Let op. Deze wet is vervallen op 29 juli 2008. U leest nu de tekst die gold op 28 juli 2008.

Mandaatbesluit personele en financiële aangelegenheden directeuren 2005 van 28 februari 2005

Uitgebreide informatie
Mandaatbesluit personele en financiële aangelegenheden directeuren 2005 van 28 februari 2005
De hoofddirecteur IND,
Gelet op de Organisatieregeling van de plaats van de Immigratie- en Naturalisatiedienst binnen het Ministerie van Justitie d.d. 28 november 2002;
Gelet op de Mandaatregeling Ministerie van Justitie 2002 van 28 november 2002;
Gelet op de Mandaatregeling Directeuren-Generaal en plaatsvervangend Secretaris-Generaal van 28 november 2002;
Gelet op de Mandaatregeling Directoraat-Generaal Internationale Aangelegenheden en Vreemdelingenzaken Justitie 2002 van 29 november 2002;
Besluit:
Artikel 1
In dit besluit wordt verstaan onder:
a. Hoofddirecteur IND: het hoofd van de Immigratie- en Naturalisatiedienst;
b. plaatsvervangend Hoofddirecteur IND: het plaatsvervangend hoofd van de Immigratie- en Naturalisatiedienst;
c. de directeuren: de directeur van de stafdirectie Uitvoeringsbeleid van de IND; de directeur van de stafdirectie Middelen en Control van de IND; de directeur van de stafdirectie Personeel, Organisatie en Informatie van de IND, tevens optredend in de hoedanigheid van directeur Bedrijfsvoering betreffende de onder de IND ressorterende dienstencentra werkzaam ten behoeve van de onderscheiden IND-locaties; de directeur Asiel van de IND; de directeur Regulier van de IND; de directeur Naturalisatie van de IND; de directeur Terugkeer van de IND; de directeur Procesvertegenwoordiging; de directeur van het Gemeenschappelijk Centrum ICT (GCICT); de directeur van het Gemeenschappelijk Centrum Kennis, Advies en Ontwikkeling (GCKAO);
d. Hoofd BOH: het hoofd van het Bureau Ondersteuning Hoofddirectie van de IND.
1.
De plaatsvervangend Hoofddirecteur IND is bevoegd personele- en financiële aangelegenheden die de IND betreffen, voor zover deze aangelegenheden naar aard of inhoud niet een zodanig gewicht hebben dat zij door de Hoofddirecteur IND behoren te worden afgedaan en voorzover niet doorgemandateerd aan de directeuren, respectievelijk Hoofd BOH, als bedoeld onder lid 2 van dit artikel, af te handelen.
2.
De directeuren en Hoofd BOH zijn, tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald of de aard van de bevoegdheid zich daartegen verzet, ten aanzien van de medewerkers werkzaam op de gebieden waarvoor de betreffende directeur, respectievelijk Hoofd BOH verantwoordelijkheid draagt, bevoegd om in naam van de Minister van Justitie besluiten te nemen, stukken af te doen en uitgaande brieven te ondertekenen betreffende:
a. de inrichting van de organisatie (niet zijnde de kwalitatieve invulling) en de kwantitatieve invulling van de organieke formatie;
b. de rechtspositie van individuele medewerkers.
3.
De stafdirecteur Personeel, Organisatie en Informatie is voorts in naam van de Minister van Justitie binnen de IND verantwoordelijk voor de ontwikkeling en uitvoering van het beleid gericht op het bevorderen van een zo groot mogelijke veiligheid, een zo goed mogelijke bescherming van de gezondheid en het welzijn in verband met de arbeid en het voldoen aan de overige verplichtingen die bij of krachtens de Arbeidsomstandighedenwet aan een werkgever zijn opgelegd.
1.
Het mandaat als bedoeld in artikel 2, tweede lid omvat niet de bevoegdheid tot het nemen van besluiten waar het betreft het toekennen van schadevergoeding, het verlenen van ontslag, anders dan op aanvraag en het nemen van disciplinaire maatregelen ten aanzien van medewerkers als vermeld in het overzicht dat als bijlage 1 aan dit mandaat is gehecht. Evenmin betreft dit de bevoegdheid tot het nemen van enig ander besluit waar het gaat om in dit overzicht genoemde medewerkers, die werkzaam zijn in functies gewaardeerd op schaal 14.
2.
Het mandaat als bedoeld in artikel 2, eerste en tweede lid, omvat niet de bevoegdheid tot het nemen van besluiten, indien deze worden genomen op grond van artikel 99 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement.
3.
Het mandaat als bedoeld in artikel 2, tweede lid, omvat niet de bevoegdheid tot het nemen van besluiten, indien deze worden genomen op grond van artikel 69 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement, voor zover de schadevergoeding betrekking heeft op immateriële of materiële schade boven een bedrag van € 10.000 netto.
4.
Het mandaat als bedoeld in artikel 2, tweede lid, omvat niet de bevoegdheid om te beslissen in bezwaar op door de in artikel 1, sub c van dit besluit genoemde directeuren, respectievelijk Hoofd BOH, genomen besluiten, met uitzondering van die besluiten op bezwaar betreffende bevoegdheden die zijn doorgemandateerd aan onder de desbetreffende directeuren ressorterende functionarissen.
Artikel 4
In geval van beroep tegen een door de desbetreffende directeur, respectievelijk Hoofd BOH, genomen beslissing op bezwaar of een besluit van een onder die directeur, respectievelijk Hoofd BOH, ressorterende functionaris, is de directeur, respectievelijk Hoofd BOH, bevoegd om:
a. in naam van de Minister van Justitie hoger beroep in te stellen tegen de uitspraak van de rechtbank, ter zake van die uitspraak een verzoek in te dienen tot het treffen van een voorlopige voorziening en of een verzoek in te dienen tot herziening van die uitspraak;
b. als gemachtigde van de Minister van Justitie op te treden of een gemachtigde van de Minister van Justitie aan te wijzen.
1.
De directeuren, respectievelijk Hoofd BOH, zijn, met inachtneming van het hiervoor bepaalde in artikel 3, tot een maximum van € 300.000 en, in geval van het aangaan van verplichtingen boven € 15.000 na raadpleging van de afdeling Inkoop, bevoegd om financiële verplichtingen aan te gaan, met inachtneming van het in het managementcontract toegekende budget en, acht slaande op het bepaalde in lid 2, het aan hen toegekende deel van het projectenbudget.
2.
Het mandaat als bedoeld in lid 1 omvat niet de bevoegdheid tot het aangaan van verplichtingen voor het inhuren van externen op het gebied van ICT ten behoeve van ICT-projecten. Voor het inhuren van deze externen is de directeur GC ICT bevoegd om, met inachtneming van het projectenbudget, financiële verplichtingen aan te gaan.
3.
Het mandaat als bedoeld in lid 1 omvat voor de andere directeuren dan de directeur GCICT, respectievelijk Hoofd BOH, niet de bevoegdheid tot het aangaan van verplichtingen voor het aanschaffen van ICT-apparatuur en ICT- software. De directeur GCICT is bevoegd om in overleg met de directeur Bedrijfsvoering in verband met het door laatstgenoemde beheerde budget voor ICT-apparatuur en ICT-software, in het kader van de overeengekomen dienstverlening door GCICT aan de andere directies, respectievelijk BOH, de hierop betrekking hebbende financiële verplichtingen aan te gaan.
4.
Het mandaat als bedoeld in lid 1 omvat niet de bevoegdheid tot het aangaan van verplichtingen voor het huren van panden. Deze bevoegdheid blijft bij de hoofddirectie.
5.
Tot 1 januari 2007 is van de uitoefening van het mandaat als bedoeld in lid 1 het inhuren van externen voor interim management, organisatieadvies, communicatieadvies en voor beleidsadvies uitgesloten. Deze bevoegdheid blijft tot dat moment bij de hoofddirectie.
Artikel 6
De directeuren, respectievelijk Hoofd BOH, zijn bevoegd om facturen te accorderen, dat wil zeggen te tekenen voor belasting van het eigen budget.
Artikel 7
De directeur M&C is bevoegd om betalingen te doen verrichten ten laste van de bankrekening van de IND. De bijbehorende autorisaties zijn toegekend aan de kasbeheerder van de IND en de plv. kasbeheerders (allen werkzaam bij de directie M&C).
1.
De directeuren, respectievelijk Hoofd BOH, zijn bevoegd, met inachtneming van in lid 2 tot en met 4 van dit artikel genoemde voorwaarden, aan medewerkers van de IND mandaat te verlenen ten aanzien van de uit de artikelen 5 en 6 voortvloeiende bevoegdheden. De bevoegdheden voortvloeiend uit artikel 2 kunnen slechts worden gemandateerd aan de unitmanagers, respectievelijk afdelingshoofden, respectievelijk projectleiders, respectievelijk locatiemanagers, met dien verstande dat zij deze bevoegdheid niet uit kunnen oefenen ten aanzien van medewerkers op het niveau van salarisschaal 13 of hoger van bijlage B van het BBRA.
2.
De directeuren, respectievelijk Hoofd BOH, stellen, teneinde aan de uitoefening van de bevoegdheden voortvloeiend uit het financiële mandaat rechtskracht te verbinden, een competentietabel, incl. een handtekeningenregister, vast waarin de gemandateerde bevoegdheden per functionaris vastliggen. In de tabel wordt per functionaris aangegeven voor welke kostensoorten hij verplichtingen mag aangaan en/of mag tekenen voor belasting van het budget.
Het handtekeningenregister dient door de directeuren door tussenkomst van de directeur Bedrijfsvoering ter beschikking te worden gesteld aan de afdelingen Financiën van de locale dienstencentra.
3.
De directeuren, respectievelijk Hoofd BOH, zijn bevoegd om bepaalde budgetten verbonden aan kostensoorten te verdelen over de units, respectievelijk afdelingen of bureaus, respectievelijk dienstencentra. Het budgethouderschap en de daarmee verbonden primaire verantwoordelijkheid blijft bij de directeuren. De directeuren, respectievelijk Hoofd BOH, leggen periodiek en in aansluiting op de P&C cyclus over de gerealiseerde uitgaven en kosten verantwoording af aan de hoofddirectie. De unitmanagers, respectievelijk de afdelingshoofden, respectievelijk locatiemanagers krijgen voor deze budgetten de bevoegdheid om financiële verplichtingen aan te gaan tot het aan hen toegekende totaalbedrag.
4.
Het verlenen van mandaat als bedoeld in lid 1 geschiedt onder de volgende voorwaarden:
Verleende mandaten worden niet verder gemandateerd.
De functionarissen aan wie mandaat verleend is mogen financiële verplichtingen aangaan tot maximaal € 10.000 (per verplichting).
De functionarissen aan wie mandaat verleend is mogen facturen accorderen (tekenen voor budgetbelasting) tot maximaal € 10.000 per factuur.
Voor locatiemanagers geldt dat mandaat verleend wordt tot € 50.000 voor het aangaan van verplichtingen en tot € 300.000 per te accorderen factuur voor leveringen binnen het kader van gesloten overeenkomsten.
Als een functionaris optreedt in zijn hoedanigheid als plaatsvervanger, heeft hij dezelfde bevoegdheden als de functionaris die hij vervangt. Dit geldt voor plv. HIND, plv. directeur, plv. UM, plv. LM, plv. PL.
De directeuren hebben de bevoegdheid om adjunct directeuren en hoofden AC in het kader van dit besluit aan te merken als plaatsvervangend directeur.
Een functionaris mag geen verplichtingen aangaan voor diensten die betrekking hebben op hemzelf. In voorkomende gevallen wordt de verplichting aangegaan door de betrokken direct leidinggevende.
Artikel 9
Het mandaatbesluit Personele- en Financiële Aangelegenheden Directeuren 2004 van 14 januari 2004 wordt ingetrokken.
Artikel 10
Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag volgend op de dag waarop het bekend is gemaakt en werkt terug tot 1 januari 2005.
Artikel 11
Dit besluit wordt aangehaald als: Mandaatbesluit Personele en Financiële Aangelegenheden Directeuren 2005 van 28 februari 2005.
Rijswijk, 28 februari 2005
De van Justitie ,
Minister
namens deze, de
Hoofddirecteur van de Immigratie- en Naturalisatiedienst
Inhoudsopgave
Artikel 1
Artikel 2
Artikel 3
Artikel 4
Artikel 5
Artikel 6
Artikel 7
Artikel 8
Artikel 9
Artikel 10
Artikel 11
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht