Let op. Deze wet is vervallen op 1 juli 2011. U leest nu de tekst die gold op 30 juni 2011.

Lozingenbesluit Wvo bodemsanering en proefbronnering

Uitgebreide informatie
Besluit van 24 januari 1997, houdende regels voor indirecte lozingen bij bodemsaneringen en proefbronneringen (Lozingenbesluit Wvo bodemsanering en proefbronnering)
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 14 mei 1996, nr. RH 217 465, Hoofddirectie van de Waterstaat, Hoofdafdeling Bestuurlijke en Juridische Zaken, gedaan mede namens Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer;
Gelet op de artikelen 1, tweede en derde lid, 2a, eerste en tweede lid, 2b, eerste en tweede lid, 2c, tweede en derde lid, van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren;
Gezien het advies van de Staatscommissie voor de Waterstaatswetgeving (advies van 5 juli 1995, nr. St-31/95);
De Raad van State gehoord (advies van 27 november 1996, nr. W09.96.0211);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 23 januari 1997, nr. HW/RH 1677, Hoofddirectie van de Waterstaat, Hoofdafdeling Bestuurlijke en Juridische Zaken, uitgebracht mede namens Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer;
Hebben goedgevonden en verstaan:
1.
In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. lozen: brengen van afvalwater of andere afvalstoffen in een openbaar vuilwaterriool;
b. stoffen: afvalstoffen, verontreinigende of schadelijke stoffen;
c. NEN onderscheidenlijk NVN: door het Nederlands Normalisatie Instituut (NNI) uitgegeven norm of voornorm;
d. bodemsanering: saneren in de zin van de Wet bodembescherming ;
e. proefbronnering: oppompen van verontreinigd grondwater in het kader van een saneringsonderzoek in de zin van de Wet bodembescherming ;
f. wet: Wet milieubeheer ;
g. bevoegd gezag: burgemeester en wethouders van de gemeente waar het lozen plaatsvindt;
h. bijlage I of II : bij dit besluit behorende bijlage I onderscheidenlijk II;
i. Onze Minister: Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer;
j. zuiveringstechnische werk: zuiveringtechnisch werk als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Waterwet.
2.
Indien in dit besluit naar een NEN of een NVN wordt verwezen, wordt bedoeld de vóór de datum waarop dit besluit in het Staatsblad is geplaatst, laatst uitgegeven norm met de daarop tot die datum uitgegeven aanvullingen of correctiebladen. Bij regeling van Onze Minister kan worden bepaald dat de verwijzing betrekking heeft op na die datum uitgegeven aanvullingen of correctiebladen of dat verwijzing naar een NEN of NVN wordt vervangen door een door het NNI uitgegeven ISO-normering.
1.
De voorschriften bij of krachtens dit besluit gesteld, zijn van toepassing op het lozen anders dan vanuit een inrichting als bedoeld in artikel 1.1, derde lid, van de Wet milieubeheer ten behoeve van een
a. bodemsanering:
1°. die plaatsvindt op een locatie als bedoeld in het tweede lid;
2°. waarbij het lozen plaatsvindt binnen een periode van ten hoogste drie jaar;
3°. waarbij het lozingsdebiet ten hoogste 15 m 3 per uur bedraagt of, zo lang grond wordt afgegraven waarbij het grondwaterpeil wordt verlaagd door middel van het oppompen van verontreinigd grondwater, ten hoogste 50 m 3 per uur, en
4°. waarbij het gehalte aan een stof voorafgaand aan het lozen niet hoger is dan het in bijlage I bij de betrokken stof vermelde gehalte, alsmede ten behoeve van een
b. proefbronnering:
1°. die plaatsvindt op een locatie als bedoeld in het tweede lid;
2°. waarbij het lozen plaatsvindt binnen een periode van ten hoogste drie weken, en
3°. waarbij het lozingsdebiet ten hoogste 50 m 3 per uur bedraagt.
2.
De locaties, bedoeld in het eerste lid, zijn de locaties waar blijkens de resultaten van het betreffende oriënterend of nader onderzoek dan wel saneringsonderzoek, bedoeld in artikel 1 van de Wet bodembescherming:
a. de verontreiniging in de bodem uitsluitend is veroorzaakt door:
1°. chemische wasserijen;
2°. tankstations voor het wegverkeer;
3°. be- en verwerkende bedrijven van afgewerkte olie als bedoeld in het Besluit inzamelen afvalstoffen en autowrakken;
4°. herstelinrichtingen voor motorvoertuigen, of
5°. opslagtanks van benzine, diesel of huisbrandolie, dan wel
b. de verontreiniging in de bodem uitsluitend bestaat uit motorbrandstoffen ten behoeve van het wegverkeer of minerale olie.
3.
Het gehalte aan een stof, bedoeld in het eerste lid, onder a , onder 4°, wordt bepaald op basis van analyse van een steekmonster volgens het bij die stof in bijlage II vermelde voorschrift.
Artikel 4
Het verbod, bedoeld in artikel 10.30, eerste lid, van de wet, geldt niet ten aanzien van het lozen, bedoeld in artikel 3, eerste lid. Bij dit lozen wordt voldaan aan de voorschriften die bij of krachtens dit besluit zijn gesteld.
1.
Degene die loost ten behoeve van een bodemsanering draagt er zorg voor dat het lozingsdebiet zodanig is dat de doelmatige werking van het zuiveringstechnische werk niet wordt belemmerd.
2.
Het bevoegd gezag kan nadere eisen stellen ten aanzien van het bepaalde in het eerste lid.
1.
Degene die loost ten behoeve van een bodemsanering bepaalt het gehalte aan een stof, genoemd in bijlage I, indien deze blijkens het overzicht, bedoeld in artikel 16, onderdeel h, voorkomt als verontreiniging.
2.
De bepalingen, bedoeld in het eerste lid, worden op de eerste, de derde, de achtste en de vijftiende dag na aanvang van het lozen uitgevoerd. Hierna worden de bepalingen uitgevoerd met een zodanige frequentie als nodig is om veranderingen in de gehalten tijdig te signaleren. Aan dit voorschrift wordt in ieder geval voldaan, indien de bepaling één maal per twee weken plaatsvindt.
3.
Indien degene die loost op enig tijdstip overgaat op een andere frequentie van de bepalingen, meldt hij dit onverwijld aan het bevoegd gezag.
4.
Het bevoegd gezag kan nadere eisen stellen ten aanzien van de frequentie, bedoeld in het tweede lid, tweede volzin.
1.
Degene die loost ten behoeve van een bodemsanering draagt er zorg voor dat het gehalte aan een andere stof dan genoemd in bijlage I zodanig is, dat de nadelige gevolgen voor de kwaliteit van een oppervlaktewaterlichaam zoveel mogelijk worden beperkt en de doelmatige werking van het zuiveringstechnische werk niet wordt belemmerd.
2.
Het bevoegd gezag kan nadere eisen stellen ten aanzien van het bepaalde in het eerste lid; daarbij kan slechts worden voorgeschreven:
a. dat het verontreinigde grondwater voorafgaand aan het lozen door een zuiveringsvoorziening wordt geleid, of
b. dat het gehalte aan die stof bij het lozen een bepaalde waarde niet mag overschrijden, of
c. dat het gehalte aan die stof wordt bepaald met een daarbij aan te geven meetfrequentie, meetvoorschrift of analysemethode.
Artikel 8
Vierentwintig maanden na het tijdstip van aanvang van het lozen ten behoeve van een bodemsanering maakt degene die loost een raming van de resterende duur van het lozen en hij legt dit binnen vier weken aan het bevoegd gezag over.
Artikel 9
Op degene die loost ten behoeve van een proefbronnering is artikel 5 van overeenkomstige toepassing.
1.
Degene die loost ten behoeve van een proefbronnering draagt er zorg voor dat het gehalte aan een stof, genoemd in bijlage I, zodanig is, dat de nadelige gevolgen voor de kwaliteit van een oppervlaktewaterlichaam zoveel mogelijk worden beperkt en dat de doelmatige werking van het zuiveringstechnische werk niet wordt belemmerd.
2.
Aan het eerste lid wordt in ieder geval voldaan, indien het gehalte aan die stof niet hoger is dan het in bijlage I bij de betrokken stof vermelde gehalte.
3.
Degene die loost ten behoeve van een proefbronnering bepaalt dagelijks het gehalte aan een stof, genoemd in bijlage I, indien deze blijkens het overzicht, bedoeld in artikel 16, onderdeel h, voorkomt als verontreiniging.
4.
Het bevoegd gezag kan nadere eisen stellen ten aanzien van het bepaalde in het eerste lid; daarbij kan slechts worden voorgeschreven dat het verontreinigde grondwater voorafgaand aan het lozen door een zuiveringsvoorziening wordt geleid.
5.
Tenzij toepassing is gegeven aan het vierde lid, wordt aan de eis van het eerste lid tevens voldaan indien het gehalte, bedoeld in artikel 17, tweede lid, niet wordt overschreden.
1.
Degene die loost ten behoeve van een proefbronnering draagt er zorg voor dat het gehalte aan een andere stof dan genoemd in bijlage I zodanig is, dat de nadelige gevolgen voor de kwaliteit van een oppervlaktewaterlichaam zoveel mogelijk worden beperkt en de doelmatige werking van het zuiveringstechnische werk niet wordt belemmerd.
2.
Het bevoegd gezag kan nadere eisen stellen ten aanzien van het bepaalde in het eerste lid. Daarbij kan slechts worden voorgeschreven:
a. dat het verontreinigde grondwater voorafgaand aan het lozen door een zuiveringsvoorziening wordt geleid,
b. dat het gehalte aan die stof bij het lozen een bepaalde waarde niet mag overschrijden, of
c. dat het gehalte aan die stof wordt bepaald met een daarbij aan te geven meetfrequentie, meetvoorschrift of analysemethode.
Artikel 12
Degene die loost draagt er zorg voor dat voor het nemen van steekmonsters op elk lozingspunt een controlevoorziening aanwezig is.
Artikel 13
Degene die loost bepaalt het dagelijks geloosde volume met een geijkte debietmeter.
1.
Degene die loost registreert plaats, datum en de resultaten van de volume- of gehaltebepalingen.
2.
De registratie wordt gedurende vijf jaren bewaard en op een daartoe strekkend verzoek aan het bevoegd gezag ter beschikking gesteld.
3.
Met betrekking tot het lozen ten behoeve van een bodemsanering legt degene die loost de gegevens, bedoeld in het eerste lid, over de eerste twee weken na aanvang van het lozen direct na afloop van die periode over aan het bevoegd gezag. Daarna worden de resultaten van de gehalte- en volumebepalingen eens per drie maanden aan het bevoegd gezag overgelegd.
4.
Met betrekking tot het lozen ten behoeve van een proefbronnering worden de gegevens, bedoeld in het eerste lid, zo spoedig mogelijk na afloop van de proefbronnering aan het bevoegd gezag overgelegd.
1.
Degene die voornemens is te lozen of het lozen te veranderen meldt dit voornemen ten minste zes weken voordat met het lozen onderscheidenlijk het veranderen daarvan wordt aangevangen aan het bevoegd gezag.
2.
De beëindiging van het lozen wordt ten hoogste één week na die beëindiging schriftelijk aan het bevoegd gezag medegedeeld.
Artikel 16
Een melding van het lozen ten behoeve van een bodemsanering als bedoeld in artikel 15, eerste lid, wordt schriftelijk gedaan en omvat in ieder geval:
a. naam en adres van degene die meldt;
b. naam en adres van degene die de feitelijke leiding heeft bij de sanering;
c. de locatie van de bodemsanering met een plattegrond;
d. het lozingsdebiet van de grondwaterstromen dat ten hoogste bij de vermelde activiteiten vrijkomt;
e. een overzicht van de saneringsactiviteiten die worden uitgevoerd met inbegrip van het tijdstip van aanvang van het lozen en de tijdsplanning van de bodemsanering en het lozen;
f. een overzicht van de voorzieningen waarmee de verschillende grondwaterstromen worden behandeld en de dimensionering hiervan;
g. de wijze waarop de afvalstoffen worden opgeslagen;
h. een overzicht van de aangetroffen verontreinigingen in grond en grondwater, het gehalte daarvan en vermelding van de oorzaak van die verontreinigingen, een en ander ontleend aan het op de betreffende locatie uitgevoerd oriënterend of nader onderzoek dan wel saneringsonderzoek als bedoeld in artikel 3, tweede lid, dat niet langer dan drie jaren te voren is voltooid;
i. het gehalte aan arseen, stikstof, fosfaat, chemisch zuurstofverbruik (CZV), chloride, sulfaat of een andere in het verontreinigde grondwater aangetroffen stof dan bedoeld in onderdeel h;
j. voor een stof als bedoeld onder hen i, die niet is genoemd in bijlage I, het gehalte dat gedurende het lozen niet zal worden overschreden.
1.
Op een melding van het lozen ten behoeve van een proefbronnering is artikel 16 van overeenkomstige toepassing.
2.
Indien degene die meldt verwacht dat bij het lozen ten behoeve van een proefbronnering het gehalte aan een stof, genoemd in bijlage I hoger zal zijn dan het in die bijlage bij de betrokken stof vermelde gehalte, meldt hij ten aanzien van die stof het gehalte dat gedurende het lozen niet zal worden overschreden.
1.
Indien zich binnen een inrichting ten behoeve van een bodemsanering of proefbronnering een ongewoon voorval of uitzonderlijke omstandigheid voordoet of heeft voorgedaan, waardoor nadelige gevolgen voor de kwaliteit van een ontvangend oppervlaktewaterlichaam of voor de doelmatige werking van het zuiveringstechnische werk zijn ontstaan of dreigen te ontstaan, treft degene die loost onmiddellijk de maatregelen die redelijkerwijs van hem kunnen worden verlangd om de bedoelde gevolgen te voorkomen of, voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, om deze zoveel mogelijk te beperken en ongedaan te maken.
2.
Indien zich binnen een inrichting ten behoeve van een bodemsanering of proefbronnering, een voorval of omstandigheid als bedoeld in het eerste lid voordoet of heeft voorgedaan, maakt degene die loost zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen 8 uur, melding van dat voorval aan het bevoegd gezag binnen wiens gebied het lozen heeft plaatsgevonden.
3.
Indien zich buiten de inrichting ten behoeve van een bodemsanering of proefbronnering een ongewoon voorval of uitzonderlijke omstandigheid voordoet of heeft voorgedaan en het bevoegd gezag maatregelen van tijdelijke aard voorschrijft ter voorkoming van ernstige verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam of van belemmering van de doelmatige werking van het zuiveringstechnische werk, is degene die loost verplicht deze maatregelen onverwijld te treffen.
4.
Het eerste tot en met derde lid is niet van toepassing voor zover hoofdstuk 17 van de Wet milieubeheer van toepassing is.
Artikel 19
Van de beschikking waarbij een nadere eis wordt gesteld krachtens dit besluit, wordt kennis gegeven in één of meer dag-, nieuws- of huis-aan-huisbladen.
Artikel 20
Dit besluit is niet van toepassing op het lozen waarvoor op het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit een aanvraag voor een vergunning krachtens artikel 1 van de wet bij de waterkwaliteitsbeheerder is ontvangen of een dergelijke vergunning van kracht is.
Artikel 21
Dit besluit treedt in werking met ingang van de eerste dag van de tweede kalendermaand na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst.
Artikel 22
Dit besluit wordt aangehaald als: Lozingenbesluit Wvo bodemsanering en proefbronnering.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst
's-Gravenhage, 24 januari 1997
De Minister van Verkeer en Waterstaat,
De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,
Uitgegeven de dertigste januari 1997
De Minister van Justitie,
Inhoudsopgave
+ HOOFDSTUK 1. INLEIDENDE BEPALINGEN
+ HOOFDSTUK 2. BEPALINGEN VOOR BODEMSANERING
+ HOOFDSTUK 3. BEPALINGEN VOOR PROEFBRONNERING
+ HOOFDSTUK 4. VOLUME- EN GEHALTEBEPALINGEN
+ HOOFDSTUK 5. MELDINGSPLICHT EN ONGEWONE VOORVALLEN
+ HOOFDSTUK 6. MEDEDELING NADERE EISEN
+ HOOFDSTUK 7. OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht
Jurisprudentie
Voorbeelden van het gebruik van deze artikel(en) in rechterlijke uitspraken