Let op. Deze wet is vervallen op 1 juli 2016. U leest nu de tekst die gold op 30 juni 2016.

Artikel 49 Monumentenwet 1988

Uitgebreide informatie
1.
Op verzoek van een instelling voor wetenschappelijk onderwijs als bedoeld in artikel 1.1, onder c, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek dan wel van een instelling voor wetenschappelijk onderwijs, gevestigd in een lidstaat van de Europese Unie of van de Europese Economische Ruimte, kan Onze minister beslissen dat een bepaalde opgraving door die instelling wordt uitgevoerd, indien:
a. de desbetreffende opgraving van uitzonderlijk belang is voor het specifieke onderzoeksprogramma van de instelling;
b. de instelling over voldoende capaciteit beschikt om de opgraving binnen een redelijke termijn uit te voeren;
c. de mogelijke marktverstorende effecten van het besluit van Onze minister beperkt zijn;
d. de mogelijke nadelige financiële gevolgen voor degene die tot het doen van de opgraving is verplicht, niet onevenredig zijn; en
e. aan de instelling een vergunning als bedoeld in artikel 45 is verleend.
2.
Voordat Onze minister een beslissing als bedoeld in het eerste lid neemt, wint hij advies in van de Nederlandse organisatie voor wetenschappelijk onderzoek, bedoeld in artikel 2 van de Wet op de Nederlandse organisatie voor wetenschappelijk onderzoek.
Inhoudsopgave
+ Hoofdstuk I. Algemene bepalingen
+ Hoofdstuk II. Beschermde monumenten
+ Hoofdstuk III. Subsidies en specifieke uitkeringen
+ Hoofdstuk IV. Beschermde stads- en dorpsgezichten
- Hoofdstuk V. Archeologische monumentenzorg
+ Hoofdstuk VI. Handhaving en strafbepalingen
+ Hoofdstuk VII. Overgangs- en slotbepalingen
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht