1.
De registerloods is onderworpen aan tuchtrechtspraak ter zake van enige overtreding van een verordening of van de krachtens een verordening gegeven nadere voorschriften, als bedoeld in artikel 15. Voor een dergelijke overtreding kan een van de volgende maatregelen worden opgelegd:
a. berisping;
b. geldboete van ten hoogste € 2 250;
c. schorsing of beperking van de bevoegdheid voor de duur van ten hoogste één jaar;
d. verval of beperking van de bevoegdheid.
2.
Indien een geldboete is opgelegd, komt de te betalen geldsom toe aan de Staat. Betaling van de geldsom geschiedt aan Onze Minister. De geldsom moet binnen zes weken na de datum waarop de uitspraak van het tuchtcollege onherroepelijk is geworden worden betaald. Voor de toepassing van titel 4.4 van de Algemene wet bestuursrecht wordt de uitspraak van het tuchtcollege aangemerkt als beschikking als bedoeld in artikel 4:86 van die wet. In de uitspraak van het tuchtcollege kunnen twee of meer termijnen worden vastgesteld waarin de geldsom moet worden voldaan.
3.
Onze Minister is bevoegd tot uitvaardiging van een dwangbevel tot invordering van de verschuldigde geldsom.
4.
De betekening en de tenuitvoerlegging van een dwangbevel geschieden door de zorg van de ontvanger, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel i, van de Invorderingswet 1990 en door de belastingdeurwaarder, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel j, van die wet met toepassing van de artikelen 13 en 14 van die wet.
5.
Zolang de ontvanger met de zorg voor de invordering is belast, kan hij een vordering doen op grond van artikel 19 van de Invorderingswet 1990 alsmede verrekenen op grond van artikel 24 van die wet.
6.
Met betrekking tot het verzet tegen de tenuitvoerlegging van een dwangbevel is artikel 17 van de Invorderingswet 1990 van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat in dat artikel voor "de ontvanger die het dwangbevel heeft uitgevaardigd" telkens moet worden gelezen: de met de tenuitvoerlegging van het dwangbevel belaste ontvanger.
7.
Met betrekking tot de kosten van aanmaning en verdere invordering zijn de artikelen 6 en 7 van de Invorderingswet 1990 van overeenkomstige toepassing.
1.
Er is een tuchtcollege loodsen dat is gevestigd te 's-Gravenhage.
2.
Het tuchtcollege loodsen is belast met de behandeling van zaken als bedoeld in artikel 28.
3.
Het tuchtcollege loodsen bestaat uit een voorzitter en vier registerloodsen.
Tot voorzitter kan worden benoemd degene:
a. aan wie op grond van het afsluitend examen van een opleiding in het wetenschappelijk onderwijs door een universiteit dan wel de Open Universiteit, waarop de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek betrekking heeft, de graad Bachelor op het gebied van het recht en tevens de graad Master op het gebied van het recht is verleend, of
b. die op grond van het afsluitend examen van een opleiding op het gebied van het recht aan een universiteit dan wel de Open Universiteit, waarop de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek betrekking heeft, het recht heeft verkregen om de titel meester te voeren.
1.
De voorzitter en de overige leden, alsmede voor elk hunner een of meer plaatsvervangers worden voor de tijd van zes jaren benoemd door Onze Minister. Zij zijn bij hun aftreden weer benoembaar. Op eigen verzoek kunnen zij door Onze Minister worden ontslagen. De benoemingstermijn van hem die wordt benoemd ter vervulling van een tussentijdse vacature, eindigt bij het verstrijken van de benoemingstermijn van degene in wiens plaats hij is getreden.
2.
De voorzitter moet voldoen aan de vereisten voor benoeming tot rechter in een rechtbank. Uit iedere regionale corporatie wordt een registerloods benoemd uit een voordracht van het bestuur van een regionale corporatie welke ten minste twee personen bevat die behoren tot de betreffende regionale corporatie en geen lid of plaatsvervangend lid van dat bestuur zijn.
3.
Voor de in het eerste lid bedoelde plaatsvervangers is het bepaalde in het tweede lid van overeenkomstige toepassing.
4.
Het tuchtcollege loodsen heeft een secretaris en zo nodig een plaatsvervangend secretaris:
a. aan wie op grond van een afsluitend examen van een opleiding in het wetenschappelijk onderwijs door een universiteit dan wel de Open Universiteit, waarop de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek betrekking heeft, de graad Bachelor op het gebied van het recht en tevens de graad Master op het gebied van het recht is verleend, of
b. die op grond van het afsluitend examen van een opleiding op het gebied van het recht aan een universiteit dan wel de Open Universiteit, waarop de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek betrekking heeft, het recht heeft verkregen om de titel meester te voeren.
Zij worden door Onze Minister benoemd, geschorst en ontslagen.
5.
De voorzitter en de secretaris, alsmede hun plaatsvervangers, worden in ieder geval ontslagen met ingang van de maand volgend op die waarin zij de leeftijd van zeventig jaar hebben bereikt.
1.
Echtgenoten of geregistreerde partners, bloedverwanten of aanverwanten tot de derde graad ingesloten, kunnen niet tezamen zijn voorzitter of plaatsvervangend voorzitter, lid of plaatsvervangend lid en secretaris van het tuchtcollege loodsen.
2.
Indien het huwelijk of het geregistreerd partnerschap eerst mocht worden aangegaan na de benoeming, zal de jongstbenoemde der echtelieden of geregistreerde partners zijn ambt niet kunnen behouden.
3.
Indien de aanverwantschap eerst mocht zijn ontstaan na de benoeming, zal degene, die haar veroorzaakte, zijn ambt niet kunnen behouden, behoudens door Onze Minister te verlenen vergunning.
4.
De aanverwantschap houdt op door de ontbinding van het huwelijk of het geregistreerd partnerschap dat haar veroorzaakte.
Artikel 32
Het in de artikelen 46c, tweede lid, 46d, tweede lid, 46f, 46l, eerste lid, aanhef en onder a, en derde lid, 46m, 46o, en 46p van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren voor de leden van de rechterlijke macht bepaalde is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de leden van het tuchtcollege loodsen en hun plaatsvervangers.
De artikelen 13a, 13b, uitgezonderd het eerste lid, onderdelen b en c, en vierde lid, en 13c tot en met 13g van de Wet op de rechterlijke organisatie zijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van gedragingen van de leden van het tuchtcollege loodsen en hun plaatsvervangers, met dien verstande dat:
a. voor de overeenkomstige toepassing van die artikelen onder «het betrokken gerechtsbestuur» wordt verstaan: de voorzitter van het tuchtcollege loodsen; en
b. de procureur-generaal niet verplicht is aan het verzoek, bedoeld in artikel 13a, te voldoen, indien de verzoeker redelijkerwijs onvoldoende belang heeft bij een onderzoek als bedoeld in datzelfde artikel.
1.
De voorzitter is bevoegd ambtshalve aan de leden en hun plaatsvervangers, die de waardigheid van hun ambt, hun ambtsbezigheden of ambtsplichten verwaarlozen of die zich schuldig maken aan overtreding van artikel 34, de nodige waarschuwing te doen, na hen in de gelegenheid te hebben gesteld om te worden gehoord.
2.
De voorzitter van het College als bedoeld krachtens artikel 44, heeft gelijke bevoegdheid ten aanzien van de voorzitter van het tuchtcollege loodsen en diens plaatsvervangers.
1.
Zij die deel uitmaken van het tuchtcollege loodsen en hun plaatsvervangers mogen zich noch direct noch indirect over enige aangelegenheid, welke door hen behandeld wordt of waarvan zij weten of vermoeden dat deze door hen behandeld zal worden, in enig bijzonder onderhoud of gesprek inlaten met partijen of hun raadslieden of gemachtigden, noch daarover enige bijzondere inlichting of schriftelijk stuk aannemen.
2.
Het is hen die deel uitmaken van het tuchtcollege loodsen en hun plaatsvervangers verboden hetgeen zij als zodanig te weten zijn gekomen verder bekend te maken dan voor de uitoefening van hun functie wordt gevorderd. De verplichting tot geheimhouding geldt niet tegenover ambtenaren, voor zover mededeling aan hen op grond van een wettelijk voorschrift is vereist.
3.
Zij die deel uitmaken van het tuchtcollege loodsen en hun plaatsvervangers zijn verplicht het geheim te bewaren omtrent de gevoelens die in de raadkamer over aanhangige zaken zijn geuit.
4.
Het eerste, tweede en derde lid gelden ook voor de secretaris van het tuchtcollege loodsen en zijn plaatsvervanger.
Artikel 35
De voorzitter, de overige leden en de secretaris, alsmede hun plaatsvervangers, ontvangen een vacatiegeld, alsmede vergoeding van reis- en verblijfkosten en van verdere verschotten, volgens door Onze Minister te stellen regels.
Artikel 36
Het tuchtcollege loodsen houdt zitting in de samenstelling als genoemd in artikel 29, derde lid.
1.
Een zaak betreffende een onderwerp als bedoeld in artikel 28, eerste lid, wordt bij het tuchtcollege loodsen aanhangig gemaakt door een schriftelijke klacht van de algemene raad, het bestuur van een regionale corporatie of van degene die rechtstreeks in zijn belang is getroffen.
2.
Zodra een klacht is ingekomen stelt de voorzitter een voorlopig onderzoek in. De organen van de corporatie of een regionale corporatie verlenen daarbij desgevraagd medewerking.
3.
Blijkt dat de klacht is ingediend door iemand die daartoe niet ingevolge het eerste lid bevoegd is, dan verklaart de voorzitter van het tuchtcollege loodsen de klager zonder nader onderzoek bij met reden omklede beslissing schriftelijk niet ontvankelijk. Blijkt dat de klacht kennelijk ongegrond is in die zin, dat de feiten waarop zij berust niet tot toepassing van artikel 28, eerste lid, kunnen leiden, dan kan de voorzitter van het tuchtcollege loodsen zonder verder onderzoek de klacht bij met reden omklede beslissing schriftelijk afwijzen. Blijkt dat het tuchtcollege loodsen onbevoegd is, dan wijst de voorzitter van het tuchtcollege loodsen de klacht bij met reden omklede beslissing schriftelijk af.
4.
Intrekken van de klacht, nadat deze is ingekomen, of staking van de werkzaamheden door de persoon over wie geklaagd is, heeft op de verdere behandeling geen invloed, wanneer naar het oordeel van het tuchtcollege loodsen het algemeen belang dat vermoedelijk is geschonden vordert dat de behandeling wordt voortgezet of wanneer degene over wie geklaagd is, schriftelijk heeft verklaard voortzetting van de behandeling van de klacht te verlangen.
1.
Zij die deel uitmaken van het tuchtcollege loodsen kunnen zich verschonen en kunnen worden gewraakt, indien te hunnen aanzien feiten of omstandigheden bestaan, waardoor in het algemeen de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
2.
Over wraking of verschoning wordt ten spoedigste beslist door hen die deel uitmaken van het tuchtcollege loodsen, met uitzondering van degene die wordt gewraakt of die verlangt zich te verschonen. Bij staking van stemmen wordt de wraking onderscheidenlijk de verschoning toegewezen.
1.
De behandeling van een zaak, betreffende een onderwerp als bedoeld in artikel 28, eerste lid, door het tuchtcollege loodsen geschiedt in een openbare zitting, tenzij het tuchtcollege loodsen om gewichtige redenen beveelt dat de behandeling van de zaak geheel of gedeeltelijk met gesloten deuren zal plaatsvinden. Het bevel daartoe houdt de overwegingen in waarop het steunt.
2.
De voorzitter is belast met de handhaving van de orde ter zitting en kan daartoe de nodige maatregelen treffen.
3.
De beslissing in een door het tuchtcollege loodsen behandelde zaak wordt door de voorzitter in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de secretaris.
4.
Van tijd en plaats van een openbare zitting of van een openbare uitspraak wordt ten minste twee weken en ten hoogste vier weken tevoren in de Staatscourant mededeling gedaan.
1.
Behoudens in de gevallen, als bedoeld in artikel 37, derde lid, neemt het tuchtcollege loodsen geen beslissing aangaande een ingediende klacht dan na verhoor, althans behoorlijke oproeping van de persoon over wie geklaagd is en van de klager.
2.
De persoon over wie geklaagd is kan, tenzij het tuchtcollege loodsen beveelt dat hij in persoon zal verschijnen, zich ter terechtzitting doen vertegenwoordigen door een advocaat of een daartoe schriftelijk gemachtigd persoon. Hij kan zich door een raadsman doen bijstaan.
3.
Het tuchtcollege loodsen kan weigeren bepaalde personen die geen advocaat zijn, als gemachtigde of als raadsman toe te laten. Bij zodanige weigering houdt het tuchtcollege loodsen de zaak tot een volgende zitting aan.
4.
De persoon over wie geklaagd is en zijn raadsman worden in de gelegenheid gesteld ten minste veertien dagen voor de aanvang van het onderzoek op de terechtzitting van de processtukken kennis te nemen.
1.
Het tuchtcollege loodsen kan, hetzij op verzoek van de persoon over wie geklaagd is, hetzij op verzoek van de klager, hetzij ambtshalve, getuigen en deskundigen oproepen en horen. De oproeping geschiedt bij aangetekende brief. Ieder die als getuige of deskundige is opgeroepen, is verplicht aan de oproeping gevolg te geven.
2.
Verschijnt een getuige of een deskundige op de oproeping niet, dan doet de officier van justitie bij het arrondissementsparket Den Haag op verzoek van het tuchtcollege loodsen hem dagvaarden.
3.
Verschijnt een getuige of deskundige op de dagvaarding niet, dan doet de officier, bedoeld in het vorige lid, op verzoek van het tuchtcollege loodsen hem andermaal dagvaarden, desverzocht met bevel tot medebrenging.
4.
Artikel 556 van het Wetboek van Strafvordering is van overeenkomstige toepassing.
5.
De getuigen leggen in handen van de voorzitter van het tuchtcollege loodsen de eed of belofte af dat zij de gehele waarheid en niets dan de waarheid zullen zeggen. De getuigen zijn verplicht getuigenis af te leggen, de deskundigen hun diensten als zodanig te verlenen.
6.
Ten aanzien van de getuigen en deskundigen zijn de artikelen 217 tot en met 219 van het Wetboek van Strafvordering van overeenkomstige toepassing.
7.
De getuigen en deskundigen ontvangen desgevraagd op vertoon van hun oproeping of dagvaarding schadeloosstelling overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens de Wet tarieven in strafzaken (Stb. 1963, 130).
1.
De beslissing van het tuchtcollege loodsen aangaande een ingediende klacht houdt de overweging in waarop zij steunt en wordt op schrift gesteld.
2.
De secretaris van het tuchtcollege loodsen zendt van de beslissing van het tuchtcollege loodsen onverwijld bij aangetekende brief afschrift:
a. aan de persoon over wie geklaagd is;
b. aan de klager;
c. aan de algemene raad.
3.
De secretaris van het tuchtcollege loodsen zendt van een beslissing van de voorzitter onverwijld bij aangetekende brief afschrift aan de klager.
4.
De secretaris van het tuchtcollege loodsen verstrekt desgevraagd aan de gerechten en het openbaar ministerie inlichtingen omtrent onherroepelijke beslissingen.
Artikel 43
Beslissingen van het tuchtcollege loodsen, genomen met een ander aantal personen of in een andere samenstelling dan is voorgeschreven, zijn nietig.
Artikel 44
De artikelen 1, onderdeel b, 3, 4, eerste lid, 5, 31 tot en met 43 en 44 eerste lid, van de Wet tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie 2004, zoals die wet luidde onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip waarop die wet werd ingetrokken zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat:
a. van artikel 4, eerste lid, slechts de minimumboete van overeenkomstige toepassing is;
b. onder «de voorzitter van het bedrijfslichaam» in die artikelen telkens moet worden verstaan: de algemene raad of het bestuur van een regionale corporatie.
Artikel 45
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld inzake:
a. de tenuitvoerlegging van de maatregelen, vermeld in artikel 28, eerste lid, onderdelen a, c en d;
b. de klachten, als bedoeld in artikel 37;
c. de rechtsgang, welke waarborgen geven voor een deugdelijke berechting.
Inhoudsopgave
- Artikel I
+ Artikel II
+ Artikel III
+ Artikel IV
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht