Let op. Deze wet is vervallen op 1 juli 2016. U leest nu de tekst die gold op 30 juni 2016.

Monumentenwet 1988

Uitgebreide informatie
1.
Het is verboden een beschermd monument te beschadigen of te vernielen.
2.
Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning:
a. een beschermd archeologisch monument te slopen, te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen;
b. een beschermd archeologisch monument te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze, waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht.
1.
Een aanvraag om vergunning als bedoeld in artikel 11, tweede lid, wordt ingediend bij burgemeester en wethouders.
Artikel 13
In afwijking van het bepaalde in artikel 12 wordt een aanvraag om vergunning die betrekking heeft op een archeologisch monument als bedoeld in artikel 7, eerste lid, ingediend bij Onze minister.
1.
Onze minister beslist op een aanvraag om vergunning als bedoeld in artikel 11, tweede lid.
2.
Onze minister kan een rapport verlangen, waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van Onze minister in voldoende mate is vastgesteld.
3.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de inhoud en inrichting van het rapport, bedoeld in het tweede lid.
1.
Op de voorbereiding van een besluit op een aanvraag om vergunning als bedoeld in artikel 11, tweede lid, is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing, met dien verstande dat burgemeester en wethouders ten aanzien van het door Onze minister opgestelde ontwerp van het besluit toepassing geven aan de artikelen 3:11 tot en met 3:17 van die wet.
2.
Zienswijzen kunnen naar voren worden gebracht door een ieder.
3.
Burgemeester en wethouders zenden tijdig naar voren gebrachte zienswijzen onmiddellijk door aan Onze minister.
5.
In afwijking van het eerste lid geeft Onze minister in gevallen als bedoeld in artikel 13 toepassing aan de artikelen 3:11 tot en met 3:17 van die wet. Het tweede, derde en vierde lid zijn niet van toepassing.
1.
De gemeenteraad stelt een verordening vast waarin ten minste de inschakeling wordt geregeld van een commissie op het gebied van de monumentenzorg die in elk geval tot taak heeft te adviseren over aanvragen om een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdeel f, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Van de commissie maken geen deel uit leden van burgemeester en wethouders van de desbetreffende gemeente. Binnen de commissie zijn enkele leden deskundig op het gebied van de monumentenzorg.
2.
Burgemeester en wethouders vragen de commissie op het gebied van de monumentenzorg advies, voordat:
a. zij beslissen op een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdeel f, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht; of
b. zij advies uitbrengen omtrent een aanvraag om of het ontwerp van een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdeel f, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.
1.
Burgemeester en wethouders zenden de aanvraag, bedoeld in artikel 12, onmiddellijk na ontvangst aan Onze minister door. Zij zenden gelijktijdig afschrift aan gedeputeerde staten en stellen de aanvrager schriftelijk in kennis van de datum van doorzending.
2.
Indien Onze minister niet voldoet aan artikel 3:18 van de Algemene wet bestuursrecht, wordt de vergunning geacht te zijn verleend.
3.
De werking van de vergunning wordt opgeschort, totdat de beroepstermijn is verstreken, of, indien beroep is ingesteld, op het beroep is beslist. De vergunninghouder kan de voorzieningenrechter van de rechtbank onderscheidenlijk de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State verzoeken de opschorting op te heffen. Titel 8.3 van de Algemene wet bestuursrecht is van overeenkomstige toepassing.
4.
Onze minister doet van de beschikking op de aanvraag om vergunning mededeling aan burgemeester en wethouders en aan gedeputeerde staten.
1.
Onze minister kan aan een vergunning als bedoeld in artikel 11, tweede lid, voorschriften verbinden in het belang van de archeologische monumentenzorg.
2.
De vergunning kan voor een bepaalde tijd worden verleend.
3.
Aan een vergunning als bedoeld in artikel 11, tweede lid, kunnen in ieder geval de volgende voorschriften worden verbonden:
a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor monumenten in de bodem kunnen worden behouden;
b. de verplichting tot het doen van opgravingen; of
c. de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door Onze minister bij de vergunning te stellen kwalificaties.
1.
Burgemeester en wethouders, en voor zover het monumenten als bedoeld in artikel 7, eerste lid, betreft, Onze minister houden een openbaar register aan waarin aantekening wordt gehouden van omgevingsvergunningen voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdeel f, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en vergunningen als bedoeld in artikel 11, tweede lid.
2.
In het in het eerste lid bedoelde register worden voorts aangetekend:
a. de datum van de vergunning;
b. het nummer van de vergunning;
c. de plaats van het monument waarop de vergunning betrekking heeft, alsmede van de van belang zijnde kadastrale gegevens daarvan;
d. de aard van de werkzaamheden.
3.
Aantekening als bedoeld in het tweede lid vindt plaats binnen een week na de dag waarop een vergunning is verleend of wordt geacht te zijn verleend.
1.
Onverminderd artikel 5.19 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht kan Onze minister een vergunning als bedoeld in artikel 11, tweede lid, intrekken, indien de omstandigheden aan de kant van de vergunninghouder zich zodanig hebben gewijzigd dat het belang van het monument zwaarder dient te wegen.
2.
Van een besluit tot intrekking van een vergunning wordt mededeling gedaan aan burgemeester en wethouders en aan gedeputeerde staten.
Inhoudsopgave
+ Hoofdstuk I. Algemene bepalingen
- Hoofdstuk II. Beschermde monumenten
+ Hoofdstuk III. Subsidies en specifieke uitkeringen
+ Hoofdstuk IV. Beschermde stads- en dorpsgezichten
+ Hoofdstuk V. Archeologische monumentenzorg
+ Hoofdstuk VI. Handhaving en strafbepalingen
+ Hoofdstuk VII. Overgangs- en slotbepalingen
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht