Notawisseling houdende een verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Haagse Conferentie voor Internationaal Privaatrecht inzake de registratie van stagiairs
(authentiek: en)
MINISTERIE VAN BUITENLANDSE ZAKEN
The Hague, 4 May 2010
Treaties Division
DJZ/VE-312/10
The Ministry of Foreign Affairs of the Kingdom of the Netherlands presents its compliments to the Hague Conference on Private International Law (hereinafter referred to as “HCCH”), and, with reference to the Exchange of Letters of 1 December 1959, 16/17 December 1992 and 28 February/5 March 2002 between the Government of the Kingdom of the Netherlands and HCCH, as well as the consultations between the Ministry and HCCH, has the honour to propose the following regarding the registration of interns who have been accepted by HCCH into its internship programme in the Netherlands:
1. For the purpose of this Agreement, the following definition of an intern shall apply: A graduate or postgraduate student, who has been accepted by HCCH into the internship programme of HCCH and who, on that basis, performs certain tasks for HCCH without receiving emoluments from HCCH by reason of his work with HCCH. An intern shall in no case fall under the definition of a staff member of HCCH.
2. Within eight (8) days after first arrival of an intern in the Netherlands, HCCH shall request the Ministry of Foreign Affairs to register the intern in accordance with paragraph 3.
3. The Ministry of Foreign Affairs shall register an intern for the purpose of his internship with HCCH for a maximum period of six months, provided that HCCH supplies the Ministry of Foreign Affairs with a declaration signed by the intern, accompanied by adequate proof, to the effect that:
a) the intern entered the Netherlands in accordance with the applicable immigration procedures;
b) the intern has sufficient financial means for living expenses and for repatriation, as well as sufficient medical insurance (including coverage of costs of hospitalization for at least the duration of the internship plus one month) and third party liability insurance, and will not be a charge on the public purse of the Netherlands;
c) the intern will not work in the Netherlands during his or her internship otherwise than as an intern at HCCH;
d) the intern will not bring any family members to reside with him or her in the Netherlands other than in accordance with the applicable immigration procedures;
e) the intern will leave the Netherlands within 14 days after the end of the internship unless he or she is otherwise entitled to stay in the Netherlands in accordance with the applicable immigration legislation.
4. Upon registration of the intern in accordance with paragraph 3, the Ministry of Foreign Affairs shall issue an identity card bearing the code ZF to the intern.
5. HCCH shall not incur liability for damage resulting from non-fulfilment, by interns registered in accordance with paragraph 3, of the conditions of the declaration referred to in that paragraph.
6. Interns shall not enjoy any privileges or immunities.
7. In exceptional circumstances, the maximum period of six months mentioned in paragraph 3 may be extended once by a maximum period of six months.
8. HCCH shall notify the Ministry of Foreign Affairs of the final departure of the intern from the Netherlands within eight (8) days after such departure, and shall at the same time return the intern’s identity card.
If this proposal is acceptable to HCCH, the Ministry suggests that this Note and the HCCH’s affirmative reply to it shall together constitute an Agreement between the Kingdom of the Netherlands and HCCH. The Agreement shall be applied provisionally as from the date of such reply and shall enter into force on the day on which both Parties have notified each other in writing that the legal requirements for entry into force have been complied with.
The Ministry of Foreign Affairs of the Kingdom of the Netherlands avails itself of this opportunity to renew to HCCH the assurances of its highest consideration.
Hague Conference on Private International Law
The Hague
HAGUE CONFERENCE ON PRIVATE INTERNATIONAL LAW
NOTE VERBALE IN REPLY
The Hague, 18 May 2010
The Hague Conference on Private International Law presents its compliments to the Ministry of Foreign Affairs of the Kingdom of the Netherlands and has the honour to acknowledge receipt of the Ministry’s Note DJZ/VE-312/10 of 4 May 2010, which reads as follows:
[Red: (Zoals in Nr. I)]
The Hague Conference on Private International Law has the honour to inform the Ministry of Foreign Affairs that the proposal is acceptable to the Hague Conference on Private International Law. The Hague Conference on Private International Law accordingly agrees that the Ministry’s Note and this reply shall constitute an Agreement between the Hague Conference on Private International Law and the Kingdom of the Netherlands. This Agreement shall be applied provisionally as from the date of this reply and shall enter into force on the day on which both Parties have notified each other in writing that the legal requirements for entry into force have been complied with.
The Hague Conference on Private International Law avails itself of this opportunity to renew to the Ministry of Foreign Affairs of the Kingdom of the Netherlands the assurances of its highest consideration.
Ministry of Foreign Affairs of the Kingdom of the Netherlands
The Hague
(vertaling: nl)
MINISTERIE VAN BUITENLANDSE ZAKEN
Den Haag, 4 mei 2010
Afdeling Verdragen
DJZ/VE-312/10
Het Ministerie van Buitenlandse Zaken van het Koninkrijk der Nederlanden biedt de Haagse Conferentie voor Internationaal Privaatrecht (hierna te noemen „HCCH”) zijn complimenten aan en heeft, onder verwijzing naar de Briefwisseling tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en HCCH van 1 december 1959, 16/17 december 1992 en 28 februari/5 maart 2002, alsmede naar de gesprekken tussen het Ministerie en HCCH betreffende de registratie van stagiairs die HCCH tot haar stageprogramma in Nederland heeft toegelaten, de eer het volgende voor te stellen:
1. Voor de toepassing van dit Verdrag wordt verstaan onder „stagiair”: een afgestudeerde of postdoctorale student die door HCCH is toegelaten tot het stageprogramma van HCCH en die op die grond bepaalde taken voor HCCH vervult waarvoor hij of zij van HCCH geen vergoeding ontvangt. Een stagiair valt in geen geval onder de begripsomschrijving van een personeelslid van HCCH.
2. Binnen acht (8) dagen na de eerste aankomst van een stagiair in Nederland verzoekt HCCH het Ministerie van Buitenlandse Zaken de stagiair te registreren in overeenstemming met het derde lid.
3. Het Ministerie van Buitenlandse Zaken registreert een stagiair ten behoeve van zijn of haar stage bij HCCH voor een tijdvak van ten hoogste zes maanden, mits HCCH het Ministerie van Buitenlandse Zaken een door de stagiair ondertekende verklaring doet toekomen, vergezeld van voldoende bewijs, waaruit blijkt dat:
a. de stagiair Nederland is binnengekomen in overeenstemming met de van toepassing zijnde immigratieprocedures;
b. de stagiair over voldoende financiële middelen beschikt om in zijn of haar levensonderhoud te voorzien alsmede voor zijn of haar terugkeer, voldoende verzekerd is tegen ziektekosten (met inbegrip van een dekking voor kosten van ziekenhuisopname voor ten minste de duur van de stage plus een maand) en beschikt over een wettelijkeaansprakelijkheidsverzekering, en niet ten laste zal komen van de openbare middelen van Nederland;
c. de stagiair gedurende zijn of haar stage in Nederland uitsluitend werkzaam zal zijn als stagiair bij HCCH;
d. de stagiair geen familieleden meebrengt die bij hem of haar in Nederland zullen wonen, tenzij in overeenstemming met de desbetreffende immigratieprocedures;
e. de stagiair Nederland verlaat binnen 14 dagen na het einde van zijn of haar stage, tenzij hij of zij op andere gronden gerechtigd is in Nederland te verblijven in overeenstemming met de desbetreffende immigratiewetgeving.
4. Na registratie van de stagiair in overeenstemming met het derde lid, geeft het Ministerie van Buitenlandse Zaken aan de stagiair een identiteitskaart af voorzien van de code ZF.
5. HCCH is niet aansprakelijk voor schade voortvloeiend uit niet-naleving door in overeenstemming met het derde lid geregistreerde stagiairs, van de voorwaarden van de in dat lid bedoelde verklaring.
6. De stagiair geniet geen voorrechten of immuniteiten.
7. In uitzonderlijke omstandigheden kan het maximumtijdvak van zes maanden genoemd in het derde lid eenmaal worden verlengd met ten hoogste zes maanden.
8. HCCH stelt het Ministerie van Buitenlandse Zaken binnen acht (8) dagen na het definitieve vertrek van de stagiair uit Nederland daarvan in kennis en retourneert daarbij de identiteitskaart van de stagiair.
Indien dit voorstel aanvaardbaar is voor HCCH, stelt het Ministerie voor dat deze nota en de bevestigende antwoordnota van HCCH tezamen een verdrag zullen vormen tussen het Koninkrijk der Nederlanden en HCCH. Het Verdrag wordt voorlopig toegepast vanaf de datum van dat antwoord en treedt in werking op de dag waarop beide Partijen elkaar schriftelijk ervan in kennis hebben gesteld dat aan de wettelijke vereisten voor de inwerkingtreding is voldaan.
Het Ministerie van Buitenlandse Zaken van het Koninkrijk der Nederlanden maakt van deze gelegenheid gebruik om HCCH opnieuw te verzekeren van zijn zeer bijzondere hoogachting.
Haagse Conferentie voor Internationaal Privaatrecht
Den Haag
HAAGSE CONFERENTIE VOOR INTERNATIONAAL PRIVAATRECHT
ANTWOORDNOTA
Den Haag, 18 mei 2010
De Haagse Conferentie voor Internationaal Privaatrecht biedt het Ministerie van Buitenlandse Zaken van het Koninkrijk der Nederlanden haar complimenten aan en heeft de eer de ontvangst te bevestigen van nota DJZ/VE-312/10 van het Ministerie van 4 mei 2010, die luidt als volgt:
[Red: (Zoals in Nr. I)]
De Haagse Conferentie voor Internationaal Privaatrecht heeft de eer het Ministerie van Buitenlandse Zaken ervan in kennis te stellen dat het voorstel aanvaardbaar is voor de Haagse Conferentie voor Internationaal Privaatrecht. De Haagse Conferentie voor Internationaal Privaatrecht stemt er dienovereenkomstig mee in dat de nota van het Ministerie en dit antwoord een verdrag zullen vormen tussen de Haagse Conferentie voor Internationaal Privaatrecht en het Koninkrijk der Nederlanden. Dit Verdrag wordt voorlopig toegepast vanaf de datum van dit antwoord en treedt in werking op de dag waarop beide Partijen elkaar schriftelijk ervan in kennis hebben gesteld dat aan de wettelijke vereisten voor de inwerkingtreding is voldaan.
De Haagse Conferentie voor Internationaal Privaatrecht maakt van deze gelegenheid gebruik om het Ministerie van Buitenlandse Zaken van het Koninkrijk der Nederlanden opnieuw te verzekeren van haar zeer bijzondere hoogachting.
Ministerie van Buitenlandse Zaken
van het Koninkrijk der Nederlanden
Den Haag
Inhoudsopgave
Nr. I
Nr. II
Nr. I
Nr. II
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht