Besluit van 29 december 2008 houdende vaststelling van een nieuw Mediabesluit (Mediabesluit 2008)
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, van 18 november 2008, nr. WJZ/75071 (8238), directie Wetgeving en Juridische Zaken;
Gelet op de artikelen 2.23, tweede lid, 2.35, tweede lid, 2.70, onderdeel b, 2.71, vierde lid, 2.89, tweede lid, 2.93, 2.95, eerste lid, onderdeel a, 2.123, 2.136, eerste lid, 3.25, 5.1, eerste lid, 5.2, 6.24, tweede en derde lid, 6.27 en 8.20 van de Mediawet 2008;
De Raad van State gehoord (advies van 10 december 2008, nr. 08.003330);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, van 17 december 2008, nr. WJZ/88447 (8238), directie Wetgeving en Juridische Zaken;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Artikel 1
In dit besluit wordt verstaan onder:
wet: Mediawet 2008
1.
De NPO maakt voorafgaand aan de start van een experiment betreffende een aanbodkanaal als bedoeld in artikel 2.21a van de wet de uitvoering van dat experiment bekend.
2.
De bekendmaking gaat vergezeld van een beschrijving van het experiment die in elk geval bevat:
a. de positie van het experiment binnen de publieke mediaopdracht, bedoeld in artikel 2.1 van de wet, en de relatie met het andere media-aanbod van de landelijke publieke mediadienst;
b. de doelstellingen van het experiment waaronder het beoogde publieksbereik, de doelgroepen en de behoeften van het publiek, mede in het licht van bestaand marktaanbod; en
c. de duur en wijze van financiering van het experiment en de manier waarop het experiment wordt geëvalueerd.
1.
In de begroting, bedoeld in artikel 2.147 van de wet, wordt een beschrijving gegeven van:
a. de experimenten die worden uitgevoerd; en
b. de voorgenomen experimenten in het komende kalenderjaar.
2.
Artikel 1a, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
1.
Een experiment is in duur beperkt tot een looptijd van maximaal een jaar, gerekend vanaf het tijdstip waarop het desbetreffende aanbodkanaal voor het publiek beschikbaar is.
2.
Als binnen de maximale looptijd van een experiment het desbetreffende aanbodkanaal in het concessiebeleidsplan, bedoeld in artikel 2.20 van de wet, of in de begroting, bedoeld in artikel 2.147 van de wet, met het oog op de instemming als bedoeld in artikel 2.21, derde lid onderscheidenlijk vierde lid, van de wet is opgenomen, kan het experiment worden voortgezet, totdat over de instemming is beslist.
3.
Een experiment heeft een beperkt publieksbereik, tenzij dit niet mogelijk is vanwege technische omstandigheden of tot onevenredig hoge kosten leidt.
1.
De totale kosten voor de landelijke publieke mediadienst van experimenten in enig kalenderjaar bedragen niet meer dan 2 procent van het totaal van de budgetten, bedoeld in artikel 2.149, eerste lid, onderdelen a tot en met d en f, van de wet.
2.
De NPO vermeldt in het verslag, bedoeld in artikel 2.58 van de wet, de uitgevoerde experimenten en de kosten per experiment in het afgelopen kalenderjaar.
Artikel 2
De NOS verzorgt in ieder geval het volgende media-aanbod:
a. de dagelijkse nieuwsvoorziening;
b. de verslaggeving over Nederlandse en Europese parlementaire aangelegenheden;
c. de verslaggeving van nationale feest- en gedenkdagen;
d. de actuele sportverslaggeving, waaronder in ieder geval de competitie- en bekerwedstrijden en internationale evenementen;
e. de verslaglegging van andere nationale en internationale gebeurtenissen van bijzondere aard, waaronder staatsbezoeken;
f. de nieuwsvoorziening ten behoeve van de jeugd;
g. de nieuwsvoorziening ten behoeve van personen met een auditieve beperking; en
h. aanbod van dienstverlenende aard, waaronder informatie ten behoeve van scheepvaart, verkeer, visserij, en land- en tuinbouw.
Artikel 3
De NTR verzorgt in ieder geval het volgende media-aanbod:
a. achtergrondinformatie en beschouwingen over politieke en maatschappelijke ontwikkelingen, onder meer op het gebied van economie, wetenschap en techniek;
b. aanbod ten behoeve van maatschappelijke doelgroepen die elders niet of niet voldoende tot hun recht komen;
c. aanbod dat betrekking heeft op etnische en culturele minderheden;
d. aanbod van culturele aard, waaronder kunst;
e. aanbod van educatieve aard ten behoeve van de jeugd; en
f. consumentenvoorlichting.
Artikel 3a
In deze paragraaf worden onder evaluatie en evaluatiecommissie verstaan de evaluatie onderscheidenlijk de evaluatie, bedoeld in artikel 2.184 van de wet, en de evaluatiecommissie, bedoeld in artikel 2.185 van de wet.
1.
Bij de evaluatie van elke afzonderlijke landelijke publieke media-instelling betrekt de evaluatiecommissie de wijze waarop deze instelling heeft bijgedragen aan de uitvoering van de publieke mediaopdracht door het aanbieden van media-aanbod dat:
a. evenwichtig, pluriform, gevarieerd en kwalitatief hoogstaand is en zich tevens kenmerkt door een grote verscheidenheid naar vorm en inhoud;
b. op evenwichtige wijze een beeld van de samenleving geeft en de pluriformiteit van onder de bevolking levende overtuigingen, opvattingen en interesses op maatschappelijk, cultureel en levensbeschouwelijk gebied weerspiegelt;
c. gericht is op en een relevant bereik heeft onder zowel een breed en algemeen publiek als bevolkings- en leeftijdgroepen van verschillende omvang en samenstelling met in het bijzonder aandacht voor kleine doelgroepen;
d. onafhankelijk is van commerciële invloeden en, behoudens het bepaalde bij of krachtens de wet, van overheidsinvloeden;
e. voldoet aan hoge journalistieke en professionele kwaliteitseisen; en
f. voor iedereen toegankelijk is.
2.
Bij de evaluatie van elke afzonderlijke landelijke publieke media-instelling betrekt de evaluatiecommissie voorts de wijze waarop deze instelling heeft bijgedragen aan het volgen en stimuleren van technologische ontwikkelingen en het benutten van de mogelijkheden om media-aanbod aan het publiek aan te bieden via nieuwe media- en verspreidingstechnieken.
3.
Bij de evaluatie, bedoeld in het eerste en tweede lid, betrekt de evaluatiecommissie de wijze waarop deze instelling heeft bijgedragen aan realisering van doelstellingen voor het media-aanbod en het publieksbereik van het concessiebeleidsplan, bedoeld in artikel 2.20 van de wet, en van de prestatieovereenkomst, bedoeld in artikel 2.22 van de wet.
1.
Bij de evaluatie van een afzonderlijke omroeporganisatie die een erkenning als bedoeld in artikel 2.23, eerste lid, van de wet heeft verkregen, betrekt de evaluatiecommissie voorts:
a. de wijze waarop de missie en de identiteit van de omroeporganisatie zijn geformuleerd en uitgewerkt in doelstellingen voor het media-aanbod en het publieksbereik; en
b. de mate waarin de omroeporganisatie in onderdeel a bedoelde doelstellingen heeft gerealiseerd.
2.
Bij de evaluatie van een omroepvereniging die een voorlopige erkenning als bedoeld in artikel 2.23, tweede lid, van de wet heeft verkregen, betrekt de evaluatiecommissie voorts:
a. de criteria, bedoeld in het eerste lid; en
b. de mate waarin deze instelling heeft voldaan aan de eis om zich naar stroming en naar voorgenomen media-aanbod wat betreft genre, inhoud en doelgroepen zodanig te onderscheiden van de erkende omroeporganisaties dat de verscheidenheid van het media-aanbod van de landelijke publieke mediadienst is vergroot en een vernieuwende bijdrage is geleverd aan de uitvoering van de publieke mediaopdracht op landelijk niveau.
3.
Bij de evaluatie van de NOS en de NTR betrekt de evaluatiecommissie voorts:
a. de wijze waarop deze instellingen de taken, bedoeld in artikel 2.34a, eerste en tweede lid, van de wet onderscheidenlijk artikel 2.35, eerste lid, van de wet, en in het bijzonder de taken, bedoeld in artikel 2 onderscheidenlijk artikel 3, hebben uitgevoerd;
b. de mate waarin deze instellingen eigen doelstellingen voor media-aanbod en publieksbereik hebben gerealiseerd; en
c. de wijze waarop deze instellingen zorg dragen voor interne pluriformiteit van hun media-aanbod als bedoeld in artikel 2.34e van de wet onderscheidenlijk artikel 2.37a van de wet.
1.
Het programma-aanbod van de regionale en de lokale publieke mediadienst bedoeld in artikel 2.70, aanhef en onderdeel b, van de wet, bestaat voor ten minste vijftig procent uit aanbod dat door de media-instelling zelf of uitsluitend in haar opdracht is geproduceerd.
2.
Als artikel 2.71, derde lid, van de wet op een lokale publieke media-instelling van toepassing is, zijn de gedeelten, bedoeld in artikel 2.71, vierde lid, onderdelen a en b, van de wet, ten minste de helft.
Artikel 4a
Het totaalbudget, bedoeld in artikel 2.170, eerste lid, van de wet, wordt zodanig over de regionale omroepen verdeeld dat aan de hieronder genoemde regionale omroepen een bijdrage in de kosten wordt verstrekt waarvan de hoogte maximaal het achter de desbetreffende omroep vermelde percentage van het totaalbudget bedraagt:
Regionale omroep Percentage
RTV Noord ?6,23
Omrop Fryslân ?7,11
RTV Drenthe ?6,46
RTV Oost ?7,52
RTV Gelderland 11,80
RTV Utrecht ?6,58
RTV Noord-Holland ?9,63
RTV West ?6,76
RTV Rijnmond ?6,75
Omroep Zeeland ?6,00
Omroep Brabant 11,74
Omroep Limburg / L-1 ?7,88
Omroep Flevoland ?5,54.
Artikel 4b
Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over de inhoud, de inrichting en het tijdstip van indiening van een aanvraag voor een bijdrage als bedoeld in artikel 2.170, tweede lid, van de wet en over de inhoud en inrichting van de begroting van een regionale publieke media-instelling.
Artikel 5
Het aandeel reclame- en telewinkelboodschappen, inclusief omlijsting, in het programma-aanbod van de publieke mediadiensten bedraagt per programmakanaal niet meer dan tien procent van de totale duur van het programma-aanbod op het programmakanaal per jaar.
Artikel 6
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de wijze waarop inzicht wordt gegeven in de financiën die betrekking hebben op de verzorging van reclame- en telewinkelboodschappen in het media-aanbod van de regionale en lokale publieke mediadiensten.
Artikel 7
In deze paragraaf wordt onder «vermijdbare uitingen» verstaan vermijdbare uitingen anders dan reclame- of telewinkelboodschappen die onmiskenbaar tot gevolg hebben dat de afname van producten of diensten wordt bevorderd.
Artikel 8
Uitingen anders dan reclame- of telewinkelboodschappen zijn onvermijdbaar, als het uitingen betreft die behoren tot het normale straatbeeld en die zonder opzet en zonder nadruk gedurende enkele seconden in het media-aanbod voorkomen.
1.
In media-aanbod van informatieve of educatieve aard zijn vermijdbare uitingen in de vorm van het tonen of vermelden van een product of dienst toegestaan, mits:
a. de vertoning of vermelding past binnen de context van het media-aanbod;
b. de vertoning of vermelding geen afbreuk doet aan de formule of de integriteit van het media-aanbod;
c. de vertoning of vermelding niet op een overdreven of overdadige wijze plaatsvindt; en
d. er geen sprake is van specifieke aanprijzingen van deze producten of diensten.
2.
Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op ander media-aanbod, met uitzondering van media-aanbod dat in het bijzonder bestemd is voor kinderen jonger dan twaalf jaar.
1.
Onverminderd artikel 9 mag media-aanbod van informatieve of educatieve aard vermijdbare uitingen in de vorm van het tonen of vermelden van namen of (beeld)merken van bepaalde producten of diensten of van namen van bedrijven of instellingen bevatten. Op deze uitingen is artikel 9, eerste lid, van overeenkomstige toepassing.
2.
In afwijking van artikel 9, eerste lid, aanhef en onderdeel d, mag media-aanbod van informatieve of educatieve aard vermijdbare uitingen bevatten die bestaan uit het aankondigen en recenseren van boeken, video’s, compact discs en soortgelijke culturele uitingen, alsmede van toneel-, muziek- en filmuitvoeringen, tentoonstellingen en soortgelijke evenementen van kunstzinnige aard.
Artikel 11
In media-aanbod zijn vermijdbare uitingen in de vorm van het tonen of vermelden van de naam van een bedrijf of instelling toegestaan, mits:
a. de naam uitsluitend betrekking heeft op de benaming van een sportvereniging of sportwedstrijd;
b. de naam niet met nadruk wordt getoond of vermeld; en
c. de naamgeving, voor zover het de benaming van een Nederlandse sportvereniging betreft, is erkend door de desbetreffende bij het NOC*NSF aangesloten sportorganisatie.
1.
Media-aanbod dat bestaat uit het verslag of de weergave van een evenement dat in Nederland plaatsvindt of is geproduceerd door of in opdracht van een publieke media-instelling, mag vermijdbare uitingen bevatten als:
a. het evenement niet voornamelijk bestemd is om als media-aanbod verspreid te worden; en
b. de uitingen niet overheersend zijn.
2.
Media-aanbod dat bestaat uit het verslag of de weergave van een evenement dat in het buitenland plaatsvindt en niet is geproduceerd door of in opdracht van een publieke media-instelling, mag vermijdbare uitingen bevatten als:
a. het evenement niet voornamelijk bestemd is om als media-aanbod te worden verspreid; en
b. de uitingen niet langer of met meer nadruk in het media-aanbod voorkomen dan nodig is voor een evenwichtige registratie en presentatie.
1.
Media-aanbod dat bestaat uit het verslag of de weergave van een evenement dat niet voornamelijk bestemd is om als media-aanbod te worden verspreid, mag vermijdbare uitingen bevatten die bestaan uit vertoning of vermelding van de namen of (beeld)merken van personen, bedrijven of instellingen, die een belangrijke, schriftelijk overeengekomen bijdrage hebben geleverd aan de totstandkoming van het evenement.
2.
De uitingen:
a. vinden plaats aan het begin of het einde van het verslag of de weergave;
b. duren ten hoogste vijf seconden;
c. bestaan uitsluitend uit stilstaande beelden als het een evenement betreft waarvan het verslag of de weergave is geproduceerd door of in opdracht van een publieke media-instelling; en
d. hebben niet de aard van een reclameboodschap.
3.
Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing ten aanzien van personen, bedrijven of instellingen, die:
a. zich voornamelijk bezighouden met de productie of verkoop van sigaretten of andere tabaksproducten; of
b. gebruik maken van namen of (beeld)merken die tevens worden gebruikt door personen, bedrijven of instellingen als bedoeld onder a, of daarmee een zo sterke gelijkenis vertonen dat het publiek redelijkerwijs de indruk krijgt dat het mede de naam of het (beeld)merk van een persoon, bedrijf of instelling als bedoeld onder a betreft.
1.
Media-aanbod dat bestaat uit een film die voor een zaal publiek is of wordt vertoond, of een bewerking daarvan, mag vermijdbare uitingen bevatten die bestaan uit het tonen of vermelden van namen, (beeld-)merken, producten of diensten van personen, bedrijven of instellingen, als die uitingen in het media-aanbod voorkomen in dezelfde vorm en in ten hoogste dezelfde hoeveelheid als in de voor een zaal publiek bestemde versie van de film.
2.
Uit het buitenland aangekocht media-aanbod dat ten behoeve van het buitenlandse publiek als zodanig is verspreid, mag vermijdbare uitingen bevatten die bestaan uit het tonen of vermelden van namen, (beeld-)merken, producten of diensten van personen, bedrijven of instellingen, als die uitingen in het media-aanbod voorkomen in dezelfde vorm en in ten hoogste dezelfde hoeveelheid als in de ten behoeve van het buitenlandse publiek verspreide inhoud van het media-aanbod.
Artikel 14a
Bij regeling van het Commissariaat kan worden bepaald dat in andere gevallen dan die bedoeld in de artikelen 9 tot en met 14 vermijdbare uitingen in het media-aanbod zijn toegestaan, voor zover het betreft uitingen in het kader van:
a. zelfpromotie;
b. de vermelding van sponsors van evenementen;
c. liefdadigheidsacties;
d. de vermelding van boek- en filmtitels en culturele evenementen in de titel van een programma in andere gevallen dan bedoeld in artikel 2.108, tweede en derde lid, van de wet; en
e. de vermelding van (co)producenten, derden die bijdragen hebben verstrekt die niet als sponsoring worden aangemerkt, facilitaire bedrijven, auteursrechthebbenden, vacaturebanken, loterijen en opname- en uitzendlocaties.
De in de eerste volzin bedoelde regeling wordt door Onze Minister goedgekeurd.
Artikel 14b
Het percentage, bedoeld in artikel 2.116, eerste lid, van de wet is 16,5.
1.
In dit artikel wordt onder «themakanaal» verstaan een televisieprogrammakanaal, niet zijnde een algemeen televisieprogrammakanaal.
2.
Het totale televisieprogramma-aanbod van de landelijke publieke mediadienst dat bestaat uit oorspronkelijk Nederlandstalige producties, is op de algemene televisieprogrammakanalen en op de themakanalen voor ten minste 95% onderscheidenlijk voor ten minste 50% voorzien van ondertiteling ten behoeve van personen met een auditieve beperking.
3.
Voor de toepassing van dit artikel worden reclame- en telewinkelboodschappen inclusief omlijsting buiten beschouwing gelaten.
Artikel 16
Inkomsten uit programmabladen van een omroeporganisatie kunnen jaarlijks tot ten hoogste het bedrag dat nodig is om een eventueel verlies van de desbetreffende omroeporganisatie te dekken, worden besteed aan verenigingsactiviteiten als bedoeld in artikel 2.136 van de wet. Bij de bepaling van het resultaat blijven veranderingen in de waarde van materiële vaste activa als gevolg van herwaarderingen buiten beschouwing. De gebruikelijke jaarlijkse afschrijvingen van de materiële vaste activa worden niet als herwaarderingen aangemerkt.
Artikel 16a
Omroeporganisaties die een erkenning of een voorlopige erkenning als bedoeld in artikel 2.23 van de wet hebben verkregen, kunnen netto inkomsten uit contributies en verenigingsactiviteiten als bedoeld in artikel 2.136 van de wet tot een bedrag van € 750.000 reserveren voor die verenigingsactiviteiten.
1.
Het totale programma-aanbod op een televisieprogrammakanaal van een commerciële media-instelling met een bereik van ten minste 75 procent van alle huishoudens in Nederland dat bestaat uit oorspronkelijk Nederlandstalige producties, is voor ten minste 50% voorzien van ondertiteling ten behoeve van personen met een auditieve beperking.
2.
Voor de toepassing van dit artikel worden reclame- en telewinkelboodschappen inclusief omlijsting buiten beschouwing gelaten.
Artikel 18
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
lijst: evenementenlijst die is opgenomen in de bij dit besluit behorende bijlage.
1.
De evenementen, genoemd in onderdeel A van de lijst, die als televisieprogramma worden verspreid, worden in ieder geval verspreid op een open televisieprogrammakanaal door middel van volledige rechtstreekse verslaggeving.
2.
In afwijking van het eerste lid behoeven de in dat lid bedoelde evenementen, die geheel of gedeeltelijk plaatsvinden tussen 00.00 uur en 07.00 uur, niet door middel van volledige rechtstreekse verslaggeving te worden verspreid.
3.
In afwijking van het eerste lid behoeven wedstrijden die deel uitmaken van de in dat lid bedoelde evenementen en die gelijktijdig plaatsvinden niet alle door middel van volledige rechtstreekse verslaggeving te worden verspreid, als ten minste een van deze wedstrijden wordt verspreid door middel van volledige rechtstreekse verslaggeving op een open televisiekanaal.
1.
De evenementen, genoemd in onderdeel B van de lijst , die als televisieprogramma worden verspreid, worden in ieder geval verspreid op een open televisieprogrammakanaal door middel van gedeeltelijke rechtstreekse verslaggeving.
2.
De verslaggeving van evenementen, bedoeld in het eerste lid, heeft de in onderdeel B van de lijst vermelde minimumduur.
1.
De evenementen, genoemd in onderdeel C van de lijst , die als televisieprogramma worden verspreid, worden in ieder geval verspreid op een open televisieprogrammakanaal door middel van gedeeltelijke uitgestelde verslaggeving.
2.
In afwijking van het eerste lid behoeven de in dat lid bedoelde evenementen niet door middel van gedeeltelijke uitgestelde verslaggeving te worden verspreid, als deze evenementen worden verspreid op een open televisieprogrammakanaal door middel van volledige rechtstreekse verslaggeving.
3.
De verslaggeving van de evenementen, bedoeld in het eerste lid, heeft de in onderdeel C van de lijst vermelde minimumduur.
4.
De verslaggeving van de evenementen, bedoeld in het eerste lid, vindt plaats op de dag van het evenement of een onderdeel daarvan, met dien verstande dat de verslaggeving van de wedstrijden van de hoogste divisie van het nationaal betaald voetbal uiterlijk aanvangt op de in onderdeel C van de lijst vermelde tijdstippen.
1.
Voor de toepassing van artikel 6.24 van de wet worden twee of meer instellingen als één instelling aangemerkt, als:
a. een instelling direct of indirect zodanige zeggenschap of feitelijke invloed heeft in één of meer instellingen dat deze in belangrijke mate het beleid van die instelling of instellingen kan bepalen of aanmerkelijke invloed heeft op de inhoud van dat beleid; of
b. een natuurlijk persoon of groep van natuurlijke personen direct of indirect een zodanige zeggenschap of feitelijke invloed heeft in twee of meer instellingen dat deze in belangrijke mate het beleid van die instellingen kan bepalen of aanmerkelijke invloed heeft op de inhoud van dat beleid.
2.
Bij ministeriële regeling kan in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken worden bepaald dat in afwijking van artikel 6.24, eerste lid, van de wet voor de verspreiding van radioprogramma-aanbod van eenzelfde instelling meer frequentieruimte mag worden gebruikt dan één FM-frequentie of samenstel van FM frequenties.
1.
Het Commissariaat verleent toestemming voor het verzorgen van een omroepdienst via een omroepzender binnen een gebied van beperkte omvang, welke omroepdienst uitsluitend bestemd is voor in Nederland gelegerde militairen van buitenlandse strijdkrachten en hun gezinnen.
2.
De toestemming wordt verleend aan de bevoegde militaire autoriteiten van een bij de Noord-atlantische verdragsorganisatie (Navo) aangesloten land waarvan strijdkrachten in Nederland zijn gelegerd, voor het gebruik door instellingen of personen van de buitenlandse strijdkrachten die daartoe door hen worden aangewezen.
3.
Ten aanzien van het gebruik van de toestemming zijn de artikelen 2.89, 2.90, 2.106 tot en met 2.109, 2.114 voor zover het betreft de artikelen 2.107 en 2.108, 2.124, 2.141, eerste lid, 2.142, 4.1 tot en met 4.6, 7.11, 7.18 en 7.19, eerste lid, onderdeel a, van de wet van overeenkomstige toepassing.
Artikel 24
Het Commissariaat kan zonodig de omroepzender of omroepzenders aanwijzen die voor de omroepdienst bedoeld in artikel 23, wordt gebruikt.
1.
Een aanvraag voor de toestemming bedoeld in artikel 23 wordt ingediend bij Onze Minister van Defensie, die deze voorzien van zijn opmerkingen binnen vier weken doorzendt aan het Commissariaat. Het Commissariaat zendt een afschrift van de aanvraag aan Onze Minister van Economische Zaken.
2.
De aanvraag gaat vergezeld van:
a. een omschrijving van het doel van de aanvraag;
b. een aanduiding van het gebied waarbinnen de omroepdienst zal worden verspreid;
c. een verklaring van de auteursrechthebbenden aan de autoriteiten van de desbetreffende Navo-lidstaat waaruit blijkt dat geen auteursrechtelijke toestemming zal worden verleend voor de verspreiding van de mediadienst buiten de in artikel 23 omschreven doelgroep en het aangeduide gebied; en
d. een omschrijving van de te gebruiken omroepzender.
1.
Het Commissariaat trekt de toestemming in:
a. als niet meer wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel 23, eerste en tweede lid; of
b. op gronden ontleend aan de veiligheid van de staat.
2.
Het Commissariaat kan de toestemming intrekken als niet wordt voldaan aan artikel 23, derde lid.
3.
Het Commissariaat maakt zijn voornemen tot intrekking van de toestemming kenbaar aan Onze Minister van Defensie en Onze Minister van Economische Zaken.
1.
Een beschikking tot intrekking van een verleende toestemming op grond van artikel 26, eerste lid, gaat onmiddellijk in.
2.
Een beschikking tot intrekking van een verleende toestemming op grond van artikel 26, tweede lid, gaat niet eerder in dan nadat de bevoegde militaire autoriteit van het voornemen daartoe en de gronden waarop de beschikking berust in kennis is gesteld en deze in de gelegenheid is gesteld binnen een redelijke termijn schriftelijke en desgewenst mondelinge opmerkingen te maken.
1.
De bevoegde militaire autoriteit gebruikt de aan hem verleende toestemming geheel voor de omroepdienst, bedoeld in artikel 23.
2.
Aan het begin en aan het eind van het dagelijks verzorgde programma-aanbod wordt vermeld dat het verzorgde programma-aanbod uitsluitend bestemd is voor de in Nederland gelegerde militairen van de strijdkrachten van de desbetreffende Navo-lidstaat en hun gezinnen.
Artikel 29
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over:
a. de nadere voorwaarden voor het verkrijgen van subsidie;
b. de verplichtingen die het Stimuleringsfonds aan een subsidieontvanger kan opleggen;
c. de indiening en wijze van behandeling van aanvragen;
d. de hoogte van subsidies en de wijze van berekening daarvan;
e. de wijze waarop de beschikbare financiële middelen voor de verschillende subsidies worden verdeeld als een subsidieplafond is vastgesteld;
f. de verlening van voorschotten; en
g. de intrekking, wijziging en terugvordering van subsidies.
1.
De voorzitter en de andere leden van het bestuur van de Stichting Radio Nederland Wereldomroep, bedoeld in artikel in artikel 78 van de Mediawet, zoals dat artikel op 31 december 2008 luidde, zijn met ingang van 1 januari 2009 voorzitter onderscheidenlijk lid van de eerste raad van toezicht van de Stichting Radio Nederland Wereldomroep, bedoeld in artikel 2.74 van de wet, voor het resterende gedeelte van hun benoemingstermijn.
2.
De leden van de programmaraad van de Stichting Radio Nederland Wereldomroep, bedoeld in artikel 81 van de Mediawet, zoals dat artikel op 31 december 2008 luidde, zijn met ingang van 1 januari 2009 lid van de adviesraad van de Stichting Radio Nederland Wereldomroep, bedoeld in artikel 2.80 van de wet, voor het resterende gedeelte van hun benoemingstermijn.
Artikel 29b
De eerste benoeming van de leden van de raad van toezicht van de NOS op grond van artikel 2.34c van de wet, zoals dat artikel luidt met ingang van het tijdstip waarop artikel Ia van de wet van 2 juli 2009 tot wijziging van de Mediawet 2008 in verband met de erkenning en de financiering van de publieke omroep in werking is getreden, geschiedt niet op voordracht van de raad van toezicht van de NOS.
Artikel 31
Het besluit van 31 oktober 1989, houdende regels over de rechtspositie en de bezoldiging van de voorzitter en de leden van het Commissariaat voor de Media en van zijn personeel alsmede van de voorzitter en de leden van het bestuur van het Bedrijfsfonds voor de Pers en zijn personeel (Stb. 1989, 499) wordt ingetrokken.
Artikel 32
De regeling van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, van 20 juni 2001, nr. MLB/JZ/2001/25.459 (Stcrt. 2001, nr. 119) wordt ingetrokken.
Artikel 33
De regeling van de Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur van 17 februari 1988, houdende overdracht bevoegdheid tot ontheffing verbod reclame-uitingen binnenlandse omroep aan het Commissariaat voor de Media (Stcrt. 1988, nr. 49) wordt ingetrokken.
1.
Voor zover ter zake van het besluit en de regeling, bedoeld in de artikelen 31 en 32, nog sprake is van bestuursrechtelijke afdoening, met inbegrip van bezwaar- en beroepsprocedures, vindt deze overeenkomstig het besluit en de regeling, bedoeld in de artikelen 31 en 32, plaats.
2.
Bestaande aanspraken en verplichtingen op grond van het besluit en de regeling, bedoeld in de artikelen 31 en 32, blijven in stand.
Artikel 36
Dit besluit wordt aangehaald als: Mediabesluit 2008.
Artikel 37
Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld, en de verschillende artikelen of onderdelen daarvan kunnen terugwerken tot en met een bij het koninklijk besluit te bepalen tijdstip.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
’s-Gravenhage, 29 december 2008
De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
Uitgegeven de dertigste december 2008
De Minister van Justitie
Inhoudsopgave
+ Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen
+ Hoofdstuk 2. Publieke mediadiensten
+ Hoofdstuk 3. Commerciële omroep
+ Hoofdstuk 4. Evenementen van aanzienlijk belang voor de samenleving
+ Hoofdstuk 5. Gebruik frequentieruimte en omroepdiensten voor buitenlandse militairen
+ Hoofdstuk 6. Subsidieverstrekking ten behoeve van persorganen
+ Hoofdstuk 6a. Invoering Mediawet 2008
+ Hoofdstuk 7. Slotbepalingen
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht