat de privé-accountantswerkzaamheden apart op de nota(’s) worden vermeld en als zodanig in de boekhouding worden verwerkt.Paarden
Paarden die hobbymatig worden gebruikt, worden aangemerkt als privé-vermogen. Als een paard tot het privé-vermogen behoort, worden kosten van dekgelden, verzekering, paardenbrok, ruwvoer, dierenarts et cetera als privé-kosten aangemerkt.
3. Dieren
In dit hoofdstuk komt de waardering van dieren aan de orde. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen rundvee, varkens, pluimvee, schapen, geiten, nertsen en konijnen.Vermelding omzetbelasting
Alle geldbedragen worden vermeld inclusief omzetbelasting. De geldbedragen exclusief omzetbelasting staan tussen haakjes of apart in een tabel.
3.1. Rundvee
In deze paragraaf wordt de waardering van het rundvee behandeld. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen zelfopgefokt rundvee, aangekocht rundvee en vleesstieren. De termen die in dit hoofdstuk worden gebruikt, sluiten aan bij de MINAS-regelgeving.
3.1.1. Zelfopgefokt rundvee
De volgende normbedragen voor zelfopgefokt rundvee gelden steeds voor alle dieren in de desbetreffende leeftijdscategorie.
Categorie MINAS Rundvee Normbedrag inclusief OB Normbedrag exclusief OB
101 Vrouwelijk jongvee (jonger dan 1 jaar) 244,76 222,36
102 Vrouwelijk jongvee (ouder dan 1 jaar) 602,68 545,06
100 Melkkoeien, kalfkoeien 584,41 536,80

De totale opfokkosten van kalf naar melkkoe worden bepaald door voerkosten, huisvestingskosten en overige kosten.
Opfokkosten van kalf naar melkkoe Bedrag inclusief OB Bedrag exclusief OB
Voerkosten 386,81 357,13
Huisvestingskosten 230,00 197,48
Overige kosten 118,48 107,26
Totaal 735,30 661,87
Opfokperiode in maanden   24   24
Opfokkosten per maand 30,64 27,58
Berekening waardering zelfopgefokte melkkoe Normbedrag inclusief OB Normbedrag exclusief OB
Beginwaarde kalf prijspeil 2003 59,15 55,25
Opfokkosten 24 maanden:        
2003: 6 x € 26,50 (€ 23,90) 159,00 143,40
2004: 12 x € 28,75 (€ 25,96) 345,00 311,52
2005: 6 x € 30,64 (€ 27,58) 183,84 165,48
Totaal 746,99 675,65
Uitgroei van 24 naar 48 maanden 25,00 23,58
Kostprijs zelfopgefokte melkkoe na uitgroei 771,99 699,23
Restwaarde op basis gemiddelde uitstoot 396,82 374,36
Som 1.168,81 1.073,59
Gedeeld door   2   2
Gemiddelde waarde melkkoe 584,41 536,80

Voor de hoogte van de restwaarde (vleesprijzen) is gebruik gemaakt van het weekblad Boerderij, notering slachtvee tweede kwaliteit van de laatste vijf jaren. Per saldo heeft dit geleid tot een uiteindelijk normbedrag voor melkkoeien van € 584,41 (€ 536,80).
3.1.2. Aangekocht rundvee
Voor de berekening van de waardering van aangekocht rundvee geldt dat het aankoopbedrag wordt verhoogd met € 30,64 (€ 27,58) opfokkosten per maand.
3.1.3. Waarderingssystemen
Een rundveestapel bestaande uit zelfopgefokte en aangekochte dieren kan op twee manieren worden gewaardeerd. Achtereenvolgens worden in deze paragraaf het gemiddelde-waardesysteem (waardering van de gehele veestapel) en de individuele methode (waardering van de afzonderlijke dieren) toegelicht.Gemiddelde-waardesysteem
Bij dit systeem wordt bij de aankoop en aanfok van rundvee de boekwaarde aan het begin van het jaar verhoogd met de aankoopprijzen van de dieren die aan de veestapel zijn toegevoegd en met de aanfoknormen van de dieren die zijn overgegaan naar een andere leeftijdsgroep. Bij verkoop of verlies van dieren worden deze afgeboekt tegen de gemiddelde boekwaarde van de leeftijdsgroep waartoe zij aan het begin van het jaar behoorden.
Dit betekent dat het vee dat in de loop van het boekjaar is afgestoten, wordt geacht uit de actiefpost op de beginbalans te komen en dus niet in de loop van het jaar te zijn aangekocht. Dit geldt echter niet als kan worden aangetoond dat een aangekocht dier in hetzelfde boekjaar weer werd verkocht.
De bijboeking vindt plaats volgens de normbedragen. Bij de vaststelling van de gemiddelde waarde van het melkvee worden voor de aangekochte kalfkoeien de aanfok en uitgroei niet gewaardeerd. Hiertoe is besloten om praktische redenen en vanwege het ondergeschikte belang (zie ook het voorbeeld).Voorbeeld inclusief OB
Een rundveestapel bestaande uit zelfopgefokte en aangekochte dieren kan volgens het gemiddelde-waardesysteem worden gewaardeerd zoals in de volgende berekening is weergegeven.
Waarde 40 stuks melkkoeien begin boekjaar (gemiddelde waarde € 600)       24.000,00  
Uitstoot 15 stuks melkkoeien à € 600       9.000,00
Saldo       15.000,00  
             
Aankoop 10 stuks melkkoeien en kalfkoeien, aanschafwaarde volgens grootboek 8.000,00        
Eigen aanfok 5 stuks melkkoeien à € 771,99 3.859,95 +      
Som 11.859,95        
             
Restwaarde van de aangekochte en aangefokte dieren: 15 x € 396,82 5.952,30        
             
Formule:            
Aangekocht 10 stuks: (€ 8.000,00 + (10 x € 396,82))/2 5.984,10        
Eigen aanfok 5 stuks: (€ 3.859,95 + (5 x € 396,82))/2 2.922,02 + 8.906,12 +
Waarde 40 stuks melkkoeien einde boekjaar       23.906,12  
Individuele methode
Wanneer de individuele methode wordt toegepast, geldt voor de opfokkosten van kalf tot melkkoe een bedrag van € 1,02 (€ 0,92) per dag. Voor uitgroei van 24 tot 48 maanden geldt een bedrag van € 0,035 (€ 0,033) per dag. Na het derde jaar wordt in gelijke delen in vijf jaar afgeschreven naar een restwaarde van € 396,82 (€ 374,36).
3.1.4. Embryo(kalf)
Voor kalveren die worden geboren via een embryotransplantatie, moeten ook de extra kosten worden geactiveerd. Hiervoor zijn geen normbedragen opgenomen.
3.1.5. Opfokkosten vleesstieren
De volgende normbedragen hebben betrekking op de opfokkosten van vleesstieren van 0 tot 17,25 maanden. Bij zelfopgefokte kalveren (nuka) wordt het basisbedrag van € 60,92 (€ 56,88) verhoogd met een aanwas van € 0,96 (€ 0,89) per dag of € 29,15 (€ 26,91) per maand. Bij aangekochte kalveren wordt de aankoopprijs verhoogd met € 0,96 (€ 0,89) per dag of € 29,15 (€ 26,91) per maand. Als de marktwaarde aan het einde van het boekjaar lager is dan de norm, mag de lagere marktwaarde worden toegepast.Let op
Wanneer er nagenoeg geheel (90% of meer) wordt gevoerd met bijproducten, mag worden afgeweken van de norm, mits dit wordt gemotiveerd.
3.1.6. Opfokkosten rosékalveren
Van al de aangekochte kalveren wordt de aankoopprijs verhoogd met de in de tabel vermelde aanwas.
Opfokkosten rosékalveren Normbedrag inclusief OB Normbedrag exclusief OB
Aanwasnorm per dag 1,26 1,16
Aanwasnorm per maand 38,24 35,10

Als de marktwaarde aan het einde van het boekjaar lager is dan de norm, mag de lagere marktwaarde worden toegepast.
3.1.7. Opfokkosten witvleeskalveren
Van al de aangekochte kalveren wordt de aankoopprijs verhoogd met de in de tabel vermelde aanwas.
Opfokkosten witvleeskalveren Normbedrag inclusief OB Normbedrag exclusief OB
Aanwasnorm per dag 2,41 2,24
Aanwasnorm per maand 73,25 68,06

Als de marktwaarde aan het einde van het boekjaar lager is dan de norm, mag de lagere marktwaarde worden toegepast.
3.2. Varkens
In deze paragraaf worden achtereenvolgens de normbedragen gegeven voor zeugen, biggen en vleesvarkens.
3.2.1. Zeugen
Voor de totale opfokkosten (ofwel de kostprijs) van een zelfopgefokte zeug geldt een normbedrag van € 231,31 (€ 212,05). Dit bedrag is als volgt samengesteld:Normbedragen zeugen
Berekening kostprijs zelfopgefokte zeug Normbedrag inclusief OB Normbedrag exclusief OB
Beginwaarde big 33,29 30,49
Kosten opfokbig 32,50 29,02
Opfokkosten 165,52 152,54
Totaal kostprijs zelfopgefokte zeug 231,31 212,05

Voor de totale opfokkosten (ofwel de kostprijs) van een aangekochte opfokzeug tot zeug geldt een normbedrag van € 327,00 (€ 307,61). Dit bedrag is als volgt samengesteld:
Berekening kostprijs aangekochte zeug Normbedrag inclusief OB Normbedrag exclusief OB
Gemiddelde aankoopprijs van een opfokzeug van 6,5 maanden 248,28 234,23
Aanfok tot dekrijp 16,83 15,88
Aanfok tijdens dracht 53,35 50,33
Aandeel huisvestingskosten 8,54 7,17
Totaal kostprijs aangekochte zeug 327,00 307,61

De restwaarde (slachtwaarde) van een zeug bedraagt € 140,30 (€ 132,36). Het voorgaande betekent dat wanneer het gemiddelde-waardesysteem wordt toegepast, de volgende bedragen gelden voor zelfopgefokte, respectievelijk aangekochte zeugen:
Waardering zeugen Tussenberekening Normbedrag inclusief OB Normbedrag exclusief OB
Eigen aanfok (€ 231,31 + € 140,30)/2 ([€ 212,05 + € 132,36]/2) 185,81 172,21
Aankoop (€ 327,00 + € 140,30)/2 ([€ 307,61 + € 132,36]/2) 233,65 219,99

Gemiddelde waarde van opfokzeugen van 25 kg tot eerste dekking bij 7,5 maand is € 121,87 (€ 110,61). De categorie MINAS is 404.
3.2.2. Biggen
De geboortewaarde van een big bedraagt € 12,94 (€ 11,91). Deze waarde wordt verhoogd met de bedragen voor opfokkosten totdat een big circa 24 kg weegt. De big is dan gemiddeld 10 weken oud. In de volgende tabel zijn per week de opfokkosten alsmede de cumulatieve waarde van de big opgenomen. Voor aangekochte biggen jonger dan 10 weken wordt de aankoopprijs verhoogd met de opfokkosten, zoals staat in de volgende tabel.
3.2.3. Vleesvarkens
De categorie MINAS voor vleesvarkens is 411. Wanneer op een bedrijf zelfopgefokte biggen worden gehouden tot slachtvarken, geldt een kostprijs afhankelijk van de leeftijd in weken overeenkomstig de normbedragen in de tabel bij het onderdeel 3.2.2. Biggen. Voor zelfopgefokte biggen wordt het normbedrag uit die tabel verhoogd met de volgende bedragen voor opfokkosten. Voor aangekochte biggen wordt de aankoopprijs inclusief aanfokkosten tot tien weken met deze bedragen verhoogd.Normbedragen vleesvarkens
Verblijfsduur in weken Normbedrag Verblijfsduur in weken (vervolg) Normbedrag
Inclusief OB Exclusief OB Inclusief OB Exclusief OB
1 2,02 1,84 10 28,62 26,34
2 4,16 3,79 11 32,60 30,03
3 6,53 5,96 12 36,69 33,82
4 9,13 8,35 13 40,90 37,72
5 11,84 10,84 14 45,22 41,73
6 14,78 13,55 15 49,54 45,74
7 17,96 16,48 16 53,86 49,75
8 21,36 19,62 17 58,19 53,77
9 24,88 22,87        
Onderbouwing
De hiervoor genoemde normbedragen voor zeugen, biggen en vleesvarkens zijn (mede) gebaseerd op het Landelijk biggenprijzenschema van 4 juli 2005. In de berekening zijn geen arbeids- en rentekosten betrokken. De huisvestingskosten zijn wel meegenomen, gecorrigeerd op basis van fiscale grondslagen (onder meer omdat in KWIN voornamelijk wordt uitgegaan van nieuwe stallen). De normbedragen voor biggen zijn gebaseerd op Uniformeringsafspraken Varkenshouderij 1996-1 en het Handboek Varkenshouderij 2004.
3.3. Pluimvee
In de volgende tabellen zijn normbedragen opgenomen voor achtereenvolgens kalkoenen (hennen en hanen), opfokleghennen, leghennen, vleeskuikenouderdieren en vleeskuikens.
3.3.1. Kalkoenen
De waarde van kalkoenhennen en -hanen wordt bepaald door de aankoopprijs van het kuiken te verhogen met het normbedrag voor het betreffende aantal weken. In de berekening van de normbedragen zijn geen arbeids- en rentekosten betrokken. Huisvestingskosten zijn wel meegenomen, gecorrigeerd op basis van fiscale grondslagen.
3.3.2. Opfokleghennen
De waarde van opfokleghennen wordt bepaald door de aankoopprijs van het eendagskuiken te verhogen met het normbedrag voor het betreffende aantal weken. In de berekening zijn geen arbeids- en rentekosten betrokken. Huisvestingskosten zijn wel meegenomen, gecorrigeerd op basis van fiscale grondslagen.
3.3.3. Leghennen
Bij aankoop van een 17-weekse hen (zie voorgaande tabel) wordt de aankoopprijs gedurende drie weken verhoogd met € 0,16 (€ 0,14) per week tot aan het begin van de legperiode.
De aanfokwaarde van leghennen met leeftijden van 24 weken tot 18 maanden wordt met een gelijk bedrag per maand verminderd tot de slachtwaarde is bereikt. De slachtwaarde is gesteld op € 0,11 (€ 0,10) per stuk.
3.3.4. Vleeskuikenouderdieren
De waarde van vleeskuikenouderdieren wordt bepaald door de aankoopprijs van het eendagskuiken te verhogen met de hierna vermelde normbedragen.Normbedragen vleeskuikenouderdieren
Verblijfsduur in weken Normbedrag Verblijfsduur in weken (vervolg) Normbedrag
Inclusief OB Exclusief OB Inclusief OB Exclusief OB
1 0,20 0,18 10 2,48 2,24
2 0,43 0,39 11 2,74 2,48
3 0,67 0,61 12 3,01 2,73
4 0,92 0,83 13 3,28 2,97
5 1,18 1,06 14 3,55 3,21
6 1,44 1,30 15 3,83 3,47
7 1,69 1,53 16 4,11 3,73
8 1,95 1,77 17 4,41 4,00
9 2,22 2,01 18 4,71 4,28

Bij aankoop van een 18-weeks vleeskuikenouderdier (zie voorgaande tabel) wordt de aankoopprijs gedurende vier weken verhoogd met € 0,30 (€ 0,28) per week tot aan het begin van de legperiode.
De aanfokwaarde van vleeskuikenouderdieren met leeftijden van 26 weken tot einde leg wordt met een gelijk bedrag per maand verminderd tot de slachtwaarde is bereikt. De slachtwaarde is gesteld op € 1,39 (€ 1,31) per stuk.
3.3.5. Vleeskuikens
De waarde van vleeskuikens wordt bepaald door de aankoopprijs van het vleeskuiken te verhogen met het normbedrag voor het betreffende aantal weken. In de berekening zijn geen arbeids- en rentekosten betrokken. Huisvestingskosten zijn wel meegenomen, gecorrigeerd op basis van fiscale grondslagen.
3.4. Schapen
Voor de waardering van zelfopgefokte Texelaars en Flevolanders gelden de volgende normbedragen:
3.5. Geiten
Onderscheid wordt gemaakt tussen zelfopgefokte en aangekochte geiten.
3.5.1. Waardering zelfopgefokte geiten
Normbedragen zelfopgefokte geiten
Voor de berekening van de kostprijs van een zelfopgefokte geit bij een leeftijd van 12 maanden (eerste lamdatum) wordt uitgegaan van de beginwaarde van een nuchter geitlam vermeerderd met het aanfokbedrag per week.
3.5.2. Waardering aangekochte geiten
Normbedragen aangekochte geiten
Voor de berekening van de kostprijs van een aangekochte geit wordt uitgegaan van de werkelijke aankoopprijs vermeerderd met het aanfokbedrag per week.
3.6. Nertsen
Voor de waardering van zelfopgefokte nertsen en pelzen gelden de volgende normbedragen per stuk.
3.7. Konijnen
Voor de waardering van zelfopgefokte konijnen gelden de volgende normbedragen:
4. Voorraad maïs en gras
Als de voorraad zelfgeteeld veevoeder per 31 december 2005 wordt geactiveerd, gelden de hierna genoemde normbedragen voor maïs en gras in de voordroogkuil. Er wordt niet aangegeven wanneer een bedrijf een zodanige omvang heeft dat activering verplicht is.Vermelding omzetbelasting
Alle geldbedragen worden vermeld inclusief omzetbelasting. De geldbedragen exclusief omzetbelasting staan tussen haakjes.
4.1. Maïs
De voorraad in eigen bedrijf geteelde maïs wordt per 31 december gewaardeerd op 2/3 x € 978,19 = € 652,12 (2/3 x € 903,87 = € 602,58) per hectare. Er wordt van uitgegaan dat op 31 december 1/3 deel van de voorraad is verbruikt. Het genoemde normbedrag is gebaseerd op KWIN 2005–2006, waarbij er bedragen in mindering zijn gebracht vanwege werkzaamheden met eigen machines in plaats van loonwerk.
Als niet uitgegaan wordt van een voorraad op basis van een bedrag per hectare, maar van de aanwezige kubieke meters in de kuil, is de waardering per m 3 € 13,66 (€ 12,62).
Bij aankoop van maïs op stam moeten naast de aankoopprijs ook de kosten van de oogstwerkzaamheden in de berekening worden opgenomen.
4.2. Gras
Voor gras in de voordroogkuil geldt een normbedrag van € 225,31 (€ 206,04) per hectare per snede. Wanneer op 31 december al een gedeelte van het gras is verbruikt, kan dezelfde verdeling worden aangehouden als voor maïs is aangegeven (1/3 verbruikt, 2/3 in voorraad). Het genoemde normbedrag is gebaseerd op KWIN 2005–2006, waarbij er bedragen in mindering zijn gebracht vanwege werkzaamheden met eigen machines in plaats van loonwerk.
Als niet uitgegaan wordt van een voorraad op basis van een bedrag per hectare per snede, maar van de aanwezige kubieke meters in de kuil, is de waardering per m 3 € 14,86 (€ 13,59).
5. Tuinbouw
Dit hoofdstuk behandelt allereerst de afschrijving van investeringen in bedrijfsmiddelen voor de glastuinbouw en voor de teelt van champignons. Afschrijvingsnormen voor landbouwmachines zijn te vinden in hoofdstuk 8. Vervolgens komt de waardering van champignons en aspergeopstanden aan bod. Ten slotte wordt de normering van veldinventaris voor de glastuinbouw behandeld.Vermelding omzetbelasting
Alle geldbedragen worden vermeld inclusief omzetbelasting. De geldbedragen exclusief omzetbelasting staan tussen haakjes of apart in een tabel.
5.1.1. Geldigheid afschrijvingsnormen glastuinbouw
Sinds 1 januari 1994 gelden landelijke afschrijvingsnormen voor investeringen in de glastuinbouw. Voor in gebruik genomen investeringen uit de periode 1994 tot en met 2004 moet het reeds gekozen afschrijvingsregime worden aangehouden. De afschrijvingsnormen die hierna worden genoemd, zijn van toepassing op investeringen die in gebruik zijn genomen op of na 1 januari 2005. Voor ondernemers die een gebroken boekjaar hanteren, is de ingangsdatum de aanvang van het gebroken boekjaar 2005/2006.
De normen gelden alleen voor investeringen in nieuwe, dus niet eerder gebruikte bedrijfsmiddelen. Afschrijving kan pas plaatsvinden nadat de kostprijs is gecorrigeerd met een eventuele herinvesteringsreserve, aankoopkorting, subsidie en dergelijke.Uitzonderingen
Op investeringen die op grond van de Wet inkomstenbelasting 2001 willekeurig kunnen worden afgeschreven, hoeven de hierna genoemde afschrijvingsnormen niet te worden toegepast. Wel moet rekening worden gehouden met de hierna genoemde restwaarden.
5.1.2. Afschrijvingsregime glastuinbouw
Per investering kan worden gekozen voor afschrijving volgens de lineaire methode of afschrijving naar boekwaarde. Het heeft de voorkeur dat in de jaarstukken dezelfde indeling van bedrijfsmiddelen wordt aangehouden als in paragraaf 5.1.3.
In paragraaf 5.1.3 wordt voor een groot aantal investeringen onder meer de afschrijvingsperiode gegeven. Op grond daarvan kunnen de investeringen worden verdeeld in vier groepen. In het volgende overzicht is per groep aangegeven welke afschrijvingspercentages gelden bij toepassing van de boekwaardemethode, respectievelijk het lineaire systeem.
Groep Afschrijvingsperiode in jaren Afschrijvingspercentage per jaar boekwaardemethode Afschrijvingspercentage per jaar lineair systeem Restwaarde in % (lineair systeem)
1 7 28 14 2
2 11 22 9 1
3 14 18 7 2
4 Anders N.v.t. Anders N.v.t.
Boekwaardemethode
Bij afschrijving volgens boekwaarde wordt geen rekening gehouden met een eventuele restwaarde. In het jaar van ingebruikneming wordt afgeschreven naar tijdsgelang.Lineaire methode
Bij de lineaire methode wordt de hoogte van de jaarlijkse afschrijving bepaald door de werkelijke kostprijs te verminderen met de restwaarde, en dit verschil te delen door de levensduur in jaren. In het jaar van ingebruikneming wordt afgeschreven naar tijdsgelang.
5.1.3. Afschrijvingsgegevens investeringen in bedrijfsmiddelen glastuinbouw
Deze paragraaf geeft een overzicht van de meest voorkomende investeringen in bedrijfsmiddelen en de daarvoor overeengekomen afschrijvingsperiode. Daarnaast zijn restwaarden opgenomen, voor het geval de lineaire methode wordt toegepast. De investeringen in bedrijfsmiddelen zijn ingedeeld in zeven rubrieken:
grond en grondverbetering;
bedrijfsgebouwen;
(glas)opstanden;
verwarmingsinstallaties;
watervoorziening;
andere (on)roerende zaken;
inventaris.
Volgens constante jurisprudentie vormen opstal en grond in de regel één bedrijfsmiddel. Bij het vaststellen van de normen is ervan uitgegaan dat bij sloop van de opstal in de toekomst de eventuele aanmerkelijke en als duurzaam te beschouwen waardeverandering van de grond niet wordt gerealiseerd doch dat de grond dienstbaar blijft aan de onderneming (zie onder andere BNB 1963/6*).Grond en grondverbetering glastuinbouw
Soort grond Afschrijvingsperiode (j) Restwaarde (%)
Grond 0 100
Drainage/onderbemaling 14 2
Erfverharding 14 2
Beschoeiing 14 2
Betonpaden en -vloeren 14 2
Bedrijfsgebouwen glastuinbouw
Soort gebouw Afschrijvingsperiode (j) Restwaarde (%)
Woonhuis 50 0
Bedrijfsruimte, kantine, ketelhuis 14 2
Garage, schuur 24 4
(Glas)opstanden
Soort (glas)opstand Afschrijvingsperiode (j) Restwaarde (%)
Warenhuizen, kassen 14 2
Plastic kassen/tunnels, inclusief folie 7 2
Schaduwhallen, inclusief gaas 7 2
Toelichting
Plastic kassen of tunnels en schaduwhallen worden inclusief folie, respectievelijk gaas geactiveerd en afgeschreven. De kosten van vervanging van folie en gaas worden direct ten laste van het resultaat gebracht.Verwarmingsinstallaties glastuinbouw
Soort verwarmingsinstallatie Afschrijvingsperiode (j) Restwaarde (%)
Ketelhuisinstallatie, noodstroomaggregaat 11 1
Verwarmingsbuizennet 14 2
Warmteopslagtank 11 1
Rookgascondensor 11 1
Warmtekrachtinstallatie, T.E.-installatie 11 1
Betonvloerverwarming 14 2
CO 2 -apparatuur 7 2
Heteluchtkanon 7 2
Stoomapparatuur inclusief afzuigsysteem, grondverwarming, bedverwarming en koeling 11 1
Toelichting
De kosten van stoomdoeken en -zeilen worden direct ten laste van het resultaat gebracht.Watervoorziening glastuinbouw
Soort watervoorziening Afschrijvingsperiode (j) Restwaarde (%)
Substraatinstallatie 4 0
Bron inclusief pomp, leidingen en overige watervoorzieningen/waterbehandeling 7 2
Toelichting
De kosten van het egaliseren van grond voor substraatteelten worden direct ten laste van het resultaat gebracht. Steenwolmatten en folie voor de substraatteelt zijn vanwege de diversiteit in gebruik niet genormeerd.
5.2.1. Geldigheid afschrijvingsnormen champignonteelt
Sinds 1 januari 2002 gelden landelijke afschrijvingsnormen voor investeringen gebruikt voor de teelt van champignons. Voor in gebruik genomen investeringen uit de periode 2002 tot en met 2004 dient het reeds gekozen afschrijvingsregime te worden aangehouden. De afschrijvingsnormen die hierna worden genoemd, zijn van toepassing op investeringen die in gebruik zijn genomen op of na 1 januari 2005. Voor ondernemers die een gebroken boekjaar hanteren, is de ingangsdatum de aanvang van het gebroken boekjaar 2005/2006.
De normen gelden alleen voor investeringen in nieuwe, dus niet eerder gebruikte bedrijfsmiddelen. Afschrijving kan pas plaatsvinden nadat de kostprijs is gecorrigeerd met een eventuele herinvesteringsreserve, aankoopkorting, subsidie en dergelijke.Uitzonderingen
Op investeringen die op grond van de Wet inkomstenbelasting 2001 willekeurig kunnen worden afgeschreven, hoeven de hierna genoemde afschrijvingsnormen niet te worden toegepast. Wel moet rekening worden gehouden met de hierna genoemde restwaarden.
5.2.2. Afschrijvingsregime champignonteelt
Het heeft de voorkeur dat in de jaarstukken dezelfde indeling van bedrijfsmiddelen wordt aangehouden als in paragraaf 5.2.3. De hoogte van de jaarlijkse afschrijving wordt bepaald door de werkelijke kostprijs te verminderen met de restwaarde, en dit verschil te delen door de levensduur in jaren. In het jaar van ingebruikneming wordt afgeschreven naar tijdsgelang.
5.2.3. Afschrijvingsgegevens investeringen in bedrijfsmiddelen champignonteelt
Deze paragraaf geeft een overzicht van de meest voorkomende investeringen in bedrijfsmiddelen en de daarvoor overeengekomen afschrijvingsperiode. Daarnaast zijn de afschrijvingspercentages en restwaarden opgenomen.
Volgens constante jurisprudentie vormen opstal en grond in de regel één bedrijfsmiddel. Bij het vaststellen van de normen is ervan uitgegaan dat bij sloop van de opstal in de toekomst de eventuele aanmerkelijke en als duurzaam te beschouwen waardeverandering van de grond niet wordt gerealiseerd doch dat de grond dienstbaar blijft aan de onderneming (zie onder andere BNB 1963/6*).
5.3. Waardering champignons
De waardering van champignons vindt plaats per vierkante meter. Omdat geënte compost (nagenoeg) niet meer wordt geleverd, worden alleen normbedragen gegeven voor de teelt op doorgroeide compost. Daarbij is onderscheid gemaakt in de periode na het vullen en de oogstperiode.
5.4. Waardering aspergeopstanden
De waardering van aspergeopstanden vindt plaats per hectare.
Aspergeopstanden Normbedrag inclusief OB Normbedrag exclusief OB
Aanlegjaar zonder herinplant 9.533 8.854
Aanlegjaar met herinplant 11.466 10.678
Uitgangspunten
Bij het vaststellen van de normbedragen zijn de volgende uitgangspunten aangehouden:
5.750 meter rij per hectare;
plantafstand 0,33 meter bij verse grond;
plantafstand 0,25 meter bij herinplant;
diepspitten tot 1 meter;
uitplanten wordt machinaal uitgevoerd.
5.5. Normering veldinventaris voor de glastuinbouw
In paragraaf 5.5.1. is aangegeven wat onder het begrip veldinventaris wordt begrepen. In paragraaf 5.5.2. wordt de aanleiding van het activeren van de veldinventaris uiteengezet en is de werkwijze verwoord. Paragraaf 5.5.3. betreft de normbedragen en uitgangspunten die gehanteerd dienen te worden indien geen normbedragen zijn overeengekomen. In paragraaf 5.5.4. wordt de ingroeiregeling besproken.
5.5.1. Begrip veldinventaris
Onder het begrip veldinventaris wordt verstaan de voor of per balansdatum gedane uitgaven die met het oog op de komende oogst hebben plaatsgevonden, doch nog niet in een volwaardig gewas hebben geresulteerd. Het gaat om de jaarlijks terugkerende uitgaven, zoals zaai- en pootgoed, kunstmest, gewasbeschermingsmiddelen en loonkosten, welke uitsluitend worden gedaan ten behoeve van het onmiddellijk daarop volgende boekjaar en in dat jaar praktisch gesproken zijn uitgewerkt.
Gezien de omschrijving van het begrip veldinventaris vallen de volgende zaken niet onder het begrip veldinventaris en zullen derhalve niet worden genormeerd:
gewassen/producten die als bedrijfsmiddel worden aangemerkt;
gewassen/producten die over twee balansdata heen gaan;
potplanten.
De hier besproken veldinventaris ziet alleen op overdekte teelten, zodat zogeheten buitenteelten niet in dit kader worden behandeld.
5.5.2. Aanleiding en werkwijze omtrent normering veldinventaris voor de glastuinbouw
Naar het oordeel van de Belastingdienst kan naar aanleiding van de uitspraak van Hof ’s-Gravenhage, 19 september 2000, nr. 98/1880, V-N 2001/23.5 worden geconcludeerd dat voor overdekte teelten een activeringsplicht geldt.
Naar aanleiding van de hiervoor genoemde uitspraak zijn tussen vertegenwoordigers van het landbouwbedrijfsleven en de Belastingdienst gesprekken gevoerd omtrent de activeringsplicht van veldinventaris. In deze gesprekken is tot de volgende werkwijze besloten.
Met ingang van het jaar 2003 wordt in de aangifte inkomsten of vennootschapsbelasting de veldinventaris volgens de in paragraaf 5.5.3.2. genoemde bedragen opgenomen of volgens de in paragraaf 5.5.3.4. genoemde uitgangspunten bepaald.
De belastingplichtigen die de hiervoor beschreven activeringsplicht in de aangifte hanteren, kunnen gebruik maken van de in paragraaf 5.5.4. beschreven ingroeiregeling. Voor deze belastingplichtigen wordt aangenomen dat sprake is van een situatie waarin het ineens activeren van veldinventaris leidt tot onredelijke uitwerking van een zeer grote winstsprong (zie Hof ’s-Gravenhage, 19 september 2000, nr. 98/1880, V-N 2001/23.5).
In de situatie dat in de aangifte 2005 de veldinventaris niet overeenkomstig de normbedragen c.q. de uitgangspunten zoals verwoord in respectievelijk paragraaf 5.5.3.2. en paragraaf 5.5.3.4. wordt geactiveerd, zal de Belastingdienst de aangifte corrigeren. In deze situatie geldt niet de aanname zoals vermeld in de vorige alinea en is het afhankelijk van de omstandigheden of een ingroeiregeling gerechtvaardigd is.
Door vertegenwoordigers van het landbouwbedrijfsleven zijn beroepsprocedures gestart betreffende het jaar 2003, waarbij de algemene activeringsplicht ter discussie is gesteld.
5.5.3.1. Algemeen
Hierna zijn normbedragen en uitgangspunten geformuleerd voor het activeren van veldinventaris. Indien toepassing van de normbedragen zou leiden tot een te hoge waardering, kan op grond van hetgeen in Hoofdstuk 1 is opgenomen (tegenbewijsregeling) van de normbedragen worden afgeweken.
Indien het bedrag van de veldinventaris op balansdatum zeer gering is, kan overeenkomstig de rechtspraak activering achterwege blijven.
5.5.3.2. Genormeerde producten
De hierna vermelde normbedragen zijn tot stand gekomen aan de hand van gegevens verkregen uit de administratie van diverse productiekwekers. Verder zijn deze gegevens getoetst aan de saldobegrotingen zoals die zijn opgenomen in de Kwantitatieve Informatie voor de Glastuinbouw. Bij de bepaling van de hoogte van de normbedragen is uitgegaan van de elementen zoals genoemd onder paragraaf 5.5.3.4. Verder is bij de bepaling van de normbedragen rekening gehouden met het risico van plantziekten.
De normbedragen gelden voor de jaren 2003, 2004, 2005 en 2006. Bij een gebroken boekjaar vinden de normbedragen geen toepassing.
Ten behoeve van de productiekwekers zijn voor de volgende producten normbedragen vastgesteld.
Product Toelichting Normbedrag per m 2 inclusief OB Normbedrag per m 2 exclusief OB
Aardbeien Alleen bij teelt onder glas 3,78 3,50
Aubergines   5,00 4,60
Chrysanten Alle soorten zowel geplozen als niet geplozen 5,40 5,00
Komkommers   3,48 3,20
Paprika’s Alle kleuren en soorten 4,50 4,20
Pepers   5,82 5,40
Tomaten Alle soorten, zoals vleestomaten, cherrytomaten, ronde tomaten en trostomaten 4,36 4,00

Het normbedrag is uitgedrukt in een bedrag per vierkante meter warenhuis. Onder het aantal vierkante meters warenhuis wordt slechts de beteelbare oppervlakte begrepen. De bedrijfsruimte en de ruimte waarin de ketelhuisinstallatie staat, wordt uiteraard niet onder de beteelbare oppervlakte begrepen.
De beteelbare oppervlakte wordt niet verminderd met betonpaden e.d. die zich in het warenhuis bevinden. Op deze wijze wordt aansluiting verkregen met de term ‘bruto vierkante meter’, die in de Kwantitatieve Informatie voor de Glastuinbouw wordt gehanteerd.
5.5.3.3. Veldinventaris reeds in het verleden geactiveerd
Wanneer toepassing van het normbedrag een hoger te activeren bedrag met zich mee brengt dan het bedrag dat per 31 december 2002 is geactiveerd, kan voor het verschil tussen het normbedrag en het geactiveerde bedrag gebruik worden gemaakt van de in paragraaf 5.5.4. beschreven ingroeiregeling. Het hiervoor vermelde geldt ook eveneens voor de niet genormeerde producten zoals bedoeld in paragraaf 5.5.3.4.
Gemaakte afspraken tussen belastingplichtigen en de Belastingdienst omtrent de activering van veldinventaris worden gerespecteerd.
5.5.3.4. Niet genormeerde producten
Gewassen waarvoor geen normbedragen (bijvoorbeeld radijs, nerines, leliebloemen, uitgangsmateriaal) zijn vastgesteld en die onder het begrip veldinventaris (zie paragraaf 5.5.1) vallen, dienen eveneens geactiveerd te worden. Aan de hand van gegevens uit de administratie van de belastingplichtige dient het te activeren bedrag bepaald te worden. Bij het bepalen van de hoogte van het te activeren bedrag dient rekening gehouden te worden met onder meer de volgende elementen:
Omschrijving kosten van Toelichting
Zaden en planten  
Arbeid Zowel eigen als ingehuurd personeel
Verwarming, elektra en water Vanaf de dag dat de planten op het bedrijf zijn afgeleverd tot en met de balansdatum
Meststoffen en gewasbescherming Vanaf de dag dat de planten gepoot zijn tot en met de balansdatum
Stomen van substraatmateriaal  
Groeimedium  
Loopfolie  
Touw, bind- en steunmateriaal  
Deel van de afschrijvingskosten van installaties die direct dienstbaar zijn aan de teelt Zoals de afschrijvingskosten van assimilatieverlichting bij de teelt van chrysanten en tomaten

Verder mag rekening worden gehouden met het risico van plantziekten.
De meststoffen en de gewasbeschermingsmiddelen die per balansdatum op het bedrijf aanwezig zijn en nog niet aan de planten zijn toegediend, moeten apart als voorraad op de balans opgenomen worden.
5.5.4. Ingroeiregeling voor de glastuinbouw
Bij toepassing van de normbedragen c.q. de uitgangspunten zoals beschreven in respectievelijk paragraaf 5.5.3.2. en paragraaf 5.5.3.4. kan, indien activering van veldinventaris per 31 december 2002 achterwege is gebleven of een lager bedrag is geactiveerd, gebruik worden gemaakt van de volgende ingroeiregeling.
De ingroeiregeling geldt voor een periode van vier jaar, waarbij:
in 2003 ten minste 25% van het (norm)bedrag wordt geactiveerd,
in 2004 ten minste 50% van het (norm)bedrag wordt geactiveerd,
in 2005 ten minste 75% van het (norm)bedrag wordt geactiveerd,
in 2006 100% van het (norm)bedrag wordt geactiveerd.
Een onderneming mag desgewenst in een bepaald jaar een hoger ingroeipercentage hanteren.
Indien in een jaar een hoger ingroeipercentage is gehanteerd dan hiervoor is vermeld, wordt het verschil tussen het gehanteerde ingroeipercentage en 100% evenredig verdeeld over de resterende periode van de ingroeiregeling.
De ingroeiregeling wordt gekoppeld aan de objectieve onderneming. Dit brengt met zich mee dat personen die na 1 januari 2003 toetreden tot een samenwerkingsverband eveneens van de ingroeiregeling gebruik kunnen maken.
De toepasselijkheid van de ingroeiregeling wordt gekoppeld aan de hoeveelheid vierkante meters warenhuizen die de objectieve onderneming per 1 januari 2003 2 heeft.
Teeltwisseling vormt geen beletsel voor toepassing van de ingroeiregeling. Dit kan derhalve betekenen dat voor het jaar waarin de teeltwisseling heeft plaatsgevonden het normbedrag lager uitvalt dan in het voorgaande jaar.Voorbeeld
In 2003 en 2004 worden pepers geteeld, waarvoor een normbedrag exclusief OB van € 5,40 p/m 2 is toegepast. In 2005 vindt een teeltwisseling plaats, waarbij wordt overgegaan op de teelt van komkommers (normbedrag exclusief OB van € 3,20 p/m 2 ).
In de situatie dat tijdens de normale bedrijfsvoering het warenhuis per balansdatum niet benut is voor een teelt, blijft de ingroeiregeling na deze periode van kracht.
De percentages van de ingroeiregeling zijn eveneens van toepassing in de situatie dat gebruik wordt gemaakt van de tegenbewijsregeling.
6. Bloembollenkramen
Bij de waardering van bloembollenkramen komen de volgende onderwerpen aan de orde:
waarde te velde staande bloembollen, regeling sinds 1945 (paragraaf 6.1);
waarde amaryllisbollen, regeling sinds 1994 (paragraaf 6.2);
waarde leliekraam, regeling sinds 1999 (paragraaf 6.3).Vermelding omzetbelasting
Alle geldbedragen worden vermeld inclusief omzetbelasting. De geldbedragen exclusief omzetbelasting staan tussen haakjes of apart in een tabel.
6.1. Waarde te velde staande bloembollen
De waarde van de te velde staande bloembollen wordt aangegeven per vierkante Rijnlandse Roede (RR). 1 RR 2 = 14,21 m 2 ; vuistregel: 700 RR 2 = 1 hectare. Hierbij zijn inbegrepen de smalle paadjes tussen de bedden, en de greppels tussen en rondom de akkers. De buitenpaden (spuitvrije zones) die rond het te waarderen gebied liggen, vallen buiten de berekening.
6.1.1. Aangekocht plantgoed bloembollen
In principe behoort elke aankoop van plantgoed te worden geactiveerd, ongeacht of het duurdere dan wel gewone soorten betreft en ongeacht of er sprake is van uitbreiding, van verbetering of van zogenoemde bloedverversing van de kraam. Op praktische gronden wordt het echter goed gevonden dat de activering beperkt blijft tot de gevallen waarin meer is aangekocht dan tien procent van de boekwaarde van de kraam, zoals deze op de beginbalans van het jaar van de aankoop is gewaardeerd volgens de hierna vermelde normbedragen (dus exclusief de reeds geactiveerde meerwaarde). Het al dan niet activeren moet per bloembollensoort worden bezien.
Het bedrag waarmee de aankoopprijs het desbetreffende normbedrag uit de volgende tabel overtreft, kan in drie jaren ten laste van het resultaat worden gebracht, te beginnen met het jaar van de aankoop. Dit geldt niet als duidelijk aantoonbaar is dat wegens bijzondere omstandigheden de gekochte bollen al eerder uit het bedrijf verdwenen zijn. De reden hiervoor is dat wordt aangenomen dat aangekocht plantgoed in een aantal jaren geleidelijk wordt vervangen door zelfgeteeld plantgoed. Het bedrag dat in het jaar van aankoop ten laste van het resultaat wordt gebracht, is bedoeld als een lagere waardering op grond van risico's, uitval door ziekte enzovoort.
In bepaalde situaties gelden de normbedragen niet:
Als het aangekochte plantgoed bijvoorbeeld door ziekte binnen drie jaar geheel moet worden opgeruimd, moet de activering hiervan in het jaar van opruiming verdwijnen.
Elke aankoop van plantgoed dat niet wordt opgeplant, maar wordt doorverkocht, wordt geactiveerd tot de datum van verkoop. Er kan dan geen bedrag ten laste van het resultaat worden gebracht. Het is daarom noodzakelijk dat in de boekhouding een duidelijk onderscheid wordt gemaakt tussen de aankopen bestemd voor eigen teelt en die bestemd voor doorverkoop.
De normbedragen in de volgende tabel gelden al sinds 1945 en mogen als vaste waarde worden aangehouden, mits de sinds 1965 geldende factoren en omstandigheden (exclusief prijsfluctuaties) die aan deze waardering ten grondslag liggen, niet in belangrijke mate zijn veranderd. De hiervoor genoemde regelingen blijven uiteraard van kracht.
6.1.2. Zelfgekweekte bollen
Voor zelfgekweekte bollen geldt dat de normbedragen uit de voorgaande tabel mogen worden aangehouden met ingang van 1 januari 1965 (of het boekjaar 1964/1965). De normbedragen mogen als vaste waarde worden aangehouden mits de sinds 1965 geldende factoren en omstandigheden (exclusief prijsfluctuaties) die aan deze waardering ten grondslag liggen, niet in belangrijke mate zijn veranderd.
6.2. Waarde amaryllisbollen
Voor amaryllisbollen die bestemd zijn voor de productie van bollen, is een vastewaardesysteem ontwikkeld. Met ingang van het jaar 1994 of het gebroken boekjaar 1994/1995 kan de belanghebbende ter berekening van zijn fiscale winst kiezen voor dit waardesysteem. De vaste norm bedraagt:
Amaryllisbollen per hectare Normbedrag inclusief OB Normbedrag exclusief OB
Netto beteelde oppervlakte 14.430 13.613
Bruto beteelde glasoppervlakte 12.025 11.344

De normen zijn alleen van toepassing op zelfgekweekte bollen. In beginsel eist goed koopmansgebruik dat iedere aankoop van plantgoed wordt geactiveerd. Echter op praktische gronden kan activering beperkt blijven tot de gevallen waarin meer is aangekocht dan 10% van de boekwaarde van de kraam, zoals deze op de beginbalans van het jaar van de aankoop naar de norm (dus exclusief de al geactiveerde meerwaarde) is gewaardeerd.
Het bedrag waarmee de aankoopprijs de norm overtreft kan in drie jaar worden ‘afgeschreven’, te beginnen met het jaar van de aankoop. De driejaarstermijn is niet van toepassing als aangetoond wordt dat wegens bijzondere omstandigheden de gekochte bollen al eerder de onderneming hebben verlaten.
Iedere aankoop van plantgoed dat niet wordt opgeplant maar wordt doorverkocht, wordt tot de datum van verkoop geactiveerd.
In de jaarstukken zal kenbaar worden gemaakt of de belanghebbende opteert voor de vaste norm als waarderingssysteem. Als het vaste waardesysteem niet wordt toegepast, kan slechts een waarderingssysteem worden gevolgd dat niet strijdig is met goed koopmansgebruik.
Zolang geen belangrijke wijzigingen optreden in de factoren en omstandigheden (exclusief prijsfluctuaties) die van invloed zijn op de waardering, kan het normbedrag als vaste waarde worden aangehouden.
6.3. Waarde leliekraam
De waarde van de leliekraam wordt aangegeven per vierkante Rijnlandse Roede (RR). 1 RR 2 = 14,21 m 2 ; vuistregel: 700 RR 2 = 1 hectare. Hierbij zijn inbegrepen de smalle paadjes tussen de bedden, en de greppels tussen en rondom de akkers. De buitenpaden (spuitvrije zones) die rond het te waarderen gebied liggen, vallen buiten de berekening. Plantgoed dat op balansdatum ligt opgeslagen in de schuur of in de koelcel wordt aangegeven naar het aantal vierkante RR dat met dit plantgoed kan worden opgeplant.
6.3.1. Aangekocht plantgoed leliekraam
In principe behoort elke aankoop van plantgoed te worden geactiveerd, ongeacht of het duurdere dan wel gewone soorten betreft en ongeacht of er sprake is van uitbreiding, van verbetering of van zogenoemde bloedverversing van de kraam. Op praktische gronden wordt het echter goed gevonden dat de activering beperkt blijft tot de gevallen waarin meer is aangekocht dan tien procent van de boekwaarde van de kraam, zoals deze op de beginbalans van het jaar van de aankoop is gewaardeerd volgens de hierna vermelde normbedragen (dus exclusief de reeds geactiveerde meerwaarde).
Het bedrag waarmee de aankoopprijs het desbetreffende normbedrag uit de volgende tabel overtreft, kan in drie jaren ten laste van het resultaat worden gebracht, te beginnen met het jaar van de aankoop. Dit geldt niet als duidelijk aantoonbaar is dat wegens bijzondere omstandigheden de gekochte bollen al eerder uit het bedrijf verdwenen zijn. De reden hiervoor is dat wordt aangenomen dat aangekocht plantgoed in een aantal jaren geleidelijk wordt vervangen door zelfgeteeld plantgoed.
In bepaalde situaties gelden de normbedragen niet:
Als het aangekochte plantgoed bijvoorbeeld door ziekte binnen drie jaar geheel moet worden opgeruimd, moet de activering hiervan in het jaar van opruiming verdwijnen.
Elke aankoop van plantgoed dat niet wordt opgeplant, maar wordt doorverkocht, wordt geactiveerd tot de datum van verkoop. Er kan dan geen bedrag ten laste van het resultaat worden gebracht. Het is daarom noodzakelijk dat in de boekhouding een duidelijk onderscheid wordt gemaakt tussen de aankopen bestemd voor eigen teelt en die bestemd voor doorverkoop.
Het overleg met de KAVB heeft geleid tot overeenstemming voor de jaren 2003 tot en met 2006.
6.3.2. Zelfgekweekte bollen
De normbedragen uit de voorgaande tabel gelden ook voor zelfgekweekte bollen.
7. Boomopstanden
In de eerste paragraaf van dit hoofdstuk worden de normen voor de fruitteelt behandeld. De normbedragen en afschrijvingsregimes zijn in een tabel weergegeven en worden vervolgens toegelicht. In de tweede paragraaf worden normbedragen voor de boomteelt in een tabel weergegeven en wordt aangegeven welke kosten moeten worden geactiveerd.Vermelding omzetbelasting
Alle geldbedragen worden vermeld inclusief omzetbelasting. De geldbedragen exclusief omzetbelasting staan tussen haakjes of apart in een tabel.
7.1. Fruitteelt
In de fruitteelt moeten de kosten worden geactiveerd die nodig zijn om de aanplant in de productieve fase te brengen, oftewel de stichtingskosten. In het volgende overzicht zijn aanwasbedragen en diverse afschrijvingsgegevens samengebracht voor appel-, peren- en zure-kersenbomen.
7.1.1. Toelichting afschrijvingsgegevens fruitteelt
De genoemde normbedragen voor de aanwas per hectare worden verderop toegelicht. Door ze te vermenigvuldigen met het aantal jaren aanwas, wordt de totale aanwas verkregen. Als het boekjaar samenvalt met het kalenderjaar, begint het eerste aanwasjaar in het voorjaar direct volgend op het planten. Bij gebroken boekjaren begint het eerste aanwasjaar in het eerstvolgende boekjaar na de aanplant.
Voor zowel appelbomen, perenbomen als zure-kersenbomen is het aantal jaren zonder aanwas en afschrijving gesteld op 1. De stilstand vindt plaats in het eerste jaar nadat de bijschrijving is voltooid. De afschrijving begint in het eerste boekjaar na het jaar van stilstand.
7.1.2. Afschrijven over stichtingskosten fruitteelt
De stichtingskosten vallen uiteen in aanlegkosten en aanwaskosten. Hierover wordt afgeschreven volgens het voorgaande overzicht. Hierna volgt enige achtergrondinformatie over de totstandkoming van de normbedragen.Omschrijving aanlegkosten
Onder de aanlegkosten vallen onder meer de kosten van structuurverbetering van de grond (drainage, egaliseren) en de kosten van aanplant, voorzover de desbetreffende materialen daadwerkelijk worden gebruikt. Voorbeelden van materialen zijn bomen, palen (niet afzonderlijk activeren), potgrond, gaas en draad. Ook andere, duidelijk aanwijsbare kosten worden geactiveerd.Onderbouwing aanwaskosten
Aanwaskosten zijn die kosten, die gemaakt worden om de bomen in productie te krijgen als het perceel eenmaal is ingeplant. Het betreft toegerekende kosten voor meststoffen, gewasbeschermingsmiddelen, motorbrandstof en dergelijke. Ook worden de kosten meegenomen van afschrijving duurzame productiemiddelen, de betaalde rentekosten en voor betaalde arbeid van derden.
Tot de duurzame productiemiddelen worden gerekend gebouwen (exclusief koeling), machines en werktuigen alsmede installaties (zoals beregeningsinstallaties). De totale afschrijving wordt deels toegeschreven aan de jonge inplant. De rentekosten zijn berekend over de duurzame productiemiddelen, die ingezet zijn bij de teelt. Het aandeel van het vreemd vermogen in het totale vermogen is bepaald op 25%. Ook de rentekosten worden deels toegeschreven aan de jonge inplant.
De aanwaskosten van appel- en perenbomen zijn berekend aan de hand van het LEI-rapport Aanwasberekening voor fruitopstanden. Het LEI heeft de kosten berekend aan de hand van fiscale cijfers. In de berekening is rekening gehouden met de verschillen in plantsystemen. Voor appelbomen is uitgegaan van een levensduur van 11 jaar, voor perenbomen 18 jaar en voor zure-kersenbomen 19 jaar.Correctie
Van de berekende kosten moeten de opbrengsten van de appels en peren worden afgetrokken. Als opbrengsten worden meegenomen in de aanwasberekening, dan worden daarop eerst de kosten die gemaakt zijn om de opbrengst te genereren in mindering gebracht.
7.1.3. Overgangsregeling fruitteelt
Bestaande afschrijvingsregimes, aanwasbedragen en aanwasjaren worden gerespecteerd voor zover de inplant heeft plaatsgevonden tot en met 1992 voor appel- en perenbomen en tot en met 1993 voor zure-kersenbomen. Voor inplant van latere datum gelden de landelijke landbouwnormen.
Voor appelbomen met als jaar van aanplant 1994 of 1995 geldt dat het oorspronkelijke regime kan worden gevolgd met een minimumwaardering van € 2.722 (€ 2.568) per hectare. Voor appelbomen met als eerste aanwasjaar in 2001 geldt de waarderingsnorm over 2001 en voor het tweede en tevens laatste aanwasjaar de over 2002 geldende norm.
Bestaande aanwasjaren en aanwasbedragen voor perenbomen blijven onder het oorspronkelijke regime voorzover sprake is van een eerste aanwasjaar tot en met 1998. Voor perenbomen met als eerste aanwasjaar 1999 geldt de over de jaren 1999, 2000 en 2001 geldende norm. Het jaar 2001 is dan het laatste aanwasjaar. Voor perenbomen met als eerste aanwasjaar in 2000 geldt de waarderingsnorm over 2000 en 2001 van € 1.815 (€ 1.712) en voor het derde en tevens laatste aanwasjaar de over 2002 geldende norm. Voor perenbomen met als eerste aanwasjaar 2001 geldt de waarderingsnorm over 2001 van € 1.815 (€ 1.712) en voor het tweede en derde aanwasjaar de over die jaren geldende norm met een maximum van drie aanwasjaren.
Voor aangekochte of anderszins verworven boomgaarden worden de normen analoog toegepast vanaf 1994.
7.2. Boomteelt
Voor boomkwekerijen moeten de kosten worden geactiveerd die nodig zijn om de aanplant in de afzetfase te brengen, oftewel de aanleg- en aanwaskosten. Als de marktwaarde aan het einde van het boekjaar lager is dan de aanleg- en aanwaskosten, mag de lagere marktwaarde worden toegepast.Omschrijving aanlegkosten
Onder de aanlegkosten vallen onder meer de kosten van structuurverbetering van de grond (zoals drainage en egaliseren) en de kosten van aanplant, voorzover de desbetreffende materialen daadwerkelijk zijn gebruikt. Voorbeelden van materialen zijn plantgoed (stammen, ogen, stekken et cetera), potten, containers en potgrond. Kosten van vermeerdering en andere, duidelijk aanwijsbare kosten worden geactiveerd.
Bij eenmalig gebruik worden de aanschafkosten van tonkinstokken in één keer van het resultaat afgetrokken. Bij aantoonbaar meermalig gebruik kunnen de tonkinstokken worden geactiveerd. Het afschrijvingspercentage hierbij is afhankelijk van de gebruiksduur.Aanwaskosten
In de volgende tabel worden de uitgangspunten gegeven voor de aanwaskosten die moeten worden geactiveerd.
Soorten boomteelt Aanwas per hectare Aanwas per are (100 m 2 ) Aantal jaren aanwas Totale aanwas
1 Inclusief rozenonderstammen.
Laan- en vruchtbomen volle grond incl OB 3.445,00     2 6.890,00
Laan- en vruchtbomen volle grond excl OB 3.250,00     2 6.500,00
Bos- en haagplantsoen incl OB 1   28,62 2 57,24
Bos- en haagplantsoen excl OB 1   27,00 2 54,00
Heesters containerteelt incl OB   185,50 1 185,50
Heesters containerteelt excl OB   175,00 1 175,00
Heesters volle grond incl OB   111,30 2 222,60
Heesters volle grond excl OB   105,00 2 210,00
Coniferen containerteelt incl OB   159,00 1 159,00
Coniferen containerteelt excl OB   150,00 1 150,00
Coniferen volle grond incl OB   58,30 2 116,60
Coniferen volle grond excl OB   55,00 2 110,00
Rozenstruiken incl OB   56,25 2 112,50
Rozenstruiken excl OB   53,00 2 106,00

Voor de categorieën Vaste planten volle grond en Vaste planten containerteelt is geen norm geformuleerd. De aanleg- en de aanwaskosten moeten echter wel geactiveerd worden.Onderbouwing aanwaskosten
De aanwaskosten zijn berekend aan de hand van KWIN Boomteelt 1998 met een correctie wegens indexatie van 10%. In de berekening is rekening gehouden met de verschillen in soorten en plantsystemen. Van de rente plantopstand is 50% van de door KWIN berekende rente omlopend vermogen in de normering verwerkt in verband met verondersteld vreemd vermogen.
Voor de afschrijvingskosten van duurzame productiemiddelen is uitgegaan van een benaderd gemiddelde op basis van kostprijs. Voor arbeid door vreemd personeel is een bedrag geschat. Bij de bepaling van materiaalkosten is rekening gehouden met de kosten van:
bemesting (organische mest en kunstmest);
gewasbescherming;
bindmateriaal.
7.2.1. Aanwaskosten boomteelt
Wanneer het boekjaar gelijk is aan het kalenderjaar, begint het eerste aanwasjaar in het voorjaar direct volgend op het planten. Bij gebroken boekjaren begint het eerste aanwasjaar in het eerstvolgende boekjaar na de aanplant, mits dat boekjaar niet later aanvangt dan 5 maanden na aanplant.
7.2.2. Oppervlakte boomteelt
Beplante oppervlakte is de bruto beteelde oppervlakte. Bij de normberekening is hiermee rekening gehouden. Als oppervlakte-eenheid wordt 100 m 2 (1 are) gehanteerd met uitzondering van de laan- en vruchtbomen. Voor deze bomen wordt als oppervlakte-eenheid één hectare gehanteerd.
8. Landbouwmachines
In dit hoofdstuk wordt aangegeven hoe landbouwmachines worden afgeschreven en welke normgegevens daarbij gelden. Paragraaf 8.3 handelt over de afschrijving van landbouwmachines, paragraaf 8.4 over melkrobots en 8.5 over legbatterijen. Afschrijvingsnormen voor investeringen in bedrijfsmiddelen voor de tuinbouw zijn te vinden in hoofdstuk 5.
8.1. Geldigheid normen
Sinds 1 januari 1993 gelden er landelijke afschrijvingsnormen voor investeringen in landbouwmachines. Voor in gebruik genomen investeringen uit de periode 1993 tot en met 2004 moet het reeds gekozen afschrijvingsregime worden aangehouden. De afschrijvingsnormen die hierna worden genoemd, zijn van toepassing op investeringen die in gebruik zijn genomen op of na 1 januari 2005. Voor ondernemers die een gebroken boekjaar hanteren, is de ingangsdatum de aanvangsdatum van het gebroken boekjaar 2005/2006.
De normen gelden alleen voor investeringen in nieuwe, dus niet eerder gebruikte landbouwmachines. Afschrijving kan pas plaatsvinden nadat de kostprijs is gecorrigeerd met een eventuele herinvesteringsreserve, aankoopkorting, subsidie en dergelijke.Selectiecriteria landbouwmachines
Paragraaf 8.3 bevat een overzicht van de landbouwmachines waarvoor de afschrijvingsnormen gelden. De machines zijn geselecteerd op grond van de volgende criteria:
De machine wordt gebruikt in de landbouw.
De machine gaat een bepaalde waarde te boven.
De machine heeft een zekere gangbaarheid.Uitzonderingen
Op investeringen die op grond van de Wet inkomstenbelasting 2001 willekeurig kunnen worden afgeschreven, hoeven de hierna genoemde afschrijvingsnormen niet te worden toegepast. Wel moet rekening worden gehouden met de restwaarden die in de volgende paragrafen genoemd worden.
8.2. Afschrijvingsregime
Landbouwmachines mogen volgens zowel de lineaire methode als de boekwaardemethode worden afgeschreven. Wel moet per bedrijfsmiddel een bestendige gedragslijn worden gevolgd (BNB 1967/61).
Bij gebruik binnen de onderneming langer dan de ingeschatte periode kan eventueel verder worden afgeschreven op basis van de alsdan nieuw ingeschatte levensduur en restwaarde.
Er kan worden afgeschreven vanaf het moment van ingebruikneming, dus in voorkomende gevallen naar tijdsgelang. Wanneer een nieuw bedrijfsmiddel het gehele seizoen wordt gebruikt, mag over een geheel jaar worden afgeschreven, ook al is het bedrijfsmiddel pas enkele maanden na aanvang van het boekjaar aangeschaft. Het begrip ‘naar tijdsgelang’ moet dus worden beoordeeld in relatie tot het seizoenmatige gebruik.
8.2.1. Boekwaardemethode
In paragraaf 8.3 wordt voor een groot aantal landbouwmachines de afschrijvingsperiode gegeven. Deze kan 5, 6, 7, 8 of 9 jaar bedragen. In het volgende overzicht is per afschrijvingsperiode aangegeven welke afschrijvingspercentages gelden bij toepassing van de boekwaardemethode.
Afschrijvingsperiode in jaren Afschrijvingspercentage bij boekwaardemethode
5 25
6 23
7 20
8 18
9 16

Op alle machines kan dus afhankelijk van de levensduur jaarlijks een percentage van de boekwaarde worden afgeschreven. Daarbij moeten minimaal de in dit hoofdstuk vastgestelde restwaarden (10%, 15% en 25%) aangehouden worden.
8.2.2. Lineaire methode
Bij de lineaire methode wordt de hoogte van de jaarlijkse afschrijving bepaald door de werkelijke kostprijs te verminderen met de restwaarde, en dit verschil te delen door de gegeven afschrijvingsperiode.
8.3. Afschrijvingsgegevens landbouwmachines
De landbouwmachines zijn ingedeeld in vijf machinegroepen, namelijk:
tractoren;
grondbewerkingsmachines;
oogstmachines;
zelfrijdende (oogst)machines;
overige machines.
Voor elke groep is een tabel opgenomen. In de tabellen wordt achter de afzonderlijke machines het aantal jaren vermeld waarover moet worden afgeschreven. Voor alle machines geldt een restwaarde van 15%. Voor machines die vóór 2001 zijn aangeschaft blijft de voorheen gehanteerde restwaarde van 5% gehandhaafd.Restwaarde tractoren is veranderd met ingang van 2003
Voor tractoren die na 2002 zijn aangeschaft, geldt een restwaarde van 25%.
Er is een verschil in de intensiteit van het machinegebruik verondersteld tussen agrarische ondernemers (akkerbouwers, veehouders en dergelijke) en loonbedrijven. Daarom is in een aantal gevallen een onderscheid in de afschrijvingsperiode gemaakt tussen agrarische ondernemers en loonbedrijven. Het betreft de gehele rubriek Tractoren en de mestverspreiders in de rubriek Overige machines.
8.4. Melkrobots
De afschrijvingstermijn voor melkrobots bedraagt negen jaar. De restwaarde van melkrobots bedraagt 10%.
8.5. Legbatterijen
De legbatterij wordt als één activum aangemerkt. De afschrijvingsnormen voor legbatterijen zijn ook van toepassing op installaties en/of apparatuur, als de kippen gehouden worden volgens het zogenaamde scharrel- of volièresysteem.
Legbatterijen kunnen uitsluitend worden afgeschreven volgens de lineaire methode. De afschrijvingstermijn is bepaald op tien jaar en de restwaarde is nihil.
Onder een legbatterij wordt in deze normen verstaan een bedrijfsruimte die is ingericht voor het houden van kippen voor de productie van eieren. De ruimte daarvoor is uitgerust met een of meer van de volgende installaties en/of apparatuur:
drinkinstallaties;
eierafvoerbanden;
eierborstelmachines;
eierliften;
eierverzamelinstallaties;
klimaatbeheersingsapparatuur (waaronder verwarmingsinstallaties, ventilatie-installaties, alarminstallaties, verlichting en elektrische installaties);
kooien met inbegrip van de onderbouw;
mestafvoerbanden;
mestdrooginstallaties;
noodstroomaggregraat;
silo’s;
voerbanden.
9.1. Productierechten 2005 (2005/2006)
In dit hoofdstuk worden de afschrijvingsnormen voor een aantal verschillende productierechten voor het kalenderjaar 2005 c.q. boekjaar 2005/2006 behandeld. De afschrijvingsnormen zijn in een tabel weergegeven en worden vervolgens toegelicht.
Productierechten Melk Mest Suiker Varkens Pluimvee
Bedrijfsmiddel Ja Ja Ja Ja Ja
           
Tijdelijke regeling Ja Ja Ja Ja Ja
           
Restwaarde Nihil Nihil Nihil Nihil Nihil
           
Afschrijvingstermijn     5 jaar    
           
Afschrijvingstermijn bij aankoop vóór 01-01-2004 8 jaar tot 01-01-2005   tot 01-01-2005 tot 01-01-2005
           
Afschrijvingstermijn bij aankoop op of ná 01-01-2004 tot 01-04-2015 tot 01-01-2007   tot 01-01-2007 tot 01-01-2007
           
Investeringsaftrek Nee Nee Nee Nee Nee
           
Ingangsdatum investeringen       Aangaan van overeenkomst van koop en verkoop Aangaan van overeenkomst van koop en verkoop
Toelichting afschrijvingstermijn productierechten suiker
Voor de productierechten suiker is afgesproken dat per 1 januari 2004 over vijf jaar kan worden afgeschreven. Uiteraard kan pas worden afgeschreven vanaf het tijdstip dat het productierecht in gebruik wordt genomen, dus naar tijdsgelang.Voorbeeld
Als op 1 oktober 2005 is geïnvesteerd in een productierecht suiker en dit productierecht suiker is in gebruik genomen, blijft de afschrijvingstermijn vijf jaar (in de situatie dat het boekjaar gelijk is aan het kalenderjaar), wat neerkomt op 20% per jaar doorlopend. In 2005 kan dan maximaal 3/12 van 20% worden afgeschreven.Toelichting afschrijvingstermijn productierechten melk, mest, varkens en pluimvee
Voor de productierechten melk, mest, varkens en pluimvee, die vóór 1 januari 2004 zijn aangekocht, blijven de afspraken uit 2003 (2003/2004) gelden. Dat betekent dat de productierechten melk worden afgeschreven in acht jaar en dat de productierechten mest, varkens en pluimvee worden afgeschreven tot 1 januari 2005.Voorbeeld
Als op 1 oktober 2001 is geïnvesteerd in een productierecht melk en dit productierecht melk is in gebruik genomen, blijft de afschrijvingstermijn acht jaar (in de situatie dat het boekjaar gelijk is aan het kalenderjaar), wat neerkomt op 12,5% per jaar doorlopend. In 2005 kan dan maximaal 12,5% worden afgeschreven.
Voor de productierechten melk, mest, varkens en pluimvee, die op of ná 1 januari 2004 zijn aangekocht, worden de productierechten melk afgeschreven tot 1 april 2015 en de productierechten mest, varkens en pluimvee tot 1 januari 2007. Dit geldt ook bij gebroken boekjaren. Het uitgangspunt is dat naar tijdsgelang moet worden afgeschreven.Voorbeeld
Als op 1 oktober 2005 is geïnvesteerd in een productierecht melk en dit productierecht melk is in gebruik genomen, dan wordt dit productierecht afgeschreven tot 1 april 2015. De tijdspanne tussen 1 oktober 2005 en 1 april 2015 bedraagt 9 jaar en 6 maanden ofwel 114 maanden. In 2005 kan dan maximaal 3/114 worden afgeschreven.
Als ingangsdatum voor de afschrijvingstermijn van de productierechten varkens en pluimvee kan het aangaan van de overeenkomst van koop en verkoop van deze productierechten worden genomen. Dit moment is meestal gelijk aan het moment van inzenden van de overeenkomst naar het Bureau Heffingen te Assen (Dienst Regelingen) ter registratie. Aangenomen wordt dat dit moment ook als moment van ingebruikneming kan worden gezien.
Bij het ingaan van de ontbindende voorwaarde zoals die in een aantal overeenkomsten van koop/verkoop is opgenomen of wanneer op andere wijze de overeenkomst wordt ontbonden, wordt op dat moment de vrijval in de belaste winst opgenomen. De vrijval is in dit geval het verschil tussen de oorspronkelijke geactiveerde koopprijs en de boekwaarde.
Op basis van de wet ‘Wijziging van de Meststoffenwet en intrekking van de Wet verplaatsing mestproductie en de Wet herstructurering varkenshouderij (vereenvoudiging productierechten)’ zal voor investeringen in varkens- en pluimveerechten op of ná 1 januari 2006 het gewijzigde afschrijvingsregime gaan gelden, zoals hierna onder hoofdstuk 9.2. genoemd.
9.2. Productierechten 2006 (2006/2007)
In dit hoofdstuk worden de afschrijvingsnormen voor een aantal productierechten voor het kalenderjaar 2006 c.q. boekjaar 2006/2007 behandeld. De afschrijvingsnormen zijn in een tabel weergegeven en worden vervolgens toegelicht.
Productierechten Melk Mest Suiker Varkens Pluimvee
1 Mogelijk wordt de suikerquoteringsregeling in 2006 aangepast. Wijzigingen in de afschrijvingstermijn zullen nader bekend worden gemaakt.
Bedrijfsmiddel Ja Ja Ja Ja Ja
           
Tijdelijke regeling Ja Ja Ja Ja Ja
           
Restwaarde Nihil Nihil Nihil Nihil Nihil
           
Afschrijvingstermijn     5 jaar 1    
Afschrijvingstermijn bij aankoop vóór 1-1-2004 8 jaar        
           
Afschrijvingstermijn bij aankoop op of ná 1-1-2004 tot 1-4-2015 vervallen per 1-1-2006   tot 1-1-2007 tot 1-1-2007
           
Afschrijvingstermijn bij aankoop op of ná 1-1-2006 tot 1-4-2015     tot 1-1-2015 tot 1-1-2015
           
Investeringsaftrek Nee Nee Nee Nee Nee
           
Ingangsdatum investeringen       Aangaan van overeenkomst van koop en verkoop Aangaan van overeenkomst van koop en verkoop
Toelichting afschrijvingstermijn productierechten suiker
Voor de productierechten suiker is afgesproken dat per 1 januari 2005 over vijf jaar kan worden afgeschreven. Uiteraard kan pas worden afgeschreven vanaf het tijdstip dat het productierecht in gebruik wordt genomen, dus naar tijdsgelang.Voorbeeld
Als op 1 oktober 2006 is geïnvesteerd in een productierecht suiker en dit productierecht suiker is in gebruik genomen, blijft de afschrijvingstermijn vijf jaar (in de situatie dat het boekjaar gelijk is aan het kalenderjaar), wat neerkomt op 20% per jaar doorlopend. In 2006 kan dan maximaal 3/12 van 20% worden afgeschreven.
Toelichting afschrijvingstermijn productierechten melk, mest, varkens en pluimvee
Voor de productierechten melk, die vóór 1 januari 2004 zijn aangekocht, blijven de afspraken uit 2003 (2003/2004) gelden. Dat betekent dat de productierechten melk worden afgeschreven in acht jaar.Voorbeeld
Als op 1 oktober 2001 is geïnvesteerd in een productierecht melk en dit productierecht is in gebruik genomen, blijft de afschrijvingstermijn acht jaar (in de situatie dat het boekjaar gelijk is aan het kalenderjaar), wat neerkomt op 12,5% per jaar doorlopend. In 2006 kan dan maximaal 12,5% worden afgeschreven.
Voor de productierechten melk, mest, varkens en pluimvee, die op of ná 1 januari 2004 doch vóór 1 januari 2006 zijn aangekocht, worden de productierechten melk afgeschreven tot 1 april 2015, de varkens- en pluimveerechten tot 1 januari 2007 en vervallen de mestproductierechten per 1 januari 2006.
Voor de productierechten melk, varkens en pluimvee, die op of ná 1 januari 2006 zijn aangekocht, worden de productierechten melk afgeschreven tot 1 april 2015, de varkens- en pluimveerechten tot 1 januari 2015.
Dit geldt ook bij gebroken boekjaren. Het uitgangspunt is dat naar tijdsgelang moet worden afgeschreven.Voorbeeld
Als op 1 oktober 2006 is geïnvesteerd in een productierecht melk en dit productierecht is in gebruik genomen, dan wordt dit productierecht afgeschreven tot 1 april 2015. De tijdspanne tussen 1 oktober 2006 en 1 april 2015 is 8 jaar en 6 maanden (= 102 maanden). In 2006 kan dan maximaal 3/102 worden afgeschreven.
Als ingangsdatum voor de afschrijvingstermijn van de productierechten varkens en pluimvee kan het aangaan van de overeenkomst van koop en verkoop van deze productierechten worden genomen. Dit moment is meestal gelijk aan het moment van inzenden van de overeenkomst naar de Dienst Regelingen (voorheen Bureau Heffingen te Assen) ter registratie. Aangenomen wordt dat dit moment ook als moment van ingebruikneming kan worden gezien.
Bij het ingaan van de ontbindende voorwaarde zoals die in een aantal overeenkomsten van koop/verkoop is opgenomen of wanneer op andere wijze de overeenkomst wordt ontbonden, wordt op dat moment de vrijval in de belaste winst opgenomen. De vrijval is in dit geval het verschil tussen de oorspronkelijke geactiveerde koopprijs en de boekwaarde.
Inhoudsopgave
Voorwoord
1. Inleiding
2. Onttrekkingen
2.1. Eigen verbruik
2.2. Privé-gedeelte kosten
3. Dieren
3.1. Rundvee
3.1.1. Zelfopgefokt rundvee
3.1.2. Aangekocht rundvee
3.1.3. Waarderingssystemen
3.1.4. Embryo(kalf)
3.1.5. Opfokkosten vleesstieren
3.1.6. Opfokkosten rosékalveren
3.1.7. Opfokkosten witvleeskalveren
3.2. Varkens
3.2.1. Zeugen
3.2.2. Biggen
3.2.3. Vleesvarkens
3.3. Pluimvee
3.3.1. Kalkoenen
3.3.2. Opfokleghennen
3.3.3. Leghennen
3.3.4. Vleeskuikenouderdieren
3.3.5. Vleeskuikens
3.4. Schapen
3.5. Geiten
3.5.1. Waardering zelfopgefokte geiten
3.5.2. Waardering aangekochte geiten
3.6. Nertsen
3.7. Konijnen
4. Voorraad maïs en gras
4.1. Maïs
4.2. Gras
5. Tuinbouw
5.1. Afschrijvingsnormen glastuinbouw
5.1.1. Geldigheid afschrijvingsnormen glastuinbouw
5.1.2. Afschrijvingsregime glastuinbouw
5.1.3. Afschrijvingsgegevens investeringen in bedrijfsmiddelen glastuinbouw
5.2. Afschrijvingsnormen champignonteelt
5.2.1. Geldigheid afschrijvingsnormen champignonteelt
5.2.2. Afschrijvingsregime champignonteelt
5.2.3. Afschrijvingsgegevens investeringen in bedrijfsmiddelen champignonteelt
5.3. Waardering champignons
5.4. Waardering aspergeopstanden
5.5. Normering veldinventaris voor de glastuinbouw
5.5.1. Begrip veldinventaris
5.5.2. Aanleiding en werkwijze omtrent normering veldinventaris voor de glastuinbouw
5.5.3. Normbedragen en uitgangspunten voor activering veldinventaris voor de glastuinbouw
5.5.3.1. Algemeen
5.5.3.2. Genormeerde producten
5.5.3.3. Veldinventaris reeds in het verleden geactiveerd
5.5.3.4. Niet genormeerde producten
5.5.4. Ingroeiregeling voor de glastuinbouw
6. Bloembollenkramen
6.1. Waarde te velde staande bloembollen
6.1.1. Aangekocht plantgoed bloembollen
6.1.2. Zelfgekweekte bollen
6.2. Waarde amaryllisbollen
6.3. Waarde leliekraam
6.3.1. Aangekocht plantgoed leliekraam
6.3.2. Zelfgekweekte bollen
7. Boomopstanden
7.1. Fruitteelt
7.1.1. Toelichting afschrijvingsgegevens fruitteelt
7.1.2. Afschrijven over stichtingskosten fruitteelt
7.1.3. Overgangsregeling fruitteelt
7.2. Boomteelt
7.2.1. Aanwaskosten boomteelt
7.2.2. Oppervlakte boomteelt
8. Landbouwmachines
8.1. Geldigheid normen
8.2. Afschrijvingsregime
8.2.1. Boekwaardemethode
8.2.2. Lineaire methode
8.3. Afschrijvingsgegevens landbouwmachines
8.4. Melkrobots
8.5. Legbatterijen
9. Productierechten
9.1. Productierechten 2005 (2005/2006)
9.2. Productierechten 2006 (2006/2007)
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht