Notawisseling tussen de Nederlandse Regering en de Duitse Bondsregering, houdende een overeenkomst betreffende de overbrenging naar Duitsland van stoffelijke resten van in Nederland gesneuvelde Duitse militairen
(authentiek: fr)
BOTSCHAFT DER BUNDESREPUBLIK DEUTSCHLAND DEN HAAG
La Haye, le 11 octobre 1954
Excellence,
A la suite d'un échange de points de vue entre les autorités compétentes néerlandaises et allemandes le Gouvernement des Pays-Bas et le Gouvernement de la République Fédérale d'Allemagne se sont mis d'accord au sujet des règles suivantes pour le transport en Allemagne des restes mortels des militaires allemands tombés aux Pays-Bas.
I
1. La possibilité sera créé d'exhumer et de transporter en Allemagne les restes mortels de militaires allemands ou de membres de l'ancienne Wehrmacht tombés ou décédés aux Pays-Bas.
2. Les ayants-droit, membres de la famille du défunt, adresseront la demande d'exhumation au Gouvernement fédéral allemand. Si cette demande emporte l'agrément de ce Gouvernement, elle sera transmise au Ministre de la Guerre des Pays-Bas, aux fins d'examen ultérieur.
3. La demande doit contenir:
Les noms et prénoms ainsi que la date et le lieu de naissance du décédé, l'indication de la commune et du cimetière aux Pays-Bas où se trouve la tombe, ainsi qu'éventuellement la lettre ou le numéro de la pelouse, de la rangée et de la tombe; le grade du décédé; l'indication de la couleur des cheveux; l'indication du nom et de l'adresse, éventuellement du numéro de téléphone, de l'entrepreneur des pompes funèbres chargé par la famille du transport des dépouilles mortelles.
La demande devrait également contenir, si possible:
Le numéro et autres indications de la plaque d'identité du décédé, son dernier numéro de la „Feldpost”, les indications d'un dentiste sur l'état de sa dentition et, à défaut de cette indication, les données connues sur sa dentition, p. ex. les dents extraites, les obturations, les couronnes, les dents pivots, les bridges etc.; l'indication des fractures du bras, de la jambe ou de la clavicule et, éventuellement, des opérations subies, et des blessures ou mutilations encourues dont les suites seraient encore visibles au squelette, l'indication de la blessure de guerre qui a provoqué la mort ou de toute autre cause ayant occasionné le décès.
4. Le Ministre de la Guerre se rendra compte pour chaque cas séparé, si l'emplacement de la tombe et l'identité des restes mortels sur lesquels porte la demande ont été exactement établis. Si cela n'est pas le cas la demande de repatriement de la dépouille mortelle sera rejetée.
L'autorisation d'exhumer des restes reposant dans des fosses communes ne sera pas accordée. Si dans une seule et même tombe reposent plus d'un corps (2 ou un plus grand nombre placés l'un au-dessus de l'autre) il ne sera pas accordé, en général, d'autorisation d'exhumer, si pour ce faire il est nécessaire de déplacer un autre corps.
Si le Ministre de la Guerre estime que l'identité et l'emplacement de la tombe sont suffisamment établis et si le Bourgmestre de la Commune où se trouve la tombe a donné l'autorisation d'exhumer, le Ministre de la Guerre fera parvenir au Gouvernement fédéral allemand les documents nécessaires au transport de la dépouille mortelle.
5. Les frais du transfert sont à la charge du demandeur. Les frais aux Pays-Bas comprendront les sommes à payer pour l'exhumation de corps en vertu des règlements sur les cimetières municipaux ou des règlements établis par la direction des cimetières particuliers. Au cimetière de guerre allemand à IJsselsteyn ces frais s'élèvent à f. 10.- pour chaque cas. L'entrepreneur de pompes funèbres aura à acquitter d'avance ces sommes aux fonctionnaires ou agents désignés à cet effet.
Dans certaines communes il est possible de faire munir le cercueil d'un plomb en vue de faciliter le passage de la frontière; le plombage se fait au cimetière par un fonctionnaire du service des droits d'entrée et accises.
6. Les exhumations dans les cimetières municipaux et particuliers ne pourront être exécutées qu'en présence d'un représentant du „Volksbund Deutscher Kriegsgräberfursorge”, qui se rendra compte si c'est bien le corps qu'on a en vue qui est exhumé de la tombe qu'on a en vue.
J'ai l'honneur de déclarer que la présente note ainsi que la réponse que Votre Excellence voudra bien m'adresser, seront considérées comme constituant un accord entre nos deux Gouvernements en la matière. Cet accord entrera en vigueur le jour de la réception d'une note par laquelle le Gouvernement des Pays-Bas fait savoir à l'Ambassade de la République Fédérale d'Allemagne que l'approbation constitutionnellement requise aux Pays-Bas a été obtenue.
Je vous prie, Excellence, d'accepter l'assurance de ma très haute considération.
(s.) MÜFHLENFELD
Son Excellence
Le Ministre des Affaires Etrangères
des Pays-Bas
Monsieur J. W. Beyen
La Haye.
MINISTÈRE DES AFFAIRES ÉTRANGÈRES
La Haye, le 11 octobre 1954
Monsieur l'Ambassadeur,
Par une lettre en date de ce jour Votre Excellence a bien voulu me faire savoir ce qui suit:
[Red: (zoals in No. I)]
J'ai l'honneur de communiquer à Votre Excellence que le Gouvernement des Pays-Bas est d'accord sur le texte qui précède.
Je saisis cette occasion pour renouveler à Votre Excellence les assurances de ma très haute considération.
(s.) J. W. BEYEN
Son Excellence
Monsieur le Dr H. Mühlenfeld,
Ambassadeur extraordinaire et plénipotentiaire,
de la République Fédérale d'Allemagne,
à La Haye.
II
(vertaling: nl)
AMBASSADE VAN DE BONDSREPUBLIEK DUITSLAND 'S-GRAVENHAGE
's-Gravenhage, 11 October 1954
Excellentie,
Na overleg tussen de bevoegde Nederlandse en Duitse autoriteiten hebben de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Bondsrepubliek Duitsland overeenstemming bereikt betreffende de volgende regeling voor de overbrenging naar Duitsland van stoffelijke overschotten van in Nederland gesneuvelde Duitse militairen.
I
1. De mogelijkheid zal worden geopend stoffelijke resten van in Nederland gesneuvelde of overleden Duitse militairen dan wel leden van de vroegere Wehrmacht op te graven en over te brengen naar Duitsland.
2. De rechthebbenden, familieleden van de overledene, zullen het verzoek tot opgraving richten tot de Regering van de Bondsrepubliek Duitsland. Indien laatstgenoemde Regering met het verzoek instemt, zal het voor verdere behandeling worden doorgezonden aan het Nederlandse Ministerie van Oorlog.
3. Het verzoek moet bevatten:
Naam en voornamen van de overledene, zijn geboorteplaats en geboortedatum, opgave van gemeente en begraafplaats in Nederland, waar het graf ligt, alsmede eventueel vak-, rij- en grafnummer of -letter; rang van de overledene; opgave van de haarkleur; voorts naam en adres, eventueel telefoonnummer, van de door de familie van de overledene met de overbrenging belaste begrafenisondernemer.
Indien mogelijk zal het verzoek tevens bevatten:
Het nummer en opschrift van het herkenningsplaatje van de overledene; zijn laatste Feldpostnummer; opgave, door een tandarts, van zijn gebitsstatus of, bij ontbreken daarvan, bekend zijnde gegevens omtrent de toestand van het gebit, b.v. getrokken tanden en kiezen, vullingen, kronen, stifttanden, brugwerk e.d.; opgave of de overledene vroeger een arm-, been- of sleutelbeenbreuk heeft gehad, c.q. operaties heeft ondergaan, dan wel een verwonding of verminking heeft opgelopen, waarvan de gevolgen aan de skeletdelen nog terug te vinden zouden kunnen zijn; opgave van de oorlogsverwonding, welke de dood veroorzaakte, of andere bekende doodsoorzaak.
4. Door de Minister van Oorlog zal geval voor geval worden nagegaan, of de juiste grafligging en de identiteit, van het overschot, waarop het verzoek betrekking heeft, volkomen vaststaan. Is dit niet het geval, dan wordt het verzoek tot overbrenging afgewezen.
Geen toestemming zal worden verleend tot opgraving van overschotten, rustende in massagraven, Indien in één graf meer dan één stoffelijk overschot rust (twee of meer boven elkander geplaatst), dan wordt in het algemeen geen toestemming tot opgraving verleend, indien daartoe een ander overschot moet worden geroerd.
Acht de Minister van Oorlog de identiteit en de grafligging voldoende vaststaand, en is van de Burgemeester van de gemeente, waar het graf ligt, het verlof tot opgraving verkregen, dan zal de Minister van Oorlog de voor de overbrenging van het stoffelijk overschot vereiste documenten aan de Regering van de Bondsrepubliek Duitsland doen toekomen.
5. De aan de overbrenging verbonden kosten komen ten laste van de aanvrager. Tot de kosten in Nederland behoren de bedragen welke voor opgraving van lijken in de verordeningen betreffende gemeentelijke begraafplaatsen of in reglementen der besturen van bijzondere begraafplaatsen zijn vastgesteld. Voor het Kerkhof voor Duitse gesneuvelden te IJsselsteijn bedragen deze kosten f. 10.- per geval. De begrafenisondernemer dient deze bedragen vooraf te voldoen aan de daartoe aangewezen functionarissen of vertegenwoordigers.
In sommige gemeenten is het mogelijk, de kist op de begraafplaats door een ambtenaar der invoerrechten en accijnzen van een plombe te doen voorzien, teneinde de grensovergang te vergemakkelijken.
6. Opgravingen op gemeentelijke en bijzondere begraafplaatsen zullen alleen kunnen worden uitgevoerd in aanwezigheid van een vertegenwoordiger van de „Volksbund Deutsche Kriegsgraberfürsorge”, die zich zal vergewissen, dat het juiste overschot uit het juiste graf wordt opgegraven.
Ik heb de eer te verklaren dat deze nota alsmede het antwoord dat Uwe Excellentie wel aan mij zal willen richten, zal worden beschouwd terzake een overeenkomst te vormen tussen onze beide Regeringen. Deze overeenkomst treedt in werking op de dag van ontvangst van een nota waarin de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden aan de Ambassade van de Bondsrepubliek Duitsland mededeelt, dat de in Nederland grondwettelijk vereiste goedkeuring is verkregen.
Gelief, Excellentie, de verzekering van mijn bijzondere hoogachting te aanvaarden.
(w.g.) MÜHLENFELD
Zijner Excellentie
de Minister van Buitenlandse Zaken
van het Koninkrijk der Nederlanden,
de Heer J. W. Beyen,
's-Gravenhage.
MINISTERIE VAN BUITENLANDSE ZAKEN
's-Gravenhage, 11 October 1954
Mijnheer de Ambassadeur,
Bij brief van heden heeft Uwe Excellentie het volgende wel te mijner kennis willen brengen:
[Red: (zoals in No. I)]
Ik heb de eer Uwer Excellentie mede te delen dat de Nederlandse Regering met bovenstaande tekst instemt.
Ik moge van deze gelegenheid gebruik maken, Uwer Excellentie opnieuw mijn gevoelens van bijzondere hoogachting kenbaar te maken.
(w.g.) J. W. BEYEN
Zijner Excellentie
de Heer Dr. H. Mühlenfeld,
Buitengewoon en Gevolmachtigd Ambassadeur
van de Bondsrepubliek Duitsland,
te 's-Gravenhage.
II
Inhoudsopgave
I
II
I
II
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht