Loonheffingen, inkomstenbelasting, pensioenen; beschikbare-premieregelingen en premie- en kapitaalovereenkomsten en nettopensioenregelingen
De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten.
Dit besluit vervangt het besluit van 12 februari 2013, nr. BLKB2013/43M, Staatscourant 2013, 4432. Dit besluit is een actualisering van het voornoemde besluit en bevat tevens een uitbreiding voor nettopensioen als bedoeld in afdeling 5.3B van de Wet IB 2001.
Het fiscale kader voor premie- en kapitaalovereenkomsten is nader uitgewerkt op basis van de Wet verlaging maximumopbouw- en premiepercentages pensioen en maximering pensioengevend inkomen, de wijziging van die wet en het Belastingplan 2014.
In deze wetten wordt de pensioenopbouw gebaseerd op een bereikbaar pensioen van 75% van het gemiddelde loon in 40 opbouwjaren. Bovendien wordt het pensioengevend loon gemaximeerd op € 100.000 (2015). De in het besluit opgenomen tabellen zijn daaraan aangepast.
De in bijlage IV opgenomen premiestaffel is uitgebreid met twee staffels die van toepassing zijn als partijen gebruik maken van de aangepaste AOW-inbouwbedragen van artikel 10aa van het UBLB 1965.
1. Inleiding
De invoering van de Pensioenwet per 1 januari 2007 heeft in de praktijk geleid tot de ontwikkeling van zowel individuele als collectieve premieovereenkomsten en kapitaalovereenkomsten. Gebleken is dat de fiscale kwalificaties van de pensioenovereenkomsten niet duidelijk waren. Daarom verduidelijkt dit besluit evenals de voorgaande besluiten CPP2009/1487M en BLKB2013/43M , de fiscale regels voor pensioenregelingen die de Pensioenwet aanduidt als een premie- of kapitaalovereenkomst. Ook wijst het besluit sommige soorten premie- en kapitaalovereenkomsten aan als fiscale pensioenregelingen. Net als de voorgenoemde twee besluiten bevat dit besluit ’netto-staffels’. Deze staffels bevatten geen opslag voor kosten en ook geen opslag voor premievrijstelling bij arbeidsongeschiktheid. Het gebruik van de staffels kan bijdragen aan betere transparantie van kosten in pensioenregelingen.
De aanwijzingen als pensioenregeling in dit besluit berusten op artikel 19d, onderdeel a, van de Wet LB en vinden plaats met instemming van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
De wijzigingen ten opzichte van het voorgaande besluit zijn de volgende.
Dit besluit bevat een uitbreiding voor nettopensioen als bedoeld in afdeling 5.3B van de Wet IB 2001.
Het fiscale kader voor premie- en kapitaalovereenkomsten is nader uitgewerkt op basis van de Wet verlaging maximumopbouw- en premiepercentages pensioen en maximering pensioengevend inkomen (kamerstukken 33 610 ) en Wijziging van de Wet verlaging maximumopbouw- en premiepercentages pensioen en maximering pensioengevend inkomen en het Belastingplan 2014 (kamerstukken 33 847 ).
In deze wetten wordt de pensioenopbouw gebaseerd op een bereikbaar pensioen van 75% van het gemiddelde loon in 40 opbouwjaren. Bovendien wordt het pensioengevend loon gemaximeerd op € 100.000 (2015). Naar aanleiding daarvan zijn de in het besluit opgenomen tabellen voor zover nodig aangepast.
De in bijlage IV opgenomen premiestaffel is uitgebreid met twee staffels die van toepassing zijn als partijen gebruik maken van de aangepaste AOW-inbouwbedragen van artikel 10aa van het UBLB 1965.
Het in het voorgaande besluit opgenomen overgangsrecht (in onderdeel 3.4 van dat besluit ) is vervallen.
Onderdeel 2 van dit besluit bevat een beschrijving van de soorten premieovereenkomsten die bij de behandeling van de Pensioenwet aan de orde zijn geweest. De onderdelen 3 en 5 behandelen de fiscale kwalificatie van die soorten premieovereenkomsten. Onderdeel 4 gaat over de kapitaalovereenkomsten. Voorts wijs ik in onderdeel 6 twee soorten afwijkende premieovereenkomsten aan als pensioenregeling. In onderdeel 7 is het overgangsrecht opgenomen voor pensioenregelingen met uitkeringen in beleggingseenheden. Onderdeel 8 van dit besluit bevat de beschrijving van het nettopensioen als bedoeld in afdeling 5.3B van de Wet IB 2001. Onderdeel 9 bevat de inwerkingtreding van dit besluit. De voorwaarden en bijzonderheden die bij de aanwijzingen gelden zijn te vinden in de bijlagen bij dit besluit.
Ter voorkoming van misverstanden wijs ik erop dat de aanwijzingen in dit besluit niet van toepassing zijn op regelingen als bedoeld in artikel 18h, eerste lid, van de Wet LB. Dat zijn de regelingen voor directeuren-grootaandeelhouders met een pensioen dat geheel of gedeeltelijk in eigen beheer wordt gehouden. Zie ook artikel 19d, eerste volzin, van de Wet LB.
IAPW: Invoerings- en aanpassingswet Pensioenwet
Intredeleeftijd: leeftijd waarop de pensioenopbouw bij de werkgever begint
OP: ouderdomspensioen als bedoeld in artikel 18 e.v. van de Wet LB
Pensioengrondslag: pensioengevend loon met inachtneming van artikel 18ga van de Wet op de loonbelasting 1964,minus AOW-franchise
PP: partnerpensioen als bedoeld in artikel 18 e.v. van de Wet LB
(Pensioen)verzekeraar: verzekeraar als bedoeld in artikel 19a van de Wet LB, tenzij hiervan in dit besluit specifiek wordt afgeweken
PW: Pensioenwet
UBLB 1965: Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965
URLB 2011: Uitvoeringsregeling loonbelasting 2011
Werkgever: inhoudingsplichtige in de zin van de Wet LB
Wet IB 2001: Wet inkomstenbelasting 2001
Wet LB: Wet op de loonbelasting 1964
Wet VPL: Wet aanpassing fiscale behandeling VUT/prepensioen en introductie levensloopregeling
Wet Witteveen 2015: Wet verlaging maximumopbouw- en premiepercentages pensioen en maximering pensioengevend inkomen en Wijziging van de Wet verlaging maximumopbouw- en premiepercentages pensioen en maximering pensioengevend inkomen en het Belastingplan 2014 .
2. Premieovereenkomsten
In artikel 10 van de PW is bepaald dat een pensioenovereenkomst kan inhouden:
een uitkeringsovereenkomst,
een kapitaalovereenkomst of
een premieovereenkomst.
Blijkens de Memorie van Toelichting (Kamerstukken II 2005–06, 30 413, nr. 3 p. 32–33) maken partijen bij een premieovereenkomst primair een afspraak over de hoogte van de periodiek ten behoeve van pensioen beschikbaar te stellen premie.
Er zijn in beginsel drie soorten premieovereenkomsten te onderscheiden:
a. De zuivere premieovereenkomst. Hierbij wordt de beschikbaar gestelde premie belegd tot aan de pensioendatum. Daardoor is onzeker tot welk kapitaal deze premies aangroeien. Het beleggingsrisico komt tot aan de pensioendatum voor rekening van de werknemer. Daarnaast kan de gemiddelde levensverwachting tijdens de opbouwfase veranderen. Ook dat risico (langlevenrisico) is voor rekening van de werknemer. Zie hierover onderdeel 3.
b. De premieovereenkomst waarbij de premie onmiddellijk wordt omgezet in een aanspraak op kapitaal. Met de beschikbaar gestelde premie kopen partijen meteen na het beschikbaar stellen een kapitaalverzekering in. De verzekeraar zet op de pensioendatum het beschikbare verzekerde kapitaal tegen de dan geldende tarieven om in een aanspraak op een periodieke uitkering. Hierbij is het beleggingsrisico overgenomen door de verzekeraar, maar blijft het langlevenrisico voor rekening van de werknemer. Zie hierover ook onderdeel 3.
c. De premieovereenkomst waarbij de premie onmiddellijk wordt omgezet in een aanspraak op een uitkering. Partijen kopen met de premie meteen een verzekering voor een periodieke uitkering in. In dat geval neemt de verzekeraar zowel het langlevenrisico als het beleggingsrisico over. Zie hierover onderdeel 5.
Voor de fiscale beoordeling van een pensioenregeling is het voor de pensioenopbouw gebruikte pensioenstelsel van belang. De pensioenopbouw moet plaatsvinden volgens een eindloonstelsel, een middelloonstelsel of een beschikbare-premiestelsel. In een aantal gevallen bevatten premieovereenkomsten naast kenmerken van een beschikbare-premiestelsel ook elementen van een eindloon- of middelloonstelsel. In dergelijke regelingen is sprake van samenloop van verschillende pensioenstelsels. Voor de fiscale kwalificatie worden alle elementen van de pensioenregeling tezamen en in onderlinge samenhang bezien. Vervolgens moet worden vastgesteld onder welke van de drie stelsels de regeling valt ( artikel 4.3, eerste lid, URLB 2011). Is een dergelijke kwalificatie niet mogelijk vanwege de kenmerken van de regeling, dan kan de regeling met toepassing van artikel 19d van de Wet LB worden aangewezen als pensioenregeling.
3.1. Inleiding
De in onderdeel 2 onder a genoemde zuivere premieovereenkomst is fiscaal altijd een beschikbare-premieregeling. Deze pensioenregeling moet voldoen aan de fiscale kaders beschreven in artikel 18a, derde lid, van de Wet LB. Ook de in onderdeel 2 onder b genoemde premieovereenkomst waarbij de premie onmiddellijk wordt omgezet in een aanspraak op kapitaal moet fiscaal voldoen aan de fiscale kaders beschreven in artikel 18a, derde lid, van de Wet LB. Een dergelijke premieovereenkomst vertoont na de omzetting van de premie in een aanspraak op kapitaal grote overeenkomsten met een kapitaalovereenkomst in de zin van artikel 10 van de PW. Een groot verschil tussen beide is echter dat bij de premieovereenkomst waarbij de premie onmiddellijk wordt omgezet in een aanspraak op kapitaal de overeengekomen premie is toegezegd en deze premie daarom niet kan worden verlaagd. Deze mogelijkheid moet wel aanwezig zijn bij de zuivere kapitaalovereenkomst. Zie bijlage II , voorwaarde b, onder 4. De beschikbare premie moet daarom bij de premieovereenkomst waarbij de premie onmiddellijk wordt omgezet in een aanspraak op kapitaal voldoen aan de uitgangspunten van artikel 18a, derde lid, van de Wet LB.
Onderdeel 3.2 geeft de grondslagen voor de vaststelling van de netto-staffels. Onderdeel 3.3 bevat de aanwijzing van regelingen die de staffels hanteren. In bijlage I zijn de staffels zelf opgenomen tezamen met de voorwaarden en aandachtspunten die bij de toepassing ervan van belang zijn. Onderdeel
3.2. Grondslagen en uitgangspunten
Artikel 18a, derde lid, van de Wet LB bepaalt dat een op een beschikbare-premiestelsel gebaseerd OP tijdsevenredig moet worden opgebouwd. Het stelsel moet zijn gericht op een pensioen dat na 40 jaren opbouw niet meer bedraagt dan 75 percent van het gemiddelde pensioengevend loon tot dat tijdstip. Het artikel bevat verder voorschriften voor de vaststelling van de premie (vaststelling per leeftijdsklasse, de in beginsel te veronderstellen loopbaanontwikkeling en de te hanteren rekenrente en inflatie). Voor het PP op basis van een beschikbare-premiestelsel bepaalt artikel 18b, derde lid, van de Wet LB, dat de uitgangspunten van artikel 18a, derde lid, van de Wet LB van overeenkomstige toepassing zijn.
De bepalende factoren voor een staffel zijn:
de AOW-franchise;
de toegezegde pensioensoorten;
de pensioeningangsleeftijd;
de verwachte loopbaanontwikkeling.
In bijlage I van dit besluit geef ik een beperkt aantal algemeen toepasbare netto-staffels. Deze staffels zijn gericht op een opbouw volgens het middelloonstelsel. Ze bevatten geen opslag voor kosten en ook geen opslag voor premievrijstelling bij arbeidsongeschiktheid. De variatie in opbouw als gevolg van de AOW-franchise wordt in de staffels voorkomen door uit te gaan van een percentage van de pensioengrondslag in plaats van een percentage van het pensioengevend loon.
3.3. Aanwijzing
Ik wijs regelingen die gebruik maken van de staffels in bijlage I aan als pensioenregeling in de zin van de Wet LB . Het moet gaan om beschikbare-premieregelingen die in overeenstemming zijn met de in die bijlage genoemde voorwaarden en bijzonderheden. De regelingen moeten overigens verder ook voldoen aan de voorwaarden van hoofdstuk IIB van de Wet LB.
4.1. Inleiding
Deze onderdeel betreft de fiscale behandeling van de pensioenovereenkomsten die artikel 10 van de PW aanduidt als kapitaalovereenkomsten. Onderdeel 4.3 bevat de aanwijzing van deze kapitaalovereenkomsten als pensioenregeling. In bijlage II volgen de voorwaarden voor aanwijzing.
4.2. Indeling kapitaalovereenkomsten
In de praktijk kan onduidelijkheid bestaan over de fiscale behandeling van kapitaalovereenkomsten. Hoofdstuk IIB van de Wet LB kent geen pensioenregelingen met kapitaalovereenkomsten, maar alleen uitkeringsovereenkomsten zoals eindloonregelingen en middelloonregelingen enerzijds en beschikbare-premieregelingen anderzijds. Kapitaalovereenkomsten hebben gemeen met beschikbare-premieregelingen dat de te verkrijgen pensioenuitkeringen niet van tevoren vaststaan. Regelingen met kapitaalovereenkomsten voldoen evenwel niet aan de in artikel 18a, derde lid, van de Wet LB genoemde voorwaarden voor beschikbare-premieregelingen. Daarom bestaat er aanleiding deze regelingen aan te wijzen als pensioenregeling.
4.3. Aanwijzing
Ik wijs regelingen met een kapitaalovereenkomst aan als pensioenregeling in de zin van de Wet LB . Het moet gaan om pensioenregelingen die in overeenstemming zijn met de in bijlage II opgenomen voorwaarden en bijzonderheden. De regelingen moeten overigens verder ook voldoen aan de voorwaarden van hoofdstuk IIB van de Wet LB.
5. De premieovereenkomst waarbij de premie direct verplicht wordt omgezet in een aanspraak op een uitkering
Een regeling met een premieovereenkomst waarbij de pensioenovereenkomst bepaalt dat de premie direct verplicht wordt omgezet in een aanspraak op een uitkering moet primair worden getoetst aan de fiscale kaders voor beschikbare-premieregelingen van artikel 18a, derde lid, van de Wet LB, dan wel bijlage I . Na de omzetting van de premie in een recht op uitkering ontstaat evenwel een regeling die vergelijkbaar is met een middelloonregeling. De aan te kopen middelloonaanspraken moeten binnen de kaders van hoofdstuk IIB van de Wet LB blijven. Premieovereenkomsten waarbij de premie direct wordt omgezet in een aanspraak op een uitkering, maken gebruik van elementen van zowel het middelloon- als het beschikbare-premiestelsel. Dit in tegenstelling tot echte uitkeringsovereenkomsten, zoals eindloon- en middelloonregelingen, die direct kunnen worden getoetst aan de kaders van hoofdstuk IIB van de Wet LB. Om de fiscale aanvaardbaarheid buiten twijfel te stellen wijs ik deze regelingen voor zover dat nodig is hierna aan als pensioenregeling.
5.1. Aanwijzing
Ik wijs, voor zover nodig, regelingen met een premieovereenkomst waarbij de premie direct wordt omgezet in een aanspraak op een uitkering aan als pensioenregeling in de zin van de Wet LB . Hierbij gelden de voorwaarden en bijzonderheden van bijlage III bij dit besluit. De regelingen moeten overigens verder ook voldoen aan de voorwaarden van hoofdstuk IIB van de Wet LB.
6. Afwijkende premieovereenkomsten
In de praktijk hanteren verzekeraars van zowel individuele als collectieve pensioenproducten, premieovereenkomsten die niet binnen de huidige kaders van artikel 18a, derde lid, van de Wet LB blijven. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan premieovereenkomsten waarbij de beschikbare premie in afwijking van de grondslagen genoemd in artikel 18a, derde lid, van de Wet LB wordt berekend tegen een rekenrente van 3%. Met deze premies in combinatie met de resultaten uit de belegging streeft men naar de opbouw van een pensioen binnen de maximale fiscale grenzen van een middelloonpensioen.
Een variatie op de hierboven vermelde afwijkende premieovereenkomst is de volgende. Een (pensioen)verzekeraar voert een premieovereenkomst uit. De beschikbaar gestelde premie wordt gebaseerd op de kostprijs van een middelloonpensioen, eventueel bepaald op basis van een doorsneepremie. Ook hier streeft men naar een pensioen dat binnen de fiscaal maximale grenzen van een middelloonstelsel blijft. Hiertoe wordt jaarlijks de premie vastgesteld welke is gebaseerd op de kostprijs van de middelloonregeling die de (pensioen)verzekeraar zou kunnen uitvoeren. Dit impliceert dat een premiepensioeninstelling als bedoeld in artikel 19a, vierde lid, van de Wet LB, voor deze afwijkende premieovereenkomst niet als (pensioen)verzekeraar kan optreden. De gehanteerde rekenrente voor de berekening van de premie is echter soms lager dan 4%, maar volgt jaarlijks de ontwikkeling van de rente welke mede bepalend is voor de hoogte van de kostprijs van de (fictieve) middelloonregeling.
In beide gevallen is het streven om een pensioen op te bouwen dat vergelijkbaar is met een fiscaal maximaal middelloonpensioen. Dit gegeven vormt voor mij aanleiding om de twee beschreven varianten van de afwijkende premieovereenkomst hierna aan te wijzen als pensioenregeling.
6.1. Aanwijzing van regelingen met een premieovereenkomst maximaal gericht op een fiscaal aanvaardbaar middelloonpensioen
Ik wijs regelingen met een premieovereenkomst die maximaal kunnen leiden tot een middelloonpensioen binnen de kaders van hoofdstuk IIB van de Wet LB aan als pensioenregeling in de zin van de Wet LB. Hierbij gelden de voorwaarden en bijzonderheden van bijlage IV bij dit besluit. De regelingen moeten ook overigens voldoen aan de voorwaarden van hoofdstuk IIB van de Wet LB.
6.2. Aanwijzing van regelingen met een premieovereenkomst op basis van ten hoogste de kostprijs van een fiscaal middelloonpensioen
Ik wijs regelingen met een premieovereenkomst waarbij de premie ten hoogste gelijk is aan de kostprijs van een door de (pensioen)verzekeraar uit te voeren (fictief) middelloonpensioen binnen de kaders van hoofdstuk IIB van de Wet LB aan als pensioenregeling in de zin van de Wet LB . Hierbij gelden de voorwaarden en bijzonderheden van bijlage V bij dit besluit. De regelingen moeten ook overigens voldoen aan de voorwaarden van hoofdstuk IIB van de Wet LB.
7.1. Inleiding
In het bij besluit van 23 oktober 2007 , nr. CPP2007/552M ingetrokken besluit van 1 maart 2004 , nr. CPP2003/2813M, heb ik aangegeven dat pensioenregelingen met uitkeringen in beleggingseenheden niet voldoen aan de bepalingen van hoofdstuk IIB van de Wet LB. Bij de fiscale beoordeling van een pensioenregeling moeten de rechten uitgedrukt in euro’s het uitgangspunt zijn. De pensioenuitkeringen moeten ook na de pensioeningangsdatum worden getoetst aan de grenzen van artikel 18a tot en met artikel 18h van de Wet LB. Daarbij zijn andere overschrijdingen dan die zijn genoemd in artikel 18d van de Wet LB niet toegestaan.
In het besluit CPP2003/2813M heb ik de genoemde regelingen tijdelijk aangewezen als pensioenregeling in de zin van de Wet LB . Ik heb daarbij meegedeeld dat ik mijn beleid zou bezien bij de invoering van de PW . Artikel 11 van de PW bepaalt dat de uitkering in het kader van een pensioenovereenkomst wordt vastgesteld in een wettig Nederlands betaalmiddel. Het beleid is daarom bij besluit CPP2007/552M herzien en de aanwijzing uit CPP2003/2813M is daarbij ingetrokken. Deze intrekking van het beleid blijft van kracht, ook na intrekking van het besluit CPP2007/552M met ingang van 1 januari 2014.onderdeel De beleidsherziening geldt ook voor pensioenregelingen met uitkeringen in beleggingseenheden die niet onder de PW vallen. Reden hiervoor is de hierboven vermelde strijdigheid van deze regelingen met de wettelijke bepalingen in de loonbelasting. Daarnaast is een gelijke fiscale behandeling gewenst van alle pensioenregelingen met uitkeringen in beleggingseenheden.
7.2. Overgangsrecht
Artikel 12, eerste lid, van de IAPW, bepaalt dat artikel 11 van de PW slechts geldt voor pensioenaanspraken die worden verworven na de inwerkingtreding van laatstgenoemd artikel. Artikel 11 van de PW is in werking getreden op 1 januari 2008. De in het besluit van 1 maart 2004 , nr. CPP2003/2813M gegeven tijdelijke aanwijzing blijft daarom van kracht op pensioenaanspraken die tot 1 januari 2008 zijn verworven. Uitkeringen die berusten op aanspraken die zijn verworven vóór 2008 kunnen worden gedaan in beleggingseenheden. Voor zover van toepassing blijven voor deze aanspraken en uitkeringen de voorwaarden gelden van besluit CPP2003/2813M , ook na 1 januari 2008. Deze voorwaarden zijn opgenomen in bijlage VI . Alle uitkeringen die berusten op aanspraken die op of na 1 januari 2008 zijn of worden verworven, moeten worden gedaan in euro’s. De aanspraken zijn anders niet vrijgesteld op basis van hoofdstuk IIB van de Wet LB. Partijen kunnen er voor kiezen om de voor 1 januari 2008 verworven aanspraken met uitkeringen in beleggingseenheden geheel of gedeeltelijk om te zetten in aanspraken op uitkeringen in euro’s. Deze keuze is onherroepelijk. Het omzetten van aanspraken op uitkeringen in euro’s in aanspraken op uitkeringen in beleggingseenheden is naar mijn oordeel met ingang van 1 januari 2008 in strijd met artikel 11 van de PW. Voorts zal een dergelijke omzetting leiden tot toepassing van artikel 19b, eerste lid, onderdeel a, van de Wet LB. De gehele pensioenaanspraak wordt belast omdat het pensioen niet meer voldoet aan de voorwaarden van hoofdstuk IIB van de Wet LB. Zie ook onderdeel 7.1, eerste alinea.
afdeling 5.3B van de Wet IB 2001 van Loonheffingen, inkomstenbelasting, pensioenen; beschikbare-premieregelingen en premie- en kapitaalovereenkomsten en nettopensioenregelingen">
8. Nettopensioenregelingen bedoeld in afdeling 5.3B van de Wet IB 2001
In de Verzamelwet pensioenen 2014 (kamerstukken 33 863 ) en Belastingplan 2015 (kamerstukken 34 002 ) is nadere invulling gegeven aan de invoering van een nettopensioenregeling (in de tweede pijler) voor pensioenopbouw over het loon dat ingevolge artikel 18ga van de Wet LB niet tot het pensioengevend loon behoort. De voorwaarden voor de nettopensioenregeling zijn opgenomen in afdeling 5.3B van de Wet IB 2001. De nettopensioenregeling voorziet in een afzonderlijke box 3-vrijstelling voor arbeidsgerelateerd nettopensioen. Voor de vormgeving en begrenzing van de box 3-vrijstelling voor nettopensioen is zo veel mogelijk aangesloten bij de regels voor beschikbare-premieregelingen van hoofdstuk IIB van de Wet LB.
De maximale omvang van de beschikbare premie voor een nettopensioen is geregeld in de artikelen 5.17a, 5.17b en 5.17c van de Wet IB 2001. Daar is bepaald dat de beschikbare premie voor een nettopensioen ten hoogste kan worden bepaald met inachtneming van de uitgangspunten, bedoeld in artikel 18a, derde lid, onderdelen a, b en c, van de Wet LB. In bijlage VII is een staffel opgenomen berekend tegen een rekenrente van 4% welke kan worden gebruikt als staffel die voldoet aan de hiervoor genoemde wettelijke grondslagen.
Voor een nettopensioen wordt in dit besluit zowel een premiestaffel gepubliceerd op basis van een rekenrente van 4% als een premiestaffel op basis van een rekenrente van 3% met een uitkeringsbegrenzing.
8.1. Aanwijzing nettopensioen op basis van een 4%-staffel
Ik wijs regelingen die gebruik maken van de premiestaffel voor de nettopensioenregeling op basis van 4% rekenrente in bijlage VII (tabel 1), aan als pensioenregeling in de zin van afdeling 5.3B, van de Wet IB2001. Het moet gaan om beschikbare-premieregelingen die in overeenstemming zijn met de in die bijlage genoemde voorwaarden en bijzonderheden. De regelingen moeten overigens verder ook voldoen aan de voorwaarden van afdeling 5.3B van de Wet IB 2001.
8.2. Aanwijzing nettopensioen op basis van een 3%-staffel
Ik wijs regelingen die gebruik maken van de premiestaffel voor de nettopensioenregeling op basis van 3% rekenrente in bijlage VII (tabel 2), aan als pensioenregeling in de zin van afdeling 5.3B, van de Wet IB 2001. Het moet gaan om beschikbare-premieregelingen die in overeenstemming zijn met de in die bijlage genoemde voorwaarden en bijzonderheden. De regelingen moeten overigens verder ook voldoen aan de voorwaarden van afdeling 5.3B van de Wet IB 2001.
De staffels, alsmede de geldende voorwaarden en bijzonderheden, zijn opgenomen in bijlage VII .
9. Vervallen regelingen
Ten overvloede merk ik op dat het besluit van 12 februari 2013 , nr. BLKB2013/43M met ingang van 1 januari 2015 is vervallen.
10. Inwerkingtreding en vervaldatum
Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2015.
Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst.
Den Haag, 17 december 2014
De
Staatssecretaris
Lid van het managementteam Belastingdienst
Inhoudsopgave
1. Inleiding
1.1. Gebruikte begrippen en afkortingen
2. Premieovereenkomsten
3. De zuivere premieovereenkomst en de premieovereenkomst waarbij de premie onmiddellijk wordt omgezet in een aanspraak op kapitaal
3.1. Inleiding
3.2. Grondslagen en uitgangspunten
3.3. Aanwijzing
4. De kapitaalovereenkomst
4.1. Inleiding
4.2. Indeling kapitaalovereenkomsten
4.3. Aanwijzing
5. De premieovereenkomst waarbij de premie direct verplicht wordt omgezet in een aanspraak op een uitkering
5.1. Aanwijzing
6. Afwijkende premieovereenkomsten
6.1. Aanwijzing van regelingen met een premieovereenkomst maximaal gericht op een fiscaal aanvaardbaar middelloonpensioen
6.2. Aanwijzing van regelingen met een premieovereenkomst op basis van ten hoogste de kostprijs van een fiscaal middelloonpensioen
7. Pensioenregelingen met uitkeringen in beleggingseenheden
7.1. Inleiding
7.2. Overgangsrecht
8. Nettopensioenregelingen bedoeld in afdeling 5.3B van de Wet IB 2001
8.1. Aanwijzing nettopensioen op basis van een 4%-staffel
8.2. Aanwijzing nettopensioen op basis van een 3%-staffel
9. Vervallen regelingen
10. Inwerkingtreding en vervaldatum
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht