Let op. Deze wet is vervallen op 1 januari 2009. U leest nu de tekst die gold op -.

Mediabesluit

Uitgebreide informatie
Besluit van 19 november 1987, houdende regelen ter uitvoering van de bepalingen van de Mediawet
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van Onze Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur, van Onze Minister-president, Minister van Algemene Zaken en van Onze Minister van Binnenlandse Zaken, van 30 september 1987, RTP/JZ/U-90646 en in overeenstemming met onze Minister van Financiën;
Gelet op de artikelen 31, eerste en vierde lid, 35, 38, eerste lid, 39, tweede lid, 42, vijfde lid, 50, eerste lid, 51, vierde lid, 52, tweede lid, 58, derde en vierde lid, 72, vierde lid, 91, vierde lid, 103, 106, tweede lid, 107, eerste lid, 111, tweede en vijfde lid, 112, tweede en vijfde lid, 113, tweede lid, 116, 118, 119, tweede lid, 121, derde lid, 131, 132, tweede en derde lid, 160 en 168, eerste lid, van de Mediawet ( Stb. 1987, 249);
Gelet op artikel 1, eerste lid, van de Wet openbaarheid van bestuur ( Stb. 1978, 581) en artikel 1, eerste lid, onderdeel b , van de Wet nationale ombudsman ( Stb. 1981, 35);
De Raad van State gehoord (advies van 10 november 1987, no. W13.87.0514);
Gezien het nader rapport van Onze voornoemde ministers van 18 november 1987, nr. RTP/JZ/U-90973;
Hebben goedgevonden en verstaan:
1.
De Stichting doet een concessiebeleidsplan als bedoeld in artikel 30b, eerste lid, van de Mediawet, voor 1 maart van het jaar waarin een lopende concessieperiode eindigt toekomen aan het Commissariaat voor de Media.
2.
De Stichting doet een tussentijds concessiebeleidsplan als bedoeld in artikel 30b, derde lid, van de Mediawet, voor 1 maart van het jaar waarin het vijfde jaar van een lopende concessieperiode eindigt toekomen aan het Commissariaat voor de Media.
1.
Een aanvraag voor een erkenning of een voorlopige erkenning voor programmaverzorging voor landelijk omroep als bedoeld in artikel 31, respectievelijk artikel 37 van de Mediawet, wordt ingediend in de maand juni van het jaar voorafgaande aan het jaar waarin een lopende erkenningperiode eindigt.
2.
Een aanvraag voor een erkenning of voorlopige erkenning gaat vergezeld van de statuten van de aanvrager.
3.
Onze Minister besluit voor 1 januari van het jaar, volgend op het jaar waarin de aanvraag voor een erkenning of voorlopige erkenning is ingediend, op de aanvraag.
1.
De aanvragen voor een erkenning of voorlopige erkenning voor landelijke omroep liggen vanaf het tijdstip waarop zij ter advisering aan de Raad voor cultuur zijn voorgelegd, tot het tijdstip waarop Onze Minister op de aanvragen heeft beslist, voor een ieder ter inzage in de bibliotheek van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.
2.
De terinzagelegging van het beleidsplan, bedoeld in artikel 32, tweede lid, respectievelijk artikel 37a, eerste lid, van de Mediawet, blijft achterwege, voor zover:
a. het beleidsplan bedrijfsgegevens bevat, die door de aanvrager vertrouwelijk aan Onze Minister zijn medegedeeld; of
b. de terinzagelegging zou leiden tot onevenredige benadeling van de aanvrager of onevenredige bevoordeling van derden.
Artikel 7
De Stichting Etherreclame heeft per jaar de beschikking over 10 procent van de totale gebruikte televisie- onderscheidenlijk radiozendtijd voor landelijke omroep.
Artikel 8
Toewijzing van zendtijd voor landelijke omroep kan, behoudens in de gevallen, bedoeld in artikel 39 g van de Mediawet, uitsluitend geschieden indien daarvoor een aanvraag bij het Commissariaat voor de Media is ingediend.
1.
Aanvragen voor toewijzing van zendtijd op grond van artikel 39h van de Mediawetworden ingediend in de maand september. Aanvragen op grond van artikel 39f van de Mediawet worden ingediend in de maand september van het jaar voorafgaande aan het jaar waarin de vijfjaarlijkse periode, bedoeld in artikel 39f, eerste lid, van de Mediawet, waarin zendtijd op grond van dat artikel kan worden toegewezen, eindigt.
2.
Het Commissariaat voor de Media besluit voor 1 januari van het jaar, volgend op het jaar waarin de aanvraag is ingediend, op de aanvraag.
3.
Indien toewijzing van zendtijd plaatsvindt, gaat deze in op 1 september van het jaar, volgend op het jaar waarin de aanvraag is ingediend.
4.
In bijzondere gevallen kan het Commissariaat afwijken van de in het derde lid bedoelde ingangsdatum van de toewijzing van zendtijd.
1.
Een aanvraag tot toewijzing van zendtijd als bedoeld in artikel 39 h van de Mediawet wordt ingediend door Onze Minister van Algemene Zaken.
2.
Het Commissariaat voor de Media wijst de in het eerste lid bedoelde zendtijd toe aan Onze Minister van Algemene Zaken voor het gebruik door overheidsinstellingen of personen die daartoe door deze minister zijn aangewezen.
Artikel 13
De zendtijd voor landelijke radio-omroep wordt zodanig ingedeeld, dat de programma’s van de omroepverenigingen op ten minste drie radioprogrammanetten worden uitgezonden.
1.
In het programma van de Programmastichting worden de volgende programma-onderdelen opgenomen:
a. achtergrondinformatie en beschouwingen over politieke en maatschappelijke ontwikkelingen, onder meer op het gebied van economie, wetenschap en techniek;
b. programma-onderdelen ten behoeve van maatschappelijke doelgroepen die elders niet of niet voldoende tot hun recht komen;
c. consumentenvoorlichting; en
d. andere programma-onderdelen dan die, bedoeld in de onderdelen atot en met cen in artikel 51 b , derde lid, van de Mediawet, die voorzien in de bevrediging van in het volk levende maatschappelijke, culturele, godsdienstige of geestelijke behoeften, zodanig dat het programma van de Programmastichting te zamen met de programma’s van de andere instellingen die zendtijd voor landelijke omroep hebben verkregen, een evenwichtig beeld oplevert van de maatschappelijke, culturele, godsdienstige en geestelijke verscheidenheid in Nederland.
2.
In het televisieprogramma van de Programmastichting worden, naast de in het eerste lid genoemde programma-onderdelen, voorts opgenomen:
a. ten minste twintig procent programma-onderdelen ten behoeve van of betrekking hebbend op etnische en culturele minderheden; en
b. programma-onderdelen van educatieve aard ten behoeve van de jeugd.
3.
In het radioprogramma van de Programmastichting wordt, naast de in het eerste lid genoemde programma-onderdelen, voorts opgenomen ten minste vijfentwintig procent programma-onderdelen ten behoeve van of betrekking hebbend op etnische en culturele minderheden.
1.
In het programma van de Stichting worden in ieder geval opgenomen de volgende programma-onderdelen:
a. de dagelijkse nieuwsvoorziening;
b. de verslaggeving over Nederlandse en Europese parlementaire aangelegenheden;
c. de verslaggeving van nationale feest- en gedenkdagen;
d. de actuele sportverslaggeving, waaronder in ieder geval begrepen de competitie- en bekerwedstrijden en internationale evenementen;
e. de verslaglegging van andere nationale en internationale gebeurtenissen van bijzondere aard, staatsbezoeken daaronder begrepen.
2.
In het televisieprogamma van de Stichting worden, naast de in het eerste lid genoemde programma-onderdelen, voorts opgenomen de nieuwsvoorziening ten behoeve van de jeugd en de nieuwsvoorziening ten behoeve van doven en slechthorenden.
3.
In het radioprogramma van de Stichting worden, naast de in het eerste lid genoemde programma-onderdelen, voorts opgenomen programma-onderdelen van dienstverlenende aard zoals informatie ten behoeve van scheepvaart, visserij, land- en tuinbouw en verkeer, alsmede ochtendgymnastiek.
1.
In de zendtijd voor televisie van de gezamenlijke instellingen die zendtijd hebben verkregen voor landelijke omroep is met ingang van de in het tweede lid genoemde tijdstippen ten minste een daarbij genoemd percentage van de totale hoeveelheid zendtijd die wordt besteed aan oorspronkelijk Nederlandstalige programmaonderdelen, voorzien van ondertiteling ten behoeve van mensen met een auditieve beperking.
2.
Het in het eerste lid bedoelde percentage is met ingang van:
a. 1 januari 2008 ten minste 80 procent;
b. 1 januari 2009 ten minste 85 procent;
c. 1 januari 2010 ten minste 90 procent;
d. 1 januari 2011 ten minste 95 procent.
3.
Voor de toepassing van dit artikel worden de programmaonderdelen verzorgd door de Stichting Etherreclame buiten beschouwing gelaten.
Artikel 17
Inkomsten uit programmabladen van een omroepvereniging kunnen jaarlijks tot ten hoogste het bedrag dat nodig is om een eventueel verlies van de desbetreffende omroepvereniging te dekken, worden besteed aan verenigingsactiviteiten. Bij de bepaling van het resultaat blijven veranderingen in de waarde van de materiële vaste activa als gevolg van herwaarderingen buiten beschouwing. De gebruikelijke jaarlijkse afschrijvingen van de materiële vaste activa worden niet als herwaarderingen aangemerkt.
1.
Een aanvraag tot toewijzing van zendtijd voor regionale of lokale omroep wordt ingediend bij het Commissariaat voor de Media.
2.
De aanvraag heeft betrekking op een periode van ten minste vijf jaar.
3.
De aanvraag gaat vergezeld van:
a. een exemplaar van de notarieel vastgelegde statuten;
b. een overzicht van de belangrijkste in de gemeente of provincie voorkomende maatschappelijke, culturele, godsdienstige en geestelijke stromingen van waaruit leden worden benoemd in het in artikel 30, onderdeel c , van de Mediawet bedoelde orgaan van de regionale of lokale omroepinstelling;
c. een overzicht van degenen die vanuit de in onderdeel bgenoemde stromingen zitting hebben in bedoeld bestuursorgaan.
d. een aanduiding of de aanvraag betrekking heeft op zendtijd voor radio of televisie, of op beide;
e. een aanduiding van het gebied waarbinnen het programma zal worden uitgezonden; en
f. een opgave van de gewenste hoeveelheid zendtijd alsmede van de dagen en uren waarop de zendtijd gewenst wordt.
4.
Het in het derde lid, onderdeel f , bepaalde is niet van toepassing op een verzoek om toestemming te verlenen een programma voor lokale omroep te verzorgen dat wordt uitgezonden door middel van een omroepnetwerk.
1.
Het Commissariaat voor de Media legt de aanvraag tot toewijzing van zendtijd voor regionale omroep binnen vier weken na de datum van ontvangst voor aan provinciale staten.
2.
Provinciale staten brengen binnen achttien weken na ontvangst van het verzoek, bedoeld in het eerste lid, advies uit aan het Commissariaat en verklaren of zij bereid zijn voor de bekostiging van regionale omroep zorg te dragen.
3.
Het Commissariaat beslist binnen vier weken na ontvangst van het advies van provinciale staten.
4.
Bij toewijzing van zendtijd stelt het Commissariaat tevens voor het eerste kalenderjaar of het nog resterende deel daarvan, de hoeveelheid zendtijd vast en wijst het de dagen en uren en zonodig de omroepzender of omroepzenders aan waarop het programma wordt uitgezonden. De datum waarop de zendtijd ingaat wordt, gehoord de regionale omroepinstelling, door het Commissariaat vastgesteld.
1.
Het Commissariaat voor de Media legt de aanvraag tot toewijzing van zendtijd voor lokale omroep binnen vier weken na de datum van ontvangst voor aan de gemeenteraad en zendt een afschrift van de aanvraag aan Onze Minister van Verkeer en Waterstaat.
2.
De gemeenteraad brengt binnen achttien weken na ontvangst van het verzoek, bedoeld in het eerste lid, advies uit aan het Commissariaat.
3.
Het Commissariaat beslist binnen vier weken na ontvangst van het advies van de gemeenteraad.
4.
Bij toewijzing van zendtijd kan het Commissariaat tevens voor het eerste kalenderjaar of het nog resterende deel daarvan, de hoeveelheid zendtijd vaststellen en de dagen en uren en zonodig de omroepzender of omroepzenders aanwijzen waarop het programma wordt uitgezonden. De zendtijd gaat zo spoedig mogelijk in. De eerste volzin is niet van toepassing bij toewijzing van zendtijd voor een programma voor lokale omroep dat wordt uitgezonden door middel van een omroepnetwerk.
1.
Indien de regionale of lokale omroepinstelling waaraan voor een bepaalde periode zendtijd is toegewezen in aanmerking wil komen voor toewijzing van zendtijd in een aansluitende periode, dient zij de in artikel 18 bedoelde aanvraag bij het Commissariaat voor de Media in ten minste zes maanden vóór afloop van de periode waarvoor haar zendtijd is toegewezen.
2.
In bijzondere gevallen kan van het bepaalde in de artikelen 19 en 20 worden afgeweken.
1.
De regionale omroepinstelling waaraan zendtijd is toegewezen, dient jaarlijks vóór 1 november bij het Commissariaat voor de Media een voorstel in met betrekking tot de vaststelling van de hoeveelheid zendtijd en de aanwijzing van de dagen en uren voor het daaropvolgende jaar.
2.
Het Commissariaat stelt jaarlijks vóór 30 november de hoeveelheid zendtijd voor het daaropvolgende jaar vast en wijst daarbij tevens aan de dagen en uren en zonodig de omroepzender of omroepzenders waarop het programma wordt uitgezonden. De zendtijd gaat in op 1 januari van dat daaropvolgende jaar.
3.
Indien het Commissariaat gebruik maakt van de bevoegdheid, neergelegd in artikel 20, vierde lid, zijn het eerste en tweede lid van dit artikel van overeenkomstige toepassing ten aanzien van lokale omroep.
1.
Indien het Commissariaat voor de Media constateert dat de regionale of lokale omroepinstelling niet meer voldoet aan de in artikel 30, onderdeel b en c, van de Mediawet gestelde vereisten, stelt het de omroepinstelling, provinciale staten of de gemeenteraad gehoord, daarvan op de hoogte onder verwijzing naar het gestelde in artikel 45, eerste en derde lid, van de Mediawet.
2.
Binnen vier weken na afloop van het jaar na de mededeling, bedoeld in het eerste lid, doet het Commissariaat mededeling aan de regionale of lokale omroepinstelling van zijn beslissing omtrent de zendtijd van die omroepinstelling.
1.
Een beschikking tot intrekking van de zendtijd die is toegewezen aan een regionale of lokale omroepinstelling, genomen op grond van artikel 45 van de Mediawet, gaat onmiddellijk in.
2.
Indien de intrekking van de in het eerste lid bedoelde zendtijd plaatsvindt op grond van artikel 46 a van de Mediawet, gaat de beschikking daartoe in, twee weken na de datum van de beschikking.
1.
Het programma van een regionale, onderscheidenlijk lokale, omroepinstelling bestaat voor ten minste vijftig procent uit onderdelen die door haarzelf of uitsluitend in haar opdracht zijn geproduceerd.
2.
Indien artikel 51f, vierde lid, van de Mediawet op een lokale omroepinstelling van toepassing is, heeft ten minste de helft van de zendtijd, gebruikt voor programma-onderdelen als bedoeld in artikel 51f, vierde lid, onderdeel a, van de Mediawet, in het bijzonder betrekking op de gemeente waarvoor het programma bestemd is, en is ten minste de helft van de zendtijd, gebruikt voor programma-onderdelen als bedoeld in artikel 51f, vierde lid, onderdeel b, van de Mediawet, door de lokale omroepinstelling zelf of uitsluitend in haar opdracht geproduceerd.
1.
Lokale en regionale omroepinstellingen die programma-onderdelen als bedoeld in artikel 43 a van de Mediawet verzorgen, zijn verplicht een behoorlijke boekhouding te voeren en hun jaarrekening vergezeld te laten gaan van een verklaring van een accountant-administratieconsulent of een registeraccountant omtrent de getrouwheid ervan.
2.
Deze boekhouding bevat ten minste gegevens over de kosten en opbrengsten, verdeeld naar de kosten en opbrengsten van de exploitatie van reclameboodschappen en telewinkelboodschappen, de kosten en opbrengsten van andere programma-onderdelen, onderscheidenlijk de kosten en opbrengsten van alle andere activiteiten.
3.
Lokale en regionale omroepinstellingen die programma-onderdelen als bedoeld in artikel 43 a van de Mediawet verzorgen zenden jaarlijks vóór 1 juni de jaarrekening aan het Commissariaat voor de Media.
Artikel 25b
Een aanvraag voor toestemming om een programma te verzorgen als bedoeld in artikel 67 van de Mediawet, wordt door de desbetreffende regionale omroepinstelling die zendtijd heeft verkregen, ingediend bij het Commissariaat voor de Media.
Artikel 25c
Een programma voor regionale omroep als bedoeld in artikel 67 van de Mediawet wordt, voorzover het een televisieprogramma betreft, niet uitgezonden tussen 19.00 uur en 23.00 uur, tenzij de Stichting en de desbetreffende regionale omroepinstelling anders zijn overeengekomen.
1.
Een aanvraag voor toestemming om een programma te verzorgen als bedoeld in artikel 68 van de Mediawet, wordt door de desbetreffende lokale omroepinstelling die zendtijd heeft verkregen, ingediend bij het Commissariaat voor de Media.
2.
De aanvraag gaat vergezeld van:
a. een aanduiding of de aanvraag betrekking heeft op het verzorgen van een radio- of van een televisieprogramma, of van beide;
b. een exemplaar van de notarieel vastgelegde statuten van de instelling die het programma produceert, of, indien het niet een rechtspersoon betreft, een aanduiding van de instelling die het programma produceert; en
c. het advies van de Raad voor cultuur, bedoeld in artikel 68, tweede lid, onderdeel d, van de Mediawet.
3.
Indien een lokale omroepinstelling die de in het eerste lid bedoelde toestemming heeft verkregen, in aanmerking wil komen voor toestemming in een aansluitende periode, dient zij daartoe ten minste vijf maanden vóór de afloop van de periode waarvoor haar toestemming is verleend, een aanvraag in. Het eerste en het tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 26a
Deze afdeling is niet van toepassing op reclameboodschappen.
Artikel 27
Niet vermijdbaar zijn reclame-uitingen die behoren tot het normale straatbeeld en die zonder opzet en zonder nadruk gedurende enkele seconden in een programma-onderdeel voorkomen.
1.
In programma-onderdelen van informatieve en educatieve aard zijn vermijdbare reclame-uitingen in de vorm van het tonen of vermelden van een product of dienst toegestaan, mits:
a. de vertoning of vermelding past binnen de context van het programma;
b. de vertoning of vermelding geen afbreuk doet aan de programma-formule of de integriteit van het programma;
c. de vertoning of vermelding niet op een overdreven of overdadige wijze plaatsvindt; en
d. er geen sprake is van specifieke aanprijzingen van deze producten of diensten.
2.
Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op andere programma-onderdelen, met uitzondering van programma-onderdelen die in het bijzonder bestemd zijn voor minderjarigen beneden de leeftijd van twaalf jaar.
1.
Onverminderd artikel 28 mogen programma-onderdelen van informatieve of educatieve aard vermijdbare reclame-uitingen in de vorm van het tonen of vermelden van namen of (beeld)merken van bepaalde producten of diensten of van namen van bedrijven of instellingen bevatten. Op deze reclame-uitingen is artikel 28, eerste lid, onderdelen a tot en met dvan overeenkomstige toepassing.
2.
In afwijking van artikel 28, eerste lid, onderdeel d, mogen programma-onderdelen van informatieve of educatieve aard vermijdbare reclame-uitingen bevatten, bestaande uit het aankondigen en recenseren van boeken, video's, compact discs en soortgelijke culturele uitingen, alsmede van toneel,- muziek- en filmuitvoeringen, tentoonstellingen en soortgelijke evenementen van kunstzinnige aard.
Artikel 30
In radio- of televisieprogramma-onderdelen zijn vermijdbare reclame-uitingen in de vorm van het tonen of vermelden van de naam van een bedrijf of instelling toegestaan, mits:
a. de naam uitsluitend betrekking heeft op de benaming van een sportvereniging of sportwedstrijd;
b. de naam niet met nadruk wordt getoond of vermeld; en
c. de naamgeving, voor zover het de benaming van een Nederlandse sportvereniging betreft, is erkend door de desbetreffende bij de NOC*NSF aangesloten sportorganisatie.
1.
Een televisieprogramma-onderdeel, bestaande uit het verslag of de weergave van een evenement dat in Nederland plaatsvindt of is geproduceerd door of in opdracht van een instelling die zendtijd heeft verkregen, mag vermijdbare reclame-uitingen bevatten, indien het evenement niet voornamelijk bestemd is om als programma te worden uitgezonden, en de reclame-uitingen niet overheersend zijn.
2.
Een televisieprogramma-onderdeel, bestaande uit het verslag of de weergave van een evenement dat in het buitenland plaatsvindt en niet is geproduceerd door of in opdracht van een instelling die zendtijd heeft verkregen, mag vermijdbare reclame-uitingen bevatten, indien het evenement niet voornamelijk bestemd is om als programma te worden uitgezonden, en de reclame-uitingen niet langer of met meer nadruk in het programma-onderdeel voorkomen dan nodig is in het kader van een evenwichtige registratie en presentatie.
1.
Een programma-onderdeel, bestaande uit het verslag of de weergave van een evenement dat niet voornamelijk bestemd is om als programma te worden uitgezonden, mag gedurende ten hoogste vijf seconden, aan het begin of aan het einde van het programma-onderdeel, vermijdbare reclame-uitingen bevatten, bestaande uit de namen of (beeld)merken van die personen, bedrijven of instellingen, die een belangrijke, schriftelijk overeengekomen bijdrage hebben geleverd aan de totstandkoming van het evenement. De vermelding of vertoning is zodanig vormgegeven dat zij niet voldoet aan de definitie van reclameboodschap, bedoeld in artikel 1, onderdeel kk, van de Mediawet. Indien het een programma-onderdeel voor televisie betreft, bestaande uit het verslag of de weergave van een evenement dat is geproduceerd door of in opdracht van een instelling die zendtijd heeft verkregen en dat niet voornamelijk is bestemd om als programma te worden uitgezonden, geschiedt de vertoning of vermelding uitsluitend via stilstaande beelden.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing ten aanzien van personen, bedrijven of instellingen:
a. die zich voornamelijk bezighouden met de productie of verkoop van sigaretten of andere tabaksproducten, of
b. die gebruik maken van namen of (beeld)merken die tevens worden gebruikt door personen, bedrijven of instellingen als bedoeld onder a, of daarmee een zo sterke gelijkenis vertonen dat het publiek redelijkerwijs de indruk krijgt dat het mede de naam of het (beeld)merk van een persoon, bedrijf of instelling als bedoeld in onderdeel abetreft.
1.
Een programma-onderdeel voor televisie, bestaande uit een film die voor een zaal publiek is of wordt vertoond, dan wel een televisiebewerking daarvan, mag vermijdbare reclame-uitingen bevatten die bestaan uit het vermelden of tonen van namen, (beeld)merken, producten of diensten van personen, bedrijven of instellingen, indien die reclame-uitingen in het programma-onderdeel voorkomen in dezelfde vorm en in ten hoogste dezelfde hoeveelheid als in de voor een zaal publiek bestemde versie van de film.
2.
Een uit het buitenland aangekocht programma-onderdeel dat ten behoeve van het buitenlandse publiek als programma is uitgezonden, mag vermijdbare reclame-uitingen bevatten die bestaan uit het vermelden of tonen van namen, (beeld)merken, producten of diensten van personen, bedrijven of instellingen, indien die reclame-uitingen in het programma-onderdeel voorkomen in dezelfde vorm en in ten hoogste dezelfde hoeveelheid als in de ten behoeve van het buitenlandse publiek uitgezonden versie van het programma-onderdeel.
1.
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels en modellen worden vastgesteld voor de inhoud en inrichting van:
a. de begroting voor de instellingen die zendtijd hebben verkregen voor landelijke omroep, bedoeld in artikel 99 van de Mediawet;
b. de begroting van de Wereldomroep, bedoeld in artikel 108 van de Mediawet.
2.
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels en modellen worden vastgesteld voor de inrichting van de jaarrekening, bedoeld in artikel 109 van de Mediawet, van onderscheidenlijk de omroepverenigingen, de Programmastichting, de Stichting, de educatieve omroepinstelling, de Stichting Etherreclame, de kerkgenootschappen en genootschappen op geestelijke grondslag die zendtijd hebben verkregen en de Wereldomroep.
1.
Het verstrekken van voorschotten aan instellingen die zendtijd hebben verkregen voor landelijke omroep en de Wereldomroep vindt plaats in de vorm van twaalf maandelijkse termijnen. In bijzondere gevallen kan de raad van bestuur, onderscheidenlijk het Commissariaat voor de Media, hiervan afwijken.
2.
De hoogte van de voorschotten wordt bepaald door de raad van bestuur, onderscheidenlijk het Commissariaat. Dit geschiedt mede op basis van de begroting, bedoeld in artikel 99, onderscheidenlijk artikel 108, van de Mediawet, en een liquiditeitsprognose van de desbetreffende instelling welke aan de raad van bestuur, onderscheidenlijk het Commissariaat, ter kennisneming wordt gezonden voor 1 november van het jaar, voorafgaande aan het begrotingsjaar.
3.
Zolang de liquiditeitsprognose over het desbetreffende jaar nog niet in bezit is van de raad van bestuur, onderscheidenlijk het Commissariaat, vindt het verstrekken van voorschotten plaats op basis van de laatstelijk toegezonden liquiditeitsprognose.
4.
Het totaal aan voorschotten in enig jaar kan de voor dat jaar vastgestelde totale vergoeding niet overschrijden.
Artikel 32c
In deze afdeling wordt verstaan onder neventaken: activiteiten als bedoeld in artikel 13c, derde lid, van de Mediawet, die bestaan uit het anders dan als programma waarvoor zendtijd is verkregen, verzorgen van elektronische producten met beeld, geluid of tekst, en het al dan niet tegen betaling, al dan niet gecodeerd of al dan niet op individueel verzoek analoog of digitaal verspreiden daarvan via elektronische communicatienetwerken als bedoeld in artikel 1.1, onderdeel e, van de Telecommunicatiewet.
1.
De in artikel 99, tweede lid, onderdeel b, van de Mediawet bedoelde beschrijving bevat in elk geval een opgave van aard, aantal en voorziene duur van de voorgenomen neventaken en een onderbouwing op welke wijze die neventaken mede invulling geven aan de taak van de publieke omroep op landelijk niveau en daarmee voldoen aan de democratische, sociale en culturele behoeften van de samenleving.
2.
De in artikel 99, derde lid, onderdeel b, van de Mediawet bedoelde opgave geeft tevens aan op welke wijze de benodigde bedragen worden gefinancierd.
3.
Instellingen die zendtijd hebben verkregen voor landelijke omroep verrichten uitsluitend neventaken indien deze door Onze Minister zijn goedgekeurd.
1.
Instellingen die zendtijd hebben verkregen voor regionale of lokale omroep die een neventaak willen verrichten, melden het voornemen daartoe bij het Commissariaat voor de Media op de door deze voorgeschreven wijze.
2.
De melding bevat in elk geval een onderbouwing op welke wijze de voorgenomen neventaak mede invulling geeft aan de taak van de publieke omroep op regionaal respectievelijk lokaal niveau en daarmee voorziet in democratische, sociale en culturele behoeften, alsmede een opgave van de benodigde financiële middelen en de wijze van financiering daarvan.
3.
Instellingen die zendtijd hebben verkregen voor regionale of lokale omroep verrichten uitsluitend neventaken indien deze door het Commissariaat zijn goedgekeurd.
Artikel 32f
Goedkeuring op grond van de artikelen 32d, derde lid, en 32e, derde lid, laat onverlet het bepaalde bij of krachtens de Telecommunicatiewet .
1.
Op neventaken is het bepaalde bij of krachtens de artikelen 26, eerste lid, 27 tot en met 28a, 41a, 43a tot en met 43c, 48, 50, achtste lid, 52 tot en met 53a en 64c van de Mediawet van overeenkomstige toepassing.
2.
Op neventaken die bestaan uit het uitzenden van televisieprogramma’s is het bepaalde bij of krachtens artikel 54a van de Mediawet van overeenkomstige toepassing op elk van die televisieprogramma’s.
3.
Het Commissariaat voor de Media kan in bijzondere gevallen geheel of gedeeltelijk ontheffing verlenen van het tweede lid.
1.
Op neventaken van instellingen die zendtijd hebben verkregen voor landelijke omroep die bestaan uit het uitzenden van televisieprogramma’s is het bepaalde bij of krachtens artikel 54, eerste tot en met vijfde, zevende en achtste lid, van de Mediawet van overeenkomstige toepassing op elk van die televisieprogramma’s, met dien verstande dat in afwijking van het tweede lid, eerste en tweede volzin, van genoemd artikel een percentage van tien geldt.
2.
Op neventaken van instellingen die zendtijd hebben verkregen voor regionale omroep die bestaan uit het uitzenden van televisieprogramma’s is het bepaalde bij of krachtens artikel 54, zesde en achtste lid, van de Mediawet van overeenkomstige toepassing op elk van die televisieprogramma’s.
3.
Het Commissariaat voor de Media kan in bijzondere gevallen tijdelijk gedeeltelijk ontheffing verlenen van het eerste en tweede lid voor zover het betreft artikel 54, eerste lid en zesde lid, eerste volzin, van de Mediawet, met dien verstande dat het percentage niet lager gesteld kan worden dan tien.
1.
Een aanvraag voor toestemming om een programma als bedoeld in artikel 71 a , eerste lid, van de Mediawet, te verzorgen wordt ingediend bij het Commissariaat voor de Media.
2.
De aanvraag gaat vergezeld van:
a. een exemplaar van de statuten;
b. een opgave van de feitelijke vestigingsplaats, indien deze afwijkt van de statutaire vestigingsplaats;
c. een aanduiding of de aanvraag betrekking heeft op toestemming voor het verzorgen van een radio- of van een televisieprogramma, of van beide;
d. een omschrijving van de organisatorische en juridische structuur van de aanvrager, alsmede een overzicht van zijn bestuurders en aandeelhouders.
Artikel 34
Indien een commerciële omroepinstelling, in aanmerking wil komen voor toestemming in een aansluitende periode, dient zij een aanvraag bij het Commissariaat voor de Media in ten minste vijf maanden vóór de afloop van de periode waarvoor haar toestemming is verleend. Artikel 33 is van overeenkomstige toepassing.
1.
In het televisieprogramma van een commerciële omroepinstelling met een bereik van ten minste 75 procent van alle huishoudens in Nederland is met ingang van de in het tweede lid genoemde tijdstippen ten minste een daarbij genoemd percentage van de uitzenduren aan oorspronkelijk Nederlandstalige programmaonderdelen voorzien van ondertiteling ten behoeve van mensen met een auditieve beperking.
2.
Het in het eerste lid bedoelde percentage is met ingang van:
a. 1 januari 2008 ten minste 15 procent;
b. 1 januari 2009 ten minste 25 procent;
c. 1 januari 2010 ten minste 35 procent;
d. 1 januari 2011 ten minste 50 procent.
3.
Voor de toepassing van dit artikel worden de programmaonderdelen bestaande uit reclame- of telewinkelboodschappen buiten beschouwing gelaten.
Artikel 35
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
lijst: de evenementenlijst die is opgenomen in de bij dit besluit behorende bijlage II .
1.
De evenementen, genoemd in onderdeel A van de lijst, die als onderdeel van een televisieprogramma worden uitgezonden, worden in ieder geval uitgezonden op een open net door middel van volledige rechtstreekse verslaggeving.
2.
In afwijking van het eerste lid behoeven de in dat lid bedoelde evenementen, die geheel of gedeeltelijk plaatsvinden tussen 00.00 uur en 07.00 uur, niet door middel van volledige rechtstreekse verslaggeving te worden uitgezonden.
3.
In afwijking van het eerste lid behoeven wedstrijden die deel uitmaken van de in dat lid bedoelde evenementen en die gelijktijdig plaatsvinden niet allemaal door middel van volledige rechtstreekse verslaggeving te worden uitgezonden, indien:
a. ten minste een van deze wedstrijden wordt uitgezonden door middel van volledige rechtstreekse verslaggeving op een open net, én
b. de andere hiervoor bedoelde wedstrijd of wedstrijden op dezelfde dag worden uitgezonden door middel van volledige of gedeeltelijke uitgestelde verslaggeving op een open net.
1.
De evenementen, genoemd in onderdeel B van de lijst, die als onderdeel van een televisieprogramma worden uitgezonden, worden in ieder geval uitgezonden op een open net door middel van gedeeltelijke rechtstreekse verslaggeving.
2.
De uitzendingen van de evenementen, bedoeld in het eerste lid, hebben de in onderdeel B van de lijst vermelde minimumduur.
1.
De evenementen, genoemd in onderdeel C van de lijst, die als onderdeel van een televisieprogramma worden uitgezonden, worden in ieder geval uitgezonden op een open net door middel van gedeeltelijke uitgestelde verslaggeving.
2.
In afwijking van het eerste lid behoeven de in dat lid bedoelde evenementen niet door middel van gedeeltelijke uitgestelde verslaggeving te worden uitgezonden, indien deze evenementen worden uitgezonden op een open net door middel van volledige rechtstreekse verslaggeving.
3.
De uitzendingen van de evenementen, bedoeld in het eerste lid, hebben de in onderdeel C van de lijst vermelde minimumduur.
4.
De uitzendingen van de evenementen, bedoeld in het eerste lid, vinden plaats op de dag van het evenement of een onderdeel daarvan, met dien verstande dat de uitzendingen van de wedstrijden van de hoogste divisie van het nationaal betaald voetbal uiterlijk aanvangen op de in onderdeel C van de lijst vermelde tijdstippen.
1.
Voor de toepassing van artikel 82f van de Mediawet worden twee of meer instellingen als één instelling aangemerkt, indien:
a. een instelling direct of indirect zodanige zeggenschap of feitelijke invloed heeft in een of meer andere instellingen, dat deze in belangrijke mate het beleid van die instelling of instellingen kan bepalen, dan wel aanmerkelijke invloed heeft op de inhoud van dat beleid; of
b. een natuurlijk persoon of groep van natuurlijke personen direct of indirect zodanige zeggenschap of feitelijke invloed heeft in twee of meer instellingen, dat deze in belangrijke mate het beleid van die instellingen kan bepalen, dan wel aanmerkelijke invloed heeft op de inhoud van dat beleid.
2.
Bij regeling van Onze Minister, in overeenstemming met Onze Minister van Verkeer en Waterstaat, kan worden bepaald dat in afwijking van artikel 82f, eerste lid, van de Mediawet voor de uitzending van de radioprogramma's van eenzelfde instelling meer frequentieruimte mag worden gebruikt dan één FM-frequentie of samenstel van FM-frequenties.
Artikel 54
Naast het in artikel 130, vierde lid, van de Mediawet bedoelde geval, kan het Stimuleringsfonds voor de pers financiële steun verlenen in de vorm van een uitkering, ten behoeve van:
a. gezamenlijke projecten van persorganen;
b. organisatie-onderzoek, gericht op structurele verbetering van de exploitatie van een persorgaan;
c. onderzoek ten behoeve van de bedrijfstak als geheel, voorzover het onderzoek past in de doelstellingen van het Stimuleringsfonds.
Artikel 56
De in artikel 54, onderdeel a, bedoelde steun kan worden verleend indien:
a. een project door de gezamenlijke persorganen is ingediend, dat gericht is op structurele verbetering van de exploitatiepositie van die persorganen binnen een redelijke termijn;
b. dit project past in de doelstelling van het Stimuleringsfonds voor de pers;
c. het Stimuleringsfonds met het project heeft ingestemd; en
d. het project binnen een redelijke termijn wordt uitgevoerd.
1.
De in artikel 54, onderdeel b, bedoelde steun kan worden verleend indien:
a. de exploitatie van het bedoelde persorgaan over het boekjaar, voorafgaand aan de aanvraag, in een verlieslijdende positie heeft verkeerd of daarin terecht dreigde te komen;
b. de aanvraag een voorstel bevat, inhoudende de opzet en uitvoering van het beoogde onderzoek;
c. de aanvraag voor de verlening van deze financiële steun uitsluitend gericht is op het verkrijgen van steun voor ten hoogste tweederde deel van de kosten van het beoogde organisatie-onderzoek.
2.
De bepalingen van artikel 56, onderdeel b tot en met d, zijn van overeenkomstige toepassing.
1.
De in artikel 54, onderdeel c, bedoelde steun kan worden verleend indien de aanvraag voor deze financiële steun betrekking heeft op:
a. de persbedrijfstak als geheel;
b. een vraagstuk, dat verband houdt met de doelstelling van het Stimuleringsfonds voor de pers.
2.
De bepalingen van artikel 56, onderdeel c en d, zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 59
De aanvragen voor financiële steun als bedoeld in de artikelen 130 en 131 van de Mediawet worden bij het Stimuleringsfonds voor de pers ingediend door de rechtspersoon die de uitgaverechten bezit van het persorgaan waarop de aanvraag betrekking heeft, dan wel door de betreffende groep of bedrijfstak van persorganen.
1.
De aanvraag voor de financiële steun, bedoeld in artikel 54, onderdeel a, bevat ten minste:
a. naam en adres van de rechtspersonen die de aanvraag indienen en die de uitgaverechten bezitten van de desbetreffende persorganen;
b. een omschrijving van de juridische structuur van de bij de aanvraag betrokken persorganen; ingeval de uitgever van een persorgaan deel uitmaakt van een concern, tevens een omschrijving van de structuur van het concern, alsmede een omschrijving van de juridische en economische verhoudingen tussen de aanvrager en de andere vennootschappen van het concern;
c. gegevens over het gezamenlijke project: een beschrijving ervan en van de verwachte effecten daarvan op de ontwikkelingen van de kosten, de opbrengsten en de liquiditeit; en
d. een opgave van de gevraagde financiële steun ter uitvoering van het bedoelde project.
2.
De aanvraag voor de financiële steun, bedoeld in artikel 54, onderdeel b, bevat ten minste:
a. naam en adres van de rechtspersoon die de aanvraag indient en die de uitgaverechten bezit van het desbetreffende persorgaan;
b. gegevens over de financiële positie van het persorgaan;
c. gegevens over oplage en verspreiding; en
d. gegevens over opzet en uitvoering van het beoogde onderzoek.
3.
De aanvraag voor de financiële steun, bedoeld in artikel 54, onderdeel c, bevat ten minste:
a. naam en adres van de indiener(s) van de aanvraag;
b. een omschrijving van de juridische structuur van de bij de aanvraag betrokken persorganen, alsmede een omschrijving van de juridische en economische verhoudingen; en
c. een omschrijving van het beoogde onderzoek, waarvoor de steun gevraagd wordt.
1.
Het Stimuleringsfonds voor de pers bevestigt de ontvangst van de aanvraag.
2.
Indien bij de aanvraag een van de gegevens bedoeld in artikel 60 ontbreekt, dient uit de aanvraag te blijken waarom de gegevens niet volledig zijn.
Artikel 62
Het Stimuleringsfonds voor de pers kan indien het zulks wenselijk acht de aanvraag voorleggen aan een externe adviesinstantie. Daarbij wordt gezorgd dat vertrouwelijke bedrijfsgegevens als zodanig behandeld worden.
1.
Het Stimuleringsfonds voor de pers beslist binnen dertien weken na het in behandeling nemen van de aanvraag.
2.
Aanvragen voor financiële steun als bedoeld in artikel 54, onderdeel a, b en c, worden in volgorde van ontvangst behandeld en beslist. Indien het in een jaar ter beschikking staande bedrag voor steunverlening volledig is toegewezen, worden volgende aanvragen afgewezen.
Artikel 64
Het Stimuleringsfonds voor de pers kan aan de beschikking tot financiële steunverlening aan de aanvrager voorschriften verbinden. Deze hebben betrekking op:
a. de besteding van de steun overeenkomstig de daaraan ten grondslag liggende doelstellingen;
b. de wijze waarop en de termijn waarbinnen het project respectievelijk het onderzoek wordt uitgevoerd;
c. de verslaglegging van de activiteiten en de financiële verantwoording daarvan; en
d. de eventuele wijzigingen in de financiële structuur van de aanvrager.
Artikel 65
Van een beschikking tot toekenning of weigering alsmede van de hoogte van de financiële steun, wordt binnen een week nadat de beschikking is genomen, mededeling gedaan in de Staatscourant.
1.
Indien het Stimuleringsfonds voor de pers heeft besloten tot het verlenen van financiële steun en de hoogte van het steunbedrag nog niet definitief is vastgesteld, kan het een voorschot toekennen aan de aanvrager. Dit voorschot bedraagt ten hoogste 50 procent van de financiële steun zoals die op basis van voorlopige berekeningen is becijferd.
2.
Indien een voorschot is uitgekeerd, maar de definitieve berekening op een lager niveau wordt vastgesteld dan het verstrekte voorschot, dan dient het verschil tussen voorschot en definitieve uitkering op eerste aanmaning te worden terugbetaald aan het Stimuleringsfonds.
Artikel 67
Het Stimuleringsfonds voor de pers kan de steunverlening beëindigen en de reeds uitgekeerde bedragen terugvorderen, indien:
a. enig voorschrift verbonden aan steunverlening door de aanvrager niet wordt nagekomen;
b. blijkt dat de bij de aanvraag overlegde gegevens onjuist waren;
c. binnen een jaar na de datum waarop de beslissing tot steunverlening is genomen een surseance van betaling of een faillissement van de aanvrager is uitgesproken.
1.
Het Commissariaat voor de Media verleent toestemming voor het verzorgen van een programma uitsluitend bestemd voor in Nederland gelegerde militairen van buitenlandse strijdkrachten en hun gezinnen, dat door middel van een omroepzender wordt uitgezonden binnen een gebied van beperkte omvang.
2.
De toestemming wordt verleend aan de bevoegde militaire autoriteiten van een bij de Noord-atlantische verdragsorganisatie (NAVO) aangesloten land waarvan strijdkrachten in Nederland zijn gelegerd, voor het gebruik door instellingen of personen van de buitenlandse strijdkrachten die daartoe door hen worden aangewezen.
3.
Ten aanzien van het gebruik van de toestemming zijn de artikelen 52 tot en met 53a, 55, 56, 56a, vijfde en zesde lid, 134, 138b en 138d van de Mediawet van overeenkomstige toepassing.
Artikel 69
Het Commissariaat voor de Media kan zonodig de omroepzender of omroepzenders aanwijzen waarop de programma’s als bedoeld in artikel 68, zullen worden uitgezonden.
1.
Een aanvraag voor de toestemming als bedoeld in artikel 68 wordt ingediend bij Onze Minister van Defensie, die deze voorzien van zijn opmerkingen binnen vier weken doorzendt aan het Commissariaat voor de Media. Het Commissariaat zendt een afschrift van de aanvraag aan Onze Minister van Verkeer en Waterstaat.
2.
De aanvraag gaat vergezeld van:
a. een omschrijving van het doel van de aanvraag;
b. een aanduiding van het gebied waarbinnen het programma zal worden uitgezonden;
c. een verklaring van de auteursrechthebbenden aan de autoriteiten van de betreffende NAVO-lidstaat waaruit blijkt dat geen auteursrechtelijke toestemming zal worden verleend voor de verspreiding van het programma buiten de in artikel 68 omschreven doelgroep en het gebied; en
d. een omschrijving van de te gebruiken omroepzender waarop het programma zal worden uitgezonden.
1.
Het Commissariaat voor de Media trekt de toestemming in:
a. wanneer niet meer wordt voldaan aan de voorwaarden die in artikel 68, eerste en tweede lid, worden gesteld om voor toestemming in aanmerking te komen;
b. op gronden ontleend aan de veiligheid van de Staat.
2.
Het Commissariaat kan de toestemming intrekken indien niet wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 68, derde lid.
3.
Het Commissariaat maakt zijn voornemen tot intrekking van de toestemming kenbaar aan Onze Minister van Defensie en Onze Minister van Verkeer en Waterstaat.
1.
Een beschikking tot intrekking van een verleende toestemming, genomen op grond van artikel 71, eerste lid, gaat onmiddellijk in.
2.
Een beschikking tot intrekking van een verleende toestemming, genomen op grond van artikel 71, tweede lid, gaat niet eerder in dan nadat de bevoegde militaire autoriteit van het voornemen daartoe en de gronden waarop de beschikking berust in kennis is gesteld en deze in de gelegenheid is gesteld binnen een redelijke termijn schriftelijke en desgewenst mondelinge opmerkingen te maken.
1.
De bevoegde militaire autoriteit gebruikt de aan hem verleende toestemming geheel voor het programma, bedoeld in artikel 68.
2.
Aan het begin en aan het einde van ieder programma wordt dagelijks ervan melding gemaakt dat het programma uitsluitend bestemd is voor de in Nederland gelegerde militairen van de strijdkrachten van de desbetreffende lidstaat en hun gezinnen.
Artikel 75
Dit besluit wordt aangehaald als: Mediabesluit.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State en de Algemene Rekenkamer.
's-Gravenhage, 19 november 1987
De Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur,
De Minister-President, Minister van Algemene Zaken,
De Minister van Binnenlandse Zaken,
Uitgegeven de achtentwintigste december 1987
De Minister van Justitie,
Inhoudsopgave
+ Hoofdstuk 1. Publieke omroep
+ Hoofdstuk 2. Commerciële omroep
+ Hoofdstuk 3. Evenementen van aanzienlijk belang voor de samenleving
+ Hoofdstuk 4. Het uitzenden van programma's
+ Hoofdstuk 5. Persorganen
+ Hoofdstuk 6. Programma’s voor buitenlandse militairen
+ Hoofdstuk 7. Slotbepaling
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht